Glazen stolp

Ik leef sinds twee weken na lange tijd weer onder een stolp. Toen ik kinderen kreeg zag ik ook bijna niemand, kwam ik bijna nergens en speelde mijn leven zich voornamelijk af in mijn huis en op de kinderboerderij hier om de hoek. Een van mijn kinderen, ik zeg maar even niet welke, wilde daar altijd naartoe om naar het varken Fluffy te kijken. Nee, ik druk me niet precies genoeg uit. Wij moesten elke dag naar de kinderboerderij om naar de achterkant van het varken Fluffy te kijken. Jawel. Fluffy had namelijk tarrels en daar bleef de poep in hangen en het kind (Ik zeg niet welke) was daar mateloos door gefascineerd. ‘Mama, poep van Fluffy kijken!’ zei het ventje dan bijna elke ochtend na het ontbijt, amper anderhalf en daar gingen we weer, eerst in de kinderwagen, later hij op zijn loopfietsje. Hij werd boos als Fluffy het varken naar het hek liep. De bedoeling was immers dat het beest ons de kont toekeerde. Mateloos gefascineerd stond hij daar dan naar de vieze achterkant van het varken te staren. Ik denk dat ik heb verdrongen wat ik op deze momenten deed. Mezelf kennende stond ik er even gefascineerd naast. Het was dan ook een indrukwekkende bilpartij. Het dwarrelende touwtje met stront ertussen maakte het af, maar waarschijnlijk verzin ik nu de helft en wordt het verleden op deze manier een onoverzichtelijke kluwen feit en fictie, iets waar we ons allemaal schuldig aan maken omdat de oude poloroidplaatjes soms opnieuw moeten worden ingekleurd, omdat ze wel heel flets of onzichtbaar zijn geworden en soms verdienen de herinneringen het ook om opnieuw te worden ingekleurd en bijgekleurd.

Ik geef mijn hormonale brein de schuld van het troebele beeld. Mijn borstvoedingsbrein en wat daarna kwam, de glazen stolp waaronder alles langzamer gaat. De tijd, de gedachten. Er gebeurt zo weinig dat ik mij bewust word van mijn eigen ademhaling. Alle pijntjes merk ik op en laat ik los, de dagen kleven stroperig aan elkaar, zonder duidelijk begin en eind, want er is geen deadline, geen naartoe-leef-moment. Er is alleen maar zijn. Er werd op de rem getrapt, niet door een instructeur maar door een baby, een peuter, de omstandigheden, alles rondom de baby. Er is alleen maar nu. Eenmaal onder de stolp vandaan neemt het leven weer zijn beloop. Dan is de baby in de wereld gezet en raakt alles met elkaar vermengd.

Sinds ik een puppy heb begeef ik mij van huis naar bos en weer naar huis. Tussendoor spelen wij, trekken wij kartonnen dozen aan stukken en slaapt ze op mijn schoot. Er is weer een glazen stolp over mijn leven geplaatst. Ik kan de andere kant zien, er is communicatie mogelijk met daarbuiten, maar zo maar even langswippen en een biertje op een terrasje doen zit er vooralsnog niet in. Daar is het mini-hondje nog niet aan toe. Om van alleen thuisblijven maar te zwijgen. Ze kleeft aan mij als plakband. Ligt lekker te slapen maar volgt me, slaapdronken struikelend op d’r kleine pootjes, naar de wc als ze merkt dat ik ben opgestaan. Ik hou ook van jou, kleine drol en ik laat je niet in de steek. We zijn aan het oefenen met kleine beetjes alleen zijn, vandaag tikken we de twee minuten aan en morgen ga ik de voordeur open en dicht doen. Ik verwacht in het jaar 2025 een half uurtje zonder haar naar de supermarkt te kunnen. Ik denk dat ze al alleen in haar mandje durft te slapen ergens in 2023.

Die glazen stolp is een intrigerend fenomeen. Iemand die uitgeschakeld is door ziekte en vanaf de bank het leven buiten gadeslaat. Iemand die net een kind heeft gekregen, een puppy in huis heeft genomen. Afgesneden van de vaart der volkeren, noodgedwongen pas op de plaats. Van vierkante kilometers naar vierkante centimeters, microleven. Het kan benauwend werken als je je ertegen verzet, de randen van de afscheiding weliswaar van glas maar uiteindelijk even belemmerend als verzonken beton. Opgesloten is nou eenmaal opgesloten, evenveel stappen naar de rand onder glas als onder een koepel van zwart. En toch is er verschil. Alleen met je gedachten kan verstikkend zijn, zoveel tijd om naar buiten te staren, als je een neiging tot piekeren hebt helemaal. Mensen vluchten in de wereld om niet alleen te hoeven zijn met zichzelf, hun gevoel en gedachten liever afgeleid door drukte, verkeer, moeten. Dan is de glazen stolp zoals mevrouw Plath hem ervoer: alsof alle zuurstof langzaam uit je lijf wordt gezogen. Alleen in en met je hoofd kan verschrikkelijk zijn. Maar als je zoals ik (mag ook wel eens op mijn leeftijd) de schoonheid van het niets en de leegte kan zien is deze doorzichtige koepel een onverwacht cadeau. Geen simpele opgave om te moeten verstillen terwijl je juist wilde optrekken. Om al je energie, tijd en focus in te zetten voor iets dat buiten jezelf ligt, althans niet voor mij. Maar als ik me dan eenmaal aan de dagen van leegte heb overgegeven voel ik de stilte over mijn gedachten glijden als een zijden sjaal. Vederlicht. Verwacht geen scherpte van mij hier onder mijn glazen stolp. Alles is licht en langzaam. Ik kijk naar het hondje hoe ze slaapt, kijk dan naar buiten en zie de kauwtjes kibbelen. Binnenkort doe ik weer mee. Als de hondenbaby klaar voor de wereld is.

