Prachtige recensie Znežanka

Van deze recensie van mijn fictiedebuut Znežanka kreeg ik tranen in mijn ogen…

‘Wat een weergaloos mooi boek is dit!

Dit boek gaat over een vrouw die zichzelf en haar blik op de werkelijkheid is verloren na een hevige liefde en de traumatische afloop daarvan. Om af te rekenen met het verleden maakt ze een roadtrip en hoopt op verlossing aan het eind.

Daarmee heeft dit boek meteen een fijne structuur: je weet vooraf hoe lang ze onderweg zullen zijn en dat er aan het eind een ‘ontknoping’ zal komen. Gedurende de trip ontvouwt zich haar heftige verleden, maar de vlotte schrijfstijl en afwisselende gebeurtenissen onderweg bevatten veel humor en geven licht en lucht aan de zware thematiek.

De schrijfster geeft blijk van vertelkunst, zowel als van een diep begrip van de menselijke psyche. Iedereen zal stukjes van zichzelf herkennen. De heftige emoties van ziekelijke verliefdheid, wanhoop, verdriet en woede worden rauw en raak beschreven, evenals de helende kracht van vriendschap en acceptatie, zonder op enig moment sentimenteel te worden.

Mooi ook is de gelaagdheid van het boek: wie goed leest herkent het sprookje, de klassieke opbouw van de odyssee, tegen een realistisch maar schilderachtig beschreven decor van het huidige Amerika.

De verrassende plot trekt de lezer het thema van het boek in door hem voor de keuze te stellen: durf jij in sprookjes te geloven?’

Op Bol.com te lezen (én verkrijgbaar): https://www.bol.com/nl/p/znezanka/9300000012088366/?suggestionType=featured_product&suggestedFor=znrzan&originalSearchContext=media_all&originalSection=main#modal_open

Het Inlichtingen-bureau

Een poosje terug zag ik de serie Weissensee op Netflix. Net als de film Das Leben der Anderen, een van mijn favoriete films, speelt deze serie zich af in het communistische Oost-Berlijn van de jaren 80. Een tijd van ongekende, weerzinwekkende bemoeienis van de staat in het leven van jan en vooral alleman. Zowel de serie als de film zijn van uitzonderlijke kwaliteit, beklemmend, pijnlijk en erg mooi gefilmd. In beide valt goed te zien hoe de Stasi overal binnen wist te dringen, in families, tussen de lakens van geliefden – om over buren, exen, voetbalmaten, padvindervriendjes en collega’s maar te zwijgen. De Stasi was overal. De Stasi kwam overal. Niks ging de dienst, oftewel het Ministerium für Staatssicherheit, te ver om informatie te vergaren. Als enige dienst ter wereld werd ze niet aan banden gelegd. Feitelijk genoot de Stasi de vrijheid om alles van iedereen te weten te komen, linksom of rechtsom, en legde het alleen aan de communistische partij verantwoording af, wat er op neerkwam dat zo goed als alles geoorloofd was, het doel heiligde bijna alle middelen.

Je was al vijand van de Staat als je een scheet liet die naar het Westen uitwaaierde of als je hardop droomde en de verkeerde persoon hoorde wat er voor kapitalistische flarden zich in je onderbewuste bevonden. Hoewel mijn familie uit Tsjechoslowakije komt en ik genoeg akelige anekdotes ken, spant Oost-Duitsland echt de kroon. Wat een walgelijk degenerate manier om mensen te beheersen hadden die idioten. Hoe volslagen en beangstigend willekeurig en doorgeslagen, met meer dan 90.000 lieden die met spioneren hun boterham verdienden, die mensen met ongewelvallige meningen of fantasieën over een leven aan de andere kant van de muur aan dagenlange verhoren en eenzame opsluiting blootstelden, gevolgd door jarenlange gevangenisstraffen, voor niet-bestaande misdaden. Chanteren als er een openingetje was, je moeder die op straat met een partijloze sprak was al genoeg om jou zo onder druk te zetten dat je verloren was, als een onwillig schaap kon worden ingelijfd in het leger van de Staatsinformanten. Zelfs een volkomen onschuldig iemand kon zo maar ineens iets op z’n kerfstok hebben na een gesprek met een stasiofficier. 200.000 onofficiële informanten had die onfrisse oost-Duitse veiligheidsdienst in 1989, dat waren inderdaad die buren, oom, leuke schooljuf, voetbaltrainer en je zus. 1 op de 50 inwoners van de DDR had een spionnenlijntje -uit graagte, gewoonte of opportunisme, omdat het nou eenmaal zijn werk was en ja, dus ook omdat je de pech kon hebben chantabel te zijn of simpelweg erin was geluisd of gedwongen.

