Identiteit: fuck you I won’t do what you tell me

Hele horden millenials zijn al over dit pad gedenderd waardoor je bijna zou denken dat het een typisch dingetje van hun generatie is maar dat is niet zo: identiteit is van iedereen. Van alle tijden. De vraag wie je bent en wat maakt tot wie je bent is er een (oke, twee dan) die iedereen zich op een bepaald moment in zijn leven stelt, als niet dan ben je of een blind paard of ben je een geprivilegieerd over het paard getild stuk vreten. Of allebei. Het identiteitspad is echter zó uitgesleten dat je moet oppassen niet op je bek te gaan door spiegelgladde clichés en het pad is tegelijkertijd zó verraderlijk dat je altijd moet uitkijken voor massieve wortels waar je achter kan blijven haken, waardoor je belemmerd wordt voorbij de vierkante meter van dit stukje van jezelf, je afkomst, te kijken. Er is méér dan alleen een paar wortels in de grond, zeg maar.

Deze woorden zijn overduidelijk geen tekst van een millenial. Het verraadt mijn leeftijd, mijn jaren op aarde. Hoewel ik me niet oud voel en meestentijds geen generatiekloof ervaar tussen mij en mensen uit, noem eens wat,1990, is die er wel op een heel specifiek onderdeel van het vraagstuk identiteit. Zie je, voor mij heeft identiteit, wie ik ben in verhouding tot mezelf en de wereld om mij heen, altijd gestaan voor afkomst. Ik heb mijn identiteit, of het gebrek daaraan soms, ontleend aan die wortels in de aarde, of het gebrek daaraan in mijn geval dus, en het gemis en de spleen die ik dientengevolge ervoer. De wortels kregen welhaast metafysische proporties bij gebrek aan een solide basis. Als je niet bent opgegroeid in een veilig huis staat je leven vervolgens vaak in het teken van een zoektocht naar een thuis, of je nou wilt of niet, bewust of onbewust. Ook ik ging uiteindelijk op zoek naar wie ik was, wat voor mij stond voor: waar kom ik vandaan en hoe heeft dat mij gevormd.

Ik heb nooit, of bijna nooit, bewust nagedacht over andere onderdelen van wat mij maakt tot wie ik ben; mijn genderidentiteit bijvoorbeeld. Om het te chargeren: dat deden wij gen x-ers niet. Je hebt een piemel of een kut en bent dan man of vrouw, je seksuele voorkeur betreft mannen of vrouwen of je snoept van twee walletjes en houdt van allebei en je bent dus hetero of homo of bi. Transseksueel kenden we ook. Dan was je in het verkeerde lichaam geboren, zoals wij dat zeiden.
Het is waarschijnlijk al privilege om te zeggen maar ik heb me er nooit echt mee vermoeid. Sowieso geeft de term ‘privilege’ veel van mijn generatiegenoten jeuk. Wij debatteerden vroeger, als jeugdelingen, hadden filosofische gesprekken over belanghebbende wereldlijke thema’s, zopen en rookten tijdens verhitte gesprekken die duurden tot het morgenrood. Denk maar aan die film, Before Sunrise. Dat waren wij. Wij lulden honderduit maar over onszelf ging het niet echt. De millenials van nu praten over hun gevoel, wie zij zijn en ook in verhouding tot de wereld om hen heen en dat is een taal die anders is dan de onze. We moeten opnieuw leren praten als we willen aansluiten, of we schimpen het, dat doen we natuurlijk ook, zoals alle oudjes die op de nieuwerwetse fratsen neerkijken omdat het de status quo bedreigt of omdat we er geen zak van begrijpen. Sowieso waren wij geslotener dan de jongelingen van nu, meer die ouderwetse houding van bek dicht en doorbikkelen.

Om terug te komen op genderidentiteit: het heeft me best een poos gekost om te snappen dat gender niet hetzelfde is als sekse, dat wil zeggen: ik snapte het concept wel maar voelde het niet echt. Je wordt als man of vrouw geboren maar je kan je wisselend, minder of niet thuis voelen in dat lichaam. Dan voel je je bijvoorbeeld man terwijl je lichaam vrouw is. Maar je kunt ook combinaties zijn. Of niks. Of de ene dag a en de andere dag b. Je kunt je thuisvoelen in je lichaam maar hoe je je presenteert staat daar los van. Er zijn misschien wel genders waar ik geen weet van heb. Verwarrend vond en vind ik dat, al ben ik niet iemand die snel zal oordelen over iemand die zich identificeert als genderqueer of genderfluid. Of niks. En toch heeft deze hele beweging (of verandering in de maatschappij) van jonge mensen die nadenken over hoe zij zich verhouden tot hun seksualiteit, hun sekse, hun lichaam en het gevoel dat ze hierbij hebben ook mij aan het denken gezet.

