Er niet echt zijn

Het lukte je niet te ontsnappen toen ze je uit huis had gezet. In een kamertje een straat verderop, rechts boven achter, door haar voor jou geregeld. Je zat in je eindexamenjaar, ontredderd en zo alleen, in een kamertje waar niks van jou was, zo ontredderd en alleen en je snapte niet wat je verkeerd had gedaan. Je slaagde wonder boven wonder met goede cijfers. Alleen voor wiskunde stond een 4.7 op je eindlijst. Hij kwam niet op je diploma-uitreiking. Het was alsof je bevroren was van binnen, alles stond stil, je was in ijs verpakt.


Je krijgt me niet te pakken als ik het niet voel, dacht je. En als ik niets voel ben ik er niet echt, dacht je. En als ik er niet echt ben is het niet écht, dacht je. En als het niet echt is waait het over en zal het mij geen pijn doen, dacht je. Geen echte pijn, want ik ben er niet. Het is windstil in mij. Dat dacht je. Je dacht dat je het slim had bedacht. Als je zorgt dat de pijn je niet raakt, als het van binnen windstil is, dan heb je een manier gevonden om om te gaan met iets waar niemand mee om zou hoeven gaan. Niet ademen. Dan gaat het weg.


Ssst.


Ik kon niet ontsnappen. Er hadden honderden kilometers tussen hen en mij moeten komen, ik had moeten rennen zo hard ik kon maar in plaats daarvan bevroor ik, niet alleen van binnen blijkbaar, want ik ging niet weg. Ik kon geen afscheid nemen van hetgeen mij zoveel pijn had gedaan, mij had weggedaan. Ik had weg moeten gaan maar in plaats daarvan bleef ik. Misschien kun je niet weggaan als je er niet echt bent. Als je een half-leven leidt. Misschien kun je geen afscheid nemen als je bevroren bent. Misschien is dat de prijs voor de manier van overleven waarvan ik dacht dat het een Nobelprijs waardig was. Misschien was de prijs die ik betaalde veel te hoog. Misschien was het de enige manier.


Als je er niet echt bent staat alles stil. Dan word je ouder zonder te leven. Een beetje te leven. Op halve kracht te leven. Als je er niet echt bent kan het zo hard waaien dat je van je sokken wordt geblazen maar is het nog steeds windstil in jou.


Ik was trots dat ik altijd door wist te gaan. Beter het ijs dan de pijn, ik denk dat ik dat moet hebben gedacht.


De tranen die ik nu laat voor alle jaren die ik in ijs heb doorgebracht. Er niet echt was. De mensen die ik niet echt heb gezien en aangeraakt. Die mij niet konden zien en aanraken omdat ik er niet echt was. Omdat ik in ijs was verpakt. Wie niet kan worden geraakt kan ook niet worden aangeraakt.

De ondraaglijke lichtheid van het campingleed

Als je op je privacy en rust bent gesteld is de camping misschien niet de meest logische plek om je vakantie te vieren. Maar ja, je ouders gaan altijd (naakt)kamperen en je kan moeilijk alleen thuisblijven als 12-jarige, niet waar, dus daar ga je weer in de smoorhete auto naar Frankrijk om tussen andere buitenlanders met z’n allen gezellig in je blote tuches op een stukje kurkdroge grond een paar weken gewoon een beetje te zijn. Dat je naar de kampwinkel (de winkel op de camping, niet in een kamp) loopt en je stiefvader ziet volleyballen met andere oude mannen, inderdaad allemaal volledig naakt, op witte sportsokken en sneakers na, ja jongens, fakkerdefak, iets met een hangende zak, dat krijg je nooit meer van je netvlies.

Of die keer dat je met een vriendje meeging op z’n motor naar Zuid-Frankrijk (in slaap vallen achter op een motor is geen goed idee, jongens) omdat hij altijd al naar die camping ging en jij bent een amoebe zonder ruggengraat, dus je gaat mee, en dat blijkt erger dan de hel op aarde. Een immens grote, kale vlakte waar niks groeit staart je aan, je probeert je tent op te zetten op grint, en dat op 10 centimeter van de tent van de buren, je hoort de buurman ademen brr, er staan palen met versterkers overal waardoor tot 22.00 uur keiharde muziek blaast met tussendoor gezellige berichten van de receptie over het dagmenu en of iemand zn Volvo even bij washok 134 wil weghalen en o ja overal in die palen ook bouwlampen die permanent aan staan waardoor je je op een landingsbaan voor buitenaardsen waant. Iedereen heeft zijn voertuig voor zijn tent staan, ieder zijn eigen postzegeltje verschroeide aarde. Al met al krijg je het gevoel dat je in een post-apocalyptische wereld terecht bent gekomen met je lullige koepeltentje, en dat voor je ontspanning, je moet er nog voor betalen ook en dan is er ook nog die godvergeten terugreis op die godvergeten motorfiets.

En dan krijg je kinderen en op de camping is het zo gezellig met allemaal potentiële vriendjes die de hele dag schreeuwend over het terrein rennen en de scheerlijnen van je tent kapot rijden met hun geinige crossfietsjes met misthoorntjes en van die ouders die de hele dag door wildgeil elkaar lopen uit te checken en meer en naar het strand is zo leuk en ach je man houdt van halve liters Erdingers op een terras met 200 anderen, dus ga je maar weer naar de camping.

Ergens nadat je uit huis ging had je heel simpel je hakken in het zand kunnen zetten en zeggen: tot hier en niet verder, ik ben een volwassene en ik denk dat ik kamperen haat, maar ja, dat deed je dus niet en zodoende zou je bijna het idee krijgen dat je graag op de camping staat, wat dus niet klopt.