Echt niks ging de Stasi te ver. Telefoontaps, microfoons in lampen, camera’s in paraplu’s, willekeurig iemand oppakken en vastzetten, stukjes stof waar zo iemand op had gezeten bewaren in een pot voor je weet maar nooit. En altijd en overal iedereen filmen. Urenlang. Een concert. Een voetbalwedstrijd. Vakantievierende families. Alles werd gefilmd. Dat beklemmende gevoel van de totale staatscontrole, de angst die de adem benam. Zowel de serie Weissensee als de film Das Leben der Anderen geven een goed beeld van die verstikkende machteloosheid.

Ik las vorige week iets dat me aan deze stasipraktijken deed denken. Het speelde niet in Duitsland maar in Nederland. De hoofdrol was niet weggelegd voor een geheime dienst met onbeperkte bevoegdheden, maar voor iets dat ‘het Inlichtingenbureau’ heet. Klinkt een beetje hetzelfde, vond ik, maar dat is natuurlijk flauw en wel heel makkelijk scoren. Nadat ik meer over dat Bureau had gelezen, wist ik echter serieus niet zeker of de Stasi wel was opgeheven na de eenwording van ons buurland of dat ze cadeau was gedaan aan het Nederlandse Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, als relatiegeschenk of zo.
Die inlichtingendienst, pardon, het Bureau, onderzoekt namens dat Ministerie of mensen met een uitkering daar wettelijk recht op hebben. Goeie zaak denk je misschien. We moeten immers niet willen dat bijstandstrekkers nog in hun pyjama en met het klaasvaak nog in de ogen al aan het bier gaan terwijl jij op kantoor zit te werken en ook niet dat ze op slippers de hond uitlaten en bukshag roken. Om over het persen van illegale bitcoins op een onderhands verkregen drukpers of het koken van xtc in hun illegaal omgebouwde schuur maar te zwijgen. Nog zoiets waar absoluut zeer sterk op dient te worden toegezien is het zo goed als bevestigde verhaal dat over die klaplopers de ronde doet: dat ze massaal hun kinderen seksueel misbruiken en dan aan Satan offeren terwijl ze pizza van de Domino’s eten, iets wat met een uitkering helemaal niet moet kunnen, het is een schande en dat is het, of dat ze boodschappen doen bij de AH ipv de Aldi, of nog erger: dat hun moeder een tasje eten voor ze meeneemt omdat zij hun hele huis regelmatig schoonmaken of, echt uitzonderlijk verdacht, omdat de moeder het werkschuwe kind lief vindt en het zielig vindt dat ze nauwelijks kunnen rondkomen, maar ja, eigen schuld dikke bult en alles of dat ze, tsfoe!, een paar keer per week slapen bij hun partner omdat het fijn is om soms een warm lichaam tegen je aan te voelen of, allemachtig wat zulllen we nou krijgen , een hobby hebben, ik noem maar wat, amateur radio-dj, wat echt uitzonderlijk verdacht is want zendmateriaal is duur dat weet elke gek, dus met zo’n hobby heb je eigenlijk ook geen recht op gratis geld van vadertje staat he. Zulke vergrijpen moet je hard aanpakken, iemand die gratis geld van de Staat krijgt moet zich wel aan Alle Regeltjes houden. Niet moorden, geen valsmunterij, geen drugs stoken en zeker geen geknuffel met een of andere viezerik een paar keer per week, dure boodschappen doen of godbetert je arme oude moedertje voor jou koffie laten betalen of een dure hobby hebben. Allemaal extreem verdacht.

Als je een uitkering hebt mag je alleen maar uitkeringsgeld hebben, geen apparatuur om uit te zenden en geen moeder met een groot hart. Dan kun je namelijk je uitkering kwijtraken en zul je in de meeste gevallen al je gestolen staatsgeld moeten terugbetalen. Verdacht zijn is al genoeg om iemand in staat van beschuldiging te stellen. Succes en sterkte met het tegendeel bewijzen, oude steuntrekker. Klaploper dat je d’r bent. Het is bijna ondoenlijk je hier tegen te verweren, blijkt. Gekmakend, lijkt me.

Goddank bestaat dus dat Inlichtingenbureau, die nobele stoottroepen van het Ministerie van Klaploperij en Steuntrekkerij. Opdat geen staatsknaak wordt besteed aan frauduleus samenwonend schorriemorrie in de bijstand. Dat geld kunnen we beter gebruiken om internationale bedrijven in Nederland te paaien of de KLM te knuffelen. Staatsgeld is niet bedoeld om het zakgeld van kinderen van iemand in de bijstand te bekostigen, toch.

