je weet het niet

Als je langs de velden rijdt, niet te hard (het liefst ga je stapvoets, je wilt niets missen) kijk dan naar de samenhang, hoe het graan genadeloos wordt onderworpen door een onzichtbare dirigent, een concertmeester die hoog boven de aren, strak en toch schijnbaar zonder moeite, alle aanwezigen dezelfde kant op stuurt. Alsof je kijkt naar een scène uit Fantasia, het gezamenlijk breken van golven bij het strand: Alles in het gelid, honderden vierkante meters met één stem, wuivend op dezelfde muziek. Loepzuiver georchestreerd, alsof ze smeken om sturing en dat allemaal zonder dwang. Dat laatste weet je niet zeker, je neemt het voor het verhaal maar aan.
Graan. Zonnebloemen. Maïs. Riet. Luisteren ze naar een macht van hogerhand? Bestaat er zoiets als democratie onder planten? Is er een autocraat die wind heet, een magnetische kracht boven het land die vriendelijk aanstuurt of juist geselt zonder dat jij er weet van hebt? Gebeuren de dingen omdat ze nou eenmaal gebeuren, omdat het sinds het allereerste begin zo ging en nu nog steeds op die manier zo gaat? Je weet het niet, je weet het niet. Je weet het niet.

uitstelschrijver

Het boek waar ik al ruim anderhalf jaar aan werk vordert langzaam, goddank wel gestaag. Elke week een paar pagina’s erbij, dat niveau zeg maar. Ik heb geen schrijfkamer, geen grotemensenkantoor. Ik heb een bureau met een kruk in een hoek van de woonkamer, tussen een boekenkast en het raamkozijn, onder een plank met boeken en een paar pannenkoekplanten en een dooie bonsai. De kruk is een wiebelkruk, speciaal gekocht om ‘actief te zitten’, wat dat ook maar mag zijn. Ik vind het vooral een kutkruk, maar ik vind ook dat ik niet mag zeuren want ik zit er te weinig op om er op te mogen afgeven. Het bureau en de kruk zijn een vooruitgang met de situatie een jaar geleden; toen schreef ik met mijn laptop op schoot op de bank of tussen de de kruimels op de eettafel. Ik voelde me een Echte schrijver toen ik het bureau van mezelf cadeau kreeg: vanaf nu zou het als een speer gaan met dat schrijven van mij. Maar dat viel dus tegen.
Er is altijd wat. Ik heb áltijd een reden om niet te schrijven. Het is echt onbehoorlijk hoe bedreven ik ben in het verzinnen van excuses om niet te doen wat ik in feite het liefste doe. Ik ben zo’n schrijver die alleen kan schrijven als ik alleen ben. Ja, dan komt zo’n corona beroerd uit hè. 2 jaar twee kinderen thuis die thuisonderwijs behoeven of dan toch in elk geval een stevige gesel, geen seconde alleen ben je dan. Kom dan nog maar eens aan schrijven toe, simpel als wat. En vergeet die man niet die ook niet uit huis was weg te slaan. Niet raar natuurlijk, zijn kantoor was dicht, maar toch. Vermoeiend allemaal. In de weekenden, als ik niet hoef te geselen, ja, nou ja, dan zit er altijd iemand in de woonkamer. Of komt er iemand binnen lopen terwijl ik net op die klotekruk ben gaan zitten. En ik vergeet haast het belangrijkste: dan wil ik schrijven, eindelijk, maar ja: dan heb ik al weken niet geschreven en zie er dan nog maar eens in te komen. Moet je alles weer teruglezen…En voor je er weer in zit, is er wel weer een reden om niet te gaan schrijven. Een ziek kind. Proefwerkweken. Een aardbeving. Een opvlieger. Pms. Marsmannetjes. Vogeltje in de tuin. Dingen. Je kunt het zo gek niet verzinnen of ik blijk het te hebben gebruikt als reden om niet te hoeven schrijven. En dat voor iemand die behoorlijk gedisciplineerd is. Selectief gedisciplineerd moet ik misschien zeggen. Lui ben ik ook niet. Ik hou van schrijven. Je vraagt je af waarom ik schrijver ben geworden als ik vooral heel veel energie steek in het vermijden van mijn schrijftafel.

Dag duif

Ik heb zo de voorstelling van het toneelstuk waar we met het wijktoneelgezelschap twee maanden aan hebben gewerkt maar ik ben met mijn hoofd bij de dode duif. De duif die aan het doodgaan is, moet ik zeggen. Te pas en te onpas dringen de beelden van de laatste minuten van het beest zich namelijk aan me op. Als ik mijn tekst wil oefenen. Als ik aan de tafel zit en de plek zie waar het gebeurde. Toen ik gisteravond wilde gaan slapen. Ik kan de beelden niet stopzetten. Het enige wat ik kan is ze ondergaan, ze voelen in mijn lijf. Ze steeds opnieuw beleven. Steeds die ongenadige werkelijkheid van hoe de duif zijn gebroken nekje probeert op te tillen, hoe zijn ogen zich langzaam sluiten, hoe mijn vingers zijn veren aaien, zijn warmte voelen. Steeds weer opnieuw, steeds weer en opnieuw.


