HAST DU DIE MENGE VERMISST?

Ik vertik het om dat hele coronagedoe mijn dromen en mijn verhalen binnen te laten dringen. Ik vertik het. Ik volhard in mijn geloof dat het straks allemaal voorbij is, deze nachtmerrie, deze onnatuurlijke toestand waarin we van elkaar gescheiden zijn, waarin je niet op mag gaan in een klotsende zee van dampende lichamen, in een grote golf van vochtige huid en kloppende harten, allen even een terwijl muziek door je lichaam vibreert, de pulserende bassen je overnemen, je tijdelijk laten zweven. Waarin je dat wel mag als het een testevenement heet. Ik sta niet toe dat het onderdeel wordt van mijn denken, ik vertik het dat de dissonanten mijn wezen penetreren, sluit me af voor ‘moederharten’ en angstaanaanjagers, leveranciers van haat en onderbuik. Mensen die elkaar met de dood bedreigen om een andere mening over vaccinatie, mensen die elkaar verwijten dit virus op te blazen of te bagatelliseren, mensen zonder gevoel voor menselijke maat.

Maar dat ik het vertik betekent niet dat het niet toch gebeurt. Goed, mijn dromen zijn momenteel nog zuiver, geen mondkapje gesignaleerd. Ik bemerk echter wel dat in mijn hoofd zich opzetjes vormen voor absurdistische vertellingen, waanvoorstellingen waarin corona het openbare discours in is geslopen en het gedrag van mensen bepaalt. Mensen die elkaar wantrouwend bejegenen, mensen die angstig opzij stappen als je langsloopt, de bosjes in duiken om maar geen contact te maken. Elkaar niet meer durven aankijken. Lege straten in de avond, lege terrassen. Lege bioscoopzalen. Zonder mensen is het stil. Stiekem bij elkaar op bezoek, aangehouden worden op straat, waar zijn je papieren. Alleen binnen ben je veilig. Corona: dat is de ander.

En dan, toch nog, die schok: dit zijn geen absurdistische opzetjes. Dit is nu. Dit is het heden, de tegenwoordige tijd. Zoiets kan zelfs ik met mijn kronkelhoofd niet bedenken. Tijd om naar bed te gaan, slapen…slapen, laat me slapen. Ik snak zo naar een warboel van lichamen op een afgetrapt festivalterrein, maar een droom waarin ik vlieg als een albatros, een arend, een schurftige reiger desnoods is ook bijzonder welkom. Als ik maar, al is het even, weg kan vliegen van hier.

Totaalobsessie

Ik heb een nieuwe totaalobsessie: Duits. Voor de mensen die geen ervaring hebben met totaalobsessies: resistance is futile. Echt, geloof me: zinloos. Die dingen komen -en gaan goddank ook weer- en je hebt er geen zeggenschap over.

Het is eigenlijk niet te bevatten: sinds ik 30 jaar geleden mijn middelbareschooldiploma haalde, heb ik die taal zo goed en zo kwaad als kon weten te mijden en dan reik ik haar nu vrijwillig en enthousiast ineens de hand. Unwirklich! Maar het is écht waar: ik kijk Duitse films, series, documentaires, bestudeer Duitse grammatica (hier moest zelfs ik even mijn wenkbrauwen fronsen maar ik zeg het maar zoals het is) en lees Duitse artikelen. Alleen Duitse boeken heb ik nog niet gelezen, maar ik vermoed dat het slechts een kwestie van tijd is. Hier thuis staan alleen nog een paar verdwaalde ‘verplichte boeken’ van 30 jaar geleden (een paar dunne Bölletjes, bijvoorbeeld) en misschien vier boeken van meer dan 200 pagina’s die ik ergens in de afgelopen 30 jaar las zonder dwang, op één na allemaal Herman Hesse en de andere is een dikke van Böll. Maar ik voel aan mijn water dat het niet lang meer duren zal voor het eerste boek in de taal van onze oosterburen op mijn nachtkastje ligt. Ik luister ook naar Duitse liedjes, nee geen Schlager en werelden gaan voor mij open. Ik ben ook verkalverliefd op een Duitse millennial met een stem waar mijn wiebelige hormonale gemoed nog wiebeliger van wordt.

