Rouwgekte of gewoon gestoord?

Over een paar weken komt mijn eerste roman uit, Znežanka. De hoofdpersoon, je raadt het al, ze heet Znežanka, heeft na het zeer traumatische verlies van haar nog ongeboren kind grote moeite haar leven te hervatten. Het lijkt een verloren strijd, ze voelt hoe haar vingers langzaam, stukje voor stukje, de rand van de richel die werkelijkheid heet loslaten en zakt weg in wat wij met z’n allen “gekte” noemen. Wat volgt is een strippenkaart op het gesticht en vervreemding van de wereld om haar heen, het leven zoals wij haar kennen -weer die werkelijkheid.

Maar Znežanka zelf is niet ongelukkig. Het is de buitenwacht die het nodig vindt haar te labelen met etiketten als “psychotisch” en haar probeert met medicijnen weer in het gareel te krijgen. Znežanka heeft echter in haar onuitsprekelijke rouw haar dochtertje teruggekregen, zichtbaar, tastbaar, zelfs de geur van de pasgewassen haren van het meisje is zo levensecht dat er voor haar geen enkele twijfel bestaat over wat echt en wat niet echt is, wat psychiaters er ook van vinden. Na jaren therapie keert ze, soort van, terug in het hier en nu, loopt ze enkel nog wat kantjes van de werkelijkheid af, is haar gekte niet meer zo groots en meeslepend dat ze ervoor opgenomen hoeft te worden. Maar het kind wijkt niet van haar zijde, gelukkig maar, vindt Znežanka zelf.

De aanwezigheid van de niet-bestaande dochter geeft haar leven glans, maar buiten Znežanka ziet niemand het zo. Ze is gek, wat Freud 100 jaar geleden “wishfully psychotic” noemde, een staat van rouw waarbij de rouwende (tijdelijk) gek wordt en zelf visioenen van een dierbare overledene oproept, “fantasievolle verlangens” die, om te herstellen, het best zo snel mogelijk losgelaten dienen te worden. Rouwhallucinaties waren maar obstakels, vond Freud.

In de afgelopen 100 jaar is de visie op rouwhallucinaties niet echt veranderd, al zie je de laatste jaren in rouwtherapie wel dat therapeuten de aanwezigheid van overleden personen lijken te accepteren, maar dan voornamelijk op symbolisch niveau, (nog) niet als concreet of tastbaar iets. En even voor de duidelijkheid: veel mensen “voelen” de aanwezigheid van overleden geliefden, ruiken hun geur. Soldaten beschrijven hoe ze met overleden wapenbroeders praten, weduwen hoe hun dode echtgenoot naast hen in bed ligt. Bijna niemand die iets dergelijks meemaakt lijkt daar een groot drama van te maken, het is onderdeel van de rouw, bijna altijd van voorbijgaande aard. Voor sommigen zijn de rouwhallucinaties zelfs een helend fenomeen, maken ze het leven een beetje dragelijker, minder zwaar. En toch blijkt het voor therapeuten én mensen die het zelf niet meemaken/hebben gemaakt een ongemakkelijk iets, geesten bestaan immers niet. Het is iets om te weerleggen of zenuwachtig te negeren. Goddank dus dat die “rouwgekte” maar tijdelijk is.

Wat maakt dat iemand als Znežanka dan? Iemand die weigert te geloven dat haar overleden dochter een hallucinatie is en bij wie het niet lijkt te gaan om een voorbijgaand iets? Houdt zij te lang vast, zoals Freud zou zeggen, en belemmert dit haar te leven? Is zij dan iets als permanent rouwgek, of noem je zo iemand psychotisch? Volgens het etiket dat ze opgeplakt krijgt wel. (In de Victoriaanse tijd zou ze ongetwijfeld als hysterica zijn weggezet, opgesloten en sleutel weggegooid.) Of doet het er helemaal niet toe of iemand dingen ziet, hoort of voelt die jij niet ziet, hoort of voelt, maakt dit hem of haar niet automatisch “gek”? In Znežanka’s woorden:

Jij ziet haar niet […], maar dat betekent niet dat ze er niet is, want ik zie haar wel, en wie zegt dat jouw niet zien belangrijker is dan mijn wel zien? Dat jouw niet zien zwaarder weegt? Is dat enkel vanwege het feit dat er veel meer mensen zijn die Smilla niet zien en ik misschien wel de enige ben die haar wel ziet? Ligt daar dan de demarcatielijn tussen niet gek en gek, alleen omdat een grote groep iets anders ervaart dan een kleinere groep? Waarom dat harde onderscheid, die behoefte tot classificeren en opbergen? Geeft dat je een gevoel van veiligheid, is dat wat dat dwangmatige ordenen met je doet?

Afijn. Znežanka dus. Mijn fictiedebuut. Het komt iets later, mensen, de cover gaf wat problemen, niks wat niet is op te lossen, we gokken op eind november. 2020, ja. Je kunt je nog inschrijven voor de leesclub op Hebban.nl

hebban.nl/spot/leesclub-znezanka (tot 1 november)

Puberona deel 2

Zondag is bosdag bij ons, zeker als opa komt. En opa zou komen, dus het werd het Mensingebos in Roden. Jongste van 12, oudste van 14 en papa achterin als Frankfurters in een omgevallen pot, mama fijn met beenruimte en ademruimte voorin naast opa. Some Frankfurters are more equal than other Frankfurters, nicht wahr.
We waren de straat nog niet uit of het gemekker begon al. Waarom de wifi het niet deed..o nee, niet thuis. Ik weet niet of ik nog beltegoed heb, jezus, ik kan ook niet inloggen bij Ben om te zien of ik nog beltegoed heb want ik weet mijn wachtwoord niet. Ik op belerende toon: hoe vaak heeft papa al niet tegen je gezegd dat je dat op moet slaan in zo’n handig eh.. documentje of wat was het ook alweer.
Papa murmelt vanaf de achterbank dat hij dat ook al minstens 84 keer tegen mij heeft gezegd en dat ik me daar ook verdomd weinig van heb aangetrokken door de decennia heen. Sst, toch eens jij.
De veertienjarige vindt dat ik mijn hotspot maar aan moet zetten want zo’n oud kadaver doet natuurlijk helemaal niks met al die GB aan data en daar heeft hij natuuurlijk helemaal gelijk in.

Ondertussen klaagt de 12-jarige over het heet hebben en zich beklemd voelen, misselijk en hij kan ook geen adem meer halen en ik krijg visioenen van vroeger tijden dat ik hem in een skipak probeerde te hijsen en hij als een ogerjong brulde dat ie dik was zich dik voelde en het was heet en hij ging dood en dit alles met zo’n rood hoofd dat ik hem geloofde. Ook nu loopt-ie akelig rood aan zie ik in het spiegeltje rechts van me dus ik strijk over mijn hart en zeg dat hij straks voorin mag. Blijkbaar is de bevoorrechte worstenpositie een tijdelijk fenomeen. Of ik ben een slappe prak.

