oorlog

Gisteravond kwamen ze dan toch. Langverwacht maar elke keer als ik ze had voelen branden waren ze ook weer opgelost. Ingetrokken tranen. Nu vloeiden ze rijkelijk over mijn wangen. Mijn strot deed pijn, alsof er gruis in vastzat. Tranen . Zoveel tranen en pijn, om oorlog, om leed van mensen die ik niet ken en nooit zal leren kennen omdat ik hier woon en zij daar, omdat ik in een warm bed dit schrijf en zij in een donkere schuilkelder zitten of zijn verdwenen, onder puin, op een trein gezet of omdat ze dood in een massagraf liggen met vastgebonden polsen. Ik huil om de mensen die studeerden, systemen beheerden voor een gemeente ergens, brood bakten in een bakkerij in een afgelegen oord en nu al zeven maanden met een kalasjnikov in de handen in overleefstand staan. Ik huil om de mensen die deze mensen moeten missen, om de mensen die niet naar school kunnen omdat hun scholen zijn verdwenen en hun leerkrachten vermoord. Ik huil om de vrouwen, de jongens, de meisjes, de bejaarden, de baby’s die worden verkracht, om de dieren die geen veilig thuis meer hebben omdat hun baasjes zijn gevlucht. Ik huil ook om de jongens die naar een oorlog zijn gestuurd die ze geen oorlog mogen noemen maar waar ze desondanks bij bosjes sterven en als ze niet sterven worden ze gek van de realiteit, van de drank en de drugs, van de dood die overal is en van de angst, van de dingen die ze zien en met hun zogenaamde broeders en zusters moeten doen. Ik huil uit onmacht om zoveel zinloosheid, uit woede ook om de waanzin van die eenling daar op zijn keizerlijke troon en al die vazallen die hem niet stoppen uit angst uit een raam te vallen of tegen een beker gif aan te lopen. Ik huil om ons, de mensheid, om ons onvermogen uit te stijgen boven ons ego, om die perfide behoefte aan macht. Hoeveel vierkante meters land heb je nodig, hoeveel mensen moeten er sterven eer je leegte is gevuld en jij boven iedereen uittorent, jij kleine treurige man, jij kikker die maar niet knappen wil. Ik aai de kat over haar dikke winternacht. Keer op keer op keer op keer, ik aai en aai en aai en aai. En ik huil.

Glazen ui

Ik heb niks meer te zeggen, lijkt het. Ik wil niks meer zeggen is misschien accurater, of is het juist dat ik wel van alles zeggen wil maar het geduld of de zin niet meer opbrengen kan mijn gedachten op te schrijven. Hoe dan ook, er komt niets meer op papier en elke behoefte daar iets aan te veranderen ontbreekt. Laat me maar voelen en dat is dat, laat me verder maar met rust. Geen zin in mooie woorden, geen geduld voor zinnen en interpunctie, koppen en staarten, dat ik mijn leven als een verhaal wil brengen, mijn gevoel en fantasie als een te serveren dis ter jouw vermaak. Misschien zit ik in een proces dat van mij een ex-schrijver maakt, dat dit het einde is van hetgeen ik mijn beroep noemde.
Dat zou wat zijn, dat nu mijn gevoel weer stroomt na al die jaren, de behoefte om te leven via woorden op papier is verdwenen. Dat het delen wat ik deed een poging was tot verbinding. Een poging tot begrijpen. Begrepen worden, bovendien. Een poging tot doorgronden wat ik allemaal niet kon en had. Dat ik van buiten keek door het troebele glas, het glazen ui, naar hoe de andere kant bestond en mijn schrijven niets anders was dan gesublimeerd leven, Er Zijn By Proxy, dat ik door te schrijven pas bestond, want ik was er niet, niet echt, en nu ik eindelijk weer leef, de wind rechtstreeks op mijn met levervlekken bespikkelde armen voel, de noodzaak is verdwenen het, het leven ja, via een omweg, het schrift, een ander, te doen.