Een paar jaar geleden had ik zo’n obsessie overigens met Zweeds en Hebreeuws en ik heb ook al diverse dialecten-en accentenfetisjen gehad, een fase van onderdompeling in Oudnoors, Vikingen, middelengels, Iers, Schots, Amerikaanse accenten, Afrikaans en god mag weten wat nog meer en we weten allemaal wat daarmee gebeurd is, dus ik laat het maar over me heenkomen en speel het spelletje mee. Het is zoals ik reeds schreef: resistance Is futile. Op de assimilatie in de Borg dan maar, beste mensen. Tschüß. Wir sehen uns auf der anderen Seite!

Paaseieren zoeken met pubers

Ze zijn inmiddels 12 en 14 maar paaseitjes verstoppen doen we nog steeds. Vinden ze leuk – en wij ook. Althans, dat dachten we, dat we dat leuk vonden. Het bleek dat mijn man vooral het idéé van het verstoppen en zoeken leuk vond maar het daadwerkelijke gebeuren een stuk minder trok. Goed, ik de chocolade eitjes verstoppen in de woonkamer en de kinderen geroepen. Mijn man wilde zeggen dat het zoeken kon beginnen maar ze stoven de kamer al door, onderwijl elkaar omverduwend. Iemand opende de klep van de piano om te kijken of daar iets verstopt zat en liet toen die klep op de vingers van zijn broer vallen. Uitgeschakeld en meer eitjes voor Bassie. Scheldend werd de gezellige familieactiviteit voortgezet, mijn werktafel was een volgend slachtoffer, weg systeem, alles door elkaar, briefjes met verhaallijnen van het prikbord gerukt want er zou wel eens een eitje achter verstopt kunnen zitten. Plantjes in de vensterbank werden ruw opgetild, stukken lidcactus vlogen in het rond. Mijn man, de arme stakker, stond als aan de grond genageld toe te kijken, grote verschrikte ogen.
Wraak is zoet dacht de broer die zojuist zijn jatten had bezeerd en hop, daar pakte hij het hoofd van zijn broer al en ramde het tegen het bijzettafeltje. Hun vader ontplofte. Schreeuwde dat dit niet normaal was, dat paaseitjes zoeken niet zo hoorde te gaan. Wat verwacht je dan, een soortement Von Trapp constellatie, vroeg ik. Ik maakte een ongepast gebaar dat bepaalde Duitsers zo’n 70 jaar geleden maakten om hun grote leider te eren. Hij keek me boos aan. Nee, maar het mag wel een beetje beschaafder dan dit , zei hij. Ik schoot in de lach maar hield daarmee op toen ik de hoek van een bank tegen mijn heup kreeg. Iemand had de bank opzijgeschoven. Alsof ik paaseitjes in de stofnesten achter de bank zou verstoppen, waar zien ze me hier voor aan. De kinderen hadden al ongeveer een derde gevonden en hadden geen oog voor hun ontplofte vader. Die beende kwaad de kamer uit en smeet de deur dicht. Het eierenzoeken werd voortgezet zonder de dissonante tonen van de vader. Die was nu ergens boven aangekomen. Dat hoorde ik aan de deur die daar ook werd dichtgesmeten.
Toen alle eieren gevonden waren aten ze er een paar op zonder de wikkels eraf te halen. Ik werd boos. Ze zeiden dat wij wel erg overspannen waren, en dat ze de eieren nu voor ons zouden verstoppen zodat wij ook wat losser zouden worden. De man werd van zolder getrommeld, hij was afgekoeld. We begonnen met zoeken. Een eitje zat ik de pot chocopasta en de rest in het oorgedeelte van verschillende koptelefoons die er in de woonkamer lagen. Ik wist niet eens dat die kussentjes eruit konden maar dat kan dus blijkbaar.