We rijden voorbij het bos en als ik vraag waarom dat is krijg ik te horen dat we eerst gaan lunchen in Roderesch of zoiets. Niemand vertelt mij ook iets hier.

De puber zucht theatraal vanaf de achterbank. Hij stiet een aantal niet herhaalbare schuttingwoorden uit en zegt dat Ben echttt een slechte provider is. Maar je zit toch op mijn Vodafone hotspot, zeg ik. Nee gast, zegt hij. Ik wist gewoon mijn wachtwoord ineens. Ik zucht ook en haal mijn wenbrauwen op de maat van de zucht op en zet de verbinding maar weer uit.
Gaan we lunchen, zegt de puber. Jezus nee. Ik lust helemaal niks. Moet ik weer zo’n tosti zeker. En weer van die gezellige woorden erachteraan die ik hier maar niet herhaal.

De tafeltjes staan op grote afstand van elkaar maar niet genoeg om de toenemende doofheid, of eigenlijk: de daarbijbehorende decibellen van opa, ongedaan te maken. Man, wat kan die man hard praten. Het mooie is dat het niet werkt om hem hierop attent te maken. Hij schreeuwt gewoon door. Ik vermoed dat de doofheid een mengeling is van verschillende soorten en maten, de een wat medisch aantoonbaarder dan de ander.
Het jongste stuk nageslacht wordt helemaal wild van de menukaart en de oudste is, zoals de Engelsen het zo mooi zeggen ‘underwhelmed’. De puberteit heeft daar nog een schepje bovenop gedaan: als het geen energiedrank, frikandellenbroodje of noodles uit een zakje zijn hoeft het wat hem betreft niet. Grappig de verschillen tussen die twee, denk ik. Die stuiterende blije kleine en die korzelige boze oudere broer. Dat wordt nog wat over twee jaar als de jongenste energiereep ook puberona krijgt. Ik schiet in de lach maar de puber is niet gecharmeerd. Zijn moeder die lacht, soms ben je echt heel erg, weet je dat mama. Ik knik. Ik weet het.

Later krijg ik te horen dat ik: een wesp verkeerd wegjaag, verkeerd kijk, verkeerde dingen zeg, te hard lach, een zakje met een servet verkeerd open en dat ik een dinosaurus ben, gewoon veel te oud. Alleen dat ik adem heb gehaald tijdens de lunch werd niet genoemd, jammer, anders had ik mijn bingokaart nu vol gehad. Mijn vrolijke stemming is aan het afnemen, voel ik, hoe zeer ik me ook deze keer had voorgenomen me niks van de puberona aan te trekken. Met zware voeten stap ik even later uit de auto het bos in. Ik heb geen zin meer in wandelen. Geef me een bad. Netflix. Wijn. God, ik ben veranderd in zo’n vrouw.

Dan voel ik een arm om me heen. Hij legt zijn hoofd in mijn nek en zegt dat hij van me houdt. Dat ik zijn lieve mamaatje ben, voor eeuwig en altijd. Zullen we de bal overpassen, mama, vraagt hij en lachend sprint hij naar voren, de bal behendig tussen zijn lange giraffenbenen. Een en al blije jongen.

Znežanka bijna een roman!

Mijn fictiedebuut is bijna een feit…bijna. Nog anderhalf, twee maanden wachten en dan is het een heus boek. Met een mengeling van trots, nervositeit en balorigheid presenteer ik u bij dezen het omslag, de cover en achterflap. Er gaan nog een paar kleine dingetjes veranderen qua tekst op de achterflap, maar niet veel. Blijkbaar vallen mijn grapjes over mezelf niet bij iedereen in goede aarde. Ik beloof jullie bij dezen dat ik er nog een keer naar zal kijken.

Het boek is trouwens al te bestellen, pre-orderen in goed Nederlands, en wel bij mijn uitgever:

Puberona

Mijn zoon is van de ene dag op de andere de puberteit in geschoten. Althans, zo voelt het. Foto’s bewijzen in elk geval dat hij een half jaar geleden nog zacht en aaibaar was. ‘Normaal’ mag ik natuurlijk niet zeggen, maar als ik het wel mocht zeggen dan zei ik het. Ach, fuck it, ik zeg het nu ook. Hij was een half jaar geleden nog normáál. Als ik nu een foto of godbetert een filmpje wil maken moet ik het nummer van de oudermishandelingstelefoon op speeddial hebben. Hij is de ene seconde korzelig en aangebakken en dan ineens, zonder schijnbare aanleiding, lief en knuffelig. Zijn humeur hangt aan een bungeejumpkoord, langs de uiterste hoeken van de menselijke emoties schrapend. Slaaf van vreemdsoortige hormonen.


Daar waar hij vorig jaar om zes uur ’s ochtends naast zijn bed stond te trappelen vol ongeduld om de dag te beginnen is hij er nu niet uit te branden. Als een vampierkuiken ligt hij te knipperen en te pruttelen in zijn vampierbed als een of ander onverlaat het gordijn in zijn kamer voor twaalf uur s middags open durft te trekken. Hij is niet achter zijn computers weg te meppen. Hij wil het liefst alleen noodles en roze koeken eten. Hij is me ineens in lengte voorbij gegaan, de gniepigerd, het gebeurde zonder dat ik er erg in had. Zijn handen en voeten en snor zijn in een keer groter dan de mijne. Zijn stem doet raar.


Corona en de opvolgende zomervakantie hadden zijn dagen in amorfe zeeën van tijd veranderd. Lange, uitgestrekte paden zonder kaders, zonder horizon, zonder verlichting onderweg. Gelukkig kan hij goed zwemmen en is hij niet nachtblind, denk ik wel eens, iemand zou zo maar kunnen verzuipen in die wezenloze brij van tijd. Gelukkig ook dat ik iets van begrenzing bied, al wordt dat me niet in dank afgenomen. Welke 13-jarige wil er immers om 11 uur al naar bed. Of wandelen met zijn ouders. Wie wil er nou losgelaten worden in de natuur, paddenstoelen zoeken en bosbessen plukken, wie verzint zoiets, als je Warzone of Minecraft kunt spelen. En waarom tanden poetsen als je nergens heen gaat? Rot op met je huiswerk, echt, wat een marteling was dat, dat huiswerk in coronatijd. Afijn, coronatijd werd vakantie en nog steeds moesten de tanden worden gepoetst, het was een gotspe. Het was écht godsgeklaagd.

