tot stof

De wereld staat in brand zeg je hardop tegen jezelf, in de spiegel, op de wc, lopend op het strand en je weet je dat mensen net als jij,
eeuwen terug, rij op rij, hetzelfde hebben gezegd. Je weet dat de wereld altijd brandt en branden zal tot hij vergaat. Tot de zon barst en
een einde aan alles maakt wat is en niets is zoals het was. En toch, er is zoveel aan de hand, de druk op je hoofd te groot. Of is het je hart?
Is dat te week, te zacht? Ben je een slappeling omdat je zintuigloos wilt zijn, in vacuüm verpakt? Je wilt vluchten, nee, je hoofd ondergronds,
je wilt schreeuwen, je wilt smeken tot de oorlog stopt, het zinloze vechten en moorden om eer en trots, om ingebeelde geschiedenis, om
stukjes grond, om niemandsland dat taal noch kleur bekent, dat geen voorkeur heeft voor de mens die de gewassen plant. Land dat enkel is
en observeert hoe weer een nieuwe lichting gretige knapen door geweld neer zal zijgen en met de tijd van overhoop geschoten lichamen
in compost en ten langen leste tot stof wederkeren zal. Stop dan toch met met branden, stijg in vredesnaam boven jezelf uit, schreeuw je
de eindeloze ruimte in terwijl je de spiegel de rug toekeert, de wc doortrekt, het strand verlaat en het pad naar de duinen beklimt.

Waarom strijden om land dat ons allen toebehoort, doden omdat iemand ’t je beveelt, maar er is niemand die je hoort. Het is windstil.

Voorbij het ego

Het voelt alsof mijn ego in 2022 niet alleen zo sterk vermagerd is dat het bijna niet waarneembaar meer is, maar ook dat het zich heeft ingeschreven bij een nudistenverenging. Dun en naakt ben ik en ik heb geen enkele behoefte meer te eten dan noodzakelijk of iets aan te trekken om opgetrokken wenkbrauwen van de medemens te voorkomen. Dit is wie ik ben, mensen, lijkt mijn ego te zeggen, je doet het er maar mee. De behoefte om op te vallen is zo zeer gereduceerd dat ik nauwelijks nog schrijf om gelezen te worden; dit stukje tekst is het eerste in lange tijd. 

Ik scrolde van de week voor het eerst in lange tijd weer door mijn socials en zag de mensen hun werk aanprijzen, hun leven uitbundig delen met de online buitenwereld en ik voelde geen enkel behoefte hetzelfde te doen. Dat is een vreemd gevoel voor een nooit-doorgebroken schrijver die een jaar geleden bijna in een zwart gat belandde vanwege de tegenvallende verkoop van haar nieuwste roman. Wat zeg ik: bijna onverkochte roman. Ik had jaren aan dit boek gewerkt en geen hond had het gekocht. Ik was er kapot van, ook al had ik me voorgenomen geen fuk erom te geven. 

Ik had mijn boek ad infinitum geplugd op Facebook en nog was het maar 60 keer verkocht. Door alle enthousiaste reacties van ‘vrienden’ onder mijn berichten over het boek was ik bijna gaan geloven dat het boek zichzelf wel zou verkopen, maar zoals de uitdrukking al zegt: geloof niet alles wat er op social media wordt gezegd. Het boek verkocht niet, wat ik ook deed, hoeveel foto’s, recensies en stukjes uit en over het boek ik ook plaatste. Punt.

Ik had mezelf wijs gemaakt dat ik niet van social media af kon omdat ik het netwerk nodig had om mijn boeken te verkopen. Om een platform te hebben voor alle stukjes die ik schreef. Stukjes die weer konden dienen als douceurtjes tot een nieuw boek verscheen (al schreef ik de meeste stukken toch wel, mijn vingers jeukten altijd), maar de waarheid is dat anderhalve iemand en een paardenkop het boek kocht, ondanks alle gratis stukjes en zelfpromotie. 

Het is een veelvoorkomende gedachtengang van (niet wereldberoemde) schrijvers, dat je social media nodig hebt om in zicht te blijven. Gezien worden, in beeld blijven, zodat mensen je boeken lezen. Het is ook de reden dat veel auteurs druk voelen om eens in de x-tijd leuke/jolige/waargebeurde/idiote/ontroerende stukjes of foto’s van zichzelf op een signeersessie met een paar opgewonden fans op Facebook cs te plaatsen. Je moet de mensen warm houden, in beeld, weet je nog, als je niks post zijn ze je vergeten en verkoopt je nieuwe boek niet en heb je het aan jezelf te wijten. 