Meisjes van de derde helft in de overgang

Voor iemand die uitstekend gedijt bij voorspelbaarheid is de Overgang de hel op aarde. Ik schrijf het nu met een Hoofdletter om het satanische karakter van het woord over te brengen, maar eigenlijk zou het geschreven moeten worden met de allerkleinste letter die er bestaat, of beter net als Voldemort ongenoemd moeten blijven, moge zij voor eeuwig vervloekt zijn. De OVERGANG. Alleen het fucking woord al. Overgang van wat naar wat precies? Ja precies: van gewoon vrouw naar OUDE vrouw. Van de 2e naar de 4e helft, van de zomer naar de winter en de overgang is dan die fase ertussenin, de deprimerende herfst waar alles wat leeft na een lange onstuimige storm uitvalt, uitdooft, verwelkt of zich klaarmaakt voor de oneindig winterslaap: de meisjes van de 3e helft, die mokkels van ertussen. Niet meer jong, nog niet bejaard, vlees nog vis. Dat ondefinieerbare gebied ertussen, inderdaad.

Ik zie sommigen van jullie al besmuikt gniffelen, vooral de kerels die zelf in de mannelijke equivalent van de overgang zitten maar heel hard over het uiterlijk van de overgangstergirl schreeuwen om zelf maar niet op de korrel genomen te worden en daarom per abuis denken dat zij eeuwig jong en mals en sappig blijven, heel anders dan hun vrouwelijke leeftijdsgenootjes die larmoyant en lachwekkend zijn volgens deze penopauzepipo’s. Nee, jongens, jullie zien er óók niet meer uit. Nee écht niet. We veranderen allemaal van uiterlijk in de herfst van ons leven, dat weten jullie heus wel, de een een beetje drastischer dan de ander, dus whatever, boeien, hou maar op met die domme grapjes over kortpittigekroketjes want anders bijt ik je kop eraf met mijn oestrogeenarme labiele hoofd.
Maar ook de meisjes, pardon jonge dames, van in de twintig zo ongeveer, die denken dat de overgang iets voor andere vrouwen is, die meisjes die denken dat het hen nooit zal ‘treffen’, in de overgang zijn hun moeders zeg maar. O die heerlijke dwaasheid der jeugdigen, ik weet het nog, ik weet het nog dat ik zo leefde in het moment dat ik dacht nooit oud te worden, voor altijd zo te blijven, ik wel, wakker worden na een ruige nacht met veel drank en na een douche weer fris en fruitig in de collegebankjes in plaats van zoals nu drie dagen later er nog uit zien als een semi-opgedroogde druif en dat na maar twee wijntjes, oké één wijntje. Die heerlijke fase waar de wereld aan je voeten ligt en ouderdom en ver-van-je-bed show. Die tijd dat je niet nadacht over leeftijd, ouder worden, je eigen sterfelijkheid dan vooral. Die tijd waarin tijd geen rol speelt omdat je niet over de jaren struikelt. Nou, die meisjes dus zien zichzelf als het centrum van het universum en de vrouwen die 25 jaar eerder op aarde werden geworpen als vreemde wezens. Geeft niet schatje, jouw tijd komt nog wel, denk ik vals. Ik dacht ook dat 25 jaar later een eeuwigheid was maar toen knipperde ik met mijn ogen en stond ik met één bespataderd been in de Overgang.
Het is even wennen, maar voila.

En nu ben ik niet alleen dat meisje van de derde helft maar ook nog eens in de echte échte overgang. Je weet wel, dat moment dat je eitjes en je wangen opdrogen.