Eigenlijk is het niet eens het gebrek aan privacy in de algemene zin dat je opbreekt op zo’n camping, als je heel eerlijk bent. Dat valt wel op te lossen door je in de tent op te sluiten of zó ongezellig uit je ogen te kijken, als je met koptelefoon voor de tent of op het zand zit, dat geen mens het in zijn hoofd haalt een praatje met je aan te knopen. Dat is je altijd uitstekend gelukt, alleen zijn en alleen gelaten worden. Met die rust wordt het al iets ingewikkelder, je geeft nou eenmaal de voorkeur aan een paar krijsende meeuwen of het gezang van een merel boven kotsende pubers of een deprimerende liveband die laveloos gebral inzet op 20 meter afstand van je hoofdkussen net op het moment dat jij wilt slapen. Je koopt een setje dure oordoppen en mediteert een rondje extra. Het valt te doen. Knarsetandend, weliswaar, maar te doen.

Nee, het probleem zit hem in een specifiek element van privacy en rust, inderdaad, u raadt het al: het badkamerritueel. En ach, wat zeur je eigenlijk, met een beetje aanpassing en zenoefeningen, prikkelafstoting en net doen of de wereld om je heen niet bestaat, kun je zélfs het badkamerritueel nog nét aan. Verstand op nul en alleen naar je zelf in de spiegel kijken tijdens het tandenpoetsen tussen vijf gillende tienermeisjes die opgewonden make-up uitwisselen en fantaseren over de op handen zijnde avond, jengelende oververmoeide peuters met levensmoeë mama’s en random andere vrouwen die zonder knipperen föhn, krultang en tientallen andere apparaten uit hun hutkoffer halen waar jij geen idee van hebt hoe ze heten en die allemaal stuk voor stuk op hun hoofd toepassen en de rij die wacht op een plekje bij een wasbak op deze manier tot 20 meter buiten het washok laten uitlopen. Beter is helemaal niet in de spiegel kijken maar gewoon met gebogen hoofd boven de wasbak en zo snel mogelijk rechtsomkeert, tentwaarts.

Wachten tot een douche vrijkomt is ook een proeve in afsluiten van het perfide mensdom. Aandacht verleggen, niet letten op het geschreeuw, de stank, de opwinding en al het andere. Je dobbert nu in de oceaan, voel je wel, aaah, ja, beter. Dobber de fucking dobber. Dan zes minuten warm water, goed uitkienen wanneer je die knop indrukt want te vroeg en je zit met de conditioner nog in je haar en een half geschoren flamoes. Uiteraard allemaal voor u uitgetest. In het doucheputje altijd plukken haar van een ander of anderen, nog steeds de herrie van dat mensdom, maar je staat nu in elk geval in een hok in je eentje. Zalige privacy, zei éénoog in het land der blinden.
Nee, het badkamerritueel valt knarsetandend en met alle wilskracht die je bezit nog nét, op het randje van waanzin, toegegeven, vol te houden. Je familie geniet zo van dit alles, denk aan die meeuwen die je ’s ochtends wakker maken. Denk aan de lange wandelingen langs de kust en het hardlopen door de bossen en duinen. Je kan dit. Je kunt dit. Doe het.

Wat NIET valt vol te houden, wat nóóit went en wat niét is te doen is het ritueel dat elke mens elke dag op het kleinste kamertje van het huis afwerkt. Inderdaad: de toiletgang. Het poepen. Je spreekt uit decennialange ervaring en weet zodoende dat dit nóóit, werkelijk nóóit, zal wennen. Je hebt rust nodig, een ontspannen lichaam, om je darmen te ledigen. Je kunt niet ontspannen als je zes wc-hokjes moet openen om een relatief geschikte te treffen. Eentje met wc-papier op de rol en zonder remsporen in de pot, de poep van een voorgangster over, onder en naast de bril of gewoon de hele darminhoud als kadootje achtergelaten. Je probeert toch te ontspannen als je uiteindelijk het een na laatste hokje induikt. Gaat zitten. Ademt rustig en diep in en uit. Sluit je ogen. Bam. Het hokje naast je wordt open en dicht gesmeten. Binnen een halve minuut hoor je de keutels het water raken. De echo’s klinken nog een poosje na. Ploink ploink. Als steentjes in een vijver. Aan de andere kant is intussen ook iemand komen zitten. Laat haar alleen moeten plassen denk je. Alsjeblieft. Helaas. Binnen vijftien seconden word je getrakteerd op geluiden die doen geloven dat iemand aan het bevallen is gevolgd door een oorverdovend kabaal waar je zo van schrikt dat je volledig bent vergeten waarvoor je hier kwam. Een diepe zucht, wc’s die aan weerszijde van je worden doorgetrokken, deuren die wederom worden dichtgesmeten, handen die worden gewassen. Nog een paar keer hard hoesten. Een kraan die niet wordt dichtgedraaid en blijft lopen. Jij zit nog een tijdje met samengeknepen billen maar vertrekt dan maar onverrichter zake naar je tent. Geïrriteerd. Gedeprimeerd. Geconstipeerd. Jaloers.

In je tent kijk je naar de indrukwekkende uitstalling laxeerellende die je dit jaar hebt aangeschaft ter verlichting van het immer terugkerende probleem. Geen pruim, vers of gedroogd, per stuk of per kilo, heeft echter ooit geholpen. Geen lijnzaadje, heel of geplet, deed ooit wat het moest doen op vakantie. Maar elke keer opnieuw onderneem je een poging. Misschien…deze keer?