Niet dat ik nu de taal van deze millenials spreek of me ooit vrijelijk als bijvoorbeeld genderqueer zou kunnen voelen, denk ik. Daarvoor ben ik te oud en te vastzittend in wat ik ken en waarschijnlijk ‘gewoon best senang met cisvrouw hetero’, maar soms kan ik met wat moeite buiten deze paden treden, in mijn binnenwereld althans. Dan denk ik na over die voor ons boomers toch vrij beperkte en beperkende ideeën over wat mannelijk en wat vrouwelijk is en dan kom ik tot de conclusie dat ik nooit zo makkelijk integreerde in dat ‘vrouw’ zijn, althans, in dat strakke stramien van sexy, verzorgend, en aan dat wat heterokerels geil vinden-deel. Deels uit opstandigheid, (ja ja, fuck you I won’t do what you tell me, inderdaad) maar deels ook uit me daar zo verloren voelen, in dat hokje. Korte rokjes? Push up bhs? kleren dragen om anderen te behagen? Tiptop verzorgd, ik word al moe als ik eraan denk om ‘vrouwelijk’ te moeten zijn.

Wat is dat eigenlijk, vrouwelijk? En wie bepaalt dat? En waarom vertaalt vrouwelijk zijn of voelen zich in uiterlijk, kleding en wiens idee van vrouwelijk is dat dan?

Toen ik in de puberteit kwam heb ik een tijdje mijn borsten met een doek ingezwachteld, afgebonden. Als ik mijn ogen dichtdoe zie ik het me nog doen, heel bedreven was ik er niet in. Ik zette het eindstuk dan vast met zo’n klemmetje dat je gebruikt om verband vast te zetten. Ik noemde dat een krammetje en zo voelde het ook. Aan het eind van de dag had ik rode puntjes op mijn huid op de plek waar de klemmetjes in mijn vlees hadden vastgezeten. Waarom wilde ik niet dat iemand mijn borsten zag? Of wilde ik ze zelf niet zien of hebben of was ik er nog niet klaar voor? Ik herinner me dat vooral de overgang van ‘gewoon mezelf zijn’ en met rust gelaten worden naar als vrouw, en lustobject!, gezien worden me enorm heeft geshockeerd. Ik vond het vreselijk, die aandacht. Ik denk dat ik het daarom deed, dat inzwachtelen, maar heel zeker weten doe ik het niet (meer).

Hoe ouder ik word hoe erger het ook wordt, fuck you met je strakke kleding, met je kapper en je make-up. Maar betekent dat dat ik me niet conform de verwachtingen van mijn sekse gedraag of is het juist mijn gender? Of zijn het de verwachtingen van een heterogaze waar ik niet aan kan en wil voldoen? En wat maakt dat mij? Ik voel me wel vrouw, denk ik, maar niet in dat eng-gedefinieerde hokje. Ik draag graag mannenboxers en korte broeken voor mannen of afgeknipte spijkerbroeken. Niet omdat ik dat cool vind per se, maar omdat op de vrouwenafdeling alleen maar strakke hotpants lijken te hangen die door moeten gaan voor korte broek. Ik hou van soepele, zachte stof, omhuld door een wolk wil ik zijn. Ik zou doodgaan in een corset, ben blij dat ik nu leef en een keuze heb, maar als ik heel eerlijk ben voel ik de druk zeer zeker om een ‘leuk jurkje’ aan te doen op een groots evenement. Ik ben daar dan dagen mee bezig, de juiste jurk, schoenen, ondergoed, haar, epileren. Ik ervaar dat als een martelgang, geniet totaal niet, voornamelijk omdat ik er denk ik zo tegen op zie. In het toneelstukje van op en top vrouw zijn. En ik haat panties en maillots van alles in het leven het meest. Op dit soort momenten voel ik me heel onvrij, dan wil ik om me heen meppen.
Ik draag ze wel hoor, jurkjes. Zeker. Hakken. Ook. Maar alleen wanneer ik dat wil, geloof ik. Zonder iets van buitenaf opgelegd. En dat gebeurt dus wel: dat ik het doe omdat ik denk dat het van me verwacht wordt.
Maar verder vloek ik, lach ik veel te hard, om dan ineens als een huppelend meisje met een vlecht ergens te verschijnen. Soms zit ik als een vent. Toch voel ik me geen man. Ik weet namelijk niet hoe het is om een man te zijn. Ook niet hoe het is om je man te voelen. Ik wil ook helemaal geen man zijn, denk ik.

Ik voel mij (het liefst) de persoon die ik was voor ik de puberteit inging en dan in dit lijf dat ik heb, een prima combinatatie als je ‘t mij vraagt. Die 13-jarige die niet bezig was met conventies en hoe het hoort, die niet nadacht over of iets passend was bij haar geslacht of niet. Zo ben ik het liefst, ik op een onbewaakt moment. Argeloos. Zonder de blik van een ander. En wat maakt dat mij? Het maakt mij mij. Fuck die hokjes. Fuck hoe iedereen mij ziet. ik ben ik en je doet het er maar mee. Of niet. Dan doe je het er maar niet mee.

Bewaren

Dit weekend heb ik al mijn kleren uitgezocht. Wat ik niet meer pas, wat niet meer mooi is en wat ik nooit draag ging in vuilniszakken. Zes zakken vol werden het. Niet te bevatten: zes overvolle vuilniszakken met kleding voor de kringloop. Ongebruikte zooi. En dan vergeet ik de enorme hoop die niet een tweede kans verdient omdat er gaten en vlekken in zitten, het spul waar je nog niet dood in gevonden wilt worden. Waarom ik die laatste categorie nog in mijn kasten had liggen weet ik niet. Niet omdat ik moeite heb met spullen loslaten. Niet in extreme mate althans. Ook niet omdat ik zoveel kleding heb dat het in het grote geheel verdween. Misschien omdat ik oude kleding vaak veel lekkerder vind zitten dan nieuwe. Zachter, er is in geleefd. Als een tweede huid. Nee, ook niet. Het is gewoon lammetakkerigheid. De vaart der volkeren enzo, en iets delft dan het onderspit.