Het begon met het vogelhuisje waar ik pinda’s en zonnebloempitten in legde voor de koolmezen. Toen kwamen de stadsduiven de boel overnemen. Ze maakten alles kapot en scheten de tafel en de bankjes onder. Mijn idylle werd ruw verstoord. Vogels voeren als dagelijkse handeling, vogels kijken als rustgevende activiteit, veranderde in pijnlijke nekspieren en frustratie. De kleine vogeltjes kwamen nauwelijks meer en de schijtende duiven hadden mijn tuin gekoloniseerd. Ze maakten ruzie met alles wat vloog en zetten hun veren uit om hun eigen soort weg te jagen. Ik keek niet meer als meditatie uit mijn raam, nee ik had een stok genomen om de duiven tien keer per dag weg te jagen. Ik voelde me nukkig en verre van de zen die ik initieel voor ogen had toen ik aan het vogeltjes voeren begon. Zo kan het niet langer, realiseerde ik mij gisteren en haalde het huisje weg. Ik kan niet alles naar mijn hand zetten, niet de wereld, niet dit stukje natuur maakbaar willen maken. Dat kan helemaal niet, domme Prazdny. Loslaten moest ik het of ermee stoppen. Het viel niet goed bij de duiven. Ze waren hun chille voedselvoorziening kwijt en zochten rumoerig naar het verdwenen huisje, waarbij ze de planten die eromheen hadden gestaan kapot trapten. Mijn man werd zo boos dat hij een kleine duif, nog niet volwassen, met de stok wegjoeg. De duif was niet snel genoeg weg en mijn man sloeg het beestje op zijn kop. Veel te hard.


Ik heb voor het laatst zoveel gehuild toen we besloten dat we de hond, uit Curaçao overgevlogen voor ons, niet konden houden. En de keer daarvoor toen mijn 1-jaar jonge kat voor mijn deur op de stoep werd doodgereden door een maaltijdbezorger.


De klootzak die zegt dat rouwen een werkwoord is mag van mij aan de hoogste boom maar heeft wel gelijk. Dit is niet te doen.


Ik ben nooit een goede rouwer geweest, schoof het voor me uit, nee, verpakte het in ijs zodat ik het niet hoefde te voelen. Maar al die pakketjes bevroren verdriet meezeulen is zo ontzettend vermoeiend, mijn vriend. Het is niet zo zeer dat ze je inhalen, zie je die blokken ijs al rennen?, als wel dat ze je eronder krijgen. Op een gegeven moment kun je geen stap meer zetten, zo zwaar ben je geworden door al dat onverwerkte leed, die gestolde pijn, die zaken die je deden wankelen en aan jezelf twijfelen lang geleden, maar die je niet in de bek durfde te kijken. Niet kon. Onder ijs leven is het equivalent van gestagneerde rouw. Rouwen als lijdend voorwerp. Maar geloof me, óók gestagneerde rouw is hard werken, overleven is een fulltime baan. Het ijs heeft je veranderd in zo’n sumoworstelaarspop. Geen beweging in te krijgen. Niet omver te duwen. Tot je toch valt en zie dan nog maar eens overeind te komen.


Ik kwam overeind. Ik sta nu. Ik rouw. Dag duif met je malle gevlekte verenkleed. Dag vogelhuis. Dag idee van in totale zen naar buiten kijken en de vogeltjes zien kwetteren. Hallo loslaten. Hallo werkelijkheid. Ik heb vertrouwen in het proces. Ik beweeg mee, ik ben als het riet in de wind. Maar man, wat doet het pijn.

MEME-VOER

Van mijn kinderen mag ik geen podcast beginnen. Ook geen You Tube kanaal. Dat ik een website heb waar ik te hooi en te gras wat tekstjes op plemp is al erg genoeg. En al die foto’s van mij op het internet? Da’s over het randje van wat kan maar omdat de foto’s oud zijn en ik er daar nog relatief ongehavend uitzie, ofzo, mag het nog. Maar dan net. Het is niet alleen vanwege hun eigen schaamte dat ze me het verbieden, het is ook om mij te beschermen, zeggen ze.