Identiteit: fuck you I won’t do what you tell me

Hele horden millenials zijn al over dit pad gedenderd waardoor je bijna zou denken dat het een typisch dingetje van hun generatie is maar dat is niet zo: identiteit is van iedereen. Van alle tijden. De vraag wie je bent en wat maakt tot wie je bent is er een (oke, twee dan) die iedereen zich op een bepaald moment in zijn leven stelt, als niet dan ben je of een blind paard of ben je een geprivilegieerd over het paard getild stuk vreten. Of allebei. Het identiteitspad is echter zó uitgesleten dat je moet oppassen niet op je bek te gaan door spiegelgladde clichés en het pad is tegelijkertijd zó verraderlijk dat je altijd moet uitkijken voor massieve wortels waar je achter kan blijven haken, waardoor je belemmerd wordt voorbij de vierkante meter van dit stukje van jezelf, je afkomst, te kijken. Er is méér dan alleen een paar wortels in de grond, zeg maar.

Deze woorden zijn overduidelijk geen tekst van een millenial. Het verraadt mijn leeftijd, mijn jaren op aarde. Hoewel ik me niet oud voel en meestentijds geen generatiekloof ervaar tussen mij en mensen uit, noem eens wat,1990, is die er wel op een heel specifiek onderdeel van het vraagstuk identiteit. Zie je, voor mij heeft identiteit, wie ik ben in verhouding tot mezelf en de wereld om mij heen, altijd gestaan voor afkomst. Ik heb mijn identiteit, of het gebrek daaraan soms, ontleend aan die wortels in de aarde, of het gebrek daaraan in mijn geval dus, en het gemis en de spleen die ik dientengevolge ervoer. De wortels kregen welhaast metafysische proporties bij gebrek aan een solide basis. Als je niet bent opgegroeid in een veilig huis staat je leven vervolgens vaak in het teken van een zoektocht naar een thuis, of je nou wilt of niet, bewust of onbewust. Ook ik ging uiteindelijk op zoek naar wie ik was, wat voor mij stond voor: waar kom ik vandaan en hoe heeft dat mij gevormd.

Ik heb nooit, of bijna nooit, bewust nagedacht over andere onderdelen van wat mij maakt tot wie ik ben; mijn genderidentiteit bijvoorbeeld. Om het te chargeren: dat deden wij gen x-ers niet. Je hebt een piemel of een kut en bent dan man of vrouw, je seksuele voorkeur betreft mannen of vrouwen of je snoept van twee walletjes en houdt van allebei en je bent dus hetero of homo of bi. Transseksueel kenden we ook. Dan was je in het verkeerde lichaam geboren, zoals wij dat zeiden.
Het is waarschijnlijk al privilege om te zeggen maar ik heb me er nooit echt mee vermoeid. Sowieso geeft de term ‘privilege’ veel van mijn generatiegenoten jeuk. Wij debatteerden vroeger, als jeugdelingen, hadden filosofische gesprekken over belanghebbende wereldlijke thema’s, zopen en rookten tijdens verhitte gesprekken die duurden tot het morgenrood. Denk maar aan die film, Before Sunrise. Dat waren wij. Wij lulden honderduit maar over onszelf ging het niet echt. De millenials van nu praten over hun gevoel, wie zij zijn en ook in verhouding tot de wereld om hen heen en dat is een taal die anders is dan de onze. We moeten opnieuw leren praten als we willen aansluiten, of we schimpen het, dat doen we natuurlijk ook, zoals alle oudjes die op de nieuwerwetse fratsen neerkijken omdat het de status quo bedreigt of omdat we er geen zak van begrijpen. Sowieso waren wij geslotener dan de jongelingen van nu, meer die ouderwetse houding van bek dicht en doorbikkelen.

Om terug te komen op genderidentiteit: het heeft me best een poos gekost om te snappen dat gender niet hetzelfde is als sekse, dat wil zeggen: ik snapte het concept wel maar voelde het niet echt. Je wordt als man of vrouw geboren maar je kan je wisselend, minder of niet thuis voelen in dat lichaam. Dan voel je je bijvoorbeeld man terwijl je lichaam vrouw is. Maar je kunt ook combinaties zijn. Of niks. Of de ene dag a en de andere dag b. Je kunt je thuisvoelen in je lichaam maar hoe je je presenteert staat daar los van. Er zijn misschien wel genders waar ik geen weet van heb. Verwarrend vond en vind ik dat, al ben ik niet iemand die snel zal oordelen over iemand die zich identificeert als genderqueer of genderfluid. Of niks. En toch heeft deze hele beweging (of verandering in de maatschappij) van jonge mensen die nadenken over hoe zij zich verhouden tot hun seksualiteit, hun sekse, hun lichaam en het gevoel dat ze hierbij hebben ook mij aan het denken gezet.

Niet dat ik nu de taal van deze millenials spreek of me ooit vrijelijk als bijvoorbeeld genderqueer zou kunnen voelen, denk ik. Daarvoor ben ik te oud en te vastzittend in wat ik ken en waarschijnlijk ‘gewoon best senang met cisvrouw hetero’, maar soms kan ik met wat moeite buiten deze paden treden, in mijn binnenwereld althans. Dan denk ik na over die voor ons boomers toch vrij beperkte en beperkende ideeën over wat mannelijk en wat vrouwelijk is en dan kom ik tot de conclusie dat ik nooit zo makkelijk integreerde in dat ‘vrouw’ zijn, althans, in dat strakke stramien van sexy, verzorgend, en aan dat wat heterokerels geil vinden-deel. Deels uit opstandigheid, (ja ja, fuck you I won’t do what you tell me, inderdaad) maar deels ook uit me daar zo verloren voelen, in dat hokje. Korte rokjes? Push up bhs? kleren dragen om anderen te behagen? Tiptop verzorgd, ik word al moe als ik eraan denk om ‘vrouwelijk’ te moeten zijn.