En toen kwam die puberteit ook nog. Zit je dan met al je hormonen een beetje thuis te zitten, terwijl je hoort af te geven op school en boomerdocenten met vieze koffieadem en sneue praatjes en nog ergere grapjes. De leraren die er bij willen horen zijn het allerergst, weet je nog. Je hoort naar de supermarkt te gaan in de pauze om broodjes met 500 E-nummers te scoren. Je hoort meisjes of jongetjes waar je een oogje op hebt te begluren. Je hoort de slappe lach te krijgen om niks. In plaats daarvan zit je thuis en moet je nog steeds je tanden poetsen. Wie poetst er nou zijn tanden als ie nergens heengaat? Dat is echt weer zo’n rare regel van een bejaard fossiel uit de vorige eeuw.

Beetje moe van

Weet je waar ik een beetje moe van word? Ook als je het niet wilt weten ga ik het opschrijven, dus gauw stoppen met lezen bij geen interesse. Goed, ik word dus moe van die eindeloze trits mensen op social media, elke dag weer opnieuw, keer op fucking keer, die moe worden van wéér iets dat iemand anders deed of vond of niet deed of niet vond of whatever. Van al die meningen was ik al hondsmoe, kotsbeu ben ik ze in feite, die meningen, en dan niet de gelaten variant beu, maar echt op zo’n manier dat de jeuk me uitbreekt op nauwelijks te bereiken plekken. Het agressieve soort beu zeg maar. De vlekken-voor-de-ogen variant. Godskolere, wat ben ik totáálklaar met meningenmensjes. We gaan nog eens massaal ten onder aan dat oordeeloedeem waar zowat heel socialmediaënd Nederland aan schijnt te lijden.

Maar goed, ik liet me even afleiden. Waar was ik gebleven. Ja, mensen die ergens moe van zijn. Dat ik dáár moe van word. Nu nog van de gelaten soort maar het duurt niet heel lang meer eer ik het niveau van mijn meningenintolerantie heb bereikt. Dat ik wéér van een vermoeid persoon lees dat ie moe wordt van mondkapjes, van corona, van mensen die demonstreren voor iets dat ze aan het hart gaat, van mensen die te veel op social media zitten, van hun partner, hun leeggelopen aambeien, het onjuist voorspelde weer, van iemand die een mening heeft die hem niet zint, van wéér een plaatje van een bord eten, van die snolliebollie die zo nodig wéér met die leeggezogen tieten op een selfie moest. Moe word ik ervan. Van al die mensen, met al die meningen en hun chronische socialemedia vermoeidheidsyndroom.

‘Moe ergens van worden’ is natuurlijk niets anders dan een mening hebben he, dat weet zelfs mijn malle achterlijke neef uit het voormalig thuisland. Het is de eufemistische bewoording voor superioriteitspuien, alleen dan de passief-agressieve variant. In gedachten zie ik een ouder zachtjes met zijn hoofd schudden, nee ik ben niet boos, je hebt me alleen ernstig teleurgesteld. Kauw daar maar eens even ernstig op, mannetje, het is een bommetje in een kadootje. Zo ook met het ‘moe ergens van worden’. Nee, klaplul, je wordt niet moe van die eikel die zijn fatbike vol trots laat zien aan z’n sociale media vriendjes, je vindt hem gewoon een onfatsoenlijke koolraap omdat ie volgens jou laat zien dat ie goed in de slappe was zit en, in tegenstelling tot jijzelf, wel goed bedeeld is qua klokkenspel. Vol afschuw zoom je nog even in op het gebeier en je voelt je bloed koken. Maar wat schrijf je? Dat je móe wordt van zulke mensen. Je hóeft er niet naar te kijken; naar die fatbiker met alles wat jij niet hebt. Of durft. Of wat dan ook.

Als je zo moe van alles wordt, waarom ga je dan niet lekker op bed liggen, potje slapen, seksen van mijn part , dat schijnt ook te ontspannen. Neem een vitaminepil, of nog beter: ga lekker naar buiten en geniet van de zon. Ga sporten. Kikker je van op.

Moe word ik ervan, van die collectieve vermoeidheid die eigenlijk niets anders is dan die oeverloze meningendiarree. Het stadium meningenmoe was ik allang voorbij en misschien wordt het tijd dat ik toegeef dat ik ook niet gewoon ‘een beetje moe’ word van mensen die moe worden van andere mensen, maar feitelijk het irritatiepunt allang ben gepasseerd en de behoefte voel iemand met zogenaamde vermoeidheidsklachten cq een mening eens even stevig de waarheid te vertellen.

Of misschien moet ik social media maar weer een tijdje gaan mijden en zelf eens naar buiten gaan om te genieten van het zonnetje. Schijn je van op te kikkeren.

Link

Met zijn vier poten een kant op, op zijn zij, lag de kat dood te zijn aan het einde van het tuinpad. Zijn bek een beetje open en zijn tong half door de kleine opening geperst, alsof hij in zijn doodsnijd nog een laatste likje van hetgeen buiten hem was wilde proeven. Heel even ervoor was de kat nog in leven geweest, noemde we hem juffertje in het groen, kleine spring-in-het-veld tussen het veel te lange, inmiddels bloeiende gras en de dunne weegbree die elk jaar steeds uitbundiger tevoorschijn komt in onze voortuin in deze volkswijk met het hofje vol schreeuwende kinderen en veel te hard voorbij scheurende scooters. Heel even ervoor was hij nog in leven geweest, onze kat Link, maar nu was hij dus dood. Geen idee waarom, er was niets raars aan hem te zien. Behalve dus dat hij niet meer leefde.

Hij was nog maar een jaar bij ons, kwam als aanloopkitten en ging als anderhalfjarige jeweetwelkater, het ene voorjaar erin en het volgende voorjaar eruit. DAG LIEVE LINK.

Een jaar dáárvoor nog maar hadden we onze eerste kat begraven. Ook in het voorjaar. De dierenambulance-mevrouw had ons gebeld, dat hij opgebaard lag en opgehaald kon worden en dat de dame die hem had aangereden met ons wilde praten en haar excuses wilde aanbieden dat ze hem had doodgereden, perongeluk dat moesten we weten. We bedankten vriendelijk en togen naar waar hij lag. En daar lag hij: met ontstoken waxinelichten om zijn ontzielde lijfje, op een kunstig gedrapeerd kleedje. Ik waardeerde het sentiment maar dacht aan al die kattenlijkjes die daar voor Joris onze boskat hadden gelegen. Bij vertrek moest ik 64 euro pinnen en kreeg ik brochures mee die ik niet heb gelezen en ongezien in de papierbak terechtkwamen.