Het schijnt een leuk tijdverdrijf in hun beider vriendengroepen te zijn om elkaars ouders online op te zoeken en dan de belachelijkste, gênantste foto’s, filmpjes, wat dan ook, tot meme te maken en elkaar en weet ik het wie nog allemaal, daarmee kapot te spammen. Hun vader werd een paar jaar geleden op een uiterst ongelukkig moment vereeuwigd door zo’n pasfotofotograaf. Hij zag het al bij het afrekenen, dit is niet goed, dit is helemaal niet goed, maar zei natuurlijk niks, want je zou maar zeggen dat dit echt een totaal mislukte foto is en dat hij zo niet tien jaar op officiële documenten wilde staan. Wat dus wel gebeurde. Hij moet het nog steeds doen met die foto waarop hij staat als een of andere oerwoudterrorist. Nog erger: hij heeft de foto gebruikt voor op de website van zijn werk en nou ja, je voelt hem al aankomen: het schorriemorrie vond de vader van R. online en nu is mijn arme man een stomme meme. Volgens mijn zoon liggen ze altijd slap om zijn hoofd dat meer weg heeft van een of andere net-gearresteerde doomsdayprepper die veel te lang omringd door veel te veel wapens in de Amerikaanse bossen heeft zitten haten op de overheid van dat slappe thee-aftreksel Biden, dan op een brave werknemer van een hbo-instelling in een provinciestad. En dan komt hij er nog genadig van af, wordt mij verzekerd. De vader van een vriendje van R. staat helemaal bovenaan de lijst van meest-dankbare slachtoffers om schaamteloze memes van te maken. De arme kerel is een ware fundgrube voor gratis puberleedvermaak en hij heeft het er helemaal zelf naar gemaakt, zegt zoon R. Had hij maar niet zichzelf moeten filmen terwijl hij dat online spel speelde. Een oude kerel met een grote bril die rage quit, scheldend op de 13-jarige kinderen tegen wie hij speelt: beter vermaak is er bijna niet. Dat hij tutorials online heeft gezet waarin hij piano’s stemt…tsja, zoiets is gewoon te goed om te laten liggen. De man is een ware legende geworden in de kleine community van zoonlief. Of dat positief is hangt denk ik af van wie je het vraagt.


Of ik dus alsjeblieft géén YouTube kanaal wil aanmaken, óók niet over zoiets sufs als boeken. NIET je eigen teksten gaan inspreken en grappig gaan proberen te zijn, mama. Alsjeblieft, wees verstandig. En al helemaal geen podcast. Om een of andere onduidelijke reden is dat zo’n beetje het ergste wat iemand van mijn leeftijd kan doen. Laat ik nu net precies dat van plan zijn: een podcast beginnen. Een paar luisteraars heb ik nu al in de pocket. Lekker.

post-(c)ptss

De therapeut had me erop voorbereid: sommige mensen, best veel mensen misschien zelfs, gaan de wereld anders zien nadat ze hun traumatherapie hebben afgerond. Omdat er iets in hen zelf is veranderd. Omdat ze oude patronen in de bek hebben gekeken en ze daarna bij het grofvuil hebben gezet of, iets minder extreem, leren leven met wat hen vroeger is overkomen en het niet meer allesbepalend laten zijn. Soms gooien mensen die in traumatherapie zijn geweest het roer om, zei de therapeut, dan gaan ze bijvoorbeeld studeren. Veranderen ze van baan. Maken het uit met hun partner, familie of vrienden. Zoeken nieuwe horizonten.


Acht maanden geleden zei ik hem voor de laatste keer gedag. We deden niet sentimenteel, geen grote woorden, geen omhelzing. Mijn therapeut zei: het ga je goed en ik zei: ja, dat wil ik ook voor mezelf en dat was het.


Ik dacht soms aan wat hij had gezegd en of de wereld al anders was geworden voor mij, of dat ik misschien al de behoefte voelde het helemaal anders te doen. Dat was niet zo. Ik ben nooit van de radicale omwentelingen geweest, dus ik zou het ongetwijfeld hebben opgemerkt als het wel ineens zo was. En toen kwam het moment dat ik niet meer elke dag dacht aan zijn woorden. Dat ik niet meer zo bezig was met de zware therapie die ik had gehad en wat ik had geleerd. Ik leefde elke dag opnieuw, zoveel rustiger en ik sliep weer. Ik was niet meer zo angstig. Mijn hoofd was soms zelfs leeg en ik had meer overzicht dan ik ooit in mijn leven had gehad. Dat was wel eens anders geweest kan ik je vertellen. Het waren mooie veranderingen. Vooral het feit dat ik niet meer door alles en iedereen getriggerd werd voelde bevrijdend. Ik zag mezelf scherper.

Ik was beter ingekleurd. Ik was meer mezelf geworden. Hierdoor wist ik ook beter wat ik nodig had en wat niet. Soms vind ik het nog lastig om me uit te spreken, omdat me uitspreken kan betekenen dat iemand boos wordt of gekwetst. Maar ik spreek me uit en voor mij is dat winst.


Ik was veranderd, ik voelde het op zoveel terreinen, maar het was geen grootse of meeslepende ommezwaai, zoals ik me had voorgesteld bij het verhaal van de therapeut, dus hoewel ik wist dat het was ingezet tijdens de therapie, herkende ik het niet als iets dat bij zijn verhaal over veranderingen en dingen anders doen hoorde. Ik had alleen dat deel over ‘helemaal anders doen’ onthouden, misschien.

Jazeker, ik was veranderd, maar ik was ook nog mezelf, de parttime kluizenaar. De persoon die het moeilijk vindt zich open te stellen. Diegene die niet makkelijk vrienden maakt. Die zich comfortabel voelt in een pyjama thuis, het liefst alleen of met haar gezin en minder in een groep mensen, in een binnenstad, met reuring, spanning en hectiek.


En toen ging ik Zweeds studeren. Iets wat ik al jaren wilde doen maar nooit deed. Nu deed ik het. En toen meldde ik me aan bij een buurttoneelvereniging. Ik was ooit niet naar de toneelacademie gegaan omdat mijn jeugdtrauma mij dwong niet boven het maaiveld uit te komen, om subrosa door het leven te gaan. En dat voor iemand die zo graag op een podium stond. Opvallen was onveilig dus toneelspelen was geen optie.