Wat is dat eigenlijk, vrouwelijk? En wie bepaalt dat? En waarom vertaalt vrouwelijk zijn of voelen zich in uiterlijk, kleding en wiens idee van vrouwelijk is dat dan?

Toen ik in de puberteit kwam heb ik een tijdje mijn borsten met een doek ingezwachteld, afgebonden. Als ik mijn ogen dichtdoe zie ik het me nog doen, heel bedreven was ik er niet in. Ik zette het eindstuk dan vast met zo’n klemmetje dat je gebruikt om verband vast te zetten. Ik noemde dat een krammetje en zo voelde het ook. Aan het eind van de dag had ik rode puntjes op mijn huid op de plek waar de klemmetjes in mijn vlees hadden vastgezeten. Waarom wilde ik niet dat iemand mijn borsten zag? Of wilde ik ze zelf niet zien of hebben of was ik er nog niet klaar voor? Ik herinner me dat vooral de overgang van ‘gewoon mezelf zijn’ en met rust gelaten worden naar als vrouw, en lustobject!, gezien worden me enorm heeft geshockeerd. Ik vond het vreselijk, die aandacht. Ik denk dat ik het daarom deed, dat inzwachtelen, maar heel zeker weten doe ik het niet (meer).

Hoe ouder ik word hoe erger het ook wordt, fuck you met je strakke kleding, met je kapper en je make-up. Maar betekent dat dat ik me niet conform de verwachtingen van mijn sekse gedraag of is het juist mijn gender? Of zijn het de verwachtingen van een heterogaze waar ik niet aan kan en wil voldoen? En wat maakt dat mij? Ik voel me wel vrouw, denk ik, maar niet in dat eng-gedefinieerde hokje. Ik draag graag mannenboxers en korte broeken voor mannen of afgeknipte spijkerbroeken. Niet omdat ik dat cool vind per se, maar omdat op de vrouwenafdeling alleen maar strakke hotpants lijken te hangen die door moeten gaan voor korte broek. Ik hou van soepele, zachte stof, omhuld door een wolk wil ik zijn. Ik zou doodgaan in een corset, ben blij dat ik nu leef en een keuze heb, maar als ik heel eerlijk ben voel ik de druk zeer zeker om een ‘leuk jurkje’ aan te doen op een groots evenement. Ik ben daar dan dagen mee bezig, de juiste jurk, schoenen, ondergoed, haar, epileren. Ik ervaar dat als een martelgang, geniet totaal niet, voornamelijk omdat ik er denk ik zo tegen op zie. In het toneelstukje van op en top vrouw zijn. En ik haat panties en maillots van alles in het leven het meest. Op dit soort momenten voel ik me heel onvrij, dan wil ik om me heen meppen.
Ik draag ze wel hoor, jurkjes. Zeker. Hakken. Ook. Maar alleen wanneer ik dat wil, geloof ik. Zonder iets van buitenaf opgelegd. En dat gebeurt dus wel: dat ik het doe omdat ik denk dat het van me verwacht wordt.
Maar verder vloek ik, lach ik veel te hard, om dan ineens als een huppelend meisje met een vlecht ergens te verschijnen. Soms zit ik als een vent. Toch voel ik me geen man. Ik weet namelijk niet hoe het is om een man te zijn. Ook niet hoe het is om je man te voelen. Ik wil ook helemaal geen man zijn, denk ik.

Ik voel mij (het liefst) de persoon die ik was voor ik de puberteit inging en dan in dit lijf dat ik heb, een prima combinatatie als je ‘t mij vraagt. Die 13-jarige die niet bezig was met conventies en hoe het hoort, die niet nadacht over of iets passend was bij haar geslacht of niet. Zo ben ik het liefst, ik op een onbewaakt moment. Argeloos. Zonder de blik van een ander. En wat maakt dat mij? Het maakt mij mij. Fuck die hokjes. Fuck hoe iedereen mij ziet. ik ben ik en je doet het er maar mee. Of niet. Dan doe je het er maar niet mee.

Bewaren

Dit weekend heb ik al mijn kleren uitgezocht. Wat ik niet meer pas, wat niet meer mooi is en wat ik nooit draag ging in vuilniszakken. Zes zakken vol werden het. Niet te bevatten: zes overvolle vuilniszakken met kleding voor de kringloop. Ongebruikte zooi. En dan vergeet ik de enorme hoop die niet een tweede kans verdient omdat er gaten en vlekken in zitten, het spul waar je nog niet dood in gevonden wilt worden. Waarom ik die laatste categorie nog in mijn kasten had liggen weet ik niet. Niet omdat ik moeite heb met spullen loslaten. Niet in extreme mate althans. Ook niet omdat ik zoveel kleding heb dat het in het grote geheel verdween. Misschien omdat ik oude kleding vaak veel lekkerder vind zitten dan nieuwe. Zachter, er is in geleefd. Als een tweede huid. Nee, ook niet. Het is gewoon lammetakkerigheid. De vaart der volkeren enzo, en iets delft dan het onderspit.

