niet meer half leven

Jij bent door schade en schande volwassen geworden. Je moest het veel te vaak alleen doen, de dingen alleen ervaren, ze alleen een plek geven. Alleen op je bek gaan, alleen van je fouten leren. Onbegrensd geeft vrijheid, zeker, maar is ook onveilig. Je bent te vaak in situaties terechtgekomen waar je veel te jong voor was, waar je door je onbevangenheid, soms je bravoure, niet afgeremd en liefdevol bijgeslepen, in verzeild raakte. Was je maar wat vaker bij de hand genomen. Had je maar wat minder stoer hoeven doen. Had je maar wat meer kunnen vertrouwen op een veilige thuishaven. Was er maar iemand geweest die toen tegen je zei: nee, jij blijft bij mij, daar ga je niet naar binnen. Ik leg je uit waarom. Die jaren 70 mores heeft je een autoriteitsprobleem opgeleverd. Samenwerken doe je liever niet.


Die onveiligheid, niet alleen vanwege geen bakens, boeien en kades, van altijd maar je eigen bootje sturen, maar vooral ook door reële dreiging en angst, onvoorspelbaarheid binnen het gezin (dat je had moeten omvatten en beschermen), liet je in je schulp kruipen. Je ging van vol vlammend zonder reserves de wereld ontdekken naar een beestje dat meestal onder de aarde leeft, je verschool je voor de enge buitenwereld waar je weinig van begreep en die je niet wilde opnemen, zo ervoer je dat althans. Beter onder de grond en een half leven dan geslagen door het leven, moest je hebben gedacht, maar geslagen door het leven werd je toch wel. Wie niet. Je had ook hier die uitgestoken hand kunnen gebruiken. Iemand die er altijd was, op de achtergrond, naast je, voor je uit als dat nodig mocht zijn. Iemand die niet wegging. Iemand die er onvoorwaardelijk voor je was en onvoorwaardelijk van je hield. Maar die iemand was er niet en als die er wel was geweest had je hem waarschijnlijk ook niet toegelaten, te zeer gespitst op dreigend gevaar en het gewend zijn de dingen alleen te doen en ervaren.


De grond waarin je woont is zuurstofarm, je krijgt moeite met ademen, je houdt daarom vaak je adem in. Zo conserveer je je kleine veilige leventje, denk je, misschien niet eens denken, het meeste gaat onbewust, dan word je niet meer verrast door boze mensen en agressie, onvoorspelbaar gedrag van anderen, erupties van beschuldigingen waar het grootste gedeelte van verzonnen is, waar je je sowieso niet tegen verweren kunt. De constante spanning, het dansen om de lava van een ander, die ben je een beetje kwijt als je je afsluit, het is veiliger zo te leven, je gevoelens binnen te houden, het is veiliger om dood te spelen dan met alle flanken op de wind, een schietschijf op een berg. Je bent er niet. Met je handen over je oren, met gebogen hoofd, met bevroren lichaam en gestokte adem kan je dit doorstaan. Je doet wat je kunt om te overleven.


Eenmaal weg van de lava, de onveiligheid, de spanningen, de ruzies, de ongerichte, onterechte uitbarstingen van boosheid, blijk je de kunst van het er niet zijn zo te hebben geperfectioneerd dat je je er niet eens bewust van bent dat je het doet en blijft doen. Je leeft nog steeds vaak onder de grond maar door de gewenning weet je niet beter, verwart boven met onder, buiten met binnen, donker met licht, steekt je hand uit om anderen aan te raken, trekt hem angstig weer terug als iemand hem vastpakt, geschrokken door het ontstane contact. Als je afgesloten en zuurstofarm bent kun je niet op afroep ineens open en vol leven zijn. Je ziet wel dat je tekort schiet, méér wil van dit leven. Dat je die hand wil vastpakken. Maar je kan het niet.
Onder de grond is het donker, Je bent er meestal niet, hoe kan een mens daar bloeien? Wanneer bereikte jij ooit de bloei van je leven in die winterslaap? Onder de grond is het koud. Hoe kan intimiteit wortel schieten als je alle warmte nodig hebt om te overleven, hoe kun je dan iets van jezelf aan een ander geven, iets ontvangen als er een muur is met erbuiten? Hoe verbind je met iemand als je veel te bang om te verbinden bent?


Een derde mensenleven later besluit je dat je wilt leven. Je graaft je een weg naar boven, uit de verstikkende aarde. Je warmt je aan de stralen van de zon. Je vraagt je af hoe je kunt verbinden met andere levende wezens, je ziet nu beter dan ooit wat je al die jaren hebt gemist, dat niet-geleefde leven. Het stemt je in eerste instantie verdrietig, het is een soort rouw om wat niet was. Toch ben je van zins te bloeien, je bent er van overtuigd dat je dat kan. Maar hoe kun je bloeien, grenzen verleggen, liefde ontvangen, geven, als je bent gevormd door een leven ondergronds? Je hebt het gereedschap om te verbinden nooit gekregen, voelt je zo onthand. Je bent nog steeds moed aan het verzamelen om te mogen bloeien. Beter laat dan nooit, denk je, maar je weet nog steeds niet hoe je echt naar buiten moet.


Jouw overgang is niet die van een midden naar een einde, eerder een van slapen naar ontwaken, van half naar heel. Dit keer zorg je voor je eigen veiligheid, dat stevige vangnet voor als het even niet meezit, dat vangnet ben jijzelf. Jij reikt jezelf de hand. Jouw tijd is nu gekomen.