Het is dat cirkeltje waar je maar niet uitkomt, dat zichzelf in stand houdt en dat in mijn geval begon aan te voelen als een gevangenis. Je moet online aanwezig zijn, jezelf ‘verkopen’ om je schrijfkunsten te kunnen verkopen, iets wat voor mij helemaal niet natuurlijk aanvoelde, me behoorlijk veel moeite kostte, en als dan ook nog aantoonbaar is dat a niet tot b leidt -wie hou ik dan voor de gek? Waarom ben ik dan nog online aanwezig? Ik had geen excuus meer. 

Ik was er klaar mee en dus stopte ik met social media. Als ik online aanwezig was om gezien te worden, zogenaamd om mijn boeken te verkopen, maar die verkochten niet… dan moest het maar eens afgelopen zijn. En ja, ik moest ook afkicken van al die egoboostertjes die likes en hartjes in feite zijn, maar die sneller vervliegen dan een lurk van een lachgasballon en die heel hol resoneren in de wereld van vlees en bloed.  Steeds meer, sneller, vaker, heb je er ook van nodig om je gezien te voelen, je ego te voeden en als de stroom opdroogt voelt het of dat ego krimpt. Ongezien en onbemind, want niet geliked of geloved. Wat een absolute armoede.

En nu, acht maanden later, zwengelde ik de socials weer aan en ontdekte ik dat ik de onophoudende stroom berichten me niet echt meer kon bekoren. Ik had sommige mensen gemist, dat wel, maar het gros van wat ik las voelde sleets en monotoon aan. Groundhog Day, man. Best een rare gewaarwording als je tot acht maanden ervoor elke dag minimaal een uur van je dag doorbracht met het lezen van de wederwaardigheden van anderen. En, nog raarder: Ik voelde zoals gezegd geen enkele behoefte ook over mijn dag, wandeling, vakantie, ritje met de bus, lees- en schrijfervaringen, seksleven of kinderen te schrijven. Het afgelopen half jaar heb ik wel geschreven aan een manuscript en er kwamen ook wat verhalen en blogs uit mijn vingers, maar slechts enkelen daarvan vonden hun weg naar mijn website. Ik had geen idee wie daar kwam, en wie wat las, wat wel een beetje kaal en vreemd aanvoelde in het begin. Ik voelde me als een vleermuis die signalen uitzond maar niet wist of deze werden opgepikt. Er kwam geen echo terug. In eerste instantie was het een wat beangstigend en eenzaam gevoel, maar gaandeweg ging die onzekerheid over in een verrukkelijk ontnuchterende en in ultimo rustgevende ervaring. Het maakte me niet echt meer uit wie me las. Of ik gelezen werd. Ik bestond toch wel. Ik hoefde maar naar de spiegel te lopen om mezelf te zien, daar had ik geen anderen voor nodig. Ik had ook niet de bevestiging van anderen meer nodig; ik maak zelf wel uit of iets wat ik schrijf, componeer of maak de moeite waard is. Natuurlijk, met deze nieuwe houding, met dit minimalistische ego, verkoop ik geen enkel boek, maar dat verkoop ik ook niet met een ego dat afhankelijk is van de goedkeuring en lof en duimpjes van anderen. 

Nu nog afwachten hoe die magere naaktlopert in mij zich houdt als het manuscript af is. Als het riedeltje dan weer van voor af aan begint dan moet u bovenstaande maar als een poging zien mezelf te overtuigen en mijn gebazel afdoen als veel geblaat en weinig wol.

zwaartekracht

Je stapt uit bed en voelt het kraken
Je denkt: nu is dan Het Moment
Aangebroken dat je echt oud bent.
Dat je niet meer lichtvoetig door het leven stapt maar elke stap voelt duwen

steeds zwaarder, dat niets meer vanzelf lijkt te gaan, is zoals het was.


Je bent bang dat de zwaartekracht het van je winnen zal


Dat je huis niet stevig blijkt maar vol gaten en kieren waar de wind je omver door zal blazen dat je kou vat en je ziekelijk maakt. Je aan bed gekluisterd raakt en de wereld elke dag opnieuw zonder jou zal draaien.


Dat je huis niet stevig is en toch als een gevangenis voelen zal, krakende piepende planken en verduisterde ramen die het zonlicht bij je weghouden en het geluid en de aanraking van de mensen die je liefhad smoort.