Ik heb gesmokkeld. Alle te kleine kleding is weg, dat wel en wat verwassen en mottig is ook maar ik ben niet helemaal consequent geweest met het nooit-meer-dragen criterium. Voor sommige kleding moet een mens een uitzondering maken. Zo heb ik een colbert en een jurk gehouden die ik 28 jaar geleden kocht toen ik student was. Ik trok ze beide aan en keek in de spiegel. Ik zag niet de middelbare vrouw met de grijze strepen in het haar en de rimpels op de wangen; ik zag het meisje van 20 dat nog geen mobiele telefoon had, de jonge vrouw met het donkerbruine haar tot haar billen en de luide stem tijdens het college Oud Engels, fietsend naar het Zernike complex voor examens of een verdwaalde sessie Bewegen op Muziek, bommen. Dat is samen met 200 andere studenten in een enorme zaal naar een gymdocent met geluidsversterking kijken en de rare bewegingen die hij of zij maakt na-apen op het ritme van teringharde muziek. Ik denk dat ik dat twee keer heb gedaan maar er toen mee ophield omdat ik de slappe lach kreeg en geen enkel pasje op de maat van de muziek maakte. Ja, ik pas beide nog. Met een beetje smokkelen. Soms moet een mens smokkelen. Uit nostalgie. Maar ik doe ze dus nooit meer aan.

Ik heb ook een paar andere kledingstukken gehouden die ik (voorlopig) niet aantrek. Ik heb wél tegen ze gezegd dat ze geen kapsones mogen krijgen, dat het in mijn last hangen met een status aparte niet per se hun verdienste is. Zo hangt er een zogenaamde ‘little black dress’ die ik tot een jaar of 15 geleden wel een of twee keer heb aangehad maar waar ik me nu een soort halfomhalfrollade in voel, niet omdat ik het jurkje niet meer pas, nou ja, soort van niet, maar omdat ik zelf blijkbaar anders in mijn vel zit. Te kort, te bloot ook. Vooral: ik wil ruimte, lucht, doorstroming. Maar weggooien doe ik het dus niet. Omdat ik het aanhad toen ik iemand leerde kennen die me dierbaar is. Omdat het een erg mooi jurkje is. Omdat ik me er niemand anders in kan of wil voorstellen. Soms moet een mens zeggen: ik hou jou omdat je nog steeds mijn jurkje bent ook al doe ik je nooit meer aan.

En dan heb ik ook nog de twee broekpakken bewaard die ik vorig jaar kocht met het oog op de boekpresentatie van mijn allereerste roman Znežanka en eventuele promotionele activiteiten rondom het boek. Nou ja, toen kwam dus die corona en gingen de feesten niet door, geen presentatie, geen lezingen, een geruisloze bevalling. Zo geruisloos dat ik soms denk: is het boek echt geboren? Dan vergeet ik zelf dat het bestaat en een paar maanden geleden het licht zag. Maar al met al komt het neer op twee ongedragen broekpakken in mijn kast. De labeltjes hangen er nog aan. Ik doe ze wel eens aan, een privé verkleedpartijtje op mijn slaapkamer, heel erg dubbelgevoelerig, en dan kijk ik naar mezelf in de spiegel en fantaseer ik een zaal vol fans die aan mijn lippen hangen en om mijn handtekening bedelen. Deze twee kledingstukken smeken om gedragen te worden, zo mooi zijn ze. Ik hoor ze vaak roepen vanaf hun knaapje daar in die donkere kast. Dan zeg ik tegen ze: nog even wachten jongens. Niet lang meer. Niet lang meer. En misschien dat het niet bij dit boek gebeurt maar dan toch zeker bij een volgend. Dan mogen jullie schitteren en stralen en de blikvanger van de avond zijn. Niet lang meer, ik beloof het, jullie tijd komt nog. Soms moet een mens een kledingstuk geruststellen.

Gefilterd vroeger

Verlangend naar een tijd die was of misschien nooit was maar had kunnen zijn. Het is niet het zand dat tussen je vingers glijdt dat je laat terugverlangen, want dat doet de tijd nou eenmaal, probeer hem maar eens te stoppen. Het resultaat is een strakgetrokken gelaat waar de jaren zich tussen de kieren nestelen, de hoeken en gaten opzoeken en genadeloos vullen. Om over de binnenkant, die zich niet voor door vingers glijdend zand kan verstoppen, maar te zwijgen. Je bent niet bang voor het onvermijdelijke.

Nee, het is niet de opstapeling van de jaren die je zo naar een plek en tijd laten verlangen die nooit echt was, een plek tussen toen en je dromen van nu over toen. Een plek die had kunnen zijn. Het is het besef dat dat open veld dat jouw toekomst eens was, de lichte trilling van de verwachting die je toen voelde, zoveel mogelijkheden, een uitgestrektheid waar je nu, terugblikkend, van duizelt, niet meer in jouw toekomst ligt maar op z’n best zich in het heden afspeelt en misschien zelfs al ergens achter je ligt. Je mooiste jaren, denk je en je sluit je ogen om die springvloed van nostalgie die jou in je huidige vorm overspoelt het hoofd te bieden.