En nu stonden we met zijn vieren rondom het levenloze lijf van de kat Link. Hij zag er niet dood uit, al stonden zijn ogen niet zoals ik gewend was. Ik realiseerde me dat ik dat elke keer dacht als ik iets of iemand zag die dood was. De mond die ging hangen en de ogen die betekenisloos staarden. Ik kijk wel maar ik zie nooit meer. Zoiets. Hij was dood, zei ik tegen mezelf, hoor je dat, hij is dood, wen er maar aan.

Toen mijn vader overleed was zijn lichaam een dag zoek. Hij was als Ikarus te hoog gevlogen en had z’n vleugels gebrand aan de zon. In het donker is het slecht zoeken, dus pas een dag later vonden ze zijn lijk. Ik mocht hem niet zien- dat zou maar trauma opleveren. Dertig jaar later moest ik alsnog leren zijn dood te verwerken.

Ik was dus van plan de stadia van rouw dit keer netjes te doorlopen.

Ik stond daar naar de kat te kijken en slikte me een ongeluk. Uit het niets kwam een golf opzetten die me omvatte. Geen plezante golf, geen warmte. Het was er eentje die van onderen kwam en via mijn buik zich razendsnel een weg baande naar boven, stuwende gal, brandende, vretende lava. Verdomme, ik wil dit niet voelen, dacht ik, want ik herkende het gevoel maar al te goed. Het was onversneden pijn. Pijn en rauw verdriet, samengebald in een uiterst onplezante cocktail. Het katje was nog maar een jaar bij ons geweest maar blijkbaar had ik me zo sterk aan hem gehecht dat ik nu hier de keerzijde van de liefde en die hechting voelde: na de golf kolkende ellende kwamen de klauwen die het op mijn hart hadden gemunt, de lappen rauw vlees die rücksichtslos werden losgetrokken van mijn weerloze lichaam. God, wat had ik van dit kleine mannetje gehouden en nu deed mijn hele lichaam zeer, alsof ik verzuurd was na een marathon, kapotgeslagen na een bokswedstrijd en twaalf uur had gekotst en alles op was en er desondanks geen einde kwam aan het overgeven. De kat was dood en de rouw was begonnen.

Maar vlak na deze eerste golf kwam de woede opzetten en ik moest alle zeilen bijzetten om niet deze woede de plek van de rouw te laten innemen. Ik voelde dat dat ging gebeuren als ik alles zou loslaten. Dan zou ik verteerd worden door boosheid en wraakgevoelens en hoeveel plek is er dan nog in een lijf en een hoofd voor rouw? Niks ervan, daar zou ik niet intrappen. Mooi niet.

Maar de woede ging niet weg. Niet helemaal. Op de meest onfortuinlijke momenten schoten de tranen me in de ogen, werd ik overvallen door stekend verdriet, rouwen deed ik dus wel en toch zat het me niet lekker. Waarom was deze gezonde kat overleden en vooral waaraan? Hij had heerlijk in de tuin gelegen toen de jongen van thuisbezorgd ons eten kwam brengen. Een half uur later keek ik naar buiten en lag hij daar aan het einde van het tuinpad en was hij dus dood.

Had hij een schop gekregen? Was hij door de scooter geraakt? Ik werd half gek van het niet weten. Van de zinloosheid van alles. Van het idee dat de kat dood was en ik wist niet waarom. Waaraan. Waarmee. Waardoor.

’s Nachts droomde ik dat ik speurwerk verrichtte, de naam en gegevens van de jongen te weten kwam en molotovcocktails door zijn slaapkamerraam naar binnen gooide. Branden in de hel kon hij, moordenaar van mijn kat. Dat hij maar mocht stikken in een lamsshoarma, dat de duivel hem anaal zou spiesen met een gloeiende staak. Sterven moest hij.

De volgende ochtend moest ik mezelf weer tot de orde roepen. Rouwen moet je, niet haten. Weet je nog? Ja maar…ja maar, nee, niks maar. Hij is dood en de tijdlijn kennen, de oorzaak van zijn dood weten, gaat je niks helpen. Althans, dat werd me verteld maar zo voelde het helemaal niet. Het voelde of ik iets van rust zou ervaren als ik zou weten wat er was gebeurd. Toch knikte ik en slikte ik en wist ik stiekem wel dat ze gelijk hadden.

De kat was dood, met of zonder reden. En er was helemaal niets dat ik hieraan kon doen. Behalve huilen en hem voor altijd bij me dragen.

Dag lieve Link. Ik hou van jou.

Over huidhonger en aanraakvrees

Lichamelijkheid scheidt ons momenteel. Het is vreemd hoe we elkaar vrezen én tegelijkertijd verlangen naar elkaar. Hoe bang de mensen zijn valt uit hun gesloten lichaamstaal af te lezen als je langs hen loopt. Ogen ontwijken ogen, kom niet te dichtbij mij lijken ze te zeggen. Inhouden. Achteruit deinzen. Ga weg. Dan thuis komt het gemis. Van de knuffel. De omhelzing. De warmte van andermans huid. Een zoen, een streling. Niet alleen de eenzamen lijden nu, huidhonger is van iedereen, lijkt het wel. Binnen missen we de aanraking maar buiten heerst angstvallige krampachtigheid. Die afwijzing van de ander. De aanraakvrees. Hoe gespleten voelt dit. Hoe volslagen onnatuurlijk.

De anderhalvemetersamenleving waarover ik lees, die zal gaan komen nadat we weer naar buiten worden gestuurd voor school en werk, ik zie het niet voor me. Geen Lowlands meer, waar een zee van bezwete lichamen als één man orgastisch deint in zon, regen of modder. Wie heeft nu niet zo’n herinnering? Nooit meer handen schudden, uitstekend zeg je, maar nooit meer knuffelen, nooit meer seks met je tinderdate? Nooit meer naar het theater, naar de bioscoop? Nooit meer carnaval. Nooit meer spelen met je vriendjes op het schoolplein, nooit meer Koningsdag of Uitmarkt. Nooit meer Awakenings of De Efteling. Nooit meer. Nooit meer. Nooit meer?

Krijgen we dan allemaal smetvrezenden, mensen die smachten naar aanraking maar niet durven? Komt de liefde straks enkel nog digitaal? Kan er ooit iets moois ontstaan uit deze afstandelijkheid? Ik zie het niet gebeuren. Niets goeds voor onze verbondenheid met elkaar als soort in elk geval. Ik zie het niet gebeuren. We zijn mensen. Mensen hebben doorgaans de nabijheid van een ander nodig, op die ene uitzondering na. Ik zie het niet gebeuren. Komt het ooit nog goed?