Laat de tijd geen vat hebben op mijn vermogen lief te hebben denk je. Op mijn vermogen te worden gezien voor de mens die ik was en nog altijd ben. Laat me niet verdwijnen in een schaduw van mezelf, in een negatief van het beeld dat men van me had.


Laat het smeer tussen mijn botten er voor altijd zijn, bid je vurig. Je bent bereid je ouderdom te dragen zolang er maar beweging in je blijft.

anatomy of een akelig mannetje

Ik keek vorige week naar de miniserie Anatomy of a Scandal op Netflix, over een overgepreviligieerde Oxfordmeneer, veertiger en minister, zo eentje die zegt dat hij door hard werken en de juiste keuzes op de plek waar hij nu is terecht is gekomen, maar waarvan zijn vrouw zegt dat die twee helemaal niks te maken hebben met de plek in de maatschappij die hij bekleed. Het is namelijk klasse, privilege en onnoemelijk veel geluk die hem die positie hebben bezorgd. En dat hij haar dan wezenloos en misschien zelfs verbijsterd aanstaart, want het idee dat hij minder hard zijn best hoeft te doen in het leven om meer geld en macht en status te vergaren dan Jan met de pet, dat gaat er bij hem niet in. Dat kan eenvoudigweg niet kloppen. Hij veinst niet.


Deze man wordt beschuldigd van verkrachting door zijn voormalige minnares. Hun beider verhaal van het voorval begint hetzelfde: er werd gezoend in een lift. Met wederzijdse instemming. Daarna komt het verhaal van de twee sporen: de ene zegt dat het tegen haar zin was, het was ineens ruig, haar blouse werd losgescheurd, er wrd een beet in haar borst gezet, en de ander zegt dat hij nooit iets zou doen dat een vrouw niet zou willen en dat hij haar bevriezen niet heeft opgemerkt. Er werd gepenetreerd. Wat als wederzijds seks begon eindigde in verkrachting. Hij had niet naar haar geluisterd. Niet de signalen opgepikt. Was te gefocust op zijn eigen frustraties kwijtneuken dat hij haar uit het oog was verloren, vergeten. Hij snapt niet hoe zij hem van zoiets onbeschrijfelijk gruwelijks als verkrachting kan beschuldigen. Zijn carrière staat op het spel, zijn reputatie. Bovendien, ik zei het al: een man als hij doet zoiets niet. Nooit. Het moet wel rancune, wraak zijn omdat hij het eerder heeft uitgemaakt.


En dan blijkt er in het verleden een voorval volgens akelig eendere lijnen te hebben plaatsgevonden. Het moment dat de man, briljant gespeeld door de acteur die ook Peter Quinn in Homeland speelde, de symmetrie ziet, het patroon, door heeft dat de manier hoe hij de wereld aanschouwt misschien onderdeel is van een probleem, dat HIJ misschien wel het probleem is, dit moment is werkelijk episch. Hij is het ook snel weer kwijt, die nanoseconde van zelfreflectie, alles is met een paar keer knipperen natuurlijk weer terug bij het oude -weggespindoctord, onder kleden geveegd, zoals dat gaat met die invloedrijke mensen aan de top. Maar dat terzijde, althans voor dit verhaal. Dat moment, die schok, die paniek: je ziet het allemaal op zijn gezicht. Je voelt het in je eigen lijf. Meesterlijk verbeeld vond ik het.


Het was voor mij ook een bliksemschichtmoment. Het kan écht, dacht ik toen, het kan écht dat iemand zó geprivilegieerd is opgegroeid en zo beschut en afgeschermd van de emoties en belevingswereld van andere, minder gefortuneerden heeft geleefd, dat hij of misschien ook zij écht niet in kan zien dat zijn acties, handelingen en woorden niet zo worden ontvangen als dat hij ze bedoelde. Of misschien dat hij of misschien zij nooit heeft hoeven stilstaan, en zodoende nooit stilstaat, bij een ander, dat die ander slechts een gebruiksvoorwerp voor hem is, in dienst van zijn voortgang, behoeftes, wensen. Dat iemand een door hem geïnitieerde handeling misschien als aanranding of verkrachting ziet, terwijl hij zeker weet dat het met wederzijdse instemming was, ze zoende hem immers een paar minuten eerder toch?, is voor hem niet te bevatten. Het past niet in zijn belevingswereld.