Ach. Je mooiste jaren, wie maak je wat wijs. Je weet best dat het een vertekening is, een gefilterde versie van vroeger, door de ogen van de mens die je nu bent. En ook die trilling van verwachting heb jij nooit op die manier ervaren, elk mens heeft immers zijn angsten en zorgen, toen, nu, in elke vorm van heden, niemand is dat onbeschreven blad waar jij zo hevig naar terugverlangt. Denk eens goed, denk eens terug naar hoe het écht was. Weet je nog hoe jij niet durfde te kiezen met je hart, hoe je anderen voor je liet beslissen, ongemerkt zijtakken nam van dat (niet-bestaande) pad omdat je bang was om te staan voor wat je het liefste wilde zijn? Bang voor het maaiveld, de meningen, de menigte, vol zorgen om zaken die je in je huidige heden totaal triviaal lijken, zózeer dat je ze gemakshalve bent vergeten. Geen onbeschreven blad was je, al lijkt het zich zo voor te doen met die roze bril van de haperende terugblik.

Dat verlangen naar een half-ingebeelde, verdwenen tijd om je in te wentelen, gewichtloos in te dobberen… Wanneer je vaker weemoedig achterom kijkt in plaats van verwachtingsvol vooruit, of zonder verwachtingen enkel in het moment bent, daarin tekent zich je ware leeftijd, het verstrijken van de jaren.

Het duurt niet lang meer en je leeft alleen nog maar in het gedroomde verleden met de permanent oranje waas van polaroids en die ingebeelde uitgestrekte weg met oneindige mogelijkheden. Je hebt je ‘vroegerfilter’ geperfectioneerd en zit met je rug naar de buschauffeur de jou resterende tijd achterstevoren uit te zitten.

verbondenheid

verbondenheid

Had je gedacht dat je ooit zo eenzaam zou zijn? Nee, dat dacht ik al. Ik ook niet.
Toch waren wij, allebei, en miljoenen om ons heen, het afgelopen jaar gebroederlijk op onszelf teruggeworpen.
Verpakt in een luchtdichte bubbel. Communicatie van rand tot rand, alles aan de buitenkant.

Het was niet altijd onaangenaam.

In alleen zijn kan immers ruimte ontstaan om te luisteren naar je eigen stilte, ontdekken wat je ten diepste wil, dichter bij jezelf te komen, blabla.
We waren met elkaar verbonden, in eenzaamheid en online, maar ‘s avonds voel je dan het ongemak.

Soms was het vreselijk onaangenaam.

Wie had ooit gedacht dat je zo kon verlangen naar aanraking? Ik niet. Ik deed zo vaak mijn best het uit de weg te gaan dat ik de tel ben kwijtgeraakt.
En met het vallen van de nacht kwam dan die zucht naar lijfelijke verbinding
Jezelf strelen is niet hetzelfde als worden aangeraakt, er gaat geen geruststelling uit van eigen vingers op eigen huid.

Steeds maar weer dezelfde zuurstofarme kamers met je eigen platgewalste lucht.

‘s Avonds is de stilte zo oorverdovend luid dat je oordoppen in doet om de druk te verlichten. Je denkt aan vingertoppen en lippen
Droomt van een terras, bier, blije gezichten
Langzaam vliegen, loom glijden boven een bevrijdingsfestival, mensen als en in een golf, verbonden door zon en een podium met live muziek. Uit velen een lichaam, het gevoel maakt je draaierig van geluk.
Met een schok rechtop in je bed.
Bijna had je aangeraakt. Geroken. Uitzinnig, opgewonden, opgetogen.

Je hebt het zo gemist.

De gouden griffioen: een aubade aan de Grote Vladimirovitsj

Als het had gekund was niet Nikolaj maar jij de laatste tsaar van Rusland en dienden die 100 jaar van andersoortig staatsterreur tussen hem en jou als ultieme voorbereiding van jouw van boven ingegeven moed en macht. Niet zo heel stiekem droom je daar al jaren van en laten we eerlijk zijn: in bijna alles behalve naam ben jij al die goddelijke gezant. Die prachtige gouden griffioen. Iedereen weet dat de kleinste mannen de grootsten zijn, je moet gewoon een lange adem hebben en over lijken gaan. Iedereen weet dat Zuid-Ossetië en de Krim bij Rusland horen, je deed alleen wat nodig was. Navalny had geen kritiek op je moeten hebben, laat hem creperen als de worm die hij is en sinds deze week mag ook die club van hem wegrotten in de grotten waar ze straks zullen wonen, de rechter die heeft beslist dat zij gemuilkorfd moeten worden heeft altijd gelijk.

Niemand heeft kritiek op de gouden griffioen, dat weten ook de lichamen van Alexander Litvinenko, Sergei Skripal, Natalia Estemirova en die idioot van een Boris Nemtsov. Mensen sterven nou eenmaal als jouw glanzende pad omhoog wordt geblokkeerd, honderden lieten het leven omdat zij niet jouw goddelijkheid aanbaden, hun lelijke woorden en daden niet bijdroegen aan de mythificering van de grote Vladimirovitsj. Ze kregen wat ze verdienden, je slaapt er geen dag slechter om in een van je vele luxueuze onderkomens. En nee je bent niet de eigenaar van dat schimmelpaleis aan zee van 1.5 miljard, laat journalisten hun werk doen, het behoort je judomaatje toe. Je tientallen miljarden offshore wachten geduldig op je, al denk je niet aan pensionering nu je nog zeker zestien jaren, maar daarna ongetwijfeld nog veel langer als je wilt en nog niet het loodje hebt gelegd, zo-goed-als keizer van het door jou gestichte rijk kan blijven, met dank aan wetswijzigingen en welwillende ja-knikkers.