Ik heb gesmokkeld. Alle te kleine kleding is weg, dat wel en wat verwassen en mottig is ook maar ik ben niet helemaal consequent geweest met het nooit-meer-dragen criterium. Voor sommige kleding moet een mens een uitzondering maken. Zo heb ik een colbert en een jurk gehouden die ik 28 jaar geleden kocht toen ik student was. Ik trok ze beide aan en keek in de spiegel. Ik zag niet de middelbare vrouw met de grijze strepen in het haar en de rimpels op de wangen; ik zag het meisje van 20 dat nog geen mobiele telefoon had, de jonge vrouw met het donkerbruine haar tot haar billen en de luide stem tijdens het college Oud Engels, fietsend naar het Zernike complex voor examens of een verdwaalde sessie Bewegen op Muziek, bommen. Dat is samen met 200 andere studenten in een enorme zaal naar een gymdocent met geluidsversterking kijken en de rare bewegingen die hij of zij maakt na-apen op het ritme van teringharde muziek. Ik denk dat ik dat twee keer heb gedaan maar er toen mee ophield omdat ik de slappe lach kreeg en geen enkel pasje op de maat van de muziek maakte. Ja, ik pas beide nog. Met een beetje smokkelen. Soms moet een mens smokkelen. Uit nostalgie. Maar ik doe ze dus nooit meer aan.

Ik heb ook een paar andere kledingstukken gehouden die ik (voorlopig) niet aantrek. Ik heb wél tegen ze gezegd dat ze geen kapsones mogen krijgen, dat het in mijn last hangen met een status aparte niet per se hun verdienste is. Zo hangt er een zogenaamde ‘little black dress’ die ik tot een jaar of 15 geleden wel een of twee keer heb aangehad maar waar ik me nu een soort halfomhalfrollade in voel, niet omdat ik het jurkje niet meer pas, nou ja, soort van niet, maar omdat ik zelf blijkbaar anders in mijn vel zit. Te kort, te bloot ook. Vooral: ik wil ruimte, lucht, doorstroming. Maar weggooien doe ik het dus niet. Omdat ik het aanhad toen ik iemand leerde kennen die me dierbaar is. Omdat het een erg mooi jurkje is. Omdat ik me er niemand anders in kan of wil voorstellen. Soms moet een mens zeggen: ik hou jou omdat je nog steeds mijn jurkje bent ook al doe ik je nooit meer aan.

En dan heb ik ook nog de twee broekpakken bewaard die ik vorig jaar kocht met het oog op de boekpresentatie van mijn allereerste roman Znežanka en eventuele promotionele activiteiten rondom het boek. Nou ja, toen kwam dus die corona en gingen de feesten niet door, geen presentatie, geen lezingen, een geruisloze bevalling. Zo geruisloos dat ik soms denk: is het boek echt geboren? Dan vergeet ik zelf dat het bestaat en een paar maanden geleden het licht zag. Maar al met al komt het neer op twee ongedragen broekpakken in mijn kast. De labeltjes hangen er nog aan. Ik doe ze wel eens aan, een privé verkleedpartijtje op mijn slaapkamer, heel erg dubbelgevoelerig, en dan kijk ik naar mezelf in de spiegel en fantaseer ik een zaal vol fans die aan mijn lippen hangen en om mijn handtekening bedelen. Deze twee kledingstukken smeken om gedragen te worden, zo mooi zijn ze. Ik hoor ze vaak roepen vanaf hun knaapje daar in die donkere kast. Dan zeg ik tegen ze: nog even wachten jongens. Niet lang meer. Niet lang meer. En misschien dat het niet bij dit boek gebeurt maar dan toch zeker bij een volgend. Dan mogen jullie schitteren en stralen en de blikvanger van de avond zijn. Niet lang meer, ik beloof het, jullie tijd komt nog. Soms moet een mens een kledingstuk geruststellen.

Gefilterd vroeger

Verlangend naar een tijd die was of misschien nooit was maar had kunnen zijn. Het is niet het zand dat tussen je vingers glijdt dat je laat terugverlangen, want dat doet de tijd nou eenmaal, probeer hem maar eens te stoppen. Het resultaat is een strakgetrokken gelaat waar de jaren zich tussen de kieren nestelen, de hoeken en gaten opzoeken en genadeloos vullen. Om over de binnenkant, die zich niet voor door vingers glijdend zand kan verstoppen, maar te zwijgen. Je bent niet bang voor het onvermijdelijke.

Nee, het is niet de opstapeling van de jaren die je zo naar een plek en tijd laten verlangen die nooit echt was, een plek tussen toen en je dromen van nu over toen. Een plek die had kunnen zijn. Het is het besef dat dat open veld dat jouw toekomst eens was, de lichte trilling van de verwachting die je toen voelde, zoveel mogelijkheden, een uitgestrektheid waar je nu, terugblikkend, van duizelt, niet meer in jouw toekomst ligt maar op z’n best zich in het heden afspeelt en misschien zelfs al ergens achter je ligt. Je mooiste jaren, denk je en je sluit je ogen om die springvloed van nostalgie die jou in je huidige vorm overspoelt het hoofd te bieden.