Sinds de hond er is

Er komt niks zinnigs meer uit mijn vingers sinds de hond er is. Niets met woorden, althans. Als ik nu zeg dat ik, sinds de hond er is, me soms opgesloten en beperkt voel, lieg ik niet. Maar dat is niet het hele verhaal. Het verhaal is ook dat ik moe ben, afgepeigerd. Van de hond die beslag op me legt, op me gaat liggen omdat ze anders niet kan slapen en me belemmerd te gaan plassen, koffie te zetten, om over werken maar te zwijgen. Afgepeigerd ook omdat ik de hele tijd met haar naar buiten moet omdat ze anders in huis schijt. Afgepeigerd van de zorgen die ik ineens heb, om de darmen van het beestje. Om de tandjes die doorkomen. Afgepeigerd ook van het slaaptekort dat ik heb sinds de hond er is. Maar ook dat is niet het hele verhaal. Als ik naar de hond kijk hoe ze haar bot afknaagt, als ze probeert snoepjes onder bloempotten uit te hengelen met die lange voorpoten of hoe ze trilt in haar slaap en vanmiddag voor het eerst in het bos was en genoot dan voel ik een iets dat nog het meest op geluk of blijdschap lijkt. Vertedering. Ik voel me bezwaard, belemmerd, moe en gelukkig, al is dat laatste nog onzeker en pril. Nu ik dit alles zo schrijf kan ik niet anders zeggen dan dat het voelt als de eerste keer dat ik moeder werd. Op mijn tenen door de kamer omdat de kleine man in zijn wiegje beneden in slaap was gevallen. Als dat gebeurde terwijl hij op mijn arm lag bleef ik net zo lang stil zitten tot hij weer wakker werd. Alles draaide in het begin alleen om hem, ik vergat mij. Ik keek soms dagen nauwelijks in de spiegel omdat ik mezelf voorbij liep. Eergisteren bleek bij het avondeten dat ik de hele dag niks had gegeten. Vergeten. Ik geef nu geen borstvoeding maar kook rijst en kip om door haar babyvoer te doen omdat haar darmpjes niets anders verdragen. Ik laat haar bij me op bed slapen omdat ze dat nodig heeft en de foster dat ook heeft gedaan. Bij mijn tweede kind was ik een soortement ervaren moeder. Ik legde het mannetje in zijn bedje als hij sliep, zo de trap op ermee. Ik ontmantelde de voordeurbel niet meer, zoals ik dat twee jaar ervoor had gedaan bij de slaapjes van de oudste. Toen de jongste zo hard in mijn tepel beet dat hij ging bloeden was het einde borstvoeding voor het kind. Ik ben weer een beetje mama geworden en het is wennen na zoveel jaren. Ik schrijf dit in een donkere woonkamer in een ongemakkelijke positie op de bank omdat het hondenkindje op mij in slaap is gevallen en ik de ballen niet heb op te staan. Ik zeg tegen mezelf dat ik morgen ga beginnen met haar alleen te laten slapen, maar dat zei ik gisteren ook. Morgen. Morgen. Morgen is het ook vandaag.

Open


Op mijn fiets langs het Reitdiep. Laveren tussen een in brand gestoken brommer, achtduizend dode naaktslakken en een enkeling met kloppend hart. Het ruikt naar regen en brak water, iets kamperfoeliezoets. Een eindeloze watertrein spelebootjes, ik haal je in en lel mijn bel, wacht maar, dat zal je leren van zo-even, toen de brug weer eens dicht was en jij je tong uitstak naar mij. Glimlachen naar riet en meerkoet, ik ben meer levend dan dood op het moment. Het kortstondig geluk houdt aan, ik voel me zo aanwezig, zo ja hallo, ik zie je hommel, ik zie je fluitekruid. Ik zing mee met mijn geliefde Duitser, ik lach naar iedereen, ook als ik je niet ken. Alsof het leven zich zachtzinnig voor me opent, ik nu ook de hoekjes zie. Hij zei dat hij het aan me zag, het hoorde aan mijn stem. Dat ik er nu echt ben.

Niet je manuscript opsturen!

Ik ben met mijn vierde boek bezig. Zesde, als je de twee die ik voor het Tropeninstituut schreef meetelt, maar dat doe ik meestal niet dus daarom vierde. Goddank heb ik nog een flink stuk schrijven voor de boeg want na drie boeken weet ik een beetje hoe het (kan) gaan -de spanning en stress, het verdriet en het ongemak, de enorme twijfel en de misselijkmakende onzekerheid die gepaard gaan met het zoeken naar een uitgever. Het leuren met iets waar ik twee jaar en bij boek twee zelfs vier jaar, op heb zitten zwoegen. En dan vooral: elke keer de afwijzing, vaak na maanden wachten, en minstens zo vaak: geen enkele respons. Vooral die laatste heeft mij vaak laten voelen alsof ik van een klif wilde springen. (U mag daarover uw mening en oordeel hebben, dat staat u vrij, ik ben enkel eerlijk.) Om radeloos van te worden, dat stilzwijgen. Ik heb niet het geluk dat de uitgever van mijn eerste boek ook de uitgever van de twee erna werd. Sterker nog: elk boek heeft een andere uitgever. En dus moet ik elke keer bij een voltooid manuscript weer de boer op. Ik kan je verklappen dat ik dit het minst leuke onderdeel van het hele circus dat mijn schrijverschap is vind, en dat is een eufemisme voor ziekmakend vreselijk.

Mijn eerste en tweede boek kwamen ongeveer gelijktijdig uit maar met boek twee was ik jaren eerder begonnen. Een familiegeschiedenis waar veel research en interviews bij kwamen kijken: een enorm tijdrovende klus. Duizenden uren werk zitten er in Verloren taal. Veel geplan, maar geen moment dacht ik aan opgeven. Op sommige momenten dacht ik dat ik de enige was die geloofde in dit tijdrovende project. Maar het gebeurde: ergens zette ik een punt achter een laatste woord. Ik ben nóóit trots op mezelf maar nu was ik het wel een beetje. Omdat ik iets had afgemaakt, doorzettingsvermogen had getoond en ook omdat ik dacht dat het best een goed manuscript was. Ach, wat was ik onschuldig nog toen. Vol goede moed zocht ik op internet naar geschikte uitgeverijen, keek wat hun voorwaarden waren, hoe ze het manuscript opgestuurd wilden krijgen en na een beleefd mailtje van mij of ze interesse hadden (allemaal: ja! -Binnen een dag) ging ik aan de slag: geduldig printte ik honderden pagina’s uit, stuurde ik honderden pagina’s per post en minstens zo veel per mail met begeleidende brief, synopsis, de hele bende. Ik stopte er zoveel tijd in omdat mijn manuscript dat waard was, vond ik zelf en omdat ik het idee had dat dit een boek was dat mensen wilden lezen: hoe het is om als kind van getraumatiseerde (joodse) vluchtelingen op te groeien in Nederland. Het manuscript werd tientallen keren afgewezen, bijna altijd pas na maanden en dan vaak met een obligaat standaard afwijzingsmailtje. Van veel uitgeverijen heb ik helemaal niks meer gehoord, na de initiële ‘interesse’. Maanden van aanschrijven, wachten, een korte afwijzing met mazzel en doorrr gingen voorbij en, ik vind dit niet leuk om te vertellen maar doe het toch maar: ik ging er een langzaam een beetje aan onderdoor. Vol zelfvertrouwen heb ik nooit gezeten, maar al die afwijzingen (en dus de stiltes) deden mijn ego helemaal geen goed. Ik moest heel hard tegen mezelf zeggen dat de afwijzingen en het doodzwijgen niet automatisch betekenden dat ik een slechte schrijver was, maar ik heb heel hard en heel vaak op mezelf moeten inpraten en het hielp vaak ook niet. Ik ben geen volslagen naïeve gek: ik snap heus dat je honderden manuscripten hebt liggen en wel iets beters te doen hebt dan een slush pile doorworstelen maar helemaal niet reageren? Ook niet als ik na vijf maanden nog eens informeer hoe het ervoor staat? Niet cool. Vaak kreeg ik dan trouwens ook wel reactie: ‘o ja, sorry, was er bij ingeschoten. We hebben het nu wel ingekeken en zijn niet geïnteresseerd.’