Maar goed. Ik dwaal af. Waar was ik gebleven. O, ja. Ik ben dus een mens die gedijt bij voorspelbaarheid. Elke maand ongesteld, ook de hel op aarde in mijn geval, een paar dagen uit de running maar als je weet dat t komt is het soort van te overzien. Je voelt je als een draak die net uit zijn ei is gekropen en moeite heeft met woedebeheersing, je zwelt op als een heliumballon omdat je 40 liter vocht vasthoudt en eet een kilo vette zoete chocolade (niet die vieze zogenaamd gezonde pure troep natuurlijk, d u h) en dan die helse krampen, de hele dag op de plee doorbrengen om vervolgens weer te herstellen van de bloedarmoede, maar er zit een patróón in. What’s not to like, right.
Die poepovergang schopt alles in de war. Weg voorspelbaarheid. Doet wat ie zelf wil. Komt wanneer ie wil, gaat wanneer ie wil. Na zestien dagen ineens ongesteld? Geen probleem. Drie weken achter elkaar? Toe maar. De hevigste menstruaties ooit waar je zo verzwakt van raakt dat de trap afdalen soms beter achterstevoren kruipend kan? Check. Na de gebruikelijke 28 dagen enorme krampen en haar op je tanden krijgen, Michellinmannetjes proporties aannemen, je volvreten met chocolade en dan…niks. Niks?? Serieus? Heb ik een kilo chocolade naar binnen gewerkt voor niks? De krampen worden inmiddels zo hevig dat je ervan dubbelslaat en gaan niet weg. De behoefte aan zoete meuk blijft ook, het haar op je tanden zit inmiddels op je kin. Je buik denkt dat je Jabba de Hutt heet en gedraagt zich conform. Wat IS dit, denk je verschrikt, ben ik gewoon al dertien dagen ongesteld maar dan zonder de rode vloot? Imitatiemenstruatie? Wel de lasten niet de ontlading? Tot je op een dag haast hebt om op tijd bij je psycholoog te komen en op de fiets ineens niet meer die boot hebt gemist. Briljante timing, Prazdny. Terug naar huis, kleding verschonen, snel iets nemen tegen de krampen die je in alle hevigheid voelt opkomen en dan bij die psycholoog aanschuiven om de volgende warme woorden van betrokkenheid te mogen ontvangen: ik wil je niet uit het lood slaan maar bij mijn vrouw duurde het 12 jaar, die overgang.

De opvliegers (ik heb 1.5 jaar gedacht dat ik ziek was met koorts maar het bleken dus opvliegers), het veranderende uiterlijk, de verlammende bloedarmoede en de gekookte hersenen die ervoor zorgen dat ik 100 van de 100 op een add-test scoor, vage Toos en Annemarie Jorritsma zijn er niks bij, en nog zo wat dingen die ik hier niet zal noemen om jullie te sparen: ik kan het hebben. Het is die scriptloosheid, die totale grillige onvoorspelbaarheid van de overgang, die me nekt.

Slapen en drugs en hulpmiddelen

Vannacht was de tweede nacht op rij dat ik op mijn rug in slaap viel en pas wakker werd toen er iets van licht door de verduisteringsgordijnen sijpelde en een duracellmerel luidruchtig het krieken van de ochtend infloot.
Fantastisch, Prazdny, maar wat is daar zo bijzonder aan? Nou, dat zal ik je vertellen. Prazdny slaapt namelijk al sinds ze kinderen op de wereld heeft gezet, al bijna vijftien jaar dus, niet om over naar huis te schrijven. Voor ik kinderen kreeg had ik nachtmerries, dus van goed slapen is het al een hele poos niet meer gekomen.

Alles heb ik geprobeerd. Nee, ik hoef geen gratis advies, zelfs niet als het bij jou wonderen verrichtte. Nee, écht niet.


Ik zal een opsomming geven van wat ik zoal heb geprobeerd om tóch tot iets van slapen te komen: anti-histamine, slaappillen, sambrosa slaapsap, thc, drank, cbd, al dat gezeik dat ‘slaaphygiene’ wordt genoemd, je weet wel, koele slaapkamer, geen schermpjes in de slaapkamer, warme baden, koude douches, ontspanningsoefeningen, seks. Verder onder andere magnesium, melatonine, meditatie, valeriaan, sint janskruid, yoga, sporten en ontspannende muziek. Het maakte allemaal geen tot weinig verschil: ik sliep net zo beroerd na een klankschalensessie als na een bingemarathon Homeland of Fauda.

Tot een paar weken geleden. Ik had besloten geen slaappillen meer te nemen en ik sliep er niet slechter van, beter zelfs. Met slaappillen is het stomme dat je één nacht plezant knockout bent maar de dagen erna gefuckt wordt door een slapeloosheid uit de hel. Andere drugs had ik lang daarvoor al uit mijn slaapkamer verbannen. Dit keer vergat ik op een avond de melatonine die ik zo braaf slikte. Ik sliep er geen ene moer slechter van. Dus ik besloot ook de melatonine te dumpen.
Nu gebruikte ik ineens helemaal niks meer en potverdrie: ik sliep vaster en beter dan ik me kan herinneren. Wel elke nacht wakker om die oudevrouwenplasjes te doen, maar ja, oudevrouwen will be oudevrouwen, hè. Nog steeds niet heel uitgerust wakker, maar dat ik überhaupt slaap zonder externe hulp mag al in de krant.