En weet je wat het mooie is? Het Inlichtenbureau lijkt ook een zelfde soort onbeperkte bevoegdheid als de Stasi te hebben. Zo kunnen ze extra veel stoute boeven vangen! Mensen dagenlang vanuit de auto bespioneren? Geen probleem. Met een telelens in iemands woonkamer fotograferen? Check. Een drone langs een slaapkamerraam laten vliegen? Dubbelcheck.Tandenborstels tellen, wasmanden controleren, gebruikte koffiekopjes in de gootsteen vinden? Ja, ja en ja. Kinderen op straat vragen hoeveel zakgeld ze van mama krijgen? Niks lijkt de controleur te ver te gaan, hij is echt de schaamte voorbij en lijkt onbekommerd zijn gang te mogen gaan. Alles voor de informatievergaring, om de onderste steen boven te krijgen. Het doel heiligt ook hier de middelen. Goddank is de ggz gratis in Nederland. Ook voor bijstandsgerechtigden. Zullen ze nodig hebben na hun kennismaking met de officieren van het Inlichtingenbureau.

Bom

Gelukkig nieuwjaar wens ik jullie en de buurjongens wens ik ook gratis nieuwe ruiten, deuren en de helft van hun meubilair omdat die allemaal naar de gallemiezen zijn geblazen door een gigantische bom die gisterenavond om 20.00 uur tegen hun achtergevel werd geplaatst. De tanden klapperden in mijn mond, ik zat aan de andere kant van het huis, boven, de ruiten rinkelden, ik schreeuwde het uit, in doodsangst ja, en mijn zoon ‘voelde zijn gamestoel trillen maar dacht er verder niks van’. Ik heb nog nooit zoiets gehoord en gevoeld en geloof me, ik heb veel meegemaakt in deze wijk, twee jaar geleden nog werd met oud en nieuw het hek om onze achtertuin eruitgerukt en de hele tuin inclusief meubilair vernield, en kregen dezelfde buurjongens als bij wie nu een bom is ontploft een gelijksoortige behandeling. Nu ik erover nadenk, vorig jaar ging er bij hen nog een steen door de ruit en was er een poging tot inbraak daar. Studenten hè, onfris volk.

Ik heb ook niks verder van een vuurwerkverbod gemerkt, het was al vroeg onrustig, zeg maar, inclusief alle dronken samenscholingen, maar dat even terzijde. Nou ja, niet helemaal terzijde want toen ik om 02.00 uur des nachts wakker schrok dacht ik in eerste instantie dat er nog restjes jeugd met te veel testosteron op straat aan het oefenen was om auditie te doen voor het koor van de plaatselijke Z-side, maar bleek de volgende ochtend dat ze allang waren aangenomen in het hooligancollectief. Mijn man had tot 06.00 uur beneden gezeten, om het uur op patrouille door de brandgang en op straat en het plein voor ons huis, met het mentale uniform dat hij 28 jaar geleden ook droeg daar in die Servische enclave in wat nu Kroatië is, toen hij er met de Verenigde Naties gelegerd lag. Arme man. Hij had de vuren op straat zien groeien, hier in de buurt dus, niet daar, de mensen uit de omliggende wijken er zich naartoe zien bewegen. Hij had gezien hoe de politie probeerde de mensen uit elkaar te jagen, de brandweer tevergeefs pogingen deed de vlammen te blussen en het schorriemorrie op hun beurt hun best deed dit tegen te gaan. Gelukkig was daar de ME en toen kwam het nog soort van goed. Dit was om 02.00 uur.
Mijn man had de jeugd bij de achterdeur van de studenten gezien toen ze werden verdreven en ze daar weggejaagd (de buurjongens waren er niet), had toen gezien dat de achterkant van hun huis er half uit lag, dat de tuindeur was geforceerd en toen om half drie de bel was gegaan had hij met de geschrokken buurjongens gesproken en ze proberen te kalmeren. De politie kon niet komen want die was bezig de rellende jeugd 10 meter verderop tot kalmte te manen. Er zat niks anders voor de studenten op om te gaan slapen in hun woning zonder achterramen en met deuren die half uit hun kozijnen hingen. Die politie kwam de volgende dag tegen het middaguur. Ook bij ons.

De politieagente vroeg enigzins verbaasd waarom wij niet hadden gebeld toen we die enorme bom pal naast ons huis hadden horen afgaan en mijn man en ik hadden elkaar aangekeken. Ja waarom hadden we dat niet gedaan? En weet je wat wij ons allebei op dat moment realiseerden? Dat geweld en terreur steeds een nieuwe nullijn krijgt, eentje die ongemerkt opschuift, met zulke incrementele stapjes dat je er niet of nauwelijks bewust van bent. De normalisering van geweld, lieve mensen, dat is wat er bij ons is gebeurd en ik keek de politieagente aan en zij knikte. Ja, zei ze, dat is wat er op zulke plekken vaak gebeurt. En je sluit je er voor af, dat ook, zoals de buren deden toen een jaar of 12 geleden de overbuurman zijn vrouw buiten als boksbal gebruikte. De mensen sloten letterlijk hun ramen en luxaflex. Ze sloten het geweld buiten. Ik heb er lang schande van gesproken, ik had ingegrepen en de wrange vruchten van mijn daad mogen plukken, maar ik begin de dynamiek te begrijpen. Het is soms de enige manier om overeind te blijven.