Ik zeg wel eens: ik ben als schrijven een soort toneelspeler alleen doe ik dat zonder geluid en zonder aanwezig te zijn. Mijn podium is het moment dat jij mijn woorden leest. Ik ben een naar binnen gekeerd acteur. Schrijven is toneelspelen voor de getraumatiseerde ziel.


Maar ik begon dus met toneel. In het begin merkte ik dat ik soms wat dissocieerde als de aandacht op mij werd gericht. Op zulke momenten ben ik er niet helemaal. Het is een hardnekkig coping mechanisme, veilig in mezelf verborgen, maar het was niet onopgemerkt gebleven toen ie de kop op stak, ik herkende het en liet het er zijn. Fluisterde enkel dat het veilig was hier. Ik ben veilig. Je bent nu veilig. Na een paar keer kreeg ik er aardigheid in. In toneelspelen!Ik!In het volle licht, met de bouwlampen op me gericht: dat was al 30 jaar mijn grootste angst en daar stond ik dan te staan en ik was er helemaal.


En toen wandelende ik met S. en vertelde ik hem wat ik zo graag wilde doen: meer doen dan alleen schrijven. Ik vertelde over mijn ideeën en fantasieën. Over zijpaden en projecten die ik zou willen oppakken. Over wat ik allemaal zou kunnen doen. Ik werd steeds enthousiaster terwijl ik vertelde. Ik voelde het kriebelen. De lente. Het leven. Ik wilde naar buiten, eruit! Dingen doen, met mensen, voor mensen! Hij keek me met opengevallen mond aan. ‘Wie ben jij en wat heb je met mijn vrouw gedaan?’ zei hij lachend.


Het was op dit moment dat ik mij realiseerde dat dit was waar de therapeut het over had gehad. Geen Wagner, geen Brückner, geen paukeslagen. Maar dit was het, ik wist het zeker.


Ik ben zó onwennig. Ik wil wel maar ik weet niet hoe, omdat ik het nog nooit heb gedaan en toch weet ik dat het een kwestie van tijd is. Van wanneer. Niet van óf ik nog meer nieuwe leuke spannende dingen ga durven.

buurtamateurtoneel

Dus ik had besloten om over een buurtamateurtoneelvereniging te schrijven. Uit een writers block terugkomen gaat niet over rozen, mensen. Ik voorzag een lijdensweg van doorhalen en deleten, opnieuw beginnen, weer doorkrassen en nog eens opnieuw beginnen, maar als ik weer wilde schrijven moest ik me érgens in vastbijten en het onderwerp liet het me niet los, dus daar ga je. Een handjevol mensen dat bijelkaar komt in een treurige ruimte met systeemplafond dat zwart staat van de schimmel, lauwe koffie in plastic bekertjes voor 2 euro in de hand, koffie die waarschijnlijk ’s ochtends is gezet door een vrijwilliger of persoon met afstand tot de arbeidsmarkt, de vroegere Melkertbaner, geen idee wie zijn naam er nu weer voor heeft geleend, stoeltjes lullig in een kring, alsof ze niet komen om toneel te spelen maar om hun wekelijkse AA-sessies af te werken. Vanuit de vloer komt het ge-rawhide en de zogenaamd opbeurende klanken van een computergegenereerde bas de met tl-lampen verlichte ruimte binnen stoten. Bij elke oempf komen de voeten van de buurtgenoten een klein beetje van de grond. De linedancers beneden dansen tot na zonsondergang en iedereen moet meegenieten, klaarblijkelijk. Het is een gemêleerd clubje buurtgenoten, zoals dat heet. Gemêleerd als in: van alles wat, een samengeraapt zooitje met als enige gemene deler dat ze min of meer bij elkaar om de hoek wonen. En, nou ja, dat ze mensen zijn, maar dat hoeft toch niet allemaal uitgelegd te worden? Je bent toch niet voor simpele zuurtjes aan het schrijven? Je bent een schrijver, verdikkeme nog an toe. Misschien dit weghalen. Een schrijver die ‘verdikkeme’ schrijft is al bezig met zijn publiek vóór er überhaupt iets wezenlijks op papier staat. Censuur antepartum, nog voor de baby er is. En dan is de baby een boek. Belachelijk. Je hebt nog een lange weg te gaan voor je jezelf weer schrijver mag noemen. Een echte schrijver censureert zichzelf niet. Nooit. Die schrijft GODVERDOMME in plaats van het tandeloze VERDIKKEME. Als deze tekst wordt voorgelezen misschien toch een ander scheldwoord hiervoor nemen want je hebt liever dat mensen je aardig vinden dan dat je je vak naar behoren uitoefent. Oh, lieve hemel: je bent echt heel hard geraakt door die twee jaar in de ranzige teerput die covidpandemie heet, je bent dieper in het slijk gezakt, verder van jezelf afgedwaald dan je in eerste instantie dacht. Iemand die aan antepartumcensuur doet is wel erg ver van het moederschip afgedreven. Terug naar het middelpunt, SCHRIJVER. Harder roeien! Meters maken! Kom op, vort met de geit! Laat die luie ontlezendende mensen van Nederland maar eens zien dat woordkettingen maken een ambacht is. Dat het makkelijk moet ogen, net zoals het voor een schilderij van Picasso staan en dat je dan denkt: wat die prutser kan kan ik ook, maar dat er voor het bedrieglijk eenvoudige eindproduct een heel traject van zelftwijfel, ongegronde angsten, slapeloosheid, drankzucht en de obligate bloed zweet en vijfhonderd liter tranen, kortom keihard ploeteren, heeft plaatsgevonden.