Even los van het sociale aspect, de dichotomie tussen verlangen en vrees, hoe wil je het gaan organiseren op bijvoorbeeld scholen? Kunnen we, moeten we, willen we onze hele maatschappij systematisch hierop inrichten? Geen sport? Geen sauna? Geen witte wijntjes op een vol terras? Geen bemoedigende kneep meer in een schouder. Geen aai meer over een bol. Maandag kinderen met achternamen A-E naar school, dinsdag F-J, woensdag K-O, donderdag P-T, vrijdag U-Y en Z heeft pech? Spelen in de pauze met koorden van elastiek op anderhalve meter afstand tussen elk kind. Roeptoeteren want anders hoor je elkaar niet. Stoepkrijten in je eentje. Niks ravotten. Niks stoeien. Niks ervan.
Van de universiteit van Stanford kwam een onderzoek dat aangaf dat we liefst elk kwartaal een lockdown zouden moeten houden om het virus te beheersen. Dat kan toch niet? Zo kunnen we toch niet leven en het lijkt me tevens onbetaalbaar.

Het heeft ook een duistere potentie, zo’n lockdown met bijbehorende oekazen. Een dictator die de macht nu extra stevig naar zich toetrekt en de regels straks niet meer terugdraait. Oeps. Ver van je bed, overdreven? Iets simpeler dan: mogen we straks wel de straat op om te demonstreren tegen hetgeen ons onwelgevallig is of blijft het (hoe lang?) nog verboden met meer dan drie mensen bij elkaar te komen nadat de lockdown wordt opgeheven? Moeten we er niet voor waken dat dit een opmars naar het effectief tegengaan van dissidente geluiden wordt? En zo’n tracking app, nu nog voor crowd control en waarschuwingen maar wie zegt dat zo’n app niet ergens anders voor dienen kan? Wordt het verplicht en mag (kan?) ie er later weer vanaf? Paranoïde, zeg je? Misschien. Maar alles slikken voor zoete koek, waarom dat wel? Deze situatie is sowieso koren op de molen van mensen die niet het beste voor hebben met democratische vrijheid, me dunkt. Deze situatie mag niet worden gebruikt om onze vrijheden in te perken, zeker niet als de einddatum van zulke maatregelen net zo rekbaar is als het presidentschap van Vladimir Poetin. Waakzaamheid is geboden.

Met deze maatregelen komen we hier niet uit, dat lijkt me evident. We kunnen niet voor eeuwig naar elkaar zwaaien door een raam, door het oogje van de camera op een pc. Dit virus is er en gaat pas weg als het is uitgeraasd. Een vaccin kan helpen. Gezond verstand ook. Een mentaliteitsverandering op wereldniveau. Maar hoe begin je, waar begin je, hoe pak je zoiets aan? Gaat zoiets überhaupt gebeuren?
De marktwerking uit de zorg slopen is het eerste waar ik aan denk. Weg met die bespottelijke concurrentie en wildgroei van zorgbureautjes. Weg met het wegbezuinigen van eerste hulpposten, bejaardentehuizen, medemenselijkheid, menselijke maat, zorgpersoneel en warmte in deze sector. Minder afhankelijkheid van andere economieën voor toch wel essentiele zaken als paracetamol en antibiotica, bijvoorbeeld, is mijn tweede gedachte. En die farmaceutische industrie, misschien daar ook eens wat kritischer naar kijken? Ik zie het niet gebeuren.

Maar dan gaat mijn geest dwalen…Hoeveel ik ook nadenk, steeds dwalen mijn gedachten af naar hoe ik mij voel. Hoe verdrietig ik onder alle goede wil en mijn doorzettingsvermogen eigenlijk ook, toch, ben. Hoe moe. Naar hoe ik mijn optimisme voel afbrokkelen aan de randen. Ik denk aan de mevrouw gisteren die langs mij fietste en hard haar hand tegen haar neus en lippen sloeg bij het passeren. Grote angstige ogen. Het heeft niks met mij te maken maar het deed toch pijn.
Mijn gedachten dwalen af naar mensen. Naar ontmoetingen. Naar herinneringen. Hoe langer ik op mijn eilandje zit hoe meer ik mij realiseer dat ik het mis: elkaar zien, elkaar aanraken. Die harde stem, die schaterlach met consumptie mis ik zelfs. Zelfs ik, iemand die behoorlijk op zichzelf is, nader mijn isolatietax.

Ik ben zo toe aan nieuwe herinneringen maken. Met mensen van vlees en bloed. ❤

Ontspannen in onzekere tijden

Je zou zeggen dat de situatie van nu voer is voor een real-life rampenfilm met covid-19 in de hoofdrol. Niks fictie maar snoeiharde werkelijkheid, inclusief lesgeven via skype, sluitende voedselbanken, overvolle mortuaria in Bergamo, geen koffie-met-cake meer in de aula na een begrafenis van een dierbare, mattende idioten in de supermarkt, gesloten cafés en sportscholen. En natuurlijk extra veel aandacht voor de nieuwste rage: wcpapier hamsteren.
Er zijn natuurlijk al legio rampen-met-virusfilms. 12 monkeys (ah, met de wondermooie Brad Pitt…), Outbreak en Contagion (met die vreselijk irritante zuurdesemkaars van een Gwyneth Paltrow). We komen om in de rampen-en virussenfilms, zogezegd. Nadeel van deze films is misschien dat ze zo onwaarschijnlijk zijn, zo over the top met ontwikkelingen dat je denkt; mjeah, no, dat slaat nergens op. In Outbreak zit bijvoorbeeld een gek die heel hard zijn best doet het virus voor zichzelf te houden, totaal niet geïnteresseerd als ie is in een vaccin voor de hele wereld. Vet onrealistisch, man. Zo zijn mensen in het echt helemaal niet, dat weet iedereen. In het echt delen we alles in moeilijke tijden, nietwaar. Twelve monkeys heeft dus Brad Pitt én Bruce Willis en kan dus sowieso niet stuk maar heel realistisch is het niet: Brad en Bruce samen in een psychiatrische inrichting. Het is ook en beetje raar dat Bruce uit de toekomst komt en Brad een doorgeslagen dierenbevrijdingsfrontsoldaat is en dat er telefooncellen en antwoordapparaten enzo worden gebruikt om te communiceren met de toekomst. Ik bedoel: gebruik dan op zn minst het internet ofzo. En dan zo’n film als Contagion. Totáál niet realistisch, met idioten die overal een complot in zien en politieke leiders die volslagen ongeschikt blijken in tijden van crisis.