Curieus. Zo weinig empathie en toch bovenaan de ladder van de macht. Macht over de mensen die jij niet begrijpt of geen geduld voor hebt of niet begrijpen wilt. Verbaasd ben ik niet, ik ben wat belegen maar leef niet helemaal onder een steen. Het laddertje dat voorrecht heet, de veilige hoge toren en de volledige disconnectie van mensen waarover jij je zou moeten ontfermen is zo oud als de wereld natuurlijk en is hier in deze serie meesterlijk uitgebeeld.

Gerrit

Mijn lievelingsleraar is dood en ik huil brokken met tuiten.


Er zat een brief in de brievenbus onder iets van de belastingsdienst en blijkbaar leert een mens ergens in zijn leven een brief met een randje te herkennen als aankondiger van een verscheiden.
Op een zondagochtend ging hij, las ik toen ik de envelop had opengemaakt en zag dat het om iemand ging waar ik al sinds mijn veertiende van houd. Mijn allerliefste leraar wiskunde, met zijn zware stem, zijn brede zwemschouders. Zijn Vrije Schoolse neigingen.

Dag lieve Gerrit, dag Olympiër, dag man die altijd in mij geloofde, vooral als ik dat zelf niet deed.

‘Militaire operatie’

Bronja Prazdny

Gisteravond kwamen ze dan toch. Langverwacht, maar elke keer als ik ze had voelen branden, waren ze ook weer opgelost. Nu vloeiden ze rijkelijk over mijn wangen. Mijn strot deed pijn, alsof er gruis in vastzat. Tranen.

Zoveel tranen en pijn, om oorlog, om leed van mensen die ik niet ken en nooit zal leren kennen omdat ik hier woon en zij daar. Omdat ik in een warm bed dit schrijf en zij in een donkere schuilkelder zitten of zijn verdwenen, onder puin, op een trein gezet of omdat ze dood in een massagraf liggen met vastgebonden polsen. Ik huil om de mensen die studeerden, systemen beheerden voor een gemeente ergens, brood bakten in een bakkerij in een afgelegen oord en nu al acht maanden met een kalasjnikov in de handen in de overleefstand staan. Ver van school, huis, haard, computer, oven en de warme omhelzing van een geliefde.

Tranen om deze mensen

Ik huil om de mensen die deze mensen moeten missen, om de kinderen die niet naar school kunnen omdat hun scholen zijn verwoest en hun leerkrachten vermoord, verdwenen, gedeporteerd. Ik huil om de vrouwen, de jongens, de meisjes, de bejaarden, de baby’s die worden mishandeld, verkracht, om de dieren die geen veilig thuis meer hebben omdat hun baasjes zijn gevlucht en nu de puinhopen afstruinen op zoek naar eten en een warme mand. Ik huil om de kou die weldra komt en alles zoveel erger maakt.

Ik huil ook om de jongens die naar een oorlog zijn gestuurd die ze geen oorlog mogen noemen, maar waar ze desondanks bij bosjes sterven en als ze niet sterven worden ze gek van de realiteit, van de drank en de drugs en de stank. Van de dood die overal is en van de angst, van de dingen die ze zien en met hun zogenaamde broeders en zusters moeten doen. Zo van achter je playstation een ‘militaire operatie’ in.

Huilen om zinloosheid

Ik huil uit onmacht om zoveel zinloosheid. Uit woede om de waanzin van die eenling die daar in Moskou zetelt op zijn keizerlijke troon en al die vazallen die hem niet stoppen uit angst uit een raam te vallen of tegen een beker gif aan te lopen. Ik huil om ons, de mensheid, een jij, een ik en alle anderen, om ons onvermogen boven ons ego uit te stijgen, om die perfide behoefte aan macht die ons telkens weer in haar klauwen lijkt te hebben.

Hoeveel vierkante meters land heeft een mens nodig, hoeveel mensen moeten er sterven eer iemands leegte is gevuld.

Wanneer is het genoeg, jij oneindig opgeblazen kikker die maar niet knappen wil.

Ik aai de kat over haar dikke vacht. Keer op keer op keer, ik aai en aai en aai. En huil