Je kunt het. Je gaat gewoon een stukje schrijven over een club halvegaren die bijeenkomt om wat woorden hardop uit te spreken, hopende dat het dan uiteindelijk verwordt tot iets wat een beetje aan te horen is en God behoedde de arme buurttoneelspelers: ook nóg een beetje aan te zién valt. Op een podium, het liefst. In een intreurig afgehuurd zaaltje met slechte verlichting, denk ik dat ik doe, ja, dat is leuk om erin te schrijven. Niet de schimmelige ruimte met knipperende tl-lampen waarin ze repeteren, iets anders. Liefst een lullig hok ervan maken, nog even naar kijken. En dat er dan 3 mensen in het publiek zitten. Misschien 5. 4 partners, de andere partners van de buurtamateurtoneelspelers hadden niet eens de moeite genomen om te komen, de finale van heel holland bakt was op tv, die ouwe mensen kijken nog tv denk je, even nazoeken of je vooroordeel klopt, en 1 iemand uit de wijk die de flyer niet meteen had weggemieterd bij het oud papier toen ie hem op de mat vond. Laten we er een eenzame zonderling van maken. Iemand die hunkert naar menselijk contact, maar die niet lijkt te snappen dat je daarvoor wel af en toe onder de douche moet.
Goed, die buurthalvegaren zitten dus op die lullige stoeltjes en wachten op de twee jongelingen die zichzelf in de mail hebben voorgesteld als PIM EN MADELIEF. Pim en Madelief gaan ervoor zorgen dat de woorden die de halvegaren gaan uitspreken niet eruitkomen alsof ze zijn uitgebraakt doof levensmoeie terminalen, een soort doodsreutel van een stervende, maar dat de teksten die ze straks uit hun hoofd moeten leren en uit moeten spreken ook daadwerkelijk klinken alsof ze door de buurtamateurtoneelspelers zelf begrépen worden en dat het publiek, laten we mild zijn en er 6 mensen van maken, ook nog een random vrouw, er ook nog chocola van kan maken. Pim en Madelief zijn enorm uitgelaten en opgetogen. Iedereen kan toneelspelen! Schreeuwen ze het bijna uit, terwijl ze door de bedompte kamer fladderen en dartelen. Pim in zijn kippenpak struikelt bijna over zijn eigen jonge kippenpootjes, zo uitgelaten dat ie is. Een paar mensen trekt wat ongemakkelijk met de mond, alsof ze niet echt geloven wat Pim en Madelief beweren. Maar Pim en Madelief weten het zeker: onder hun vakkundige begeleiding kan zelfs een dood paard de sterren van de hemel spelen. Hier en daar een sprankje licht in de ogen van de mensen uit de wijk. Een enkeling droomt al van een villa in Hollywood en een romantisch avondje met Brad Pitt. Netflix en Chili, is dat wat? Nee, haal maar weg, niemand zegt dat nog. De woorden van Pim en Madelief werken aanstekelijk, heel langzaam lijken de opbeurende woorden hun doel te bereiken, de mensen hier, de buurtamateurtoneelspelers, geloven bijna dat ze het gaan kunnen, toneelspelen. Laten we zeggen dat Pim voorstelt om een toneelstuk over een wijkbingo te doen, met allemaal losse sketches. Een bingo-avond die hopeloos in de soep loopt, zegt de blonde Madelief en ze huppelt in haar roze tutu naar het midden van de kring en draait een pirouette waarbij haar paardestaart vervaarlijk rondzwiept als een springtouw. Zou dat niet leuk zijn, koert ze terwijl ze naar Pim rent en in zijn open armen springt. Hij vangt haar op, het dartelende balletelfje landt gracieus in de armen vol kippenveren en de blije hepie en hepie draaien samen nog een paar rondjes voor er een Wijkgenoot langzaam begint te klappen, gevolgd door nog een en nog een en daarna klapt iedereen, steeds harder en sneller. Ze klappen voor Pim en Madelief, de manisch blije jongelingen, maar ook een beetje voor zichzelf, omdat ze er zo waar in geloven dat ook zíj toneel kunnen spelen. Nee nee: toneelspelers ZIJN!
Dit wordt toch kat in t bakkie, je ziet als het ware de typetjes zichzelf schrijven. Komt helemaal goed, SCHRIJVERTJE.

DISCLAIMER: HET FEIT DAT IEMAND ZICH IN IETS OF IEMAND HERKENT BETEKENT NIET DAT HET OOK WAAR IS. U HEEFT HET RECHT BELEDIGD TE ZIJN.