Tot ik dus eergisteren op mijn rug in slaap viel en de volgende ochtend door die merel on steroids werd gewekt. Vannacht idem. Ik wist niet wat me overkwam. Geen plasjes, geen wakkere momenten. Ik werd, nog steeds op mijn rug, wakker en het was de andere kant van de nacht ineens.

Het is raar, kaal en bevreemdend, om 20 jaar lang met het idee te leven dat je hulpmiddelen nodig hebt om te kunnen slapen (en dan vervolgens nog steeds slecht te slapen) om nu geconfronteerd te worden met de onjuistheid van dit idee.
Ik heb helemaal niks nodig. Ik kan het aan, slapen. Leven. Voor iemand die altijd bang was om te leven en ook wel een beetje vóór het leven, een heftige gewaarwording. Maar WAT een openbaring.

Wiebelig gemoed

Ik zit aan de eettafel en kijk naar buiten. Regendruppels op de ruiten, daarachter een boom die meebeweegt met wat de wind hem geeft, zijn takken nog een paar standjes driftiger. De kleur van de lucht is gebroken wit, als ik me alleen op dat daarboven concentreer voelt het alsof ik in het luchtledige zweef, er niet ben, althans niet hier. Opgezogen in het witte scherm des doods. Alles lijkt van glans en kleur ontdaan, zelfs de wipkippen op het speelplaatsje voor mijn huis, doorgaans favoriete attracties van kleuters en hangjongeren, nodigen niet uit om op te gaan zitten. Het is dof en grauw daarbuiten, hierbinnen is mijn stemming eender.

Als je iets beter kijkt, hoor ik mezelf denken, dan zie je sneeuwklokjes en de krokussen en met alle wil van de wereld kun je daar geen depressie van krijgen. Ik probeer met positieve gedachten de somberte te bezweren, maar het is knap lastig opbeurende gedachten te formuleren als het buiten stormt en in je hoofd (en hart en lijf, alles wat ik ben) een proces gaande is dat je het beste kan omschrijven als ‘ontdooiing’. Dat klinkt gezellig, een paar oo’s en twee ii’s na elkaar, het suggereert warmte, van vaste vorm naar iets vloeibaars, maar als je ijs gewend bent om je in te verschuilen, dan is dat smelten een beangstigend, want onbekend en dus eng, gevoel. Als bevroren, ingepakt in ijs leven, je tweede natuur is geworden, dan voelt ontdooien alsof je in je blote kont over straat loopt en heel erg je oude bekende spijkerbroek mist, ook al was hij zo gehavend dat je eigenlijk best weet dat hij niet meer kon. Dat het begon op te vallen, dat er meer gaten in zaten dan stof, dat hij weg moest maar ja, en dan. En natuurlijk loop ik niet in mijn blote kont over straat. Het voelt alleen verdomde naakt, al dat voelen, ja ook al die onprettige dingen die synchroon lopen met een storm die Evert heet. Ik kan de somberte minder makkelijk wegstoppen dan voorheen, een beetje mindful genieten van een mok thee en lekker positief denken om mijn stemming voor de gek te houden zit er niet in, zeg maar.

En dat is oké. Het is oke dat ik me niet oké voel, niet altijd oké voel. Dat ik soms blij ben en soms verdrietig. Dat het niet altijd voorspelbaar is, niet altijd gelijkmatig en niet altijd hetzelfde. Een wiebelig gemoed is niet gelijk het begin van een depressie, een wiebelig gemoed betekent dat het ijs aan het smelten is. Doodeng, want wat zit eronder.