Ach. Je mooiste jaren, wie maak je wat wijs. Je weet best dat het een vertekening is, een gefilterde versie van vroeger, door de ogen van de mens die je nu bent. En ook die trilling van verwachting heb jij nooit op die manier ervaren, elk mens heeft immers zijn angsten en zorgen, toen, nu, in elke vorm van heden, niemand is dat onbeschreven blad waar jij zo hevig naar terugverlangt. Denk eens goed, denk eens terug naar hoe het écht was. Weet je nog hoe jij niet durfde te kiezen met je hart, hoe je anderen voor je liet beslissen, ongemerkt zijtakken nam van dat (niet-bestaande) pad omdat je bang was om te staan voor wat je het liefste wilde zijn? Bang voor het maaiveld, de meningen, de menigte, vol zorgen om zaken die je in je huidige heden totaal triviaal lijken, zózeer dat je ze gemakshalve bent vergeten. Geen onbeschreven blad was je, al lijkt het zich zo voor te doen met die roze bril van de haperende terugblik.

Dat verlangen naar een half-ingebeelde, verdwenen tijd om je in te wentelen, gewichtloos in te dobberen… Wanneer je vaker weemoedig achterom kijkt in plaats van verwachtingsvol vooruit, of zonder verwachtingen enkel in het moment bent, daarin tekent zich je ware leeftijd, het verstrijken van de jaren.

Het duurt niet lang meer en je leeft alleen nog maar in het gedroomde verleden met de permanent oranje waas van polaroids en die ingebeelde uitgestrekte weg met oneindige mogelijkheden. Je hebt je ‘vroegerfilter’ geperfectioneerd en zit met je rug naar de buschauffeur de jou resterende tijd achterstevoren uit te zitten.

verbondenheid

verbondenheid

Had je gedacht dat je ooit zo eenzaam zou zijn? Nee, dat dacht ik al. Ik ook niet.
Toch waren wij, allebei, en miljoenen om ons heen, het afgelopen jaar gebroederlijk op onszelf teruggeworpen.
Verpakt in een luchtdichte bubbel. Communicatie van rand tot rand, alles aan de buitenkant.

Het was niet altijd onaangenaam.

In alleen zijn kan immers ruimte ontstaan om te luisteren naar je eigen stilte, ontdekken wat je ten diepste wil, dichter bij jezelf te komen, blabla.
We waren met elkaar verbonden, in eenzaamheid en online, maar ‘s avonds voel je dan het ongemak.

Soms was het vreselijk onaangenaam.

Wie had ooit gedacht dat je zo kon verlangen naar aanraking? Ik niet. Ik deed zo vaak mijn best het uit de weg te gaan dat ik de tel ben kwijtgeraakt.
En met het vallen van de nacht kwam dan die zucht naar lijfelijke verbinding
Jezelf strelen is niet hetzelfde als worden aangeraakt, er gaat geen geruststelling uit van eigen vingers op eigen huid.

Steeds maar weer dezelfde zuurstofarme kamers met je eigen platgewalste lucht.

‘s Avonds is de stilte zo oorverdovend luid dat je oordoppen in doet om de druk te verlichten. Je denkt aan vingertoppen en lippen
Droomt van een terras, bier, blije gezichten
Langzaam vliegen, loom glijden boven een bevrijdingsfestival, mensen als en in een golf, verbonden door zon en een podium met live muziek. Uit velen een lichaam, het gevoel maakt je draaierig van geluk.
Met een schok rechtop in je bed.
Bijna had je aangeraakt. Geroken. Uitzinnig, opgewonden, opgetogen.

Je hebt het zo gemist.

De gouden griffioen: een aubade aan de Grote Vladimirovitsj

Als het had gekund was niet Nikolaj maar jij de laatste tsaar van Rusland en dienden die 100 jaar van andersoortig staatsterreur tussen hem en jou als ultieme voorbereiding van jouw van boven ingegeven moed en macht. Niet zo heel stiekem droom je daar al jaren van en laten we eerlijk zijn: in bijna alles behalve naam ben jij al die goddelijke gezant. Die prachtige gouden griffioen. Iedereen weet dat de kleinste mannen de grootsten zijn, je moet gewoon een lange adem hebben en over lijken gaan. Iedereen weet dat Zuid-Ossetië en de Krim bij Rusland horen, je deed alleen wat nodig was. Navalny had geen kritiek op je moeten hebben, laat hem creperen als de worm die hij is en sinds deze week mag ook die club van hem wegrotten in de grotten waar ze straks zullen wonen, de rechter die heeft beslist dat zij gemuilkorfd moeten worden heeft altijd gelijk.

Niemand heeft kritiek op de gouden griffioen, dat weten ook de lichamen van Alexander Litvinenko, Sergei Skripal, Natalia Estemirova en die idioot van een Boris Nemtsov. Mensen sterven nou eenmaal als jouw glanzende pad omhoog wordt geblokkeerd, honderden lieten het leven omdat zij niet jouw goddelijkheid aanbaden, hun lelijke woorden en daden niet bijdroegen aan de mythificering van de grote Vladimirovitsj. Ze kregen wat ze verdienden, je slaapt er geen dag slechter om in een van je vele luxueuze onderkomens. En nee je bent niet de eigenaar van dat schimmelpaleis aan zee van 1.5 miljard, laat journalisten hun werk doen, het behoort je judomaatje toe. Je tientallen miljarden offshore wachten geduldig op je, al denk je niet aan pensionering nu je nog zeker zestien jaren, maar daarna ongetwijfeld nog veel langer als je wilt en nog niet het loodje hebt gelegd, zo-goed-als keizer van het door jou gestichte rijk kan blijven, met dank aan wetswijzigingen en welwillende ja-knikkers.