Na acht maanden proberen besloot ik te stoppen met uitgevers aanschrijven. Blijkbaar was er geen interesse voor mijn manuscript. Of dat dan lag aan de kwaliteit of pech of een slush pile die niet gelezen werd weet ik niet.
Ik begon langzaam weer wat plezier in schrijven te krijgen. Na maanden en maanden afwijzing en stilte was mijn animo om dat te doen namelijk volledig verdwenen. Ergens, bijna een jaar na mijn eerste poging mijn boek ergens onder te brengen, zag ik een oproep om mee te doen aan een wedstrijd. Ik had nog nooit aan een schrijfwedstrijd meegedaan, ik hou niet zo van competitie, maar deze was voor voltooide manuscripten en ik dacht: waarom niet. Tien minuten voor het einde van de deadline stuurde ik alles op en een week later hoorde ik dat ik door was. Een optreden, voordragen, spotlights, publiek, redacteuren, uitgevers. Ineens zag ik al die mensen die er voor mij (als schrijver) toe deden. Ik kon er niks mee, sloeg dicht. Een ronde verder kwamen de mailtjes: of ik interesse had in een gesprek op de redactie van hun uitgeverij. De uitgeverij waar het boek uiteindelijk werd gepubliceerd heb ik zelf aangeschreven. De redacteur had positief op mijn manuscript gereageerd eerder dat jaar maar had het toch niet willen aannemen. Ik dacht: laat ik eens brutaal zijn en haar vertellen dat ik in de finale van een schrijfwedstrijd sta. Mijn bravoure werkte. Ik kreeg een mooi contract. Blijkbaar werken wedstrijden voor redacteuren en uitgeverijen als de lap voor de stier.

Bijna drie jaar na Verloren taal voltooide ik mijn eerste roman. De uitgever van Verloren taal (deed het niet zo goed als gehoopt) bleek onverhoopt niet geïnteresseerd in mijn debuutroman; het zou niet in hun fonds passen. Bij de uitgever van Vrouwen met autisme kon ik sowieso niet terecht, een christelijke uitgeverij met een boek dat over abortus ging… Ik heb het niet eens geprobeerd. Dus wat te doen? Nou ja, dat wist ik heus wel: wéér die lange weg langs uitgeverijen en acquirerend redacteuren. Dat ik al iets had geschreven hielp: ik heb niets meer voor op een slush pile hoeven sturen, maar het bleef desalniettemin afwijzingen regenen. En het bleef ook vooral weer stilte regenen. Dat er geen enkele reactie kwam (tot op de dag van vandaag) nadat ik mijn manuscript had opgestuurd, notabene nadat zij zelf hadden aangegeven het graag te willen lezen…pfff. Ik voelde de oude vertrouwde moedeloosheid weer opborrelen: ‘Ze worden overspoeld en kunnen niet álles lezen, Prazdny’ wedijverde met ‘Het is nu wel duidelijk toch? Je kunt niet schrijven, althans: niet wat men lezen wil.’ Je kunt wel stug blijven doorzetten, jaren bezig blijven je waar bij een leuke uitgever onder proberen te brengen, maar als er geen interesse is, is er geen interesse. De reden maakt dan ook niet echt uit, of je nou een flubberig sneeuwvlokje op de brei letterderrie bent van de overwerkte redacteur zonder interesse in die uitdijende slush pile of je kunt niet (goed genoeg) schrijven: er is geen interesse in je manuscript en zo hangt de vlag erbij.

Ik ben dus inmiddels met mijn tweede roman bezig en heb me voorgenomen het dit keer niet zover te laten komen. Tot het punt dat de afwijzingen en de non-reacties van uitgeverijen en redacteuren me (persoonlijk) raken, bedoel ik. Ik zou kunnen doen wat de Willem Bisselings van deze wereld me aanraden: benader ons niet, stuur ons niet uw manuscript maar laat via podia en wedstrijden en literaire blaadjes zien wat u in uw mars heeft. Uit een heleboel betrouwbare bronnen weet ik dat ze daar eerlijkheidshalve aan toe zouden moeten voegen dat het hebben van een fijn netwerk eigenlijk de grootste kans op een ingang bij een uitgeverij is. Via via, geïntroduceerd door een bevriende schrijver, redacteur: dat is toch écht de manier om binnen te komen. Misschien ga ik het dit keer inderdaad wel zo doen: me helemaal de moeder netwerken en vergeten dat ik een schuwe zolderkamerautist ben met af en toe een vlotte babbel. Liter drank erin en gaan, andiamo en voorwaarts, Prazdny.

Misschien echter dat ik het dit keer ook wel helemaal anders doe en bovenstaande, inclusief de deprimerende gang langs uitgevers, oversla en het boek in eigen beheer uitbreng, of iets in die richting. Na al die jaren ben ik toe aan een rustige thuisbevalling. Ik gun mijn vierde geesteskind minder moederstress. Dan maar niet de naam van een mooi uitgeefhuis op mijn werk.

Melech van de Dapperbuurt

Melech was als laatste uit zijn moeder gekomen en zag er ook zo uit. Alsof er nog een beetje katten-DNA over was maar niet genoeg voor een normaal formaat kitten. Hij was klein, verfrommeld en onooglijk, met het linkeroogje dicht door een of andere ontsteking die maar niet over ging en het rechter wagenwijd opengesperd alsof het moest compenseren. Melechs uiterlijk hield het midden tussen een mini-Furby en Animal, de drummer uit de Muppetshow. Al zijn broertjes en zusjes liepen over hem heen en hij was altijd de laatste bij de tiet, maar het leek Melech niet te deren. Hij liet over zich heenlopen en wachtte zijn beurt geduldig af. Dan zat hij altijd zo wat opzij en deed verstoppertje met zichzelf, een spelletje dat hem nooit verveelde. Als er na de voedertijd van zijn soortgenoten geen melk meer over was of hun moeder was het zat dan accepteerde hij dat ook. Dan maar hongerig. Misschien dacht Melech dat zijn tijd nog wel zou komen.