je weet het niet

Als je langs de velden rijdt, niet te hard (het liefst ga je stapvoets, je wilt niets missen) kijk dan naar de samenhang, hoe het graan genadeloos wordt onderworpen door een onzichtbare dirigent, een concertmeester die hoog boven de aren, strak en toch schijnbaar zonder moeite, alle aanwezigen dezelfde kant op stuurt. Alsof je kijkt naar een scène uit Fantasia, het gezamenlijk breken van golven bij het strand: Alles in het gelid, honderden vierkante meters met één stem, wuivend op dezelfde muziek. Loepzuiver georchestreerd, alsof ze smeken om sturing en dat allemaal zonder dwang. Dat laatste weet je niet zeker, je neemt het voor het verhaal maar aan.
Graan. Zonnebloemen. Maïs. Riet. Luisteren ze naar een macht van hogerhand? Bestaat er zoiets als democratie onder planten? Is er een autocraat die wind heet, een magnetische kracht boven het land die vriendelijk aanstuurt of juist geselt zonder dat jij er weet van hebt? Gebeuren de dingen omdat ze nou eenmaal gebeuren, omdat het sinds het allereerste begin zo ging en nu nog steeds op die manier zo gaat? Je weet het niet, je weet het niet. Je weet het niet.

uitstelschrijver

Het boek waar ik al ruim anderhalf jaar aan werk vordert langzaam, goddank wel gestaag. Elke week een paar pagina’s erbij, dat niveau zeg maar. Ik heb geen schrijfkamer, geen grotemensenkantoor. Ik heb een bureau met een kruk in een hoek van de woonkamer, tussen een boekenkast en het raamkozijn, onder een plank met boeken en een paar pannenkoekplanten en een dooie bonsai. De kruk is een wiebelkruk, speciaal gekocht om ‘actief te zitten’, wat dat ook maar mag zijn. Ik vind het vooral een kutkruk, maar ik vind ook dat ik niet mag zeuren want ik zit er te weinig op om er op te mogen afgeven. Het bureau en de kruk zijn een vooruitgang met de situatie een jaar geleden; toen schreef ik met mijn laptop op schoot op de bank of tussen de de kruimels op de eettafel. Ik voelde me een Echte schrijver toen ik het bureau van mezelf cadeau kreeg: vanaf nu zou het als een speer gaan met dat schrijven van mij. Maar dat viel dus tegen.
Er is altijd wat. Ik heb áltijd een reden om niet te schrijven. Het is echt onbehoorlijk hoe bedreven ik ben in het verzinnen van excuses om niet te doen wat ik in feite het liefste doe. Ik ben zo’n schrijver die alleen kan schrijven als ik alleen ben. Ja, dan komt zo’n corona beroerd uit hè. 2 jaar twee kinderen thuis die thuisonderwijs behoeven of dan toch in elk geval een stevige gesel, geen seconde alleen ben je dan. Kom dan nog maar eens aan schrijven toe, simpel als wat. En vergeet die man niet die ook niet uit huis was weg te slaan. Niet raar natuurlijk, zijn kantoor was dicht, maar toch. Vermoeiend allemaal. In de weekenden, als ik niet hoef te geselen, ja, nou ja, dan zit er altijd iemand in de woonkamer. Of komt er iemand binnen lopen terwijl ik net op die klotekruk ben gaan zitten. En ik vergeet haast het belangrijkste: dan wil ik schrijven, eindelijk, maar ja: dan heb ik al weken niet geschreven en zie er dan nog maar eens in te komen. Moet je alles weer teruglezen…En voor je er weer in zit, is er wel weer een reden om niet te gaan schrijven. Een ziek kind. Proefwerkweken. Een aardbeving. Een opvlieger. Pms. Marsmannetjes. Vogeltje in de tuin. Dingen. Je kunt het zo gek niet verzinnen of ik blijk het te hebben gebruikt als reden om niet te hoeven schrijven. En dat voor iemand die behoorlijk gedisciplineerd is. Selectief gedisciplineerd moet ik misschien zeggen. Lui ben ik ook niet. Ik hou van schrijven. Je vraagt je af waarom ik schrijver ben geworden als ik vooral heel veel energie steek in het vermijden van mijn schrijftafel.