Ach, alles wat Rusland aan waarde heeft behoort jou eigenlijk toe, ook dat weet iedereen en dus pak je feitelijk alleen maar wat al van jou is – Georgië, Oekraïne, geld, you name it, het komt je allemaal toe en niemand legt je een strobreed in de weg, ook niet die watjes in het Westen. Jij hebt gas, tuurlijk, iedereen en alles heeft zijn (kapitalistische) prijs, maar iedereen weet wat de ware reden is van niemands ingrijpen in jouw inmiddels niet-zo- heimelijke hybride oorlogsvoering in Europa, laten we er maar geen doekjes om winden: dat is natuurlijk wat jij en je GRU-slaafjes al een flinke poos aan het doen zijn. Dat de EU-blinden niet kunnen zien dat er een strategie, een Plan, zit in hetgeen jij doet maakt alles zoveel makkelijker, onwerkelijk waar jij mee weg komt, hoe vaak heb je dat al niet tegen jezelf gezegd. Je indrukwekkende spionnennetwerk in de EU, je vijanden die je hier en daar op hun grondgebied een toontje lager, zo’n 6feet, laat zingen en je bemoeienissen met hun verkiezingen en beinvloedingscampagnes overal, het trainen van ultrarechtse paramilitairen in Slowakije en Hongarije, te veel om op te noemen om het Westen en met name Europa te verzwakken. De ware reden dat ze jou je goddelijke gang laten gaan is dat ze in jou hun meerdere erkennen, de Grote Vladimirovitsj zal over de hele Westerse wereld regeren. Groter dan al je voorgangers zal jij zijn. En het heeft er alle schijn van dat Europa er klaar voor is, verzwakt en onderling kibbelend: je bent er bijna, nu niet lang meer. Nu niet lang meer.

Jij bent de Napoleon van de 21e eeuw, die stakker van een Romanov kan niet eens in jouw schaduw staan, zelfs Stalin verbleekt in jouw licht. Je bent de rijkste en machtigste man op aarde als je je ambt verlaat. Niet slecht voor een voormalig armlastig kgb’ertje, al zeg je het zelf. Alles komt je toe en als het niet uit zichzelf naar je toe komt dan ga jij het halen, dat weten dus de Georgiërs en de Oekraïners, al is het feitelijk meer terughalen wat al van jou was, je blijft het herhalen: het afscheiden van die afvallige Sovjetstaten is wat jou betreft volslagen abject en jij zult niet rusten voor alles weer is zoals het ooit was- en meer! Dat is wat grote staatsmannen doen.

Het mooie aan jou is dat je groots droomt, altijd wil jij meer, meer dan al je voorgangers voor je, je bent én Stalin en Romanov én Napoleon, je evenaart zelfs de Oppermachtige, laat de hele wereld het weten hoe groot en machtig jij, vadertje Rusland in eigen persoon, bent. En daarbij passen strafkampen met gevangenen die aan spoorlijnen werken in de uitgestrekte ijsvlakten van Oost Siberië. Laat de goede oude tijd maar herleven, er is geen schaamte in een beetje dwangarbeid.

Dus laten we het glas heffen op de Oppermachtige Vladimiriovistj, de man die alles kan. De man die alles doet. De man die denkt dat hij alles mag, want niemand die zegt: nee.

HAST DU DIE MENGE VERMISST?

Ik vertik het om dat hele coronagedoe mijn dromen en mijn verhalen binnen te laten dringen. Ik vertik het. Ik volhard in mijn geloof dat het straks allemaal voorbij is, deze nachtmerrie, deze onnatuurlijke toestand waarin we van elkaar gescheiden zijn, waarin je niet op mag gaan in een klotsende zee van dampende lichamen, in een grote golf van vochtige huid en kloppende harten, allen even een terwijl muziek door je lichaam vibreert, de pulserende bassen je overnemen, je tijdelijk laten zweven. Waarin je dat wel mag als het een testevenement heet. Ik sta niet toe dat het onderdeel wordt van mijn denken, ik vertik het dat de dissonanten mijn wezen penetreren, sluit me af voor ‘moederharten’ en angstaanaanjagers, leveranciers van haat en onderbuik. Mensen die elkaar met de dood bedreigen om een andere mening over vaccinatie, mensen die elkaar verwijten dit virus op te blazen of te bagatelliseren, mensen zonder gevoel voor menselijke maat.

Maar dat ik het vertik betekent niet dat het niet toch gebeurt. Goed, mijn dromen zijn momenteel nog zuiver, geen mondkapje gesignaleerd. Ik bemerk echter wel dat in mijn hoofd zich opzetjes vormen voor absurdistische vertellingen, waanvoorstellingen waarin corona het openbare discours in is geslopen en het gedrag van mensen bepaalt. Mensen die elkaar wantrouwend bejegenen, mensen die angstig opzij stappen als je langsloopt, de bosjes in duiken om maar geen contact te maken. Elkaar niet meer durven aankijken. Lege straten in de avond, lege terrassen. Lege bioscoopzalen. Zonder mensen is het stil. Stiekem bij elkaar op bezoek, aangehouden worden op straat, waar zijn je papieren. Alleen binnen ben je veilig. Corona: dat is de ander.