Recensie Znežanka

De kopstoot van Sneeuwwitje

[…] Het is lang geleden dat ik een boek tot het einde toe las – te druk met alles en niets – maar Znežanka kon ik niet negeren of wegleggen. Op de eerste pagina kroop ze in mijn hoofd en na de laatste zat ze er nog steeds. Nu moet ik er iets zinnigs over zeggen, een pluim in het achterwerk van de schrijfster Bronja Prazdny steken, want die heeft ze verdiend, meerdere pluimen. Znežanka is haar eerste roman, een overdonderend debuut zoals ik er weinig heb gezien. Niet veel nieuwbakken romanschrijvers leggen de literaire lat zo hoog en springen er vervolgens met ogenschijnlijk gemak overheen. De gelijkenissen, de overdenkingen, de humor van Znežanka, hoewel haar situatie daar geen aanleiding toe geeft, zorgden ervoor dat ze mij onafgebroken bleef boeien. Vaak blader ik door een boek als er weer een lange, vermoeiende beschrijving of bespiegeling wordt ingezet, soms leg ik het weg of gooi ik het van me af. Ik heb met veel boeken gegooid in mijn leven, ik kan het iedereen van harte aanraden. Met pretentieuze ijdeltuiterij mag je vrijuit gooien, hard en ver, maar niet met dit boek. Znežanka moet je lezen. Als je van een authentiek verhaal houdt, een boek dat de grenzen van de geloofwaardigheid overtuigend overschrijdt en je gaandeweg confronteert met je eigen fantasieën, je eigen gekte waarin je af en toe heimelijk schuilt als de realiteit je verveelt, vermoeit of ondraaglijk wordt, lees dan Znežanka. Probeer één pagina, de eerste, en laat Znežanka je meeslepen en uiteindelijk de kopstoot geven die je even doet duizelen van de werkelijke waanzin in en om ons heen. Znežanka is gek, ze windt er geen doekjes om, maar zijn wij minder gek? Wie bepaalt dat de ene mens gek is en de andere niet? Zijn we het niet allemaal, in meer of mindere mate? Ik ben blij dat ik het ben en dat het mag. Met dank aan Znežanka en Bronja Prazdny.

Marcel Vaarmeijer, auteur van oa Voor wie ik hen liefgehad en Heelmeester (dat op de longlist van de van de Librisliteratuurprijs stond).

Znežanka

Mijn eerste roman is sinds eind 2020 verkrijgbaar! Party time!

Znežanka is een verhaal over vriendschap en haat, over het hebben van vertrouwen in een ander en het geloven in jezelf, hoeveel je ook voor je kiezen krijgt, over afscheid en verdriet en loslaten versus vasthouden. Het is ook een pleidooi voor het ‘afwijkende’, een modern sprookje over een vorm van verbeelding die in onze maatschappij vaak als gekte wordt gezien. Waar ligt de scheidslijn tussen verbeelding en waanzin en wie bepaalt die eigenlijk?

Ik heb heel lang gedacht dat er maar één waarheid bestond. Dat hoe je er ook naar keek, de uitkomst van een optelsom altijd dezelfde is. Feiten zijn feiten, die zijn niet naar inzicht in te kleuren. Nu ben ik daar niet zo zeker meer van.

De hoofdpersoon in deze roman, Znežanka, is een jonge vrouw die hevig verliefd wordt op een man, maar in plaats van een lang en gelukkig leven in liefde en harmonie eindigt hun korte samenzijn in een diepe beangstigende afdaling in het rijk der schimmen. voor haar althans – hij verdwijnt uit beeld en hervat zijn leven. Znežanka weet een manier te vinden om om te gaan met de verliezen en de snijdende pijn die volgen op het vertrek van haar voormalige droomprins, maar of deze oplossing haar zal helpen er weer bovenop te komen?

En daar komen de kleintjes, een stoet kindervoetjes klossend op de trap, zoveel lawaai dat het klinkt alsof een regiment soldaten aanstonds zal aantreden, maar het zijn maar vijf kleintjes als het geluid eenmaal is verstomd en ze met grote ogen voor ons staan.

Znežanka is mijn fictiedebuut en wordt uitgegeven door Droomvallei Uitgeverij. Je kunt het boek bij mijn uitgeverij bestellen via deze link of bij je (online)boekenwinkel naar keuze.

Mijn hoofd golft op en neer, van boven naar beneden en terug, door de gladde, dikke vloeistof. Ik doe mijn ogen dicht en laat me omvatten door de olie. Het voelt soms zo goed om gek te zijn.

Znežanka: lezersreacties

‘Weergaloos mooi.’

‘Er zit muziek in de tekst en dat is, voor een doof persoon als ik, een onverwachte ervaring.’