Dag duif

Ik heb zo de voorstelling van het toneelstuk waar we met het wijktoneelgezelschap twee maanden aan hebben gewerkt maar ik ben met mijn hoofd bij de dode duif. De duif die aan het doodgaan is, moet ik zeggen. Te pas en te onpas dringen de beelden van de laatste minuten van het beest zich namelijk aan me op. Als ik mijn tekst wil oefenen. Als ik aan de tafel zit en de plek zie waar het gebeurde. Toen ik gisteravond wilde gaan slapen. Ik kan de beelden niet stopzetten. Het enige wat ik kan is ze ondergaan, ze voelen in mijn lijf. Ze steeds opnieuw beleven. Steeds die ongenadige werkelijkheid van hoe de duif zijn gebroken nekje probeert op te tillen, hoe zijn ogen zich langzaam sluiten, hoe mijn vingers zijn veren aaien, zijn warmte voelen. Steeds weer opnieuw, steeds weer en opnieuw.


Het begon met het vogelhuisje waar ik pinda’s en zonnebloempitten in legde voor de koolmezen. Toen kwamen de stadsduiven de boel overnemen. Ze maakten alles kapot en scheten de tafel en de bankjes onder. Mijn idylle werd ruw verstoord. Vogels voeren als dagelijkse handeling, vogels kijken als rustgevende activiteit, veranderde in pijnlijke nekspieren en frustratie. De kleine vogeltjes kwamen nauwelijks meer en de schijtende duiven hadden mijn tuin gekoloniseerd. Ze maakten ruzie met alles wat vloog en zetten hun veren uit om hun eigen soort weg te jagen. Ik keek niet meer als meditatie uit mijn raam, nee ik had een stok genomen om de duiven tien keer per dag weg te jagen. Ik voelde me nukkig en verre van de zen die ik initieel voor ogen had toen ik aan het vogeltjes voeren begon. Zo kan het niet langer, realiseerde ik mij gisteren en haalde het huisje weg. Ik kan niet alles naar mijn hand zetten, niet de wereld, niet dit stukje natuur maakbaar willen maken. Dat kan helemaal niet, domme Prazdny. Loslaten moest ik het of ermee stoppen. Het viel niet goed bij de duiven. Ze waren hun chille voedselvoorziening kwijt en zochten rumoerig naar het verdwenen huisje, waarbij ze de planten die eromheen hadden gestaan kapot trapten. Mijn man werd zo boos dat hij een kleine duif, nog niet volwassen, met de stok wegjoeg. De duif was niet snel genoeg weg en mijn man sloeg het beestje op zijn kop. Veel te hard.


Ik heb voor het laatst zoveel gehuild toen we besloten dat we de hond, uit Curaçao overgevlogen voor ons, niet konden houden. En de keer daarvoor toen mijn 1-jaar jonge kat voor mijn deur op de stoep werd doodgereden door een maaltijdbezorger.


De klootzak die zegt dat rouwen een werkwoord is mag van mij aan de hoogste boom maar heeft wel gelijk. Dit is niet te doen.


Ik ben nooit een goede rouwer geweest, schoof het voor me uit, nee, verpakte het in ijs zodat ik het niet hoefde te voelen. Maar al die pakketjes bevroren verdriet meezeulen is zo ontzettend vermoeiend, mijn vriend. Het is niet zo zeer dat ze je inhalen, zie je die blokken ijs al rennen?, als wel dat ze je eronder krijgen. Op een gegeven moment kun je geen stap meer zetten, zo zwaar ben je geworden door al dat onverwerkte leed, die gestolde pijn, die zaken die je deden wankelen en aan jezelf twijfelen lang geleden, maar die je niet in de bek durfde te kijken. Niet kon. Onder ijs leven is het equivalent van gestagneerde rouw. Rouwen als lijdend voorwerp. Maar geloof me, óók gestagneerde rouw is hard werken, overleven is een fulltime baan. Het ijs heeft je veranderd in zo’n sumoworstelaarspop. Geen beweging in te krijgen. Niet omver te duwen. Tot je toch valt en zie dan nog maar eens overeind te komen.


Ik kwam overeind. Ik sta nu. Ik rouw. Dag duif met je malle gevlekte verenkleed. Dag vogelhuis. Dag idee van in totale zen naar buiten kijken en de vogeltjes zien kwetteren. Hallo loslaten. Hallo werkelijkheid. Ik heb vertrouwen in het proces. Ik beweeg mee, ik ben als het riet in de wind. Maar man, wat doet het pijn.