heel oud: een handige, onvolledige checklist

  1. Je kijkt goedkeurend naar de aanbieding voor parka’s in de anwb-gids. ‘Oh, handig’ denk je, ‘met afritsbare delen’.
  2. Je schoenen zitten lekkerder met speciaal voor jou gemaakte inlegzolen.
  3. Je snapt niet waarom je ooit zo afgaf op fleecetruien.
  4. In een fleecetrui met daaronder je nachthemd kun je prima naar buiten voor een fijne wandeling. Óók zonder bh.
  5. Je merkt dat je steeds minder fucks geeft om de mening van anderen.
  6. Dit is nou al de zevende dag op rij dat je zonder make-up naar buiten gaat. Zie 5.
  7. Alleen mannen van boven de zeventig lijken nog naar je om te kijken op straat. Zie 5.
  8. Je kijkt naar jonge ouders en denkt: zijn jullie niet te jong om al kinderen te hebben?
  9. Die fleecetruien hè? Waarom maakte je daar nou serieus ooit grapjes over? Die dingen zijn de uitvinding van de eeuw.
  10. Je snapt niet dat je ooit kleding droeg alleen omdat het mooi stond. Gemak, dáár gaat het om! Nooit meer panties en strakke topjes voor jou. Hallo fladderende batikgewaden. Nee geintje.
  11. ❤ fleecetruien.
  12. Je ontdekt grijze haren op plekken waarvan je niet eens wist dat er haren konden groeien.
  13. Je kinderen torenen boven je uit en jij wordt alleen maar kleiner. Letterlijk.
  14. Stiekem, of niet zo stiekem, reken je soms/vaak om in guldens. Alles is zo dúúr geworden.
  15. Iemand uit 1997 vragen in welke klas hij zit en te horen krijgen dat ie bijna 26 is.
  16. Terugverlangen naar een imaginair verleden. Je gelooft bijna dat vroeger alles beter was. Bijna.
  17. Je eerste liefde googlen en je helemaal de tering schrikken
  18. Een foto van jezelf als 16-jarige naast je huidige hoofd houden, in de spiegel kijken en van mening zijn dat JIJ niks veranderd bent.
  19. Over 2002 praten als ‘een tijdje terug’.
  20. Je hebt nog nooit zo goed in je vel gezeten.

De miskende schrijver

‘Hoe krijgt die fucking klootzak het uit zijn pen? Wat een ongelooflijke lul! Werkelijk niks heeft hij ervan begrepen!’


Met groot misbaar gooide Gerben zijn telefoon van zich af. Hij zou vandaag niets meer lezen. Morgen ook niet. Nooit meer zou hij een recensie lezen van iets dat hij had geschreven en waar hij zoveel uren op had zitten zwoegen. Waar hij als een aap in een pak voor had moeten stilzitten zodat de fotograaf een ‘leuk plaatje’ voor de achterkant kon schieten. En dan die godvergeten weken pingpongen met die slavendrijvende redacteur. Die mierenneukende gek die zijn eigen mislukte schrijversambities nu omgekeerd op Gerben projecteerde. Die dacht dat omdat Gerben, anders dan hijzelf, het talent had hij ook over de discipline van een orca in Sea World moest beschikken. Gerben had meer dan twee jaar van zijn leven aan deze fucking roman gegeven. Het boek dat hij inmiddels was gaan haten, maar dat betekende niet dat zo’n lul van een recensent het mocht afserveren met een paar lukraak gekozen bijvoeglijke naamwoorden, het met een hoopje bijwoorden van twee sterren kon voorzien. Twéé! Die hond had alleen maar ingezoomd op het mogelijke autobiografische karakter van zijn meesterwerk en had de boodschap ervan totaal gemist. Die …Die…nou ja, die lul, die lul had waarschijnlijk het boek niet eens uitgelezen. Zo ging dat tegenwoordig. Iedereen had tegenwoordig een mening zonder kennis van zaken te hebben. Zonder zich voor te bereiden, in te lezen. Onderzoek te doen. En deze überlul kreeg er nog voor betaald ook. En dan die obsessie met het ‘persoonlijke element’. Zo had die debiel het genoemd, hè. Het ‘persoonlijke element’ van de roman van Gerben Duinker. Die was volgens deze volgevreten nietsnut niet voldoende uitgewerkt. Waarom nam die ijdele pauw aan dat er iets van een persoonlijk element in het boek zat? Alleen omdat de hoofdperoon ook Gerben heette? Zo kortzichtig allemaal. En wat stond er nou helemaal in die zogenaamde recensie die waarschijnlijk in tien minuten was ingetikt en waarvoor die lul ook nog betaald kreeg? Een berg woorden, een brij nietszeggende poep en dan het werk afserveren met een onvoldoende.


‘Joh, laat het toch. Wees blij DAT je überhaupt bent gerecenseerd. Met 2 sterren denken de lezers dat ze het wel moeten lezen om erachter te komen waarom Onno het zo slecht vond. Niemand neemt die gast serieus.’