Hebben we behoefte aan minder Hollywoodeske rampenfilms, minder obligate zombie-onzin en juist meer van hoe we ons voorstellen dat het er in het écht aan toe gaat tijdens zo’n crisis? Zitten we echt te wachten op shot na shot van Knabbel en Babbel die wéér voorbijkomen met 40 pakken pleepapier en allemaal idioten met bilderbergilluminatishizzle? Misschien juist niet. Misschien smachten we wel naar onrealistische beelden van hoe de aarde vergaat en slechts 1 procent van de mensheid overleeft en ondergronds moet om niet alsnog door het dodelijke virus gegrepen te worden. Het lijkt te kloppen: Netflix meldt dat er wereldwijd een enorme toename is in het aantal bekeken rampenfilms, met name die van de variant virus. Op google zoekt men zich suf naar de genoemde film Contagion, torrents draaien overuren. Massaal lepelen we de dystopische (nep) ellende naar binnen terwijl om ons heen aan de ene kant alles en aan de andere kant helemaal niks veranderd. Het is maar hoe je er naar kijkt. Wat nu realiteit is was dat een paar weken geleden niet. We hadden misschien hard gelachen als er een rampenfilm met in de hoofdrol het Brabantse Carnaval was uitgekomen, waar dronken polonaisegangers een feestje vieren in lampengat met een onbekend virus dat zich als een eh vis in het water voelt tussen al die joelende, sputterende, rochelende feestgangers . Wat kan er misgaan, denk je dan. En dat er dan een bijrol is voor allemaal vollidioten die in ziekenhuizen mondkapjes en handalcohol stelen, terwijl er juist een loeiend tekort aan is. Helemaal niet eng maar wel dolkomisch is de scene met een boekenbal vol dronken, zweterige, lebberende schrijvers, demischrijvers, semischrijvers en psuedoschrijvers en een onzichtbaar virus dat in zijn vuistje lacht want over een week of twee zullen een flink aantal van die poseurs geveld zijn door zijn boze opzet en hun naderende einde delen met hun enorme schare fans. En hoe raar zouden dan die beelden zijn geweest van mensen die elkaar half dood slaan om een pleerol in een supermarkt?Die met 20 tassen wcpapier naar buiten komen en de volgende dag en de dag erna terugkomen voor weer die 20 rollen? En dat de natie dan grappen gaat maken over pleepapierhamsteraars?

En hoe realistisch had een toespraak geklonken door een president die het virus consequent Chinezenvirus noemt en zich daar totaal niet voor schaamt. Waarom zou hij ook, hij eet Chinezen en virus voor breakfast, immers. Oke, dat laatste voorbeeld had misschien een paar weken geleden ook realistisch geleken. Als ik wat invloed had zou ik ook wat shots uit mijn privéleven in zo’n real-life rampenfilm laten stoppen. Had je me twee weken geleden verteld dat dit op stapel stond had ik je voor gek verklaard. De mensen groetten elkaar niet toen ik gisteren in het bos aan het wandelen was. Ze wendden hun blikken af, keken achterdochtig, angstig uit hun ogen. Alleen het eigene is nog te vertrouwen. Lekker rustig, maar die afgekeerde gezichten en die gesloten lichaamstaal is toch bevreemdend. In de supermarkt net een man die iets voor mij weggriste en met toegeknepen lippen en bijna gesloten ogen met het hoofd in de nek al davenend (dat is dat heen en weer bewegen wat joodse meneren doen als ze aan het bidden zijn) een verontschuldiging of verwensing of wat het dan ook was mompelde. Hij zag eruit als een terminale melaatse, maar waarachijnlijker is dat hij doodsbang was iets van mij in een van z’n gezichtsgaten te krijgen. Het zag er grappig uit maar dat was het natuurlijk niet. We weten wel dat we in sociale isolatie zitten om de piek op de zorg te drukken, om niet heel veel zieke mensen tegelijk in het ziekenhiis te krijgen, maar het lijkt er meer op of iedereen eerder heel angstig is zelf geïnfecteerd te raken. Mensen klagen over overvolle hoofden en angsten, mensen verspreiden de meest absurde nonnieuwtjes en samenzweringsverhalen. En we lezen alles en weten niks. Iedereen waant zich viroloog en bijna niemand is het. Zelfs de virologen verschillen van mening. Vorige week deelden backpackers wereldwijd nog hun ervaringen op social media, waar het tof was, wat te eten, wat je beter niet kon doen. Vandaag worden vluchten gecanceld en strandden de jongeren op plekken waar het voor Europeanen ineens helemaal niet meer zo goed toeven is. Vorige week werden ze met open armen ontvangen. Nu zijn zij de paria van de wereld. Europese toeristen worden uitgejoeld in Sri Lanka, uit hotels gegooid op Madeira. Afrika moet ons niet. Amerika moet ons niet. Blijf weg, zeggen ze.

Verjaardagsfeestjes gecancelled. Alle fysieke seks gaat binnenkort ongetwijfeld verboden worden, porno massaal gedownload. Er wordt flink wat afgematurbeerd, vermoed ik. Bizarste vind ik nog dat sommige landen compleet bewapend op lock down gaan en mensen hier nog vis kopen op de markt. Als je me had verteld dat vacins voor tbc nu op verpleegkundigen worden getest (goddank vrijwillig) omdat ze mogelijk ook een beetje bescherming bieden tegen corona, had ik het vast niet geloofd. Dat in Noord Italië niet de toeristen maar het coronavirus de baas is en de pistes leeg en de mortuaria vol, dat er niet genoeg capaciteit is de doden fatsoenlijk te begraven of cremeren, dat de nabestaanden hun dierbare overledenen niet meer de laatste eer kunnen bewijzen, dat het er totale chaos is. Je had het een paar weken geleden niet geloofd. En nu is het werkelijkheid.


Maar of we nu zin hebben met deze werkelijkheid geconfronteerd te worden ter vermaak en ontspanning? Nee, nog liever zombies en Gwyneth Paltrow dan hamsterende koekwausen. Misschien over een paar jaar, als deze crisis bezworen is. Daar reken ik wel op, dat er een overschot aan coronafilms en series en boeken en persoonlijke verhalen komt. De coronadagboeken door Daan Heerma Voss ofzo. Daten in Donkere Tijden door Alma Mathijsen. Mijn persoonlijke tocht naar het Einde van de Nacht door Joris van Os. Zijn we eindelijk deze ellende teboven, worden we wéér doodgegooid met dit of een ander mottig virus met een spannende, ontroerende of, komt ie: menselijke twist. Ik heb van al vier afzonderlijke schrijvers gehoord dat ze een weergaloos virusverhaal aan het schrijven zijn. Ze zijn nu stiekem vast een beetje boos op corona, denk ik zo. Hoe durft dat teringvirus ons fantastische idee te stelen? Wij voorzagen een dergelijke uitbraak natuurlijk al een flinke poos, kon het niet even op zijn beurt wachten, dat kreng van een virus? Na het initiele chagrijn proberen ze nu het momentum maar te pakken, misschien breken ze dan éindelijk eens door, liftend op de coronagolf.