Of ze iets voor ons kon betekenen, vroeg ze. We schudden allebei ons hoofd. Nee, je kunt niks voor ons betekenen. Tenzij je ervoor kunt zorgen dat het geweld stopt of dat wij een grote zak geld krijgen en daarvan een nieuw huis dat niet in deze wijk ligt kunnen kopen. Nee, geen gesprek met opbouwwerkers of de wijkagent, als het niks oplost liever de luiken dicht.

De agente vertrok en de zoon kwam beneden. Hij had door alles heen geslapen. Bless his cotton socks.

Leesclub (en traumatherapie)

Er is een leesclub aan de gang van mijn eerste roman Znežanka. Als er specifieke vragen voor mij zijn beantwoord ik die, maar verder hou ik me op de vlakte en lees ik stilletjes, als een voyeur, mee. Soms kost het mij grote moeite mijn mond te houden; als iemand mij als schrijver persoonlijk iets kwalijk neemt wat een hoofdpersonage denkt of zegt, of als iemand hevig verontwaardigd is over iets wat men meende te hebben gelezen maar wat in plaats daarvan verkeerd is gelezen door die persoon.

Een andere keer begin ik aan mezelf te twijfelen. Dan zegt iemand dat hij iets over-the-top vindt, ongeloofwaardig, vooral veel van dattum, dat het beter was geweest als ik al deze heftigheid uit het verhaal had gehouden. Dat een bepaald karakter helemaal niet uit de verf komt en er alleen in lijkt te zijn gepropt om een punt te maken. Dat de epiloog goedkoop en in elkaar geflanst lijkt en ik hem beter had weggelaten. Dat het zeker van invloed zal zijn op de eindbeoordeling.

Voor een paar vreselijke minuten voel ik me onzeker en klein en de allerslechtste schrijver die ooit op deze planeet heeft gelopen, loopt en zal lopen. Ik ben van het inferieurste soort sterrenstof gemaakt, nee, zelfs dat is te veel eer. Maar dan zie ik als het ware het proces van het onzeker worden gebeuren. Alsof ik een stap naar achteren neem of boven mezelf hang en zo observeer wat er gebeurt. Klopt dit, ben ik te ver gegaan? Had ik het braver aan moeten doen? Had ik minder expliciet moeten zijn, had ik dat karakter moeten uitdiepen, weglaten, niet zo theatraal moeten neerzetten? Had ik die epiloog inderdaad weg moeten laten, zoals ik had overwogen maar na wikken en wegen besloot niet te doen? Of is de mening van één enkele, vier, tien, veertig lezers gewoon de mening van 1, 4, 10 of 40 lezers en staan daar 1, 4, 10 of 40 lezers tegenover die wél mijn intenties hebben begrepen, soms zelfs beter dan ikzelf? Kan ik zien dat iemands mening niet altijd betekent dat het klopt wat er wordt gezegd? Kan iemand gelijk hebben en toch ook weer niet, als iemand niet goed heeft gelezen, ligt dat dan aan mij of aan hem (had ik maar duidelijker moeten schrijven, of had de lezer maar secuurder moeten lezen, kortom) en is het interessant of iemand alle/de intenties van mij als schrijver snapt en als ze niet worden opgepikt, had ik het er dan dikker bovenop moeten leggen?

De allerbelangrijkste vraag is natuurlijk véél simpeler: waarom ben ik zo onzeker, waarom is de mening van een ander voor mij van belang? Ja, ik geef mensen de kans een mening te ventileren over iets waar ik meer twee jaar aan heb gewerkt door mee te werken aan zo’n leesclub. Sowieso gaan mensen meningen over mijn boek Znežanka hebben nadat ze het hebben gelezen en of ze die mening nou hardop of online ventileren of niet, ze vinden er wat van. En dat is logisch en goed, sterker nog: ik zou niet anders willen. Maar in mij huist dus een klein onzeker meisje dat met het hoofd boven het maaiveld uitkomen zo ontzettend lastig vindt. Ik kan bijna niet onder woorden brengen hóe lastig, hoeveel interne strijd er plaatsvindt. Het voelt soms namelijk alsof het hoofd op een hakblok ligt in plaats van boven het gewas uit te dobberen. Ik ben mij er terdege van bewust dat ik mezelf hiermee in mijn vingers snijd. Door de buitenwereld buiten te sluiten en haar te omhangen met bijvoegelijke naamwoorden als ‘boze’ en ‘enge’ maak ik het mezelf niet echt makkelijker, hè? Ik weet het. Ik weet het, maar het veranderen is een heel ander verhaal.