En die kwam. Hij werd opgehaald door een huuman in een joggingbroek met daarop dansende katten. Ze had rode krullen en was verrukt geweest toen ze het miniformaat kitten met het gesloten oogje door de kamer had zien hobbelen. ‘Oh, kijk, een rooie! Die wil ik, die hoort bij mij!’ had ze gekraaid en zo geschiedde. Zijn huuman noemde hem Melech, wat koning betekent in het Hebreeuws, een curieuze naam voor zo’n lullig hoopje rood haar, maar misschien kon ze in de toekomst kijken, wist ze wat er in het verschiet lag of misschien wilde ze het lot afdwingen of een handje helpen. Melech werd het en hij kreeg nadat ie kitten af was en, nou ja, ehm ‘geholpen’, verse zalm te eten en op zondag ook een vorstelijk hoeveelheid kattenmelk te drinken. Na anderhalf jaar was Melech uitgegroeid tot een imposante kater met manen waar menig leeuw jaloers op kon zijn. Met twee jaar was hij de koning van de Dapperbuurt, gevreesd door alle levende dieren op straat en in de huizen, op een paar pittig valse dobermans van het oude vrouwtje Lankenmeijer na, maar daar waren de huumans ook bang voor, dus die telden niet. Zijn naam droeg hij met de vanzelfsprekendheid van een echte koning, als Melech ergens kwam, zijn rode vacht glanzend van de vis en zijn botten sterk van de melk, dan kenden alle katten hun plaats. Hij was hun onbetwiste leider, maar niet eentje van geboorte, eerder door zijn geboorte. Melech had voor zijn plekkie geknokt, alle tegenslag had hem sterker gemaakt. Plus natuurlijk die zalm en melk.

Op een dag, Melech lag zoals gebruikelijk op de markt naast zijn vaste viskraam van Graaf-Roos & Zn lekker te chillen in de zon met een buik vol kibbeling, gebeurde er iets waardoor er weer iets anders in werking werd gezet wat de toekomst van het Internationale Kattendom voor altijd zou veranderen. Het was Moos, de kat van de Uilenburger Synagoge die hijgend en slippend tot stilstand kwam voor de kattenkoning.
‘He Moos, wat doe jij hier? Aardig stukje van huis, niet?’
Moos knikte maar schudde daarna met zijn kop, één pootje in de lucht alsof hij wilde zeggen dat Melech geduld moest hebben. Dat had Melech. Hij had alle tijd; als Koning van de Dapperbuurt hoefde hij vooral heel weinig en mocht hij heel veel, wat hem instaat stelde bijna elke dag zijn plek naast de viskraam in te nemen voor dutjes, vis en audiëntie. Hij was wel nieuwsgierig, Moos viel onder Kromme Karel, de Koning van de Jodenbuurt. Als Moos zich zo het schompes had gerend om Melech een boodschap over te brengen moest het wel belangrijk zijn.
‘Melech, luister. Ik moet jou en alle koningen ten oosten van ons deze boodschap doorgeven. Ik zal de Kromme effe citeren, dan ligt het niet aan mij as iemand het niet hep begrepe. De boodschap luidt: KONINGEN ATTENTIE. WE SCHAKELEN PER DIRECT OVER OP DE HOOGSTE ALARMFASE. ONZE MANIER VAN LEVEN STAAT OP HET SPEL. Ik herhaal: onze manier van leven staat op het spel. ALLES ZAL DUIDELIJK WORDEN OP HET PALAVER der KONINGEN, gehouden in de heilige synagoge van de wijze koning Karel, waar u wordt verwacht bij het vallen der avond hedenavond. Kom alleen en wees voorzichtig. Neem aub de achteringang.’
Melech grinnikte. ‘Ja dat klinkt wel als onze Karel.’ Hij liet de gewichtige woorden op zich inwerken. Hoogste alarmfase? Wat kon er in hemelsnaam gebeurd zijn dat zoiets rechtvaardigde? Hij moest zich klaarmaken voor het koningspalaver. In al zijn jaren als Koning van de Dapperbuurt was dit de eerste keer.

Het huisje dat nooit verhuisde

Ik woon al meer dan vijftien jaar in hetzelfde huis. Ik wil al heel lang verhuizen omdat weliswaar het huis fijn maar de buurt dat totaal niet is. Helaas zit dat er niet in. Ik blijf zitten waar ik zit. Dit huis slaat overigens op een eengezinswoning in een eind jaren zestig wijk aan de westkant van de stad Groningen. Bijna alle huizen in mijn buurt zijn hetzelfde en de ‘oorspronkelijke’ bewoners zijn wit, arm en laagopgeleid. Veel dingen veranderen met de tijd en ook hier veranderden de meeste, maar niet alle, dingen. Ik denk dat hier nog steeds weinig mensen met een dikke beurs wonen, maar wit is zeker niet iedereen meer en aangezien er steeds meer studenten samengepropt in de eengezinswoningen wonen, is het gemiddelde opleidingsniveau ook omhoog gegaan. Ze blijven nooit lang, die studenten, maar er staat altijd een volgende student om woonruimte te trappelen. Die eengezinswoningen worden bijna altijd opgekocht door speculanten die voor weinig geld de voormalige woningbouwvereniginghuizen van de markt kapen om ze vervolgens in kleine units op te delen zodat er flink wat geld te verdienen valt. Ik hoorde van een studente aan de overkant dat ze 750 euro voor haar kamer betaalt, dat keer vier studentes levert toch weer 3000 euro op. Per armetierig volkshuisje. God mag weten hoeveel pandjes de melker in totaal heeft.
Naast mij hebben de buren hun huis na verhuizing niet verkocht maar verhuurd via een of ander bureautje, een meisje met een parelkettinkje leidt elk jaar mensen rond die tijdelijk aan de universiteit verbonden zijn. Met aftrek van de verwaarloosbare hypotheek levert dat toch een leuk zakcentje op voor de ex-buurvrouw, meer dan de helft van ons netto inkomen toch al gauw.