Ik voorzie dus een hausse aan (onder andere) boeken met een virus in de hoofdrol als deze ellende voorbij is misschien zelfs al eerder. Ik had verwacht dat mensen ter ontspanning alles behalve virusgerelateerde ellende zouden willen zien en lezen, maar niks blijkt minder waar. Op dit moment zoekt de halve wereld obsessief naar de beste virusfilms, is Pandemie een van de meest verkochte bordspellen, leest iedereen ineens De Pest van Camus en in de luwte, aan de andere kant van deze misere, wil men er vast en zeker aan. Althans, daar gokt de schrijver (en filmmaker) met een optimistisch marketinggevoel op, denk ik.

Alleen als iedereen zo denkt zal de hausse eerder iets weg hebben van een overkill en is het in die ton vol virusverhalen andermaal oppassen dat je niet door grotere, sterkere en betere vissen naar beneden wordt geduwd, verzuipt en onopgemerkt blijft.Wederom weg momentum.

WAT MEN LEZEN WIL

De boekenweek gaat vanavond van start met het Boekenbal, een feestje waar volgens Susan Smit, op twitter gisteren, bijna elke schrijver wel een keer is geweest, maar waar natuurlijk alleen de literaire paradepaardjes en topverkopers voor worden uitgenodigd. Dat weet iedereen behalve La Smith, blijkbaar. Allemaal lekker conformistisch een rebellenpak aan, zei de margeschrijfster mildzuur en quasirancuneus, want dat ben je dan, rancuneus – als je er niet bijhoort en niet wordt uitgenodigd. Ik ben stiekem toch een heel klein beetje benieuwd naar de Jan Cremerwannabees, de Frieda Kahlovriendinnetjes en hun tenues en hun modeshow op de rode loper voor de poorten van Sodom, maar dat mag je niet doorvertellen, dat is ons geheimpje.

Ik moest en zou er ook heen een paar jaar terug-en heen ging ik, dus eigenlijk moet ik niet zo zeuren, maar nu ik toch bezig ben ga ik even door met zeuren. Totaal misplaatst voelde ik me daar, in mijn luipaardjurkje en handtasje waar met moeite een armetierig bosje sleutels, mijn mobiel en een ongebruikte lippenstift in pasten. Met gintonics van 10 euro (het kunnen er ook 5 zijn geweest) in mijn knuistje, te veel voor deze zuinige, provinciaalse nepallochtoon. Ik keek, eerst met grote ogen, later met lodderige ogen, naar de schrijverssoep en wist: dit is niks voor mij. Niet alleen dit hier, dit ‘schrijversfeest’, waar zover ik kon zien meer redacteuren, uitgeverijmedewerkers, columnisten, bn-ers en succesvolle kookboekenschrijvers rondliepen dan schrijvers van romans, maar heel zeker wist ik dat niet want lodderige ogen, maar vooral alle zogenaamd bij schrijven horende parafernalia. Presentabel zijn. Act de présence geven. Interviews. Op tv als het even kan. Naar de kapper. Snor scheren. Haren verven. Artikelen schrijven voor geld. Literaire borrels bezoeken. Ingezonden brieven voor de broodnodige publiciteit. Je mag lachen nu, maar ik wil gewoon dat mensen me lezen (mijn boeken, niet mij) en dat ik dan mag schrijven zodat mensen me kúnnen lezen en dat daarmee de kous af is. Ga weg, laat me met rust en lees me.

Laat Eus maar mediacursussen voor schrijvers organiseren en Doutzen Kroes dan uitnodigen om die schrijvers te leren hoe je zo voordelig mogelijk op de foto komt te staan. Ik blijf liever thuis met laptop in huispak met ongeschoren oksels en mijn restingbitchface. Niet dát ik aanvragen krijg voor optredens. Ik word niet eens veel gelezen. Maar áls ik gelezen zou worden en gewild zou zijn..dan. Enz. Ik word er voornamelijk pre-emptief opstandig van merk ik, niet heel erg, maar wel genoeg om er elk jaar een paar woorden aan te wijden blijkbaar.

In de nrc stond gisteren een stuk over hoe ze een computer hadden losgelaten op een flinke stapel boeken om te kijken of- ie de boeken met bestsellerpotentie eruit kon vissen. Ilja Pfeijffer had geen zin om eraan mee te werken omdat ie het experiment een beetje gevaarlijk vond. ‘Je genereert de illusie dat je aan de knoppen kunt draaien, maar elke vorm van een norm creëert een valse zekerheid.’ Ik snap hem wel, maar toch vind ik het een interessant experiment. Want wat pikt zo’n AI er dan uit? Welke buzzwords en welke onderwerpen maken een boek nou onweerstaanbaar voor een grote groep lezers? Het onderzoek staat nog in kinderschoenen, er is alleen op woordniveau en nog niet op volgorde van woorden gekeken, maar de eerste uitkomsten zijn bekend: mannen en geweld zijn dé ingrediënten voor een bestseller.

We wisten al dat autofictie (die navelstaarderij over de eigen glutenintolerantie, inderdaad) in de mode is en volgens de schrijver van het nrc-stuk zijn ‘verhalen die juist niet dicht bij de lezer staan, onwaarschijnlijke elementen bevatten of waarvan het moeite kost om je in de hoofdpersoon te verplaatsen, […] veel minder in trek dan vroeger.’
Mensen lezen vooral voor hun ontspanning, blijkt uit een ander onderzoek, veruit de meeste mensen hebben geen zin in moeilijk gedoe als ze een boek lezen. Ze willen iets dat makkelijk wegleest, verhaal boven stijl, iets dat dichtbij hen staat en dat dan het liefst met een opbeurend plot. En met geweld dus, blijkbaar, fysiek of mentaal. En een mannelijk thema (??), mannelijke hoofdpersoon -of schrijver als we de computer mogen geloven. Een politiechef die met ontbloot bovenlijf hout hakt in een Noors bos? Nadenkend over de serieverkrachter die hij op het spoor is? Een aimabel mens, type ruwe bolster blanke pit? Bloedspannend verhaal maar met een dankbaar einde? Of betekent de voorkeur voor de mannelijke hoofdrol vooral een afwijzing of minder hoge dunk van vrouwelijke auteurs, hoofdpersonen of onderwerpen (wederom: geen idee wat ik me daar dan bij voor moet stellen)?