Het mooie is dat ik er íets beter mee om weet je gaan, die angst om gekwetst te worden, zelfs de angst om op te vallen. Met elk boek wordt het een klein beetje minder erg en dit keer heb ik stevig geschut aan mijn kant: traumatherapie. Nee, niet vanwege het boek, dat was alleen een mooie samenloop van omstandigheden. Maar wát voor een samenloop! Ik leer als het ware mezelf te zien op dat overdrachtelijke hakblok: ja, mutseroni, daar lig je dan. Ja, en dan? Ja, het voelt naakt en eng, maar wat kan me écht gebeuren? Wat is het allerergste dat je nu kan overkomen? Is de angst die ik voel wel acuut en reëel (hint richting antwoord: nee!) en moet ik me erdoor laten belemmeren te schrijven, mezelf te tonen, ja, jezus: te leven?

Het antwoord is: nee, beste mensen.

Ik ga u niet beloven dat ik nu heel flamboyant word en op alle feestjes (ooit! Ooit weer mensen! Ooit gaan we weer naar festivals en samen dansen en liederlijk drinken) zal verschijnen, maar een beetje minder ondergronds: daar ga ik voor. Duimt u voor me?

Mijn nieuwe boek is er eindelijk:

Hij was er eigenlijk al een paar dagen, maar nu is-ie er echt: mijn fictiedebuut Znežanka!

Een soortement sprookje/queeste/roadtrip over verbeelding en waanzin en zwart versus wit, goed versus kwaad, rouwen en vriendschap en de vraag waar de scheidslijn tussen een stevig ontwikkelde fantasie en gekte ligt en wie die lijn eigenlijk bepaalt.

Te koop bij elke (online) boekhandel en bij mijn uitgeverij zelfs met extragratis persoonlijke opdracht/krabbel.

Rouwgekte of gewoon gestoord?

Over een paar weken komt mijn eerste roman uit, Znežanka. De hoofdpersoon, je raadt het al, ze heet Znežanka, heeft na het zeer traumatische verlies van haar nog ongeboren kind grote moeite haar leven te hervatten. Het lijkt een verloren strijd, ze voelt hoe haar vingers langzaam, stukje voor stukje, de rand van de richel die werkelijkheid heet loslaten en zakt weg in wat wij met z’n allen “gekte” noemen. Wat volgt is een strippenkaart op het gesticht en vervreemding van de wereld om haar heen, het leven zoals wij haar kennen -weer die werkelijkheid.

Maar Znežanka zelf is niet ongelukkig. Het is de buitenwacht die het nodig vindt haar te labelen met etiketten als “psychotisch” en haar probeert met medicijnen weer in het gareel te krijgen. Znežanka heeft echter in haar onuitsprekelijke rouw haar dochtertje teruggekregen, zichtbaar, tastbaar, zelfs de geur van de pasgewassen haren van het meisje is zo levensecht dat er voor haar geen enkele twijfel bestaat over wat echt en wat niet echt is, wat psychiaters er ook van vinden. Na jaren therapie keert ze, soort van, terug in het hier en nu, loopt ze enkel nog wat kantjes van de werkelijkheid af, is haar gekte niet meer zo groots en meeslepend dat ze ervoor opgenomen hoeft te worden. Maar het kind wijkt niet van haar zijde, gelukkig maar, vindt Znežanka zelf.

De aanwezigheid van de niet-bestaande dochter geeft haar leven glans, maar buiten Znežanka ziet niemand het zo. Ze is gek, wat Freud 100 jaar geleden “wishfully psychotic” noemde, een staat van rouw waarbij de rouwende (tijdelijk) gek wordt en zelf visioenen van een dierbare overledene oproept, “fantasievolle verlangens” die, om te herstellen, het best zo snel mogelijk losgelaten dienen te worden. Rouwhallucinaties waren maar obstakels, vond Freud.

In de afgelopen 100 jaar is de visie op rouwhallucinaties niet echt veranderd, al zie je de laatste jaren in rouwtherapie wel dat therapeuten de aanwezigheid van overleden personen lijken te accepteren, maar dan voornamelijk op symbolisch niveau, (nog) niet als concreet of tastbaar iets. En even voor de duidelijkheid: veel mensen “voelen” de aanwezigheid van overleden geliefden, ruiken hun geur. Soldaten beschrijven hoe ze met overleden wapenbroeders praten, weduwen hoe hun dode echtgenoot naast hen in bed ligt. Bijna niemand die iets dergelijks meemaakt lijkt daar een groot drama van te maken, het is onderdeel van de rouw, bijna altijd van voorbijgaande aard. Voor sommigen zijn de rouwhallucinaties zelfs een helend fenomeen, maken ze het leven een beetje dragelijker, minder zwaar. En toch blijkt het voor therapeuten én mensen die het zelf niet meemaken/hebben gemaakt een ongemakkelijk iets, geesten bestaan immers niet. Het is iets om te weerleggen of zenuwachtig te negeren. Goddank dus dat die “rouwgekte” maar tijdelijk is.