Steeds minder huizen hier zijn nog van de woningbouwvereniging; als er iemand vertrekt worden ze namelijk te koop aangeboden. In eerste instantie aan mensen zoals wij, starters, die ‘genoegen namen’ met een woningbouwhuis omdat het niet duur was, tegenwoordig worden deze huizen echter vooral verkocht aan die opkopers van huizen waar ik het eerder over had, mensen die er niet zelf gaan wonen. De huizen worden dan in hokjes opgedeeld en in de lucratieve verhuur gedaan. Alle woningen op dit pleintje die vrijkwamen sinds wij er kwamen wonen werden daarna dus niet door gezinnen bewoond maar door studenten of andere tijdelijke huurders. Zoals Ik al zei: bijna alles verandert met de tijd en zo ook dit pleintje. Er lopen nog geblondeerde vrouwen met panterleggings en diabetes en blanke mannen met badslippers en kale kop, mouwloze hemd of blote buik en tattoos rond, maar ze zijn niet meer in de meerderheid. Minder sociale huur, meer koop maar dan verkaveld en vervolgens weer verhuurd, alleen dan in de private sector. De huurprijs van een heel huis ineens voor een vierde met een gipswandje.

Niet veel anders dan in de rest van Nederland. Er zijn te weinig ‘normale’ huizen in de aanbieding. De prijzen van de woningen die worden aangeboden stijgen met de dag. De markt is totaal overspannen en de gemiddeld prijs van een koophuis is nu meer dan 400.000 euro, las ik vorige week in de krant. Wij zouden dat niet kunnen betalen, nooit. We zouden er geen hypotheek voor kunnen krijgen al zouden we die hypotheek wél weer kunnen aflossen met de huidige lage rente. De prijzen van de huizen zijn niet alleen gigantisch gestegen, je moet ook nog met een enorme zak eigen geld aankomen om over de vraagprijs heen te kunnen. Dat je nog niet heel lang geleden onder de vraagprijs kon bieden en de woning dan van jou was is bijna niet meer voor te stellen.Tegenwoordig moet je tienduizenden euro’s eigen geld overbieden om in de race te blijven. Niet te doen voor starters, mensen met weinig eigen kapitaal, mensen zonder ouders die zwemmen in het geld . En aangezien iedereen meedoet in dat totaal doorgeslagen overbieden zijn de huizen al weg voor je met je ogen hebt geknipperd, dus even rustig ademen is er in dit huizenklimaat ook niet bij.

Even op een rijtje, gewoon om mezelf nog even flink op te winden. Als je niet te veel verdient mag je in een sociale huurwoning wonen. Helaas zijn de wachttijden tegenwoordig 29.000 jaar voor de grotere steden en 20.000 jaar voor het platteland, dus vers op kamers in een woningbouwhutje is verleden tijd. Scheiden en dan in een huurwoning met huurtoeslag? Nee hoor, zelfs niet als je elkaar de tent uitvecht of erger krijg je urgentie. Er zit niks anders op dan maar samen te blijven wonen of met drie kinderen weer bij je ouders in te trekken of anders is in een caravan of dakloosheid nog een optie. Als huurder blijf je beter zitten waar je zit, je zou gek zijn je goedkope hut te verlaten met het uizicht op iets veel duurders of gewoonweg onbetaalbaars. De sociale sector zit volkomen op slot. Er stevig bij bouwen is er ook niet bij, helaas. Levert vast niet genoeg geld op voor de woningbouwverenigingen. Ik sta al meer dan 16 jaar ingeschreven voor een huurwoning in Amsterdam en ik kom nergens voor in aanmerking. Misschien dat ik na mijn pensionering eindelijk eens een aanbieding krijg.
En als je boven de huurnorm verdient heb je pech: dan moet je of een huis kopen of in de ‘vrije sector’ (nogal ironisch die naam met de prijzen die je daar voor woonruimte betaalt) op zoek gaan naar onderkomen.

Even over kopen: daarvoor moet je voldoende vast inkomen hebben om een hypotheek te kunnen krijgen en/of een onbeschoft grote zak eigen/papa en mama geld hebben. En dus een nog grotere zak geld of jubelton van ouders om te overbieden op de toch al veel te dure woningen. En ja, er zijn bijna geen leuke koophuizen dus met jou 400.000 anderen in de rij die altijd meer geld lijken te hebben om door het toilet te spoelen om het huis maar te kunnen kopen om dan vervolgens straks met een stijgende rente en een instortende koopmarkt gigantisch in de problemen te komen met zaken als water aan de lippen en huisje onder water.

Goed, en dan heb je een flexcontractje en geen recht op een hypotheek want de bank heeft weinig vertrouwen in jouw stabiliteit terwijl je je helemaal scheel werkt. En je bent geen prins van oranje met een schip dukaten of bloedgeld of weet ik het hoe die lui aan geld komen of ouders met een half miljoen aan erfenisvoorschot. En stel, je kunt wel een hypotheek krijgen en betalen en je hebt ouders die dat jubelton dat ze je belastingvrij kunnen geven maar ja, dan moeten er wel huizen zijn die je kunt kopen en waar andere idioten je niet met meer dan jij hebt de hele tijd overbieden. Je zou willen dat je met een tommigun of een uzi naar de bezichtiging mocht en dan eerst de vileine makelaar even op zijn plek zetten met die prijsopdrijvende praatjes van hem en onderhandse biedingen en afspraken met andere makelaars zodat de prijs nog verder wordt opgedreven en werkelijk geen normaal mens nog een nieuwe woning kan bekostigen. Geen huis voor jou, dus. Ik Italië wonen veel twintigers en dertigers nog bij hun ouders tot ze gaan trouwen of samenwonen. Ik zie zoiets hier ook gebeuren. Lekker participeren, zou Rutte zeggen.

En dan…dan komen we uit bij die sector waar een lieve oude dame een zakcentje bijverdient door een kamertje te verhuren en een ander meer dan 300.000 euro per maand binnenharkt omdat ie 100 huisjes in de binnenstad van Amsterdam heeft opgekocht en voor 800 euro per 16 m2 verhuurt aan studenten die nou eenmaal woonruimte nodig hebben. Woningen waar hij bijna niks aan opknapt, zodat studenten door ramen naar beneden hun dood tegemoet vallen omdat er geen valbescherming voor zit. Waar lekkages en schimmel de studenten ziek maken, maar ach. Voor die studenten honderd anderen, dus het is het makkelijkst verdiende geld ooit. En het mooie van dit alles: met een leuk startkapitaaltje kan iedereen speculant over de ruggen van anderen worden, dus elitair is het ook al niet, het is gewoon leuk om te doen, een hobby, elke maand gratis geld en op de bank groeit je geld niet meer dus je moet toch wat.