Als onderzoek interessant, maar wat als uitgeverijen deze algoritmen straks gaan loslaten op de slushpile? (Mannen? Check. Geweld? Check. Autofictie? Check. Dichtbij de lezer staand? Check. Geen onwaarachtigheid? Check. Enz)? Krijgen we dan alleen nog maar Knausgård, true crime en thrillers voorgeschoteld? Boeken met gele banden eromheen waarop staat: ‘Waargebeurd!’ ‘Van tv!’ ‘Leest lekker weg!’ ‘Invoelbare roman met ontroerend hoofdpersonage!’ (dixit: een willekeurig bekende Nederlander) en ‘Herkenbaar!’?

Ik zou zeggen: het wordt weer hoog tijd voor onwaarachtige verhalen met deprimerend plot, verhalen waar je een beetje moeite voor moet doen, je verbazen en vergapen enzo, liefst verhalen met een hoofpersonage dat (mijlenver)van de lezer afstaat. Couperus maar dan niet hertaald, Joyce 2.0, een Grapes of Wrath van de 21e eeuw.

Samenvattend zou je kunnen zeggen dat ik een prinsesje ben met te veel noten op d’r zang, een praatjesmaker eersteklas, want zeg nou zelf: geen zin in het hoepeltjesspringen dat wordt verwacht van een moderne (vrouwelijke?) schrijver, maar dit dan zonder bestseller op d’r naam, zonder enige bekendheid en een bestsellerpotentie van nul komma nul? Tsssk. En dan ook nog lopen afgeven op de huidige trend van autofictie, maar zelf wel debuteren met een boek over..inderdaad, ja en de gemakzuchtige lezer die alleen maar vermaakt wil worden, maar zelf een abonnement op netflix? En als klap op de vuurpijl ook nog eens geen deuk in een pakje boter weten te slaan qua verkoop? Ga eens naar het publiek tóeschrijven, Prazdny. Ga überhaupt eens wat doen.

Maar nee hoor. Mijn volgende boek heeft een vrouwelijk hoofdpersonage en er is geen grammetje geweld in te bespeuren. Vier gram seks max en heel gezellig is het ook al niet.

Ik leer het nooit. En ik wil het ook niet leren. Lekker puh.

Te complex

Ik heb een vriendin die bezig is met het afvinken van taken op een lijst. Een bucketlist inderdaad, maar helaas geen yolo, tussenjaar, backpacken in Tibet, bungeejumpen, noorderlichtzien en armekindertjesinafrikahelpen-bucketlist en wel een lijst die afgewerkt moet worden voor ze een einde aan haar leven kan maken. Een levenseindelijst.

Mijn vriendin is 46 jaar en moeder van een 18-jarige zoon. Ze is slim, grappig en gevat. Ze woont samen met een leuke vent. Ze kook elke avond heerlijk eten en ze hebben een kat. Ze is ook al zes jaar niet meer naar de kapper geweest, al eeuwen niet meer naar de tandarts, kan zich maar zelden ertoe zetten onder de douche te stappen, durft niet in de spiegel te kijken, kan soms dagen niet uit bed komen, durft het huis bijna niet uit en krijgt zodoende hulp van iets van twintig ondersteunende instanties, veelal aan huis. Maar niet de juiste hulp om ervoor te zorgen dat ze geen andere mogelijkheid meer ziet dan sterven.

Zie je dat ik niet schreef: ‘dood willen’? Dat deed ik heel bewust. Mijn vriendin wil namelijk helemaal niet dood. Ze wil leven -alleen niet op de manier zoals ze nu leeft. Dat is namelijk geen leven, het is overleven van het allerergste soort. Het is elke dag afzien, pijn lijden, vluchten in dagdromen zodat ze niet hoeft te voelen, verlamd zijn door de gruwelijkste angsten en paniek. Mijn vriendin denkt: als dit is wat leven is dan leef ik liever niet.

Het probleem is dat ze niet uitbehandeld is en om voor euthanasie in aanmerking te komen heb je blijkbaar een verklaring van behandelaars nodig dat er geen behandeling meer mogelijk is voor jou. Dat alle wegen zijn bewandeld. De psychiaters willen zo’n handtekening niet zetten en gelijk hebben ze: mijn vriendin is namelijk nog niet uitbehandeld. Sterker nog: de therapie die ze zóu moeten volgen, intensieve traumatherapie, heeft ze nooit gehad. Omdat ze, echt waar, ‘te complex’ zou zijn. Haar trauma’s zijn te complex, haar aandoeningen en stoornissen te omvangrijk, om überhaupt aan een behandeling te beginnen.
Ik wist niet wat ik hoorde toen ze me dit vertelde.

Hoe leg ik dit in godsnaam aan mijn kinderen uit als ze me zien huilen? ‘Sorry jongens, mama moet huilen om een vriendin die zo zwaar lijdt, zo hevig psychisch ziek is dat de artsen haar niet kunnen of willen behandelen, dus kiest ze er maar voor een bucketlist af te werken met dingen die ze nog moet doen voor ze dood mag?’

Ze loopt al jaren rond in de psychiatrie. Kent de paaz op haar broekzak. Heeft zoveel diagnoses dat je ermee kunt kwartetten, slikt medicatie en drinkt om van alles te onderdrukken en beheersbaar te houden. Om haar hoofd tijdelijk stil te krijgen. Het enige waar ze nog niet voor behandeld is zijn die verdomde geesten en spoken uit haar verleden, die klotetrauma’s die aan de basis staan van zo’n beetje al het lijden van vroeg tot nu.

En precies DIE traumas daar wil geen kundige psychiater of psycholoog in een stevige instelling (gespecialiseerd in vroegkinderlijke-en jeugdtrauma’s) zich aan branden, omdat ze een vergaarbak is geworden van diagnoses, ‘te complex’ in hun jargon. Niemand wil, kan of mag zich er aan branden, de wachtlijsten zijn ellenlang en áls je dan aan de beurt bent is de kans dat je er aan de slag kunt nog maar klein, zo heb ik me door mijn vriendin laten vertellen.

Maar de weg naar boven, uit het moeras, weg van de nachtmerries en herbelevingen, is toch juist door die trauma’s aan te pakken? Met exposure, emdr, intense sessies onder goede begeleiding? Niet door het jarenlang etiketjes plakken en dan zeggen dat iemand ‘te complex’ is?

Is dit wat wij met z’n allen moeten willen: een zwaar beschadigd iemand laten sterven omdat er geen uitzicht op goede hulp is en haar lijden ondragelijk?

Ik wil niet dat ze doodgaat. Vooral niet omdat ze zelf liever blijft leven.