Wat maakt dat iemand als Znežanka dan? Iemand die weigert te geloven dat haar overleden dochter een hallucinatie is en bij wie het niet lijkt te gaan om een voorbijgaand iets? Houdt zij te lang vast, zoals Freud zou zeggen, en belemmert dit haar te leven? Is zij dan iets als permanent rouwgek, of noem je zo iemand psychotisch? Volgens het etiket dat ze opgeplakt krijgt wel. (In de Victoriaanse tijd zou ze ongetwijfeld als hysterica zijn weggezet, opgesloten en sleutel weggegooid.) Of doet het er helemaal niet toe of iemand dingen ziet, hoort of voelt die jij niet ziet, hoort of voelt, maakt dit hem of haar niet automatisch “gek”? In Znežanka’s woorden:

Jij ziet haar niet […], maar dat betekent niet dat ze er niet is, want ik zie haar wel, en wie zegt dat jouw niet zien belangrijker is dan mijn wel zien? Dat jouw niet zien zwaarder weegt? Is dat enkel vanwege het feit dat er veel meer mensen zijn die Smilla niet zien en ik misschien wel de enige ben die haar wel ziet? Ligt daar dan de demarcatielijn tussen niet gek en gek, alleen omdat een grote groep iets anders ervaart dan een kleinere groep? Waarom dat harde onderscheid, die behoefte tot classificeren en opbergen? Geeft dat je een gevoel van veiligheid, is dat wat dat dwangmatige ordenen met je doet?

Afijn. Znežanka dus. Mijn fictiedebuut. Het komt iets later, mensen, de cover gaf wat problemen, niks wat niet is op te lossen, we gokken op eind november. 2020, ja. Je kunt je nog inschrijven voor de leesclub op Hebban.nl

hebban.nl/spot/leesclub-znezanka (tot 1 november)

Puberona deel 2

Zondag is bosdag bij ons, zeker als opa komt. En opa zou komen, dus het werd het Mensingebos in Roden. Jongste van 12, oudste van 14 en papa achterin als Frankfurters in een omgevallen pot, mama fijn met beenruimte en ademruimte voorin naast opa. Some Frankfurters are more equal than other Frankfurters, nicht wahr.
We waren de straat nog niet uit of het gemekker begon al. Waarom de wifi het niet deed..o nee, niet thuis. Ik weet niet of ik nog beltegoed heb, jezus, ik kan ook niet inloggen bij Ben om te zien of ik nog beltegoed heb want ik weet mijn wachtwoord niet. Ik op belerende toon: hoe vaak heeft papa al niet tegen je gezegd dat je dat op moet slaan in zo’n handig eh.. documentje of wat was het ook alweer.
Papa murmelt vanaf de achterbank dat hij dat ook al minstens 84 keer tegen mij heeft gezegd en dat ik me daar ook verdomd weinig van heb aangetrokken door de decennia heen. Sst, toch eens jij.
De veertienjarige vindt dat ik mijn hotspot maar aan moet zetten want zo’n oud kadaver doet natuurlijk helemaal niks met al die GB aan data en daar heeft hij natuuurlijk helemaal gelijk in.

Ondertussen klaagt de 12-jarige over het heet hebben en zich beklemd voelen, misselijk en hij kan ook geen adem meer halen en ik krijg visioenen van vroeger tijden dat ik hem in een skipak probeerde te hijsen en hij als een ogerjong brulde dat ie dik was zich dik voelde en het was heet en hij ging dood en dit alles met zo’n rood hoofd dat ik hem geloofde. Ook nu loopt-ie akelig rood aan zie ik in het spiegeltje rechts van me dus ik strijk over mijn hart en zeg dat hij straks voorin mag. Blijkbaar is de bevoorrechte worstenpositie een tijdelijk fenomeen. Of ik ben een slappe prak.

We rijden voorbij het bos en als ik vraag waarom dat is krijg ik te horen dat we eerst gaan lunchen in Roderesch of zoiets. Niemand vertelt mij ook iets hier.

De puber zucht theatraal vanaf de achterbank. Hij stiet een aantal niet herhaalbare schuttingwoorden uit en zegt dat Ben echttt een slechte provider is. Maar je zit toch op mijn Vodafone hotspot, zeg ik. Nee gast, zegt hij. Ik wist gewoon mijn wachtwoord ineens. Ik zucht ook en haal mijn wenbrauwen op de maat van de zucht op en zet de verbinding maar weer uit.
Gaan we lunchen, zegt de puber. Jezus nee. Ik lust helemaal niks. Moet ik weer zo’n tosti zeker. En weer van die gezellige woorden erachteraan die ik hier maar niet herhaal.

