Open


Op mijn fiets langs het Reitdiep. Laveren tussen een in brand gestoken brommer, achtduizend dode naaktslakken en een enkeling met kloppend hart. Het ruikt naar regen en brak water, iets kamperfoeliezoets. Een eindeloze watertrein spelebootjes, ik haal je in en lel mijn bel, wacht maar, dat zal je leren van zo-even, toen de brug weer eens dicht was en jij je tong uitstak naar mij. Glimlachen naar riet en meerkoet, ik ben meer levend dan dood op het moment. Het kortstondig geluk houdt aan, ik voel me zo aanwezig, zo ja hallo, ik zie je hommel, ik zie je fluitekruid. Ik zing mee met mijn geliefde Duitser, ik lach naar iedereen, ook als ik je niet ken. Alsof het leven zich zachtzinnig voor me opent, ik nu ook de hoekjes zie. Hij zei dat hij het aan me zag, het hoorde aan mijn stem. Dat ik er nu echt ben.