En dan, toch nog, die schok: dit zijn geen absurdistische opzetjes. Dit is nu. Dit is het heden, de tegenwoordige tijd. Zoiets kan zelfs ik met mijn kronkelhoofd niet bedenken. Tijd om naar bed te gaan, slapen…slapen, laat me slapen. Ik snak zo naar een warboel van lichamen op een afgetrapt festivalterrein, maar een droom waarin ik vlieg als een albatros, een arend, een schurftige reiger desnoods is ook bijzonder welkom. Als ik maar, al is het even, weg kan vliegen van hier.

Totaalobsessie

Ik heb een nieuwe totaalobsessie: Duits. Voor de mensen die geen ervaring hebben met totaalobsessies: resistance is futile. Echt, geloof me: zinloos. Die dingen komen -en gaan goddank ook weer- en je hebt er geen zeggenschap over.

Het is eigenlijk niet te bevatten: sinds ik 30 jaar geleden mijn middelbareschooldiploma haalde, heb ik die taal zo goed en zo kwaad als kon weten te mijden en dan reik ik haar nu vrijwillig en enthousiast ineens de hand. Unwirklich! Maar het is écht waar: ik kijk Duitse films, series, documentaires, bestudeer Duitse grammatica (hier moest zelfs ik even mijn wenkbrauwen fronsen maar ik zeg het maar zoals het is) en lees Duitse artikelen. Alleen Duitse boeken heb ik nog niet gelezen, maar ik vermoed dat het slechts een kwestie van tijd is. Hier thuis staan alleen nog een paar verdwaalde ‘verplichte boeken’ van 30 jaar geleden (een paar dunne Bölletjes, bijvoorbeeld) en misschien vier boeken van meer dan 200 pagina’s die ik ergens in de afgelopen 30 jaar las zonder dwang, op één na allemaal Herman Hesse en de andere is een dikke van Böll. Maar ik voel aan mijn water dat het niet lang meer duren zal voor het eerste boek in de taal van onze oosterburen op mijn nachtkastje ligt. Ik luister ook naar Duitse liedjes, nee geen Schlager en werelden gaan voor mij open. Ik ben ook verkalverliefd op een Duitse millennial met een stem waar mijn wiebelige hormonale gemoed nog wiebeliger van wordt.

Een paar jaar geleden had ik zo’n obsessie overigens met Zweeds en Hebreeuws en ik heb ook al diverse dialecten-en accentenfetisjen gehad, een fase van onderdompeling in Oudnoors, Vikingen, middelengels, Iers, Schots, Amerikaanse accenten, Afrikaans en god mag weten wat nog meer en we weten allemaal wat daarmee gebeurd is, dus ik laat het maar over me heenkomen en speel het spelletje mee. Het is zoals ik reeds schreef: resistance Is futile. Op de assimilatie in de Borg dan maar, beste mensen. Tschüß. Wir sehen uns auf der anderen Seite!

Paaseieren zoeken met pubers

Ze zijn inmiddels 12 en 14 maar paaseitjes verstoppen doen we nog steeds. Vinden ze leuk – en wij ook. Althans, dat dachten we, dat we dat leuk vonden. Het bleek dat mijn man vooral het idéé van het verstoppen en zoeken leuk vond maar het daadwerkelijke gebeuren een stuk minder trok. Goed, ik de chocolade eitjes verstoppen in de woonkamer en de kinderen geroepen. Mijn man wilde zeggen dat het zoeken kon beginnen maar ze stoven de kamer al door, onderwijl elkaar omverduwend. Iemand opende de klep van de piano om te kijken of daar iets verstopt zat en liet toen die klep op de vingers van zijn broer vallen. Uitgeschakeld en meer eitjes voor Bassie. Scheldend werd de gezellige familieactiviteit voortgezet, mijn werktafel was een volgend slachtoffer, weg systeem, alles door elkaar, briefjes met verhaallijnen van het prikbord gerukt want er zou wel eens een eitje achter verstopt kunnen zitten. Plantjes in de vensterbank werden ruw opgetild, stukken lidcactus vlogen in het rond. Mijn man, de arme stakker, stond als aan de grond genageld toe te kijken, grote verschrikte ogen.
Wraak is zoet dacht de broer die zojuist zijn jatten had bezeerd en hop, daar pakte hij het hoofd van zijn broer al en ramde het tegen het bijzettafeltje. Hun vader ontplofte. Schreeuwde dat dit niet normaal was, dat paaseitjes zoeken niet zo hoorde te gaan. Wat verwacht je dan, een soortement Von Trapp constellatie, vroeg ik. Ik maakte een ongepast gebaar dat bepaalde Duitsers zo’n 70 jaar geleden maakten om hun grote leider te eren. Hij keek me boos aan. Nee, maar het mag wel een beetje beschaafder dan dit , zei hij. Ik schoot in de lach maar hield daarmee op toen ik de hoek van een bank tegen mijn heup kreeg. Iemand had de bank opzijgeschoven. Alsof ik paaseitjes in de stofnesten achter de bank zou verstoppen, waar zien ze me hier voor aan. De kinderen hadden al ongeveer een derde gevonden en hadden geen oog voor hun ontplofte vader. Die beende kwaad de kamer uit en smeet de deur dicht. Het eierenzoeken werd voortgezet zonder de dissonante tonen van de vader. Die was nu ergens boven aangekomen. Dat hoorde ik aan de deur die daar ook werd dichtgesmeten.
Toen alle eieren gevonden waren aten ze er een paar op zonder de wikkels eraf te halen. Ik werd boos. Ze zeiden dat wij wel erg overspannen waren, en dat ze de eieren nu voor ons zouden verstoppen zodat wij ook wat losser zouden worden. De man werd van zolder getrommeld, hij was afgekoeld. We begonnen met zoeken. Een eitje zat ik de pot chocopasta en de rest in het oorgedeelte van verschillende koptelefoons die er in de woonkamer lagen. Ik wist niet eens dat die kussentjes eruit konden maar dat kan dus blijkbaar.