Spierpijn

Ik werd wakker met spierpijn over mijn hele lijf. Vooral mijn handen en nek deden pijn. Aangezien ik niet had gesport de dag ervoor vermoedde ik dat ik erg actief was geweest in de nachtelijke uren. Vuisten ballen. Schouders en nek aanspannen – en iets minder ontspannen. Mijn tanden deden pijn. Alsof ik uren als een koe had liggen herkauwen. Ik besloot het niet te negeren, zoals ik tot niet zo lang geleden wel zou hebben gedaan en dacht aan gisteren. Aan wat ik had gedaan. Wat deze spanning in mijn lijf had veroorzaakt.
Ik had met de toneellokalo’s voor het eerst het script doorgelezen. Meer dan dat: ik had moeten opstaan en voor de groep mijn tekst voorgedragen. Tien mensen, meer waren het niet, maar wie mij echt kent, niet alleen de stoere buitenkant, weet dat die vier meter lopen voor mij gevoelsmatig gelijk staan aan mijlen. Buiten mijn comfortzone, welteverstaan. Als je mij kent weet je dat die paar regels alleen voor die groep voelden alsof ik voor alle inwoners op de planeet aarde aan het voordragen was.
Het had op het moment dat ik de stappen zette en de woorden uitsprak niet echt ingewikkeld geleken. Ik was niet gaan zweten. Mijn ademhaling was redelijk rustig gebleven. Toch wist ik dat dit een van die momenten was waarom ik nu met toneelspelen was begonnen: om te kijken of ik het kon. Aandurfde. Uit mijn comfortzone komen, een buffer tusseen mij en de wereld, een zone die eerder een fort met een slotgracht en palissaden bleek te zijn geweest. Ik wist dat ik niet van de ene op de andere dag van een rapunzel in een sociale vlinder zou veranderen, als die transformatie ooit al zou komen. Ik had uit het torenkamertje weten te geraken, dat was de eerste en waarschijnlijk grootste stap geweest die ik ooit heb gemaakt. Het begin én het halve werk. Vergeleken met die stap waren die vier meters een peulenschil.
In theorie, althans. In de praktijk was ik nog steeds best zelfbewust geweest, ondanks het feit dat ik kalm was gebleven en niet de oude vertrouwde duik in mezelf had genomen: op een zee van dissociatie de tocht uitzitten. Ik had het gedaan en ik was niet doodgegaan! Ik had voor een groep gestaan, alleen!, en was niet afgestorven, verbrand, gesmolten, onder de blikken van de anderen. Ik was me heel even bewust geweest van mijn lijf, dat andere mensen nu naar me zaten te kijken, maar het was oké. En toen werd ik de volgende ochtend wakker met spierpijn. De praktijk van het uit de kasteeltoren komen is weerbarstig. Ik kan niet voorbij de horizon kijken. Er is alleen deze hobbelige weg. Maar ik sta met twee voeten op de grond. Ik ben niet meer gevangen in een toren.

Betoogbazelaar

Allemachtig, wat kunnen sommige mensen zeveren. Ze zeuren maar door, oeverloos oreren, monologiseren de aanwezige slachtoffers in een hoekje, met hun rug tegen de muur zodat ze, vastgeluld, nog eens eindeloos al die piemelkoek moeten aanhoren. Heb medelijden met de slachtoffers van woordgeweldenaars, van parlevinkige praatjesmakers die hun kleine, hongerige ego proberen te voeden met hun constante beslaglegging op andermans tijd, empathie en fatsoen. Als perpetuum mobile rupsjes-nooit-genoeg zijn ze, ze gaan maar door en door, weten van geen ophouden, hun hele raison d’etre lijkt te bestaan uit de drang dat broze binnenkantje koest te houden. Alsmaar bezig met stillen en lessen, het is een dagtaak en dat is het. Je hoeft er zo goed als niks voor te doen, dat scheelt, ze praten toch wel. Af en toe een knik of een eenlettergrepige kreet volstaat, ach, wat zeg ik, zelfs gesloten ogen en lippen nodigen de mens die lijdt aan taalflatulentie uit om door te gaan. Ja, daar gaat de taalterrorist weer, onzichtbaar geweld rolt uit zijn mond, misschien niet dodelijk, niet gelijk, maar zoals dat gaat met winderigheid en zo ook met woordwinderigheid: in een afgesloten ruimte, gedurende langere periode blootgesteld, kan een mens het loodje leggen, bedolven onder een lawine van loslippigheid en zoals men weet: een woord van de letterleuteraar komt nooit alleen, voor je het weet ben je klemgezet door zo’n opgeblazen zwetsfetisjist. Dus pas op, ken de signalen van het dreigende gevaar van de praatzieke betoogbazelaar.

Moedertaal

De enige taal die ik vloeiend spreek is de taal van het land waar ik geboren ben, jullie taal, mijn moedertaal; maar mijn moedertaal is niet de taal van mijn moeder, mijn moederstaal.


De geschiedenis van mijn familie in dit land begint bij mij, de eerste Nederlander in mijn lijn.