MEME-VOER

Van mijn kinderen mag ik geen podcast beginnen. Ook geen You Tube kanaal. Dat ik een website heb waar ik te hooi en te gras wat tekstjes op plemp is al erg genoeg. En al die foto’s van mij op het internet? Da’s over het randje van wat kan maar omdat de foto’s oud zijn en ik er daar nog relatief ongehavend uitzie, ofzo, mag het nog. Maar dan net. Het is niet alleen vanwege hun eigen schaamte dat ze me het verbieden, het is ook om mij te beschermen, zeggen ze.


Het schijnt een leuk tijdverdrijf in hun beider vriendengroepen te zijn om elkaars ouders online op te zoeken en dan de belachelijkste, gênantste foto’s, filmpjes, wat dan ook, tot meme te maken en elkaar en weet ik het wie nog allemaal, daarmee kapot te spammen. Hun vader werd een paar jaar geleden op een uiterst ongelukkig moment vereeuwigd door zo’n pasfotofotograaf. Hij zag het al bij het afrekenen, dit is niet goed, dit is helemaal niet goed, maar zei natuurlijk niks, want je zou maar zeggen dat dit echt een totaal mislukte foto is en dat hij zo niet tien jaar op officiële documenten wilde staan. Wat dus wel gebeurde. Hij moet het nog steeds doen met die foto waarop hij staat als een of andere oerwoudterrorist. Nog erger: hij heeft de foto gebruikt voor op de website van zijn werk en nou ja, je voelt hem al aankomen: het schorriemorrie vond de vader van R. online en nu is mijn arme man een stomme meme. Volgens mijn zoon liggen ze altijd slap om zijn hoofd dat meer weg heeft van een of andere net-gearresteerde doomsdayprepper die veel te lang omringd door veel te veel wapens in de Amerikaanse bossen heeft zitten haten op de overheid van dat slappe thee-aftreksel Biden, dan op een brave werknemer van een hbo-instelling in een provinciestad. En dan komt hij er nog genadig van af, wordt mij verzekerd. De vader van een vriendje van R. staat helemaal bovenaan de lijst van meest-dankbare slachtoffers om schaamteloze memes van te maken. De arme kerel is een ware fundgrube voor gratis puberleedvermaak en hij heeft het er helemaal zelf naar gemaakt, zegt zoon R. Had hij maar niet zichzelf moeten filmen terwijl hij dat online spel speelde. Een oude kerel met een grote bril die rage quit, scheldend op de 13-jarige kinderen tegen wie hij speelt: beter vermaak is er bijna niet. Dat hij tutorials online heeft gezet waarin hij piano’s stemt…tsja, zoiets is gewoon te goed om te laten liggen. De man is een ware legende geworden in de kleine community van zoonlief. Of dat positief is hangt denk ik af van wie je het vraagt.


Of ik dus alsjeblieft géén YouTube kanaal wil aanmaken, óók niet over zoiets sufs als boeken. NIET je eigen teksten gaan inspreken en grappig gaan proberen te zijn, mama. Alsjeblieft, wees verstandig. En al helemaal geen podcast. Om een of andere onduidelijke reden is dat zo’n beetje het ergste wat iemand van mijn leeftijd kan doen. Laat ik nu net precies dat van plan zijn: een podcast beginnen. Een paar luisteraars heb ik nu al in de pocket. Lekker.

post-(c)ptss

De therapeut had me erop voorbereid: sommige mensen, best veel mensen misschien zelfs, gaan de wereld anders zien nadat ze hun traumatherapie hebben afgerond. Omdat er iets in hen zelf is veranderd. Omdat ze oude patronen in de bek hebben gekeken en ze daarna bij het grofvuil hebben gezet of, iets minder extreem, leren leven met wat hen vroeger is overkomen en het niet meer allesbepalend laten zijn. Soms gooien mensen die in traumatherapie zijn geweest het roer om, zei de therapeut, dan gaan ze bijvoorbeeld studeren. Veranderen ze van baan. Maken het uit met hun partner, familie of vrienden. Zoeken nieuwe horizonten.


Acht maanden geleden zei ik hem voor de laatste keer gedag. We deden niet sentimenteel, geen grote woorden, geen omhelzing. Mijn therapeut zei: het ga je goed en ik zei: ja, dat wil ik ook voor mezelf en dat was het.