Dit was de eerste reactie op de rant die hij net op Facebook had geplaatst over de tweesterrenbagger van de mislukte recensent. Gerben kon de verdere reacties op zijn frustratiepost al uittekenen. Dat zo’n recensie niks voorstelde. Dat hij zijn energie beter kon steken in schrijven in plaats van fulmineren. Dat hij zich niet in zijn kaarten moest laten kijken. Blablabla. Wat was er mis met boosheid godverdomme? Waarom moest een mens altijd maar positief en gezellig zijn? Hij was blij dat hij geen vrouw was. Van vrouwen werd altijd verwacht dat ze niet tegen de stroom inzwommen. Dat ze altijd maar gezellig meededen. Niet afweken van de norm, die heel wat strakker lag dan voor mannen. Althans, dat had zijn vriendin hem verteld. Zij was eigenlijk altijd negatief en boos en daarom brak ze niet door in de literaire wereld, zei ze. Nou, hij was nu ook negatief en boos en dat was de schuld van deze Onno. Die kon de tering krijgen.
Gerben was helemaal klaar met schrijven.

Hij vertikte het. Hij zou nooit meer een boek publiceren. Het was paarlen voor de zwijnen en dat was het. Hij keek naar de klok. Kon hij om 9.00 uur s ochtends al de fles whisky uit de kast trekken? Ja, natuurlijk kon hij dat. Hij was een schrijver die nooit meer schreef en dat verdiende een godverdomde borrel. Hij moest zwelgen in zijn ondergang. Hij schonk zijn glas vol en toostte naar de fles. ‘Op jou, Onno, dat je maar een nare ontsteking aan je prostaat mag oplopen!’

Glazen ui

Ik heb niks meer te zeggen, lijkt het. Ik wil niks meer zeggen is misschien accurater, of is het juist dat ik wel van alles zeggen wil maar het geduld of de zin niet meer opbrengen kan mijn gedachten op te schrijven. Hoe dan ook, er komt niets meer op papier en elke behoefte daar iets aan te veranderen ontbreekt. Laat me maar voelen en dat is dat, laat me verder maar met rust. Geen zin in mooie woorden, geen geduld voor zinnen en interpunctie, koppen en staarten, dat ik mijn leven als een verhaal wil brengen, mijn gevoel en fantasie als een te serveren dis ter jouw vermaak. Misschien zit ik in een proces dat van mij een ex-schrijver maakt, dat dit het einde is van hetgeen ik mijn beroep noemde.
Dat zou wat zijn, dat nu mijn gevoel weer stroomt na al die jaren, de behoefte om te leven via woorden op papier is verdwenen. Dat het delen wat ik deed een poging was tot verbinding. Een poging tot begrijpen. Begrepen worden, bovendien. Een poging tot doorgronden wat ik allemaal niet kon en had. Dat ik van buiten keek door het troebele glas, het glazen ui, naar hoe de andere kant bestond en mijn schrijven niets anders was dan gesublimeerd leven, Er Zijn By Proxy, dat ik door te schrijven pas bestond, want ik was er niet, niet echt, en nu ik eindelijk weer leef, de wind rechtstreeks op mijn met levervlekken bespikkelde armen voel, de noodzaak is verdwenen het, het leven ja, via een omweg, het schrift, een ander, te doen.

je weet het niet

Als je langs de velden rijdt, niet te hard (het liefst ga je stapvoets, je wilt niets missen) kijk dan naar de samenhang, hoe het graan genadeloos wordt onderworpen door een onzichtbare dirigent, een concertmeester die hoog boven de aren, strak en toch schijnbaar zonder moeite, alle aanwezigen dezelfde kant op stuurt. Alsof je kijkt naar een scène uit Fantasia, het gezamenlijk breken van golven bij het strand: Alles in het gelid, honderden vierkante meters met één stem, wuivend op dezelfde muziek. Loepzuiver georchestreerd, alsof ze smeken om sturing en dat allemaal zonder dwang. Dat laatste weet je niet zeker, je neemt het voor het verhaal maar aan.
Graan. Zonnebloemen. Maïs. Riet. Luisteren ze naar een macht van hogerhand? Bestaat er zoiets als democratie onder planten? Is er een autocraat die wind heet, een magnetische kracht boven het land die vriendelijk aanstuurt of juist geselt zonder dat jij er weet van hebt? Gebeuren de dingen omdat ze nou eenmaal gebeuren, omdat het sinds het allereerste begin zo ging en nu nog steeds op die manier zo gaat? Je weet het niet, je weet het niet. Je weet het niet.