Ach, alles wat Rusland aan waarde heeft behoort jou eigenlijk toe, ook dat weet iedereen en dus pak je feitelijk alleen maar wat al van jou is – Georgië, Oekraïne, geld, you name it, het komt je allemaal toe en niemand legt je een strobreed in de weg, ook niet die watjes in het Westen. Jij hebt gas, tuurlijk, iedereen en alles heeft zijn (kapitalistische) prijs, maar iedereen weet wat de ware reden is van niemands ingrijpen in jouw inmiddels niet-zo- heimelijke hybride oorlogsvoering in Europa, laten we er maar geen doekjes om winden: dat is natuurlijk wat jij en je GRU-slaafjes al een flinke poos aan het doen zijn. Dat de EU-blinden niet kunnen zien dat er een strategie, een Plan, zit in hetgeen jij doet maakt alles zoveel makkelijker, onwerkelijk waar jij mee weg komt, hoe vaak heb je dat al niet tegen jezelf gezegd. Je indrukwekkende spionnennetwerk in de EU, je vijanden die je hier en daar op hun grondgebied een toontje lager, zo’n 6feet, laat zingen en je bemoeienissen met hun verkiezingen en beinvloedingscampagnes overal, het trainen van ultrarechtse paramilitairen in Slowakije en Hongarije, te veel om op te noemen om het Westen en met name Europa te verzwakken. De ware reden dat ze jou je goddelijke gang laten gaan is dat ze in jou hun meerdere erkennen, de Grote Vladimirovitsj zal over de hele Westerse wereld regeren. Groter dan al je voorgangers zal jij zijn. En het heeft er alle schijn van dat Europa er klaar voor is, verzwakt en onderling kibbelend: je bent er bijna, nu niet lang meer. Nu niet lang meer.

Jij bent de Napoleon van de 21e eeuw, die stakker van een Romanov kan niet eens in jouw schaduw staan, zelfs Stalin verbleekt in jouw licht. Je bent de rijkste en machtigste man op aarde als je je ambt verlaat. Niet slecht voor een voormalig armlastig kgb’ertje, al zeg je het zelf. Alles komt je toe en als het niet uit zichzelf naar je toe komt dan ga jij het halen, dat weten dus de Georgiërs en de Oekraïners, al is het feitelijk meer terughalen wat al van jou was, je blijft het herhalen: het afscheiden van die afvallige Sovjetstaten is wat jou betreft volslagen abject en jij zult niet rusten voor alles weer is zoals het ooit was- en meer! Dat is wat grote staatsmannen doen.

Het mooie aan jou is dat je groots droomt, altijd wil jij meer, meer dan al je voorgangers voor je, je bent én Stalin en Romanov én Napoleon, je evenaart zelfs de Oppermachtige, laat de hele wereld het weten hoe groot en machtig jij, vadertje Rusland in eigen persoon, bent. En daarbij passen strafkampen met gevangenen die aan spoorlijnen werken in de uitgestrekte ijsvlakten van Oost Siberië. Laat de goede oude tijd maar herleven, er is geen schaamte in een beetje dwangarbeid.

Dus laten we het glas heffen op de Oppermachtige Vladimiriovistj, de man die alles kan. De man die alles doet. De man die denkt dat hij alles mag, want niemand die zegt: nee.

HAST DU DIE MENGE VERMISST?

Ik vertik het om dat hele coronagedoe mijn dromen en mijn verhalen binnen te laten dringen. Ik vertik het. Ik volhard in mijn geloof dat het straks allemaal voorbij is, deze nachtmerrie, deze onnatuurlijke toestand waarin we van elkaar gescheiden zijn, waarin je niet op mag gaan in een klotsende zee van dampende lichamen, in een grote golf van vochtige huid en kloppende harten, allen even een terwijl muziek door je lichaam vibreert, de pulserende bassen je overnemen, je tijdelijk laten zweven. Waarin je dat wel mag als het een testevenement heet. Ik sta niet toe dat het onderdeel wordt van mijn denken, ik vertik het dat de dissonanten mijn wezen penetreren, sluit me af voor ‘moederharten’ en angstaanaanjagers, leveranciers van haat en onderbuik. Mensen die elkaar met de dood bedreigen om een andere mening over vaccinatie, mensen die elkaar verwijten dit virus op te blazen of te bagatelliseren, mensen zonder gevoel voor menselijke maat.

Maar dat ik het vertik betekent niet dat het niet toch gebeurt. Goed, mijn dromen zijn momenteel nog zuiver, geen mondkapje gesignaleerd. Ik bemerk echter wel dat in mijn hoofd zich opzetjes vormen voor absurdistische vertellingen, waanvoorstellingen waarin corona het openbare discours in is geslopen en het gedrag van mensen bepaalt. Mensen die elkaar wantrouwend bejegenen, mensen die angstig opzij stappen als je langsloopt, de bosjes in duiken om maar geen contact te maken. Elkaar niet meer durven aankijken. Lege straten in de avond, lege terrassen. Lege bioscoopzalen. Zonder mensen is het stil. Stiekem bij elkaar op bezoek, aangehouden worden op straat, waar zijn je papieren. Alleen binnen ben je veilig. Corona: dat is de ander.

En dan, toch nog, die schok: dit zijn geen absurdistische opzetjes. Dit is nu. Dit is het heden, de tegenwoordige tijd. Zoiets kan zelfs ik met mijn kronkelhoofd niet bedenken. Tijd om naar bed te gaan, slapen…slapen, laat me slapen. Ik snak zo naar een warboel van lichamen op een afgetrapt festivalterrein, maar een droom waarin ik vlieg als een albatros, een arend, een schurftige reiger desnoods is ook bijzonder welkom. Als ik maar, al is het even, weg kan vliegen van hier.