Meisjes van de derde helft in de overgang

Voor iemand die uitstekend gedijt bij voorspelbaarheid is de Overgang de hel op aarde. Ik schrijf het nu met een Hoofdletter om het satanische karakter van het woord over te brengen, maar eigenlijk zou het geschreven moeten worden met de allerkleinste letter die er bestaat, of beter net als Voldemort ongenoemd moeten blijven, moge zij voor eeuwig vervloekt zijn. De OVERGANG. Alleen het fucking woord al. Overgang van wat naar wat precies? Ja precies: van gewoon vrouw naar OUDE vrouw. Van de 2e naar de 4e helft, van de zomer naar de winter en de overgang is dan die fase ertussenin, de deprimerende herfst waar alles wat leeft na een lange onstuimige storm uitvalt, uitdooft, verwelkt of zich klaarmaakt voor de oneindig winterslaap: de meisjes van de 3e helft, die mokkels van ertussen. Niet meer jong, nog niet bejaard, vlees nog vis. Dat ondefinieerbare gebied ertussen, inderdaad.

Ik zie sommigen van jullie al besmuikt gniffelen, vooral de kerels die zelf in de mannelijke equivalent van de overgang zitten maar heel hard over het uiterlijk van de overgangstergirl schreeuwen om zelf maar niet op de korrel genomen te worden en daarom per abuis denken dat zij eeuwig jong en mals en sappig blijven, heel anders dan hun vrouwelijke leeftijdsgenootjes die larmoyant en lachwekkend zijn volgens deze penopauzepipo’s. Nee, jongens, jullie zien er óók niet meer uit. Nee écht niet. We veranderen allemaal van uiterlijk in de herfst van ons leven, dat weten jullie heus wel, de een een beetje drastischer dan de ander, dus whatever, boeien, hou maar op met die domme grapjes over kortpittigekroketjes want anders bijt ik je kop eraf met mijn oestrogeenarme labiele hoofd.
Maar ook de meisjes, pardon jonge dames, van in de twintig zo ongeveer, die denken dat de overgang iets voor andere vrouwen is, die meisjes die denken dat het hen nooit zal ‘treffen’, in de overgang zijn hun moeders zeg maar. O die heerlijke dwaasheid der jeugdigen, ik weet het nog, ik weet het nog dat ik zo leefde in het moment dat ik dacht nooit oud te worden, voor altijd zo te blijven, ik wel, wakker worden na een ruige nacht met veel drank en na een douche weer fris en fruitig in de collegebankjes in plaats van zoals nu drie dagen later er nog uit zien als een semi-opgedroogde druif en dat na maar twee wijntjes, oké één wijntje. Die heerlijke fase waar de wereld aan je voeten ligt en ouderdom en ver-van-je-bed show. Die tijd dat je niet nadacht over leeftijd, ouder worden, je eigen sterfelijkheid dan vooral. Die tijd waarin tijd geen rol speelt omdat je niet over de jaren struikelt. Nou, die meisjes dus zien zichzelf als het centrum van het universum en de vrouwen die 25 jaar eerder op aarde werden geworpen als vreemde wezens. Geeft niet schatje, jouw tijd komt nog wel, denk ik vals. Ik dacht ook dat 25 jaar later een eeuwigheid was maar toen knipperde ik met mijn ogen en stond ik met één bespataderd been in de Overgang.
Het is even wennen, maar voila.

En nu ben ik niet alleen dat meisje van de derde helft maar ook nog eens in de echte échte overgang. Je weet wel, dat moment dat je eitjes en je wangen opdrogen.