Ik dacht soms aan wat hij had gezegd en of de wereld al anders was geworden voor mij, of dat ik misschien al de behoefte voelde het helemaal anders te doen. Dat was niet zo. Ik ben nooit van de radicale omwentelingen geweest, dus ik zou het ongetwijfeld hebben opgemerkt als het wel ineens zo was. En toen kwam het moment dat ik niet meer elke dag dacht aan zijn woorden. Dat ik niet meer zo bezig was met de zware therapie die ik had gehad en wat ik had geleerd. Ik leefde elke dag opnieuw, zoveel rustiger en ik sliep weer. Ik was niet meer zo angstig. Mijn hoofd was soms zelfs leeg en ik had meer overzicht dan ik ooit in mijn leven had gehad. Dat was wel eens anders geweest kan ik je vertellen. Het waren mooie veranderingen. Vooral het feit dat ik niet meer door alles en iedereen getriggerd werd voelde bevrijdend. Ik zag mezelf scherper.

Ik was beter ingekleurd. Ik was meer mezelf geworden. Hierdoor wist ik ook beter wat ik nodig had en wat niet. Soms vind ik het nog lastig om me uit te spreken, omdat me uitspreken kan betekenen dat iemand boos wordt of gekwetst. Maar ik spreek me uit en voor mij is dat winst.


Ik was veranderd, ik voelde het op zoveel terreinen, maar het was geen grootse of meeslepende ommezwaai, zoals ik me had voorgesteld bij het verhaal van de therapeut, dus hoewel ik wist dat het was ingezet tijdens de therapie, herkende ik het niet als iets dat bij zijn verhaal over veranderingen en dingen anders doen hoorde. Ik had alleen dat deel over ‘helemaal anders doen’ onthouden, misschien.

Jazeker, ik was veranderd, maar ik was ook nog mezelf, de parttime kluizenaar. De persoon die het moeilijk vindt zich open te stellen. Diegene die niet makkelijk vrienden maakt. Die zich comfortabel voelt in een pyjama thuis, het liefst alleen of met haar gezin en minder in een groep mensen, in een binnenstad, met reuring, spanning en hectiek.


En toen ging ik Zweeds studeren. Iets wat ik al jaren wilde doen maar nooit deed. Nu deed ik het. En toen meldde ik me aan bij een buurttoneelvereniging. Ik was ooit niet naar de toneelacademie gegaan omdat mijn jeugdtrauma mij dwong niet boven het maaiveld uit te komen, om subrosa door het leven te gaan. En dat voor iemand die zo graag op een podium stond. Opvallen was onveilig dus toneelspelen was geen optie.


Ik zeg wel eens: ik ben als schrijven een soort toneelspeler alleen doe ik dat zonder geluid en zonder aanwezig te zijn. Mijn podium is het moment dat jij mijn woorden leest. Ik ben een naar binnen gekeerd acteur. Schrijven is toneelspelen voor de getraumatiseerde ziel.


Maar ik begon dus met toneel. In het begin merkte ik dat ik soms wat dissocieerde als de aandacht op mij werd gericht. Op zulke momenten ben ik er niet helemaal. Het is een hardnekkig coping mechanisme, veilig in mezelf verborgen, maar het was niet onopgemerkt gebleven toen ie de kop op stak, ik herkende het en liet het er zijn. Fluisterde enkel dat het veilig was hier. Ik ben veilig. Je bent nu veilig. Na een paar keer kreeg ik er aardigheid in. In toneelspelen!Ik!In het volle licht, met de bouwlampen op me gericht: dat was al 30 jaar mijn grootste angst en daar stond ik dan te staan en ik was er helemaal.


En toen wandelende ik met S. en vertelde ik hem wat ik zo graag wilde doen: meer doen dan alleen schrijven. Ik vertelde over mijn ideeën en fantasieën. Over zijpaden en projecten die ik zou willen oppakken. Over wat ik allemaal zou kunnen doen. Ik werd steeds enthousiaster terwijl ik vertelde. Ik voelde het kriebelen. De lente. Het leven. Ik wilde naar buiten, eruit! Dingen doen, met mensen, voor mensen! Hij keek me met opengevallen mond aan. ‘Wie ben jij en wat heb je met mijn vrouw gedaan?’ zei hij lachend.


Het was op dit moment dat ik mij realiseerde dat dit was waar de therapeut het over had gehad. Geen Wagner, geen Brückner, geen paukeslagen. Maar dit was het, ik wist het zeker.


