Bewaren

Dit weekend heb ik al mijn kleren uitgezocht. Wat ik niet meer pas, wat niet meer mooi is en wat ik nooit draag ging in vuilniszakken. Zes zakken vol werden het. Niet te bevatten: zes overvolle vuilniszakken met kleding voor de kringloop. Ongebruikte zooi. En dan vergeet ik de enorme hoop die niet een tweede kans verdient omdat er gaten en vlekken in zitten, het spul waar je nog niet dood in gevonden wilt worden. Waarom ik die laatste categorie nog in mijn kasten had liggen weet ik niet. Niet omdat ik moeite heb met spullen loslaten. Niet in extreme mate althans. Ook niet omdat ik zoveel kleding heb dat het in het grote geheel verdween. Misschien omdat ik oude kleding vaak veel lekkerder vind zitten dan nieuwe. Zachter, er is in geleefd. Als een tweede huid. Nee, ook niet. Het is gewoon lammetakkerigheid. De vaart der volkeren enzo, en iets delft dan het onderspit.

Ik heb gesmokkeld. Alle te kleine kleding is weg, dat wel en wat verwassen en mottig is ook maar ik ben niet helemaal consequent geweest met het nooit-meer-dragen criterium. Voor sommige kleding moet een mens een uitzondering maken. Zo heb ik een colbert en een jurk gehouden die ik 28 jaar geleden kocht toen ik student was. Ik trok ze beide aan en keek in de spiegel. Ik zag niet de middelbare vrouw met de grijze strepen in het haar en de rimpels op de wangen; ik zag het meisje van 20 dat nog geen mobiele telefoon had, de jonge vrouw met het donkerbruine haar tot haar billen en de luide stem tijdens het college Oud Engels, fietsend naar het Zernike complex voor examens of een verdwaalde sessie Bewegen op Muziek, bommen. Dat is samen met 200 andere studenten in een enorme zaal naar een gymdocent met geluidsversterking kijken en de rare bewegingen die hij of zij maakt na-apen op het ritme van teringharde muziek. Ik denk dat ik dat twee keer heb gedaan maar er toen mee ophield omdat ik de slappe lach kreeg en geen enkel pasje op de maat van de muziek maakte. Ja, ik pas beide nog. Met een beetje smokkelen. Soms moet een mens smokkelen. Uit nostalgie. Maar ik doe ze dus nooit meer aan.

Ik heb ook een paar andere kledingstukken gehouden die ik (voorlopig) niet aantrek. Ik heb wél tegen ze gezegd dat ze geen kapsones mogen krijgen, dat het in mijn last hangen met een status aparte niet per se hun verdienste is. Zo hangt er een zogenaamde ‘little black dress’ die ik tot een jaar of 15 geleden wel een of twee keer heb aangehad maar waar ik me nu een soort halfomhalfrollade in voel, niet omdat ik het jurkje niet meer pas, nou ja, soort van niet, maar omdat ik zelf blijkbaar anders in mijn vel zit. Te kort, te bloot ook. Vooral: ik wil ruimte, lucht, doorstroming. Maar weggooien doe ik het dus niet. Omdat ik het aanhad toen ik iemand leerde kennen die me dierbaar is. Omdat het een erg mooi jurkje is. Omdat ik me er niemand anders in kan of wil voorstellen. Soms moet een mens zeggen: ik hou jou omdat je nog steeds mijn jurkje bent ook al doe ik je nooit meer aan.

En dan heb ik ook nog de twee broekpakken bewaard die ik vorig jaar kocht met het oog op de boekpresentatie van mijn allereerste roman Znežanka en eventuele promotionele activiteiten rondom het boek. Nou ja, toen kwam dus die corona en gingen de feesten niet door, geen presentatie, geen lezingen, een geruisloze bevalling. Zo geruisloos dat ik soms denk: is het boek echt geboren? Dan vergeet ik zelf dat het bestaat en een paar maanden geleden het licht zag. Maar al met al komt het neer op twee ongedragen broekpakken in mijn kast. De labeltjes hangen er nog aan. Ik doe ze wel eens aan, een privé verkleedpartijtje op mijn slaapkamer, heel erg dubbelgevoelerig, en dan kijk ik naar mezelf in de spiegel en fantaseer ik een zaal vol fans die aan mijn lippen hangen en om mijn handtekening bedelen. Deze twee kledingstukken smeken om gedragen te worden, zo mooi zijn ze. Ik hoor ze vaak roepen vanaf hun knaapje daar in die donkere kast. Dan zeg ik tegen ze: nog even wachten jongens. Niet lang meer. Niet lang meer. En misschien dat het niet bij dit boek gebeurt maar dan toch zeker bij een volgend. Dan mogen jullie schitteren en stralen en de blikvanger van de avond zijn. Niet lang meer, ik beloof het, jullie tijd komt nog. Soms moet een mens een kledingstuk geruststellen.