Toen ik opgroeide dacht ik niet na over mijn herkomst. Ik was er en dat was genoeg. Zelfbewustheid was me vreemd. Een fijne tijd, zo achteraf bekeken. Door de ogen van een ander krijgt een mens zijn kleur, niet waar, zijn anders-zijn als een sticker opgeplakt om de hokjesgeest, van de aanschouwer te kalmeren, gerust te stellen. Die hoort daar en die hoort hier, die heeft zijn plek hier verdiend en die schuiven we opzij. Die naar links die naar rechts, rustgevend ordenen met jezelf als stralend middelpunt.


Toen ik jong was dacht ik geregeld: wat ben ik klein vergeleken met mijn leeftijdsgenoten. Geen seconde heb ik mij gerealiseerd dat mijn geringe lengte misschien wel lag aan het feit dat ik weliswaar in Nederland geboren ben, maar dat ik ook de eerste in mijn familie ben die dat kan zeggen. Raar is het, hoe ik telkens, is het tegen beter in, je zou het haast gaan denken, lijk te vergeten dat ik ‘Geen Nederlander’ ben.


Als iemand tegen je zegt: jij hoort hier niet, terwijl jij denkt dat je hier hoort, nog nooit een scheiding tussen jij en zij hebt aangebracht omdat je dacht dat jullie uit hetzelfde hout gesneden waren, doet dat iets raars met je hoofd. Je dacht dat er één jij was maar door zo’n opmerking realiseer je je dat er misschien wel twee van jou bestaan: de jij die jij denkt dat je bent en de nieuwe jij, de jij die je door de ogen van die ander bent, die ander die zegt dat jij niet voldoet, niet volstaat, anders bent. Het zijn verwarrende momenten die je vormen, die kleur op je wangen brengen. Jij, diegene die er misschien niet bijhoort.


Ik word er enkel door een ander aan herinnerd – en door een vrijwillig door mezelf afgenomen DNA-test onlangs. Ik wilde méér weten over de roemruchte Krim-tataren in de familielijn van mijn vader, maar naast dat er geen enkele Tataar in mijn genen te bekennen was, bevestigde de test nog maar eens wat ik natuurlijk al heel lang weet, maar wat mij desondanks, heel even, de wenkbrauwen deed fronsen: dat er geen enkele Nederlander in mijn stamboom prijkt. Nul procent Nederlands, hé, hoe kan dat, dat kan niet kloppen. En ik dan, ik ben toch een Nederlander? Ja, jongens: ik dacht het echt. Maar mijn roots liggen in Oost-Europa. Al eeuwen en generaties lang komt mijn familie daar vandaan. Heel saai, steeds uit dezelfde streken, met een uitstapje omhoog of omlaag. Het uitstapje omhoog is de opa van mijn opa die uit Duitsland (Pruisen) kwam. Dichterbij een ‘Echte Nederlander’ zijn dan dat wapenfeit kom ik niet. Dat is het.

Raar is het, hoe ik telkens, is het tegen beter in, je zou het haast gaan denken, lijk te vergeten dat ik ‘Geen Nederlander’ ben.


Maar als ik liefdesverdriet heb huil ik mezelf in slaap met jullie taal. Als ik me stoot of op het zebrapad word afgesneden door een roekeloze of een wezenloze, vloek ik hartgrondig in jullie taal. In mijn nachtmerries schreeuw ik in jullie taal, als ik het niet alleen kan roep ik om hulp in jullie taal.


Het is raar om te spreken van een moedertaal terwijl je moeders moedertaal niet dezelfde is. Om het nog meer te compliceren: eigenlijk is mijn moedertaal de taal van mijn moeder, maar toen mijn ouders uit elkaar gingen op mijn derde, weigerde ik die taal nog te spreken en nam ik de taal aan van het land waar ik was geboren en die taal is nu de enige die ik vloeiend beheers. Jullie taal. De taal van mijn moeder doet mij sinds mijn derde alleen maar pijn, een pijn die ik niet snap, maar wel ten diepste voel.


Ik heb zelfs mijn beroep gemaakt van jullie taal. De taal van het land waarin ik ben geboren, maar waarvan de dna-test zegt dat de genetische variant ervan niet in mij gevonden werd. De volgende keer dat iemand tegen mij zegt dat ik moet oprotten naar mijn eigen land (een land dat niet eens meer bestaat!), dat ik hier niet hoor, hier niet vandaan kom, zal ik hem toewerpen dat ik misschien niet diepgeworteld ben, maar dat ik hier wel hoor. Als je boeken schrijft in de taal van het land waar je bent geboren, mag je daar aanspraak op doen, vind ik en als iemand het er niet mee eens is, verneem ik dat graag. Tot die tijd noem ik mezelf een Nederlander, ik ga er gemakshalve maar even vanuit dat dit met uw permissie is.