‘Absolute aanrader.’

‘Beeldende en intense schrijfstijl. Rauw en snoeihard, schurend, soms ongemakkelijk maar tegelijkertijd ontroerend.’

‘Prachtig boek!’

‘Het is niet zo dat ‘t boek gekmakend is, het is meer dat ‘t in alle mirakels knerpende details de lezer nergens van erin-opgezogen-worden zal beschermen.’

‘Erg van onder de indruk!’

‘Uniek verhaal over verdriet, liefde, vriendschap en loslaten.’

‘Bijzondere schrijfstijl met mooi gevormde zinnen.’

‘Bevreemdend boek, kruipt onder je huid en laat je niet los.’

‘Meeslepend en bijzonder.’

‘Prazdny hanteert een intense, eigen schrijfstijl.’

‘Verrassend en gedurfd.’

‘Een boek dat je niet snel loslaat.’

Nieuwsgierig? Je kunt Znežanka hier bestellen. Of hier. Of hier. Of hier.

Laat je me weten wat je ervan vond? Privé of openbaar, op een boekenpagina als Goodreads of Hebban of gewoon per ouderwetse brief of mail. (bronjaATgmail.com)

Tempus fugit

Als je (bijna) je hele leven al in dezelfde stad woont zoals ik gebeurt het regelmatig dat je vaker op eenzelfde plek komt. Soms wel honderden keren, misschien zelfs meer. Meestal denk ik daar niet over na, ik begeef mij van A naar B, zo simpel is het. Soms denk ik er wél over na. Dan loop ik nog steeds van A naar B en dan word ik ineens overspoeld door allerlei herinneringen. Vlagen weemoed, vaak met oranje, bruine en groene randjes of met neonrandjes met spijkerkettingen en getouppeerd haar. Zonder dat ik mijn ogen hoef te sluiten, gewoon tijdens het lopen of fietsen, zie ik dan verschillende tijdslagen met ervaringen en gebeurtenissen over elkaar schuiven.

Ik had dat laatst op de Vismarkt. Ik liep daar en keek naar links, naar wat nu een of andere nondescripte kledingketen was, toen naar boven waar meer van hetzelfde zat en zag toen mezelf door een smalle donkere ingang de openbare bibliotheek betreden die daar gevestigd was, lang geleden. Ja, in de jaren zeventig en tachtig ja. Uren bracht ik er door. Bladmuziek bestuderend, (ja echt), B’s voor alle Ronja de Roversdochters zettend, oude verhalen en sagen en mythes lezend op de kussens in de kelder. Gewoon ik, mijn nageltjes om af te kluiven en een boek. Ik kan je vertellen hoe het klonk als een boek werd afgestempeld,, kkllinkklllonk, met zo’n eifeltorenachtig apparaatje met de juiste datum in inkt aan de onderkant. Zoveel nostalgisch sentiment dat het bijna zeer doet.

Een andere herinnering, nu eind jaren 80 of daaromtrent. Ik werd achtervolgd door een man van wie ik later leerde dat het dichter des vaderlands Driek van Wissen geweest moest zijn. Achteraf gezien misschien much ado about nothing, maar ik vond het toen blijkbaar eng om door een oude vent ver voorbij het acceptabele bekeken te worden. Bij de Febo op de hoek dook ik naar links en was ik van Driek af. Ik ben hem later nog veel vaker tegengekomen, bijna alle keren in de kroeg, een enkele keer op de universiteit, maar slechts die ene keer wist ik ongewild zijn aandacht te vangen. En dit allemaal terwijl ik er nu, in het heden, langsloop. Straks is het nu weer vroeger, onderdeel van de groeiende blokkentoren die mijn leven is.

Ik woon al mijn hele leven in Groningen, in zoveel verschillende leeftijdsfasen. Dat zorgt voor bijzondere, weemoedige momenten -dat ik ergens langfiets en mezelf ineens veertig jaar jonger zie op die plek en ook voel hoe ik me toen voelde. Toen tijdens een schoolfeest (het Sintjansfeest in het Stadspark, waar we over vuren sprongen en verschroeide wenbrauwen en erger opliepen, dat de gymleraar een overmoedige jongen die in brand stond bij zijn kladden greep en het vijvertje in bonjourde, die verrukkelijke rubberentegelloze jaren 70, o tempora!) nu als ik als vrouw van middelbare leeftijd naar een wedstrijd van een zoon dertig meter verderop op hun voetbalclub fiets.

