tot stof

De wereld staat in brand zeg je hardop tegen jezelf, in de spiegel, op de wc, lopend op het strand en je weet je dat mensen net als jij,
eeuwen terug, rij op rij, hetzelfde hebben gezegd. Je weet dat de wereld altijd brandt en branden zal tot hij vergaat. Tot de zon barst en
een einde aan alles maakt wat is en niets is zoals het was. En toch, er is zoveel aan de hand, de druk op je hoofd te groot. Of is het je hart?
Is dat te week, te zacht? Ben je een slappeling omdat je zintuigloos wilt zijn, in vacuüm verpakt? Je wilt vluchten, nee, je hoofd ondergronds,
je wilt schreeuwen, je wilt smeken tot de oorlog stopt, het zinloze vechten en moorden om eer en trots, om ingebeelde geschiedenis, om
stukjes grond, om niemandsland dat taal noch kleur bekent, dat geen voorkeur heeft voor de mens die de gewassen plant. Land dat enkel is
en observeert hoe weer een nieuwe lichting gretige knapen door geweld neer zal zijgen en met de tijd van overhoop geschoten lichamen
in compost en ten langen leste tot stof wederkeren zal. Stop dan toch met met branden, stijg in vredesnaam boven jezelf uit, schreeuw je
de eindeloze ruimte in terwijl je de spiegel de rug toekeert, de wc doortrekt, het strand verlaat en het pad naar de duinen beklimt.

Waarom strijden om land dat ons allen toebehoort, doden omdat iemand ’t je beveelt, maar er is niemand die je hoort. Het is windstil.