De tafeltjes staan op grote afstand van elkaar maar niet genoeg om de toenemende doofheid, of eigenlijk: de daarbijbehorende decibellen van opa, ongedaan te maken. Man, wat kan die man hard praten. Het mooie is dat het niet werkt om hem hierop attent te maken. Hij schreeuwt gewoon door. Ik vermoed dat de doofheid een mengeling is van verschillende soorten en maten, de een wat medisch aantoonbaarder dan de ander.
Het jongste stuk nageslacht wordt helemaal wild van de menukaart en de oudste is, zoals de Engelsen het zo mooi zeggen ‘underwhelmed’. De puberteit heeft daar nog een schepje bovenop gedaan: als het geen energiedrank, frikandellenbroodje of noodles uit een zakje zijn hoeft het wat hem betreft niet. Grappig de verschillen tussen die twee, denk ik. Die stuiterende blije kleine en die korzelige boze oudere broer. Dat wordt nog wat over twee jaar als de jongenste energiereep ook puberona krijgt. Ik schiet in de lach maar de puber is niet gecharmeerd. Zijn moeder die lacht, soms ben je echt heel erg, weet je dat mama. Ik knik. Ik weet het.

Later krijg ik te horen dat ik: een wesp verkeerd wegjaag, verkeerd kijk, verkeerde dingen zeg, te hard lach, een zakje met een servet verkeerd open en dat ik een dinosaurus ben, gewoon veel te oud. Alleen dat ik adem heb gehaald tijdens de lunch werd niet genoemd, jammer, anders had ik mijn bingokaart nu vol gehad. Mijn vrolijke stemming is aan het afnemen, voel ik, hoe zeer ik me ook deze keer had voorgenomen me niks van de puberona aan te trekken. Met zware voeten stap ik even later uit de auto het bos in. Ik heb geen zin meer in wandelen. Geef me een bad. Netflix. Wijn. God, ik ben veranderd in zo’n vrouw.

Dan voel ik een arm om me heen. Hij legt zijn hoofd in mijn nek en zegt dat hij van me houdt. Dat ik zijn lieve mamaatje ben, voor eeuwig en altijd. Zullen we de bal overpassen, mama, vraagt hij en lachend sprint hij naar voren, de bal behendig tussen zijn lange giraffenbenen. Een en al blije jongen.

Znežanka bijna een roman!

Mijn fictiedebuut is bijna een feit…bijna. Nog anderhalf, twee maanden wachten en dan is het een heus boek. Met een mengeling van trots, nervositeit en balorigheid presenteer ik u bij dezen het omslag, de cover en achterflap. Er gaan nog een paar kleine dingetjes veranderen qua tekst op de achterflap, maar niet veel. Blijkbaar vallen mijn grapjes over mezelf niet bij iedereen in goede aarde. Ik beloof jullie bij dezen dat ik er nog een keer naar zal kijken.

Het boek is trouwens al te bestellen, pre-orderen in goed Nederlands, en wel bij mijn uitgever:

Puberona

Mijn zoon is van de ene dag op de andere de puberteit in geschoten. Althans, zo voelt het. Foto’s bewijzen in elk geval dat hij een half jaar geleden nog zacht en aaibaar was. ‘Normaal’ mag ik natuurlijk niet zeggen, maar als ik het wel mocht zeggen dan zei ik het. Ach, fuck it, ik zeg het nu ook. Hij was een half jaar geleden nog normáál. Als ik nu een foto of godbetert een filmpje wil maken moet ik het nummer van de oudermishandelingstelefoon op speeddial hebben. Hij is de ene seconde korzelig en aangebakken en dan ineens, zonder schijnbare aanleiding, lief en knuffelig. Zijn humeur hangt aan een bungeejumpkoord, langs de uiterste hoeken van de menselijke emoties schrapend. Slaaf van vreemdsoortige hormonen.


Daar waar hij vorig jaar om zes uur ’s ochtends naast zijn bed stond te trappelen vol ongeduld om de dag te beginnen is hij er nu niet uit te branden. Als een vampierkuiken ligt hij te knipperen en te pruttelen in zijn vampierbed als een of ander onverlaat het gordijn in zijn kamer voor twaalf uur s middags open durft te trekken. Hij is niet achter zijn computers weg te meppen. Hij wil het liefst alleen noodles en roze koeken eten. Hij is me ineens in lengte voorbij gegaan, de gniepigerd, het gebeurde zonder dat ik er erg in had. Zijn handen en voeten en snor zijn in een keer groter dan de mijne. Zijn stem doet raar.


Corona en de opvolgende zomervakantie hadden zijn dagen in amorfe zeeën van tijd veranderd. Lange, uitgestrekte paden zonder kaders, zonder horizon, zonder verlichting onderweg. Gelukkig kan hij goed zwemmen en is hij niet nachtblind, denk ik wel eens, iemand zou zo maar kunnen verzuipen in die wezenloze brij van tijd. Gelukkig ook dat ik iets van begrenzing bied, al wordt dat me niet in dank afgenomen. Welke 13-jarige wil er immers om 11 uur al naar bed. Of wandelen met zijn ouders. Wie wil er nou losgelaten worden in de natuur, paddenstoelen zoeken en bosbessen plukken, wie verzint zoiets, als je Warzone of Minecraft kunt spelen. En waarom tanden poetsen als je nergens heen gaat? Rot op met je huiswerk, echt, wat een marteling was dat, dat huiswerk in coronatijd. Afijn, coronatijd werd vakantie en nog steeds moesten de tanden worden gepoetst, het was een gotspe. Het was écht godsgeklaagd.