Ik ben zó onwennig. Ik wil wel maar ik weet niet hoe, omdat ik het nog nooit heb gedaan en toch weet ik dat het een kwestie van tijd is. Van wanneer. Niet van óf ik nog meer nieuwe leuke spannende dingen ga durven.

buurtamateurtoneel

Dus ik had besloten om over een buurtamateurtoneelvereniging te schrijven. Uit een writers block terugkomen gaat niet over rozen, mensen. Ik voorzag een lijdensweg van doorhalen en deleten, opnieuw beginnen, weer doorkrassen en nog eens opnieuw beginnen, maar als ik weer wilde schrijven moest ik me érgens in vastbijten en het onderwerp liet het me niet los, dus daar ga je. Een handjevol mensen dat bijelkaar komt in een treurige ruimte met systeemplafond dat zwart staat van de schimmel, lauwe koffie in plastic bekertjes voor 2 euro in de hand, koffie die waarschijnlijk ’s ochtends is gezet door een vrijwilliger of persoon met afstand tot de arbeidsmarkt, de vroegere Melkertbaner, geen idee wie zijn naam er nu weer voor heeft geleend, stoeltjes lullig in een kring, alsof ze niet komen om toneel te spelen maar om hun wekelijkse AA-sessies af te werken. Vanuit de vloer komt het ge-rawhide en de zogenaamd opbeurende klanken van een computergegenereerde bas de met tl-lampen verlichte ruimte binnen stoten. Bij elke oempf komen de voeten van de buurtgenoten een klein beetje van de grond. De linedancers beneden dansen tot na zonsondergang en iedereen moet meegenieten, klaarblijkelijk. Het is een gemêleerd clubje buurtgenoten, zoals dat heet. Gemêleerd als in: van alles wat, een samengeraapt zooitje met als enige gemene deler dat ze min of meer bij elkaar om de hoek wonen. En, nou ja, dat ze mensen zijn, maar dat hoeft toch niet allemaal uitgelegd te worden? Je bent toch niet voor simpele zuurtjes aan het schrijven? Je bent een schrijver, verdikkeme nog an toe. Misschien dit weghalen. Een schrijver die ‘verdikkeme’ schrijft is al bezig met zijn publiek vóór er überhaupt iets wezenlijks op papier staat. Censuur antepartum, nog voor de baby er is. En dan is de baby een boek. Belachelijk. Je hebt nog een lange weg te gaan voor je jezelf weer schrijver mag noemen. Een echte schrijver censureert zichzelf niet. Nooit. Die schrijft GODVERDOMME in plaats van het tandeloze VERDIKKEME. Als deze tekst wordt voorgelezen misschien toch een ander scheldwoord hiervoor nemen want je hebt liever dat mensen je aardig vinden dan dat je je vak naar behoren uitoefent. Oh, lieve hemel: je bent echt heel hard geraakt door die twee jaar in de ranzige teerput die covidpandemie heet, je bent dieper in het slijk gezakt, verder van jezelf afgedwaald dan je in eerste instantie dacht. Iemand die aan antepartumcensuur doet is wel erg ver van het moederschip afgedreven. Terug naar het middelpunt, SCHRIJVER. Harder roeien! Meters maken! Kom op, vort met de geit! Laat die luie ontlezendende mensen van Nederland maar eens zien dat woordkettingen maken een ambacht is. Dat het makkelijk moet ogen, net zoals het voor een schilderij van Picasso staan en dat je dan denkt: wat die prutser kan kan ik ook, maar dat er voor het bedrieglijk eenvoudige eindproduct een heel traject van zelftwijfel, ongegronde angsten, slapeloosheid, drankzucht en de obligate bloed zweet en vijfhonderd liter tranen, kortom keihard ploeteren, heeft plaatsgevonden.


