De ondraaglijke lichtheid van het campingleed

Als je op je privacy en rust bent gesteld is de camping misschien niet de meest logische plek om je vakantie te vieren. Maar ja, je ouders gaan altijd (naakt)kamperen en je kan moeilijk alleen thuisblijven als 12-jarige, niet waar, dus daar ga je weer in de smoorhete auto naar Frankrijk om tussen andere buitenlanders met z’n allen gezellig in je blote tuches op een stukje kurkdroge grond een paar weken gewoon een beetje te zijn. Dat je naar de kampwinkel (de winkel op de camping, niet in een kamp) loopt en je stiefvader ziet volleyballen met andere oude mannen, inderdaad allemaal volledig naakt, op witte sportsokken en sneakers na, ja jongens, fakkerdefak, iets met een hangende zak, dat krijg je nooit meer van je netvlies.

Of die keer dat je met een vriendje meeging op z’n motor naar Zuid-Frankrijk (in slaap vallen achter op een motor is geen goed idee, jongens) omdat hij altijd al naar die camping ging en jij bent een amoebe zonder ruggengraat, dus je gaat mee, en dat blijkt erger dan de hel op aarde. Een immens grote, kale vlakte waar niks groeit staart je aan, je probeert je tent op te zetten op grint, en dat op 10 centimeter van de tent van de buren, je hoort de buurman ademen brr, er staan palen met versterkers overal waardoor tot 22.00 uur keiharde muziek blaast met tussendoor gezellige berichten van de receptie over het dagmenu en of iemand zn Volvo even bij washok 134 wil weghalen en o ja overal in die palen ook bouwlampen die permanent aan staan waardoor je je op een landingsbaan voor buitenaardsen waant. Iedereen heeft zijn voertuig voor zijn tent staan, ieder zijn eigen postzegeltje verschroeide aarde. Al met al krijg je het gevoel dat je in een post-apocalyptische wereld terecht bent gekomen met je lullige koepeltentje, en dat voor je ontspanning, je moet er nog voor betalen ook en dan is er ook nog die godvergeten terugreis op die godvergeten motorfiets.

En dan krijg je kinderen en op de camping is het zo gezellig met allemaal potentiële vriendjes die de hele dag schreeuwend over het terrein rennen en de scheerlijnen van je tent kapot rijden met hun geinige crossfietsjes met misthoorntjes en van die ouders die de hele dag door wildgeil elkaar lopen uit te checken en meer en naar het strand is zo leuk en ach je man houdt van halve liters Erdingers op een terras met 200 anderen, dus ga je maar weer naar de camping.

Ergens nadat je uit huis ging had je heel simpel je hakken in het zand kunnen zetten en zeggen: tot hier en niet verder, ik ben een volwassene en ik denk dat ik kamperen haat, maar ja, dat deed je dus niet en zodoende zou je bijna het idee krijgen dat je graag op de camping staat, wat dus niet klopt.

Eigenlijk is het niet eens het gebrek aan privacy in de algemene zin dat je opbreekt op zo’n camping, als je heel eerlijk bent. Dat valt wel op te lossen door je in de tent op te sluiten of zó ongezellig uit je ogen te kijken, als je met koptelefoon voor de tent of op het zand zit, dat geen mens het in zijn hoofd haalt een praatje met je aan te knopen. Dat is je altijd uitstekend gelukt, alleen zijn en alleen gelaten worden. Met die rust wordt het al iets ingewikkelder, je geeft nou eenmaal de voorkeur aan een paar krijsende meeuwen of het gezang van een merel boven kotsende pubers of een deprimerende liveband die laveloos gebral inzet op 20 meter afstand van je hoofdkussen net op het moment dat jij wilt slapen. Je koopt een setje dure oordoppen en mediteert een rondje extra. Het valt te doen. Knarsetandend, weliswaar, maar te doen.