Maar goed. Ik dwaal af. Waar was ik gebleven. O, ja. Ik ben dus een mens die gedijt bij voorspelbaarheid. Elke maand ongesteld, ook de hel op aarde in mijn geval, een paar dagen uit de running maar als je weet dat t komt is het soort van te overzien. Je voelt je als een draak die net uit zijn ei is gekropen en moeite heeft met woedebeheersing, je zwelt op als een heliumballon omdat je 40 liter vocht vasthoudt en eet een kilo vette zoete chocolade (niet die vieze zogenaamd gezonde pure troep natuurlijk, d u h) en dan die helse krampen, de hele dag op de plee doorbrengen om vervolgens weer te herstellen van de bloedarmoede, maar er zit een patróón in. What’s not to like, right.
Die poepovergang schopt alles in de war. Weg voorspelbaarheid. Doet wat ie zelf wil. Komt wanneer ie wil, gaat wanneer ie wil. Na zestien dagen ineens ongesteld? Geen probleem. Drie weken achter elkaar? Toe maar. De hevigste menstruaties ooit waar je zo verzwakt van raakt dat de trap afdalen soms beter achterstevoren kruipend kan? Check. Na de gebruikelijke 28 dagen enorme krampen en haar op je tanden krijgen, Michellinmannetjes proporties aannemen, je volvreten met chocolade en dan…niks. Niks?? Serieus? Heb ik een kilo chocolade naar binnen gewerkt voor niks? De krampen worden inmiddels zo hevig dat je ervan dubbelslaat en gaan niet weg. De behoefte aan zoete meuk blijft ook, het haar op je tanden zit inmiddels op je kin. Je buik denkt dat je Jabba de Hutt heet en gedraagt zich conform. Wat IS dit, denk je verschrikt, ben ik gewoon al dertien dagen ongesteld maar dan zonder de rode vloot? Imitatiemenstruatie? Wel de lasten niet de ontlading? Tot je op een dag haast hebt om op tijd bij je psycholoog te komen en op de fiets ineens niet meer die boot hebt gemist. Briljante timing, Prazdny. Terug naar huis, kleding verschonen, snel iets nemen tegen de krampen die je in alle hevigheid voelt opkomen en dan bij die psycholoog aanschuiven om de volgende warme woorden van betrokkenheid te mogen ontvangen: ik wil je niet uit het lood slaan maar bij mijn vrouw duurde het 12 jaar, die overgang.

De opvliegers (ik heb 1.5 jaar gedacht dat ik ziek was met koorts maar het bleken dus opvliegers), het veranderende uiterlijk, de verlammende bloedarmoede en de gekookte hersenen die ervoor zorgen dat ik 100 van de 100 op een add-test scoor, vage Toos en Annemarie Jorritsma zijn er niks bij, en nog zo wat dingen die ik hier niet zal noemen om jullie te sparen: ik kan het hebben. Het is die scriptloosheid, die totale grillige onvoorspelbaarheid van de overgang, die me nekt.

Slapen en drugs en hulpmiddelen

Vannacht was de tweede nacht op rij dat ik op mijn rug in slaap viel en pas wakker werd toen er iets van licht door de verduisteringsgordijnen sijpelde en een duracellmerel luidruchtig het krieken van de ochtend infloot.
Fantastisch, Prazdny, maar wat is daar zo bijzonder aan? Nou, dat zal ik je vertellen. Prazdny slaapt namelijk al sinds ze kinderen op de wereld heeft gezet, al bijna vijftien jaar dus, niet om over naar huis te schrijven. Voor ik kinderen kreeg had ik nachtmerries, dus van goed slapen is het al een hele poos niet meer gekomen.

Alles heb ik geprobeerd. Nee, ik hoef geen gratis advies, zelfs niet als het bij jou wonderen verrichtte. Nee, écht niet.


Ik zal een opsomming geven van wat ik zoal heb geprobeerd om tóch tot iets van slapen te komen: anti-histamine, slaappillen, sambrosa slaapsap, thc, drank, cbd, al dat gezeik dat ‘slaaphygiene’ wordt genoemd, je weet wel, koele slaapkamer, geen schermpjes in de slaapkamer, warme baden, koude douches, ontspanningsoefeningen, seks. Verder onder andere magnesium, melatonine, meditatie, valeriaan, sint janskruid, yoga, sporten en ontspannende muziek. Het maakte allemaal geen tot weinig verschil: ik sliep net zo beroerd na een klankschalensessie als na een bingemarathon Homeland of Fauda.

Tot een paar weken geleden. Ik had besloten geen slaappillen meer te nemen en ik sliep er niet slechter van, beter zelfs. Met slaappillen is het stomme dat je één nacht plezant knockout bent maar de dagen erna gefuckt wordt door een slapeloosheid uit de hel. Andere drugs had ik lang daarvoor al uit mijn slaapkamer verbannen. Dit keer vergat ik op een avond de melatonine die ik zo braaf slikte. Ik sliep er geen ene moer slechter van. Dus ik besloot ook de melatonine te dumpen.
Nu gebruikte ik ineens helemaal niks meer en potverdrie: ik sliep vaster en beter dan ik me kan herinneren. Wel elke nacht wakker om die oudevrouwenplasjes te doen, maar ja, oudevrouwen will be oudevrouwen, hè. Nog steeds niet heel uitgerust wakker, maar dat ik überhaupt slaap zonder externe hulp mag al in de krant.

Tot ik dus eergisteren op mijn rug in slaap viel en de volgende ochtend door die merel on steroids werd gewekt. Vannacht idem. Ik wist niet wat me overkwam. Geen plasjes, geen wakkere momenten. Ik werd, nog steeds op mijn rug, wakker en het was de andere kant van de nacht ineens.

Het is raar, kaal en bevreemdend, om 20 jaar lang met het idee te leven dat je hulpmiddelen nodig hebt om te kunnen slapen (en dan vervolgens nog steeds slecht te slapen) om nu geconfronteerd te worden met de onjuistheid van dit idee.
Ik heb helemaal niks nodig. Ik kan het aan, slapen. Leven. Voor iemand die altijd bang was om te leven en ook wel een beetje vóór het leven, een heftige gewaarwording. Maar WAT een openbaring.