Je kunt het. Je gaat gewoon een stukje schrijven over een club halvegaren die bijeenkomt om wat woorden hardop uit te spreken, hopende dat het dan uiteindelijk verwordt tot iets wat een beetje aan te horen is en God behoedde de arme buurttoneelspelers: ook nóg een beetje aan te zién valt. Op een podium, het liefst. In een intreurig afgehuurd zaaltje met slechte verlichting, denk ik dat ik doe, ja, dat is leuk om erin te schrijven. Niet de schimmelige ruimte met knipperende tl-lampen waarin ze repeteren, iets anders. Liefst een lullig hok ervan maken, nog even naar kijken. En dat er dan 3 mensen in het publiek zitten. Misschien 5. 4 partners, de andere partners van de buurtamateurtoneelspelers hadden niet eens de moeite genomen om te komen, de finale van heel holland bakt was op tv, die ouwe mensen kijken nog tv denk je, even nazoeken of je vooroordeel klopt, en 1 iemand uit de wijk die de flyer niet meteen had weggemieterd bij het oud papier toen ie hem op de mat vond. Laten we er een eenzame zonderling van maken. Iemand die hunkert naar menselijk contact, maar die niet lijkt te snappen dat je daarvoor wel af en toe onder de douche moet.
Goed, die buurthalvegaren zitten dus op die lullige stoeltjes en wachten op de twee jongelingen die zichzelf in de mail hebben voorgesteld als PIM EN MADELIEF. Pim en Madelief gaan ervoor zorgen dat de woorden die de halvegaren gaan uitspreken niet eruitkomen alsof ze zijn uitgebraakt doof levensmoeie terminalen, een soort doodsreutel van een stervende, maar dat de teksten die ze straks uit hun hoofd moeten leren en uit moeten spreken ook daadwerkelijk klinken alsof ze door de buurtamateurtoneelspelers zelf begrépen worden en dat het publiek, laten we mild zijn en er 6 mensen van maken, ook nog een random vrouw, er ook nog chocola van kan maken. Pim en Madelief zijn enorm uitgelaten en opgetogen. Iedereen kan toneelspelen! Schreeuwen ze het bijna uit, terwijl ze door de bedompte kamer fladderen en dartelen. Pim in zijn kippenpak struikelt bijna over zijn eigen jonge kippenpootjes, zo uitgelaten dat ie is. Een paar mensen trekt wat ongemakkelijk met de mond, alsof ze niet echt geloven wat Pim en Madelief beweren. Maar Pim en Madelief weten het zeker: onder hun vakkundige begeleiding kan zelfs een dood paard de sterren van de hemel spelen. Hier en daar een sprankje licht in de ogen van de mensen uit de wijk. Een enkeling droomt al van een villa in Hollywood en een romantisch avondje met Brad Pitt. Netflix en Chili, is dat wat? Nee, haal maar weg, niemand zegt dat nog. De woorden van Pim en Madelief werken aanstekelijk, heel langzaam lijken de opbeurende woorden hun doel te bereiken, de mensen hier, de buurtamateurtoneelspelers, geloven bijna dat ze het gaan kunnen, toneelspelen. Laten we zeggen dat Pim voorstelt om een toneelstuk over een wijkbingo te doen, met allemaal losse sketches. Een bingo-avond die hopeloos in de soep loopt, zegt de blonde Madelief en ze huppelt in haar roze tutu naar het midden van de kring en draait een pirouette waarbij haar paardestaart vervaarlijk rondzwiept als een springtouw. Zou dat niet leuk zijn, koert ze terwijl ze naar Pim rent en in zijn open armen springt. Hij vangt haar op, het dartelende balletelfje landt gracieus in de armen vol kippenveren en de blije hepie en hepie draaien samen nog een paar rondjes voor er een Wijkgenoot langzaam begint te klappen, gevolgd door nog een en nog een en daarna klapt iedereen, steeds harder en sneller. Ze klappen voor Pim en Madelief, de manisch blije jongelingen, maar ook een beetje voor zichzelf, omdat ze er zo waar in geloven dat ook zíj toneel kunnen spelen. Nee nee: toneelspelers ZIJN!
Dit wordt toch kat in t bakkie, je ziet als het ware de typetjes zichzelf schrijven. Komt helemaal goed, SCHRIJVERTJE.

DISCLAIMER: HET FEIT DAT IEMAND ZICH IN IETS OF IEMAND HERKENT BETEKENT NIET DAT HET OOK WAAR IS. U HEEFT HET RECHT BELEDIGD TE ZIJN.