Nee, het probleem zit hem in een specifiek element van privacy en rust, inderdaad, u raadt het al: het badkamerritueel. En ach, wat zeur je eigenlijk, met een beetje aanpassing en zenoefeningen, prikkelafstoting en net doen of de wereld om je heen niet bestaat, kun je zélfs het badkamerritueel nog nét aan. Verstand op nul en alleen naar je zelf in de spiegel kijken tijdens het tandenpoetsen tussen vijf gillende tienermeisjes die opgewonden make-up uitwisselen en fantaseren over de op handen zijnde avond, jengelende oververmoeide peuters met levensmoeë mama’s en random andere vrouwen die zonder knipperen föhn, krultang en tientallen andere apparaten uit hun hutkoffer halen waar jij geen idee van hebt hoe ze heten en die allemaal stuk voor stuk op hun hoofd toepassen en de rij die wacht op een plekje bij een wasbak op deze manier tot 20 meter buiten het washok laten uitlopen. Beter is helemaal niet in de spiegel kijken maar gewoon met gebogen hoofd boven de wasbak en zo snel mogelijk rechtsomkeert, tentwaarts.

Wachten tot een douche vrijkomt is ook een proeve in afsluiten van het perfide mensdom. Aandacht verleggen, niet letten op het geschreeuw, de stank, de opwinding en al het andere. Je dobbert nu in de oceaan, voel je wel, aaah, ja, beter. Dobber de fucking dobber. Dan zes minuten warm water, goed uitkienen wanneer je die knop indrukt want te vroeg en je zit met de conditioner nog in je haar en een half geschoren flamoes. Uiteraard allemaal voor u uitgetest. In het doucheputje altijd plukken haar van een ander of anderen, nog steeds de herrie van dat mensdom, maar je staat nu in elk geval in een hok in je eentje. Zalige privacy, zei éénoog in het land der blinden.
Nee, het badkamerritueel valt knarsetandend en met alle wilskracht die je bezit nog nét, op het randje van waanzin, toegegeven, vol te houden. Je familie geniet zo van dit alles, denk aan die meeuwen die je ’s ochtends wakker maken. Denk aan de lange wandelingen langs de kust en het hardlopen door de bossen en duinen. Je kan dit. Je kunt dit. Doe het.

Wat NIET valt vol te houden, wat nóóit went en wat niét is te doen is het ritueel dat elke mens elke dag op het kleinste kamertje van het huis afwerkt. Inderdaad: de toiletgang. Het poepen. Je spreekt uit decennialange ervaring en weet zodoende dat dit nóóit, werkelijk nóóit, zal wennen. Je hebt rust nodig, een ontspannen lichaam, om je darmen te ledigen. Je kunt niet ontspannen als je zes wc-hokjes moet openen om een relatief geschikte te treffen. Eentje met wc-papier op de rol en zonder remsporen in de pot, de poep van een voorgangster over, onder en naast de bril of gewoon de hele darminhoud als kadootje achtergelaten. Je probeert toch te ontspannen als je uiteindelijk het een na laatste hokje induikt. Gaat zitten. Ademt rustig en diep in en uit. Sluit je ogen. Bam. Het hokje naast je wordt open en dicht gesmeten. Binnen een halve minuut hoor je de keutels het water raken. De echo’s klinken nog een poosje na. Ploink ploink. Als steentjes in een vijver. Aan de andere kant is intussen ook iemand komen zitten. Laat haar alleen moeten plassen denk je. Alsjeblieft. Helaas. Binnen vijftien seconden word je getrakteerd op geluiden die doen geloven dat iemand aan het bevallen is gevolgd door een oorverdovend kabaal waar je zo van schrikt dat je volledig bent vergeten waarvoor je hier kwam. Een diepe zucht, wc’s die aan weerszijde van je worden doorgetrokken, deuren die wederom worden dichtgesmeten, handen die worden gewassen. Nog een paar keer hard hoesten. Een kraan die niet wordt dichtgedraaid en blijft lopen. Jij zit nog een tijdje met samengeknepen billen maar vertrekt dan maar onverrichter zake naar je tent. Geïrriteerd. Gedeprimeerd. Geconstipeerd. Jaloers.

In je tent kijk je naar de indrukwekkende uitstalling laxeerellende die je dit jaar hebt aangeschaft ter verlichting van het immer terugkerende probleem. Geen pruim, vers of gedroogd, per stuk of per kilo, heeft echter ooit geholpen. Geen lijnzaadje, heel of geplet, deed ooit wat het moest doen op vakantie. Maar elke keer opnieuw onderneem je een poging. Misschien…deze keer?