Ik zat als kind op de Vrije School, eerst aan de Concourslaan in het Stadspark, later aan het Hoornsediep, de Merwedestraat en ook nog een tijdje in de Wassenbergstraat. In dat schoolgebouw in de Wassenbergstraat was ik eens, tientallen jaren later, bij iemand op bezoek. Het was inmiddels opgedeeld in appartementen. Een raar gevoel, ik keek naar de enorme trap in het midden van het gebouw en zag Sinterklaas daar staan, zwaaiend naar het vrije schoolschorriemorrie, de pepernootstrooiende pieten om hem heen. Mijn oudste zoon zit nu ook op de Vrije School (het heet tegenwoordig Parcivalcollege), net als ik in de Merwedestraat, en de eerste keer dat ik daar weer kwam, bijna dertig jaar later, voelde zowel raar als mooi, ik wilde mijn zoon overladen met verhalen uit mijn tijd daar, daar in de aula werd ik verliefd, maar hij had natuurlijk helemaal geen behoefte aan al die boomerverhalen.

Als ik door de Zwanestraat loop kijk ik altijd naar het keldertje, het souterrain, waar de magistrale Jozef van den Berg in de jaren 70 zijn waanzinnige poppentheater had. Ik loop daar dan nu als veertiger, tien jaar geleden als dertiger, maar elke keer voel ik me weer de 5-jarige die op een woensdagmiddag op van die harde gymbankjes in dat donkere hol in de Zwanestraat naar een magische voorstelling over een hebberige Portemonnee, een praatzieke Mijnheer de Koning en natuurlijk het Mannetje Pluim zit te kijken. Ik droom er zelfs nog over, over die voorstellingen, de poppen en Jozef met zijn donkere haar en bonkige neus. Zijn zangerige stem met zachte G.

Het geeft een melancholisch gevoel, dat we doorgaan, dat de tijd niet stilstaat, dat de levens van mensen, van mij, van mijn kinderen, van iedereen voor mij en na mij, komen en gaan, alles gaat door, altijd maar door en door, maar de plekken waar wij woonden, leefden en kwamen, blijven bestaan. Niet alleen de gebouwen; ook de straten, de buurten, de bomen en de weilanden, als stille, niet-oordelende getuigen van onze levens.

En dan zijn er ook van die momenten dat ik me niet kan herinneren ergens geweest te zijn en toch herken ik de plek, of voel ik mezelf in die straat of dat gebouw ergens in het hooggestapelde verleden dat ik inmiddels achter me heb, al weet ik niet waarvan of wanneer. De déjà vu. Inmiddels ben ik erachter dat ze in frequentie toenemen, dat het te maken heeft met mijn honkvaste gefossiliseerdheid. Het heeft heel lang gekost voor ik dat doorhad Al die plekken, al die herinneringen. Ze stapelen zich in duizelingwekkend tempo op en ik onderga het lijdzaam, met een vleugje glimlach, met een mengeling van verrukking en een toefje pijn. Die verdwenen tijd.

Gisteren had ik een droom dat ik voor de V&D op de bus wachtte. Om me heen stopten andere bussen, rode. Het was een minibusstation. Toen ik wakker werd moest ik bijna huilen van die vreemdsoortige vermenging van extase en verdriet, alles aan de droom had echt gevoeld, maar ik moest het hebben gefantaseerd, toch? Er stopten immers geen stadsbussen op die plek? Ik Google het. Ik kende het gevoel, deze tintelende weemoed. Ik móest het weten. En ik had het niet verzonnen: vroeger, héél lang geleden, stopten de rode stadsbussen van de Gado inderdaad daar, op die plek. In mijn droom voelde ik weer hoe het was om achter de warme uitlaten te lopen, heerlijk vond ik het, voelde ik in de droom, die ziekelijke warme walm, ik voelde het oversteken van de stoep naar de halte, aan de hand van mijn moeder. Ik was het niet vergeten, mijn onderbewuste wist het nog.