Voor huiseigenaren geldt ongetwijfeld hetzelfde als voor mensen die in een sociale huurwoning zitten: blijven zitten waar je zit en verroer je niet. Met de hypotheekrenteaftrek en de enorm lage hypotheekrentes die ervoor zorgen dat het bedrag dat je per maand kwijt bent aan wonen zo laag is dat je het niet hardop durft te zeggen uit pure schaamte, zou je gek zijn als je plannen had om te verhuizen. Tenzij, hier lijkt het vreemd genoeg steeds op neer te komen, je over heel veel ‘eigen geld’ beschikt en de huizenmarkt een speelbord voor je is.
Studenten huren soms voor wel 1000 euro per maand een kamer, werkende stellen van 30 huren samen een appartementje in de binnenstad van Amsterdam voor 1700 euro. En wat betaal ik aan hypotheek? Zo weinig dat ik, met een nogal laag inkomen, als een God in Frankrijk kan leven. Althans, zo voelt het, ik ben een simpel mens met weinig eisen. Ik zou er bijna hypotheekschaamte van ontwikkelen. Het is dat ik straks de huur van twee studentenkamers mag gaan betalen zodat ik me iets minder schuldig voel over het bedrag dat ik nu aan wonen kwijt ben en ook dat ik weet dat ik in de huidige markt helemaal nergens nog maar een garagebox zou kunnen betalen.
Verhuizen is geen optie. Ook ik blijf zitten waar ik zit. Dan maar geen fijne buurt. Alles zit zo op slot als een oester met constipatie.

Het is een verziekte markt en dat is wat het is. Ik nodig bij dezen Rutte cs uit om de ogen eindelijk eens te openen en de ellende op de huizenmarkt aan te pakken voordat we met hooivorken naar hun villa’s trekken. Laat ze maar eens beginnen met het instellen van een zelfbewoningsplicht. Maar ja, demissionaire dovemansoren, ben ik bang. Die losgezongen bende van ellende luistert helemaal nergens meer naar.

Nieuw lijf

Ik ben eens naar de Mediamarkt geweest om te vragen of ik mijn lijf kon inruilen voor een nieuw exemplaar. Het kon niet. Waarom niet, had ik gevraagd. Ben ik over de datum, is de garantie op? Het meisje had me van onder haar pony met grote zwartomrande ogen aangestaard. Ze had niks meer gezegd, alleen langzaam met haar hoofd geschud en toen had ze zich omgedraaid en dat was dat. Teleurgesteld was ik afgedropen, nog steeds opgezadeld met het oude lichaam vol levensbutsen. Voor elke jaarring een litteken en een rimpel. Wat te doen, had ik gedacht. Het oude appeltje dat ik was geworden omarmen en focussen op belangrijker zaken zoals wereldvrede en de kindertjes in Afrika? Zou ik me storten op vrijwilligerswerk, vluchtelingen chauffeuren naar hun tandartsafspraak of honden wassen in het asiel? Of moest ik op zoek naar een plek waar ze mijn vraag wél serieus namen, en zo ja, waar zou ik dan terechtkunnen?

Al scrollend op Het Internet werd mijn aandacht getrokken door een bedrijf dat Dermaloso Lichaamswerk heette. Volgens hun website waren zij ‘makelaars in lichamen en lichaamsonderdelen.’ Even was ik bang dat ik hier met orgaanhandelaren te maken had maar het bleek te gaan om ‘de bemiddeling tussen vraag en aanbod op het gebied van alles rondom het lichaam.’ En als er geen aanbod was maar enkel vraag dan hadden ze daar ‘passende oplossingen’ voor. Wat ik me daar bij moest voorstellen wist ik niet, ook niet bij bemiddeling tussen vraag en aanbod trouwens, maar mijn interesse was gewekt. Ik wilde immers van dit gehavende lichaam af, ik had veel te ruim geleefd in veel te korte tijd en de sporen daarvan waren goed zichtbaar en nu ik niet meer zo leefde wilde ik ook fysiek een nieuwe start maken. Ik kon me echter niet voorstellen dat iemand graag mijn omhulsel permanent wilde overnemen, dus ik zag weinig fiducie in dat ruilen. Geen twintigjarige zou genoegen nemen met mijn uitgeknepen theezakjes of rimpelige billen, mijn kangeroogordel. Tenzij er een zak geld tegenoverstond, misschien, maar die had ik even niet voorradig. Ja, ik was zeker geïnteresseerd in ruilen en ‘andere oplossingen’ en belde het nummer dat op de website vermeld stond.