Spierpijn

Ik werd wakker met spierpijn over mijn hele lijf. Vooral mijn handen en nek deden pijn. Aangezien ik niet had gesport de dag ervoor vermoedde ik dat ik erg actief was geweest in de nachtelijke uren. Vuisten ballen. Schouders en nek aanspannen – en iets minder ontspannen. Mijn tanden deden pijn. Alsof ik uren als een koe had liggen herkauwen. Ik besloot het niet te negeren, zoals ik tot niet zo lang geleden wel zou hebben gedaan en dacht aan gisteren. Aan wat ik had gedaan. Wat deze spanning in mijn lijf had veroorzaakt.
Ik had met de toneellokalo’s voor het eerst het script doorgelezen. Meer dan dat: ik had moeten opstaan en voor de groep mijn tekst voorgedragen. Tien mensen, meer waren het niet, maar wie mij echt kent, niet alleen de stoere buitenkant, weet dat die vier meter lopen voor mij gevoelsmatig gelijk staan aan mijlen. Buiten mijn comfortzone, welteverstaan. Als je mij kent weet je dat die paar regels alleen voor die groep voelden alsof ik voor alle inwoners op de planeet aarde aan het voordragen was.
Het had op het moment dat ik de stappen zette en de woorden uitsprak niet echt ingewikkeld geleken. Ik was niet gaan zweten. Mijn ademhaling was redelijk rustig gebleven. Toch wist ik dat dit een van die momenten was waarom ik nu met toneelspelen was begonnen: om te kijken of ik het kon. Aandurfde. Uit mijn comfortzone komen, een buffer tusseen mij en de wereld, een zone die eerder een fort met een slotgracht en palissaden bleek te zijn geweest. Ik wist dat ik niet van de ene op de andere dag van een rapunzel in een sociale vlinder zou veranderen, als die transformatie ooit al zou komen. Ik had uit het torenkamertje weten te geraken, dat was de eerste en waarschijnlijk grootste stap geweest die ik ooit heb gemaakt. Het begin én het halve werk. Vergeleken met die stap waren die vier meters een peulenschil.
In theorie, althans. In de praktijk was ik nog steeds best zelfbewust geweest, ondanks het feit dat ik kalm was gebleven en niet de oude vertrouwde duik in mezelf had genomen: op een zee van dissociatie de tocht uitzitten. Ik had het gedaan en ik was niet doodgegaan! Ik had voor een groep gestaan, alleen!, en was niet afgestorven, verbrand, gesmolten, onder de blikken van de anderen. Ik was me heel even bewust geweest van mijn lijf, dat andere mensen nu naar me zaten te kijken, maar het was oké. En toen werd ik de volgende ochtend wakker met spierpijn. De praktijk van het uit de kasteeltoren komen is weerbarstig. Ik kan niet voorbij de horizon kijken. Er is alleen deze hobbelige weg. Maar ik sta met twee voeten op de grond. Ik ben niet meer gevangen in een toren.

Betoogbazelaar

Allemachtig, wat kunnen sommige mensen zeveren. Ze zeuren maar door, oeverloos oreren, monologiseren de aanwezige slachtoffers in een hoekje, met hun rug tegen de muur zodat ze, vastgeluld, nog eens eindeloos al die piemelkoek moeten aanhoren. Heb medelijden met de slachtoffers van woordgeweldenaars, van parlevinkige praatjesmakers die hun kleine, hongerige ego proberen te voeden met hun constante beslaglegging op andermans tijd, empathie en fatsoen. Als perpetuum mobile rupsjes-nooit-genoeg zijn ze, ze gaan maar door en door, weten van geen ophouden, hun hele raison d’etre lijkt te bestaan uit de drang dat broze binnenkantje koest te houden. Alsmaar bezig met stillen en lessen, het is een dagtaak en dat is het. Je hoeft er zo goed als niks voor te doen, dat scheelt, ze praten toch wel. Af en toe een knik of een eenlettergrepige kreet volstaat, ach, wat zeg ik, zelfs gesloten ogen en lippen nodigen de mens die lijdt aan taalflatulentie uit om door te gaan. Ja, daar gaat de taalterrorist weer, onzichtbaar geweld rolt uit zijn mond, misschien niet dodelijk, niet gelijk, maar zoals dat gaat met winderigheid en zo ook met woordwinderigheid: in een afgesloten ruimte, gedurende langere periode blootgesteld, kan een mens het loodje leggen, bedolven onder een lawine van loslippigheid en zoals men weet: een woord van de letterleuteraar komt nooit alleen, voor je het weet ben je klemgezet door zo’n opgeblazen zwetsfetisjist. Dus pas op, ken de signalen van het dreigende gevaar van de praatzieke betoogbazelaar.