Totaalobsessie

Ik heb een nieuwe totaalobsessie: Duits. Voor de mensen die geen ervaring hebben met totaalobsessies: resistance is futile. Echt, geloof me: zinloos. Die dingen komen -en gaan goddank ook weer- en je hebt er geen zeggenschap over.

Het is eigenlijk niet te bevatten: sinds ik 30 jaar geleden mijn middelbareschooldiploma haalde, heb ik die taal zo goed en zo kwaad als kon weten te mijden en dan reik ik haar nu vrijwillig en enthousiast ineens de hand. Unwirklich! Maar het is écht waar: ik kijk Duitse films, series, documentaires, bestudeer Duitse grammatica (hier moest zelfs ik even mijn wenkbrauwen fronsen maar ik zeg het maar zoals het is) en lees Duitse artikelen. Alleen Duitse boeken heb ik nog niet gelezen, maar ik vermoed dat het slechts een kwestie van tijd is. Hier thuis staan alleen nog een paar verdwaalde ‘verplichte boeken’ van 30 jaar geleden (een paar dunne Bölletjes, bijvoorbeeld) en misschien vier boeken van meer dan 200 pagina’s die ik ergens in de afgelopen 30 jaar las zonder dwang, op één na allemaal Herman Hesse en de andere is een dikke van Böll. Maar ik voel aan mijn water dat het niet lang meer duren zal voor het eerste boek in de taal van onze oosterburen op mijn nachtkastje ligt. Ik luister ook naar Duitse liedjes, nee geen Schlager en werelden gaan voor mij open. Ik ben ook verkalverliefd op een Duitse millennial met een stem waar mijn wiebelige hormonale gemoed nog wiebeliger van wordt.

Een paar jaar geleden had ik zo’n obsessie overigens met Zweeds en Hebreeuws en ik heb ook al diverse dialecten-en accentenfetisjen gehad, een fase van onderdompeling in Oudnoors, Vikingen, middelengels, Iers, Schots, Amerikaanse accenten, Afrikaans en god mag weten wat nog meer en we weten allemaal wat daarmee gebeurd is, dus ik laat het maar over me heenkomen en speel het spelletje mee. Het is zoals ik reeds schreef: resistance Is futile. Op de assimilatie in de Borg dan maar, beste mensen. Tschüß. Wir sehen uns auf der anderen Seite!

Paaseieren zoeken met pubers

Ze zijn inmiddels 12 en 14 maar paaseitjes verstoppen doen we nog steeds. Vinden ze leuk – en wij ook. Althans, dat dachten we, dat we dat leuk vonden. Het bleek dat mijn man vooral het idéé van het verstoppen en zoeken leuk vond maar het daadwerkelijke gebeuren een stuk minder trok. Goed, ik de chocolade eitjes verstoppen in de woonkamer en de kinderen geroepen. Mijn man wilde zeggen dat het zoeken kon beginnen maar ze stoven de kamer al door, onderwijl elkaar omverduwend. Iemand opende de klep van de piano om te kijken of daar iets verstopt zat en liet toen die klep op de vingers van zijn broer vallen. Uitgeschakeld en meer eitjes voor Bassie. Scheldend werd de gezellige familieactiviteit voortgezet, mijn werktafel was een volgend slachtoffer, weg systeem, alles door elkaar, briefjes met verhaallijnen van het prikbord gerukt want er zou wel eens een eitje achter verstopt kunnen zitten. Plantjes in de vensterbank werden ruw opgetild, stukken lidcactus vlogen in het rond. Mijn man, de arme stakker, stond als aan de grond genageld toe te kijken, grote verschrikte ogen.
Wraak is zoet dacht de broer die zojuist zijn jatten had bezeerd en hop, daar pakte hij het hoofd van zijn broer al en ramde het tegen het bijzettafeltje. Hun vader ontplofte. Schreeuwde dat dit niet normaal was, dat paaseitjes zoeken niet zo hoorde te gaan. Wat verwacht je dan, een soortement Von Trapp constellatie, vroeg ik. Ik maakte een ongepast gebaar dat bepaalde Duitsers zo’n 70 jaar geleden maakten om hun grote leider te eren. Hij keek me boos aan. Nee, maar het mag wel een beetje beschaafder dan dit , zei hij. Ik schoot in de lach maar hield daarmee op toen ik de hoek van een bank tegen mijn heup kreeg. Iemand had de bank opzijgeschoven. Alsof ik paaseitjes in de stofnesten achter de bank zou verstoppen, waar zien ze me hier voor aan. De kinderen hadden al ongeveer een derde gevonden en hadden geen oog voor hun ontplofte vader. Die beende kwaad de kamer uit en smeet de deur dicht. Het eierenzoeken werd voortgezet zonder de dissonante tonen van de vader. Die was nu ergens boven aangekomen. Dat hoorde ik aan de deur die daar ook werd dichtgesmeten.
Toen alle eieren gevonden waren aten ze er een paar op zonder de wikkels eraf te halen. Ik werd boos. Ze zeiden dat wij wel erg overspannen waren, en dat ze de eieren nu voor ons zouden verstoppen zodat wij ook wat losser zouden worden. De man werd van zolder getrommeld, hij was afgekoeld. We begonnen met zoeken. Een eitje zat ik de pot chocopasta en de rest in het oorgedeelte van verschillende koptelefoons die er in de woonkamer lagen. Ik wist niet eens dat die kussentjes eruit konden maar dat kan dus blijkbaar.