‘Hallo, u spreekt met Chantal van Dermaloso Lichaamswerk. Hoe kan ik u helpen?’
‘Goedemiddag Chantal, je spreekt met Wanda Uffelen. Ik zou graag wat meer informatie willen over jullie diensten. Jullie bemiddelen in lichaamsruil? Hele lijven zo, hop, van mij naar iemand anders en andersom?’
‘Ehm, nee dat is niet hoe het gaat, doorgaans. Wel op onderdelen.’
‘Op onderdelen? U bedoelt dat het deels klopt wat ik zei?’
Chantal schraapte haar keel. ‘Nee mevrouw van Uffelen, dat bedoel ik niet. Ik bedoel dat er wel op onderdelen geruild wordt. Een paar borsten voor een hoofd, bijvoorbeeld. Of twee voeten voor een set billen.’
Dit moest ik even verwerken. Chantal vulde de stilte niet. Na enige tijd vroeg ik wat er precies bedoeld werd met ‘passende oplossingen’ bij enkel vraag en geen aanbod.
‘Ah,’ zei Chantal. Haar stem klonk nu heel dichtbij, alsof ze ineens al haar aandacht bij ons gesprek had en net nog haar teennagels aan het lakken was. ‘Dat komt veel vaker voor. Even tussen u en mij: het komt weinig voor dat we op het zelfde moment mensen in ons bestand hebben met een matchende vraag. Niemand wil oudere lichaamsdelen, een andere huidskleur, armen van een ander geslacht, om maar wat te noemen.’ Ze giechelde discreet. ‘Nou ja, bijna niemand. We krijgen soms eh…vreemde verzoeken binnen, maar daar gaan we niet op in. Dermaloso is een fatsoenlijk bedrijf dat bemiddelt tussen mensen die nieuwe lichaamsdelen willen omdat de oude niet meer volstaan, wij zijn geen morsig fetisjbureau. Als bemiddeling niet mogelijk blijkt omdat vraag en aanbod niet op elkaar aansluiten komen wij met een eh.. (weer dat schoolmeisjesgiecheltje) een passende oplossing.’
‘Ja,’ zei ik, ‘uitstekend.’ Ik begon ongeduldig te worden. ‘En die passende oplossing is?’
‘Simpel. Als u iets wilt en het is niet voorradig dan vragen wij u om op tijdelijke basis voor ons vrijwillig aan de slag te gaan. Meestal is dat als courier, u brengt goederen en soms mensen van A naar B en een enkele keer vragen wij u om een bepaalde periode diensten namens ons te verlenen.’
Ik kon niet zeggen dat ik het een helder verhaal vond. ‘Dingen en Mensen van A naar B brengen? U bedoelt als drugcourier of mensensmokkelaar? En diensten verlenen? Waar moet ik dan aan denken?’
Chantal giechelde voor een derde keer. Wat dacht ze, dat ze in een Japanse pornofilm schitterde? Ik wilde de telefoon hard op tafel slaan maar hield me in.
‘Wederom heel simpel. U zult minimaal een jaar, langer is mogelijk, lichaamswerk voor ons verrichten zonder betaling. U kunt dan denken aan uw lichaam inzetten om anderen te helpen of plezieren of uw lichaam inzetten om anderen uit te schakelen en daarna hun lichamen te rekruteren voor ons bedrijf. Als u uw termijn hebt volgemaakt kunt u uit ons magazijn nieuwe onderdelen uitzoeken ter waarde van de hoeveelheid punten die u heeft gespaard met uw vrijwilligerswerk. Hoe langer u voor ons werkt hoe meer punten u spaart en hoe meer u kunt uitzoeken. Simpel toch?’
Ik slikte.
‘Heeft u verder nog vragen?’
‘Nee, nee, voorlopig weet ik genoeg, ‘ zei ik en hing de telefoon op.

Er niet echt zijn

Het lukte je niet te ontsnappen toen ze je uit huis had gezet. In een kamertje een straat verderop, rechts boven achter, door haar voor jou geregeld. Je zat in je eindexamenjaar, ontredderd en zo alleen, in een kamertje waar niks van jou was, zo ontredderd en alleen en je snapte niet wat je verkeerd had gedaan. Je slaagde wonder boven wonder met goede cijfers. Alleen voor wiskunde stond een 4.7 op je eindlijst. Hij kwam niet op je diploma-uitreiking. Het was alsof je bevroren was van binnen, alles stond stil, je was in ijs verpakt.


Je krijgt me niet te pakken als ik het niet voel, dacht je. En als ik niets voel ben ik er niet echt, dacht je. En als ik er niet echt ben is het niet écht, dacht je. En als het niet echt is waait het over en zal het mij geen pijn doen, dacht je. Geen echte pijn, want ik ben er niet. Het is windstil in mij. Dat dacht je. Je dacht dat je het slim had bedacht. Als je zorgt dat de pijn je niet raakt, als het van binnen windstil is, dan heb je een manier gevonden om om te gaan met iets waar niemand mee om zou hoeven gaan. Niet ademen. Dan gaat het weg.


Ssst.


Ik kon niet ontsnappen. Er hadden honderden kilometers tussen hen en mij moeten komen, ik had moeten rennen zo hard ik kon maar in plaats daarvan bevroor ik, niet alleen van binnen blijkbaar, want ik ging niet weg. Ik kon geen afscheid nemen van hetgeen mij zoveel pijn had gedaan, mij had weggedaan. Ik had weg moeten gaan maar in plaats daarvan bleef ik. Misschien kun je niet weggaan als je er niet echt bent. Als je een half-leven leidt. Misschien kun je geen afscheid nemen als je bevroren bent. Misschien is dat de prijs voor de manier van overleven waarvan ik dacht dat het een Nobelprijs waardig was. Misschien was de prijs die ik betaalde veel te hoog. Misschien was het de enige manier.


Als je er niet echt bent staat alles stil. Dan word je ouder zonder te leven. Een beetje te leven. Op halve kracht te leven. Als je er niet echt bent kan het zo hard waaien dat je van je sokken wordt geblazen maar is het nog steeds windstil in jou.


Ik was trots dat ik altijd door wist te gaan. Beter het ijs dan de pijn, ik denk dat ik dat moet hebben gedacht.


De tranen die ik nu laat voor alle jaren die ik in ijs heb doorgebracht. Er niet echt was. De mensen die ik niet echt heb gezien en aangeraakt. Die mij niet konden zien en aanraken omdat ik er niet echt was. Omdat ik in ijs was verpakt. Wie niet kan worden geraakt kan ook niet worden aangeraakt.

De ondraaglijke lichtheid van het campingleed

Als je op je privacy en rust bent gesteld is de camping misschien niet de meest logische plek om je vakantie te vieren. Maar ja, je ouders gaan altijd (naakt)kamperen en je kan moeilijk alleen thuisblijven als 12-jarige, niet waar, dus daar ga je weer in de smoorhete auto naar Frankrijk om tussen andere buitenlanders met z’n allen gezellig in je blote tuches op een stukje kurkdroge grond een paar weken gewoon een beetje te zijn. Dat je naar de kampwinkel (de winkel op de camping, niet in een kamp) loopt en je stiefvader ziet volleyballen met andere oude mannen, inderdaad allemaal volledig naakt, op witte sportsokken en sneakers na, ja jongens, fakkerdefak, iets met een hangende zak, dat krijg je nooit meer van je netvlies.

Of die keer dat je met een vriendje meeging op z’n motor naar Zuid-Frankrijk (in slaap vallen achter op een motor is geen goed idee, jongens) omdat hij altijd al naar die camping ging en jij bent een amoebe zonder ruggengraat, dus je gaat mee, en dat blijkt erger dan de hel op aarde. Een immens grote, kale vlakte waar niks groeit staart je aan, je probeert je tent op te zetten op grint, en dat op 10 centimeter van de tent van de buren, je hoort de buurman ademen brr, er staan palen met versterkers overal waardoor tot 22.00 uur keiharde muziek blaast met tussendoor gezellige berichten van de receptie over het dagmenu en of iemand zn Volvo even bij washok 134 wil weghalen en o ja overal in die palen ook bouwlampen die permanent aan staan waardoor je je op een landingsbaan voor buitenaardsen waant. Iedereen heeft zijn voertuig voor zijn tent staan, ieder zijn eigen postzegeltje verschroeide aarde. Al met al krijg je het gevoel dat je in een post-apocalyptische wereld terecht bent gekomen met je lullige koepeltentje, en dat voor je ontspanning, je moet er nog voor betalen ook en dan is er ook nog die godvergeten terugreis op die godvergeten motorfiets.