Gestolde tijd

Het verstrijken van tijd gaat voor iedereen op dezelfde manier, vooruit, van jong naar oud, zoals dat gaat in de natuur. We zullen het soms anders beleven, afhankelijk van onze eigen leeftijd, gestel, persoonlijkheid. De een wordt 98, de ander 38, een enkeling slechts 12 of een paar dagen. De hoeveelheid jaren die je hebt geleefd zijn van invloed op je blik op de wereld, je concept van tijd. De een heeft een lang ziekbed en kan terugkijken op wat is geweest. De ander ademt een teug en dan rijdt een bus over hem heen, nog voor hij uit kan blazen. De een lijdt lichamelijk onder de stapeling der jaren, voelt elk blokje aan zijn lichaam hangen en trekken, de ander voelt het voortschrijden vooral in zijn hoofd. Herinneringen die over elkaar heen buitelen, die vechten om voorrang. De pagina’s van het levenswerk losgescheurd en lukraak opgediend. Tijd verstrijkt. Tijd gaat vooruit, maar sommige mensen lijken terug te gaan in de tijd met het verstrijken van hun jaren, leven enkel in hun jeugd, een kromgetrokken poloroid met oranje waas, het beeld onscherp en ingevuld met wetenschap van later en losgeslagen fantasie, leven hun jonge jaren opnieuw in het hoofd terwijl hun lichaam hier is, genadeloos voorwaarts. Alsmaar door, naar voren, vooruit, maar het is meer het uitzitten van het vlees dan echt leven als je hoofd, je hart je geest koppeltjeduikelend achterwaarts verdwijnen.


Je vraagt je af wanneer je oud geworden bent. Ergens moet het moment aan te wijzen zijn, misschien niet een precies demarcatiepunt, eerder een cluster van momenten, gebeurtenissen, gewaarwordingen en lichamelijke sensaties, maar het is op een bepaald moment begonnen want ervoor voelde je je niet oud. Wat is ouderdom, los van het stapelen der jaren, het hangen van het lichaam, het kromtrekken van schouders? Oud zit ook in je hoofd, het is het moment dat je je verleden met bouwlampen beschijnt, dat je liever daar en toen bent dan hier en nu. Maar zoiets begint toch ergens. Geen mens verdwijnt ineens in wat ooit was, die roze bril van de nostalgie, die gouden randjes, ontstaan, neem je tenminste aan, geleidelijk. Lichamelijk kan je jouw hormonale overgang aanwijzen als overgang. Met het afnemen van de vruchtbaarheid, het indrogen van de eitjes en de huidelasticiteit, begon ook het proces van aftakeling die iedereen ergens in zijn leven ervaart, als ie maar lang genoeg blijft ademen, ook als je geen oestrogeen hebt is er een moment dat je je realiseert dat jouw soepele lijf in iets strams verandert.
Je past je aan, je gaat erin mee, je leert ermee leven, al kost het soms even de nieuwe werkelijkheid te zien voor wat zij is: permanent, onomkeerbaar. Dat gaat niet zonder slag of stoot, niet bij iedereen. Soms verzet je je tegen die nieuwe werkelijkheid, wilt er niks van weten. Die pijnlijke knieën na een rondje hardlopen negeer je koppig, maar uiteindelijk stop je met hardlopen en ga je wandelen. Je stopt met het drinken van alcohol omdat je lijf al van kleine hoeveelheden protesteert. Je denkt erover om je haar te verven, je verbaast je over grijze wenkbrauwharen, levervlekken, rimpels op je neus, teruggetrokken tandvlees. Je had nog nooit van al deze zaken gehoord tot je ermee werd geconfronteerd, ze waren er niet tot ze er wel waren, aanwezig op jouw lichaam. In de ochtend staart je spiegelbeeld je aan met diepliggende ogen die verdwijnen onder oogleden, verdwenen is je open blik, hoe uitgeslapen je je ook voelt. Je wordt niet meer nagefloten op straat, wanneer hield dat op, wanneer stopte dat, vraag je je af. Dat is ouderdom, dat weet je. Het natuurlijke verloop van elk mensenleven.


Maar wanneer vóelde je je ook oud? Kwam dat met de gebreken, dat er anders naar je werd gekeken? Misschien, maar niet alléén. Je denkt na en realiseert je dat je ergens, een paar jaar terug, tegen jezelf zei dat de jeugd zich zo mal kleedde. Dat je meewarig schudde met je hoofd.

De muziek van de dag volg je al langer niet meer, ergens tussen het kolven en de ouderavonden ben je daarmee opgehouden. De memes die je soms ziet snap je niet of doen je niks. Soms voel je je een buitenaards wezen, is het jóuw humor die veranderd is of veranderde de wereld om jou heen. Reclames komen geforceerd ongeïnteresseerd op je over, dan realiseer je je dat ze niet voor jou zijn gemaakt, dat de marketingfocus is verlegd naar één of twee generaties onder jou. Het moment dat je kinderen met elkaar aan tafel in gesprek zijn en jij niet snapt wat ze zeggen is een beslissend moment. Dat was eerst niet, eerst deed je je best het te begrijpen of je begreep wat er werd gezegd, gedragen, gedraaid, gezongen, bedoeld.

Dit is wat het betekent om oud te zijn, denk je: dat je niet meer meekomt en ook niet meer de behoefte voelt om mee te komen. Geen fomo, maar acceptatie, dat het oké is dat de wereld verdergaat en jij niet meer mee wilt hollen, dat de jeugd vernieuwt, ambieert en vurig wenst en droomt en plant en dat jij met een soort gestolde tevredenheid knikkend toekijkt en denkt: het is genoeg. Ik ben hier. Het is goed zoals het is.