HAST DU DIE MENGE VERMISST?

Ik vertik het om dat hele coronagedoe mijn dromen en mijn verhalen binnen te laten dringen. Ik vertik het. Ik volhard in mijn geloof dat het straks allemaal voorbij is, deze nachtmerrie, deze onnatuurlijke toestand waarin we van elkaar gescheiden zijn, waarin je niet op mag gaan in een klotsende zee van dampende lichamen, in een grote golf van vochtige huid en kloppende harten, allen even een terwijl muziek door je lichaam vibreert, de pulserende bassen je overnemen, je tijdelijk laten zweven. Waarin je dat wel mag als het een testevenement heet. Ik sta niet toe dat het onderdeel wordt van mijn denken, ik vertik het dat de dissonanten mijn wezen penetreren, sluit me af voor ‘moederharten’ en angstaanaanjagers, leveranciers van haat en onderbuik. Mensen die elkaar met de dood bedreigen om een andere mening over vaccinatie, mensen die elkaar verwijten dit virus op te blazen of te bagatelliseren, mensen zonder gevoel voor menselijke maat.

Maar dat ik het vertik betekent niet dat het niet toch gebeurt. Goed, mijn dromen zijn momenteel nog zuiver, geen mondkapje gesignaleerd. Ik bemerk echter wel dat in mijn hoofd zich opzetjes vormen voor absurdistische vertellingen, waanvoorstellingen waarin corona het openbare discours in is geslopen en het gedrag van mensen bepaalt. Mensen die elkaar wantrouwend bejegenen, mensen die angstig opzij stappen als je langsloopt, de bosjes in duiken om maar geen contact te maken. Elkaar niet meer durven aankijken. Lege straten in de avond, lege terrassen. Lege bioscoopzalen. Zonder mensen is het stil. Stiekem bij elkaar op bezoek, aangehouden worden op straat, waar zijn je papieren. Alleen binnen ben je veilig. Corona: dat is de ander.

En dan, toch nog, die schok: dit zijn geen absurdistische opzetjes. Dit is nu. Dit is het heden, de tegenwoordige tijd. Zoiets kan zelfs ik met mijn kronkelhoofd niet bedenken. Tijd om naar bed te gaan, slapen…slapen, laat me slapen. Ik snak zo naar een warboel van lichamen op een afgetrapt festivalterrein, maar een droom waarin ik vlieg als een albatros, een arend, een schurftige reiger desnoods is ook bijzonder welkom. Als ik maar, al is het even, weg kan vliegen van hier.