En toen kwam die puberteit ook nog. Zit je dan met al je hormonen een beetje thuis te zitten, terwijl je hoort af te geven op school en boomerdocenten met vieze koffieadem en sneue praatjes en nog ergere grapjes. De leraren die er bij willen horen zijn het allerergst, weet je nog. Je hoort naar de supermarkt te gaan in de pauze om broodjes met 500 E-nummers te scoren. Je hoort meisjes of jongetjes waar je een oogje op hebt te begluren. Je hoort de slappe lach te krijgen om niks. In plaats daarvan zit je thuis en moet je nog steeds je tanden poetsen. Wie poetst er nou zijn tanden als ie nergens heengaat? Dat is echt weer zo’n rare regel van een bejaard fossiel uit de vorige eeuw.

Beetje moe van

Weet je waar ik een beetje moe van word? Ook als je het niet wilt weten ga ik het opschrijven, dus gauw stoppen met lezen bij geen interesse. Goed, ik word dus moe van die eindeloze trits mensen op social media, elke dag weer opnieuw, keer op fucking keer, die moe worden van wéér iets dat iemand anders deed of vond of niet deed of niet vond of whatever. Van al die meningen was ik al hondsmoe, kotsbeu ben ik ze in feite, die meningen, en dan niet de gelaten variant beu, maar echt op zo’n manier dat de jeuk me uitbreekt op nauwelijks te bereiken plekken. Het agressieve soort beu zeg maar. De vlekken-voor-de-ogen variant. Godskolere, wat ben ik totáálklaar met meningenmensjes. We gaan nog eens massaal ten onder aan dat oordeeloedeem waar zowat heel socialmediaënd Nederland aan schijnt te lijden.

Maar goed, ik liet me even afleiden. Waar was ik gebleven. Ja, mensen die ergens moe van zijn. Dat ik dáár moe van word. Nu nog van de gelaten soort maar het duurt niet heel lang meer eer ik het niveau van mijn meningenintolerantie heb bereikt. Dat ik wéér van een vermoeid persoon lees dat ie moe wordt van mondkapjes, van corona, van mensen die demonstreren voor iets dat ze aan het hart gaat, van mensen die te veel op social media zitten, van hun partner, hun leeggelopen aambeien, het onjuist voorspelde weer, van iemand die een mening heeft die hem niet zint, van wéér een plaatje van een bord eten, van die snolliebollie die zo nodig wéér met die leeggezogen tieten op een selfie moest. Moe word ik ervan. Van al die mensen, met al die meningen en hun chronische socialemedia vermoeidheidsyndroom.

‘Moe ergens van worden’ is natuurlijk niets anders dan een mening hebben he, dat weet zelfs mijn malle achterlijke neef uit het voormalig thuisland. Het is de eufemistische bewoording voor superioriteitspuien, alleen dan de passief-agressieve variant. In gedachten zie ik een ouder zachtjes met zijn hoofd schudden, nee ik ben niet boos, je hebt me alleen ernstig teleurgesteld. Kauw daar maar eens even ernstig op, mannetje, het is een bommetje in een kadootje. Zo ook met het ‘moe ergens van worden’. Nee, klaplul, je wordt niet moe van die eikel die zijn fatbike vol trots laat zien aan z’n sociale media vriendjes, je vindt hem gewoon een onfatsoenlijke koolraap omdat ie volgens jou laat zien dat ie goed in de slappe was zit en, in tegenstelling tot jijzelf, wel goed bedeeld is qua klokkenspel. Vol afschuw zoom je nog even in op het gebeier en je voelt je bloed koken. Maar wat schrijf je? Dat je móe wordt van zulke mensen. Je hóeft er niet naar te kijken; naar die fatbiker met alles wat jij niet hebt. Of durft. Of wat dan ook.

Als je zo moe van alles wordt, waarom ga je dan niet lekker op bed liggen, potje slapen, seksen van mijn part , dat schijnt ook te ontspannen. Neem een vitaminepil, of nog beter: ga lekker naar buiten en geniet van de zon. Ga sporten. Kikker je van op.

Moe word ik ervan, van die collectieve vermoeidheid die eigenlijk niets anders is dan die oeverloze meningendiarree. Het stadium meningenmoe was ik allang voorbij en misschien wordt het tijd dat ik toegeef dat ik ook niet gewoon ‘een beetje moe’ word van mensen die moe worden van andere mensen, maar feitelijk het irritatiepunt allang ben gepasseerd en de behoefte voel iemand met zogenaamde vermoeidheidsklachten cq een mening eens even stevig de waarheid te vertellen.

Of misschien moet ik social media maar weer een tijdje gaan mijden en zelf eens naar buiten gaan om te genieten van het zonnetje. Schijn je van op te kikkeren.