En dan krijg je kinderen en op de camping is het zo gezellig met allemaal potentiële vriendjes die de hele dag schreeuwend over het terrein rennen en de scheerlijnen van je tent kapot rijden met hun geinige crossfietsjes met misthoorntjes en van die ouders die de hele dag door wildgeil elkaar lopen uit te checken en meer en naar het strand is zo leuk en ach je man houdt van halve liters Erdingers op een terras met 200 anderen, dus ga je maar weer naar de camping.

Ergens nadat je uit huis ging had je heel simpel je hakken in het zand kunnen zetten en zeggen: tot hier en niet verder, ik ben een volwassene en ik denk dat ik kamperen haat, maar ja, dat deed je dus niet en zodoende zou je bijna het idee krijgen dat je graag op de camping staat, wat dus niet klopt.

Eigenlijk is het niet eens het gebrek aan privacy in de algemene zin dat je opbreekt op zo’n camping, als je heel eerlijk bent. Dat valt wel op te lossen door je in de tent op te sluiten of zó ongezellig uit je ogen te kijken, als je met koptelefoon voor de tent of op het zand zit, dat geen mens het in zijn hoofd haalt een praatje met je aan te knopen. Dat is je altijd uitstekend gelukt, alleen zijn en alleen gelaten worden. Met die rust wordt het al iets ingewikkelder, je geeft nou eenmaal de voorkeur aan een paar krijsende meeuwen of het gezang van een merel boven kotsende pubers of een deprimerende liveband die laveloos gebral inzet op 20 meter afstand van je hoofdkussen net op het moment dat jij wilt slapen. Je koopt een setje dure oordoppen en mediteert een rondje extra. Het valt te doen. Knarsetandend, weliswaar, maar te doen.

Nee, het probleem zit hem in een specifiek element van privacy en rust, inderdaad, u raadt het al: het badkamerritueel. En ach, wat zeur je eigenlijk, met een beetje aanpassing en zenoefeningen, prikkelafstoting en net doen of de wereld om je heen niet bestaat, kun je zélfs het badkamerritueel nog nét aan. Verstand op nul en alleen naar je zelf in de spiegel kijken tijdens het tandenpoetsen tussen vijf gillende tienermeisjes die opgewonden make-up uitwisselen en fantaseren over de op handen zijnde avond, jengelende oververmoeide peuters met levensmoeë mama’s en random andere vrouwen die zonder knipperen föhn, krultang en tientallen andere apparaten uit hun hutkoffer halen waar jij geen idee van hebt hoe ze heten en die allemaal stuk voor stuk op hun hoofd toepassen en de rij die wacht op een plekje bij een wasbak op deze manier tot 20 meter buiten het washok laten uitlopen. Beter is helemaal niet in de spiegel kijken maar gewoon met gebogen hoofd boven de wasbak en zo snel mogelijk rechtsomkeert, tentwaarts.

Wachten tot een douche vrijkomt is ook een proeve in afsluiten van het perfide mensdom. Aandacht verleggen, niet letten op het geschreeuw, de stank, de opwinding en al het andere. Je dobbert nu in de oceaan, voel je wel, aaah, ja, beter. Dobber de fucking dobber. Dan zes minuten warm water, goed uitkienen wanneer je die knop indrukt want te vroeg en je zit met de conditioner nog in je haar en een half geschoren flamoes. Uiteraard allemaal voor u uitgetest. In het doucheputje altijd plukken haar van een ander of anderen, nog steeds de herrie van dat mensdom, maar je staat nu in elk geval in een hok in je eentje. Zalige privacy, zei éénoog in het land der blinden.
Nee, het badkamerritueel valt knarsetandend en met alle wilskracht die je bezit nog nét, op het randje van waanzin, toegegeven, vol te houden. Je familie geniet zo van dit alles, denk aan die meeuwen die je ’s ochtends wakker maken. Denk aan de lange wandelingen langs de kust en het hardlopen door de bossen en duinen. Je kan dit. Je kunt dit. Doe het.

Wat NIET valt vol te houden, wat nóóit went en wat niét is te doen is het ritueel dat elke mens elke dag op het kleinste kamertje van het huis afwerkt. Inderdaad: de toiletgang. Het poepen. Je spreekt uit decennialange ervaring en weet zodoende dat dit nóóit, werkelijk nóóit, zal wennen. Je hebt rust nodig, een ontspannen lichaam, om je darmen te ledigen. Je kunt niet ontspannen als je zes wc-hokjes moet openen om een relatief geschikte te treffen. Eentje met wc-papier op de rol en zonder remsporen in de pot, de poep van een voorgangster over, onder en naast de bril of gewoon de hele darminhoud als kadootje achtergelaten. Je probeert toch te ontspannen als je uiteindelijk het een na laatste hokje induikt. Gaat zitten. Ademt rustig en diep in en uit. Sluit je ogen. Bam. Het hokje naast je wordt open en dicht gesmeten. Binnen een halve minuut hoor je de keutels het water raken. De echo’s klinken nog een poosje na. Ploink ploink. Als steentjes in een vijver. Aan de andere kant is intussen ook iemand komen zitten. Laat haar alleen moeten plassen denk je. Alsjeblieft. Helaas. Binnen vijftien seconden word je getrakteerd op geluiden die doen geloven dat iemand aan het bevallen is gevolgd door een oorverdovend kabaal waar je zo van schrikt dat je volledig bent vergeten waarvoor je hier kwam. Een diepe zucht, wc’s die aan weerszijde van je worden doorgetrokken, deuren die wederom worden dichtgesmeten, handen die worden gewassen. Nog een paar keer hard hoesten. Een kraan die niet wordt dichtgedraaid en blijft lopen. Jij zit nog een tijdje met samengeknepen billen maar vertrekt dan maar onverrichter zake naar je tent. Geïrriteerd. Gedeprimeerd. Geconstipeerd. Jaloers.

In je tent kijk je naar de indrukwekkende uitstalling laxeerellende die je dit jaar hebt aangeschaft ter verlichting van het immer terugkerende probleem. Geen pruim, vers of gedroogd, per stuk of per kilo, heeft echter ooit geholpen. Geen lijnzaadje, heel of geplet, deed ooit wat het moest doen op vakantie. Maar elke keer opnieuw onderneem je een poging. Misschien…deze keer?