Tempus fugit

Als je (bijna) je hele leven al in dezelfde stad woont zoals ik gebeurt het regelmatig dat je vaker op eenzelfde plek komt. Soms wel honderden keren, misschien zelfs meer. Meestal denk ik daar niet over na, ik begeef mij van A naar B, zo simpel is het. Soms denk ik er wél over na. Dan loop ik nog steeds van A naar B en dan word ik ineens overspoeld door allerlei herinneringen. Vlagen weemoed, vaak met oranje, bruine en groene randjes of met neonrandjes met spijkerkettingen en getouppeerd haar. Zonder dat ik mijn ogen hoef te sluiten, gewoon tijdens het lopen of fietsen, zie ik dan verschillende tijdslagen met ervaringen en gebeurtenissen over elkaar schuiven.

Ik had dat laatst op de Vismarkt. Ik liep daar en keek naar links, naar wat nu een of andere nondescripte kledingketen was, toen naar boven waar meer van hetzelfde zat en zag toen mezelf door een smalle donkere ingang de openbare bibliotheek betreden die daar gevestigd was, lang geleden. Ja, in de jaren zeventig en tachtig ja. Uren bracht ik er door. Bladmuziek bestuderend, (ja echt), B’s voor alle Ronja de Roversdochters zettend, oude verhalen en sagen en mythes lezend op de kussens in de kelder. Gewoon ik, mijn nageltjes om af te kluiven en een boek. Ik kan je vertellen hoe het klonk als een boek werd afgestempeld,, kkllinkklllonk, met zo’n eifeltorenachtig apparaatje met de juiste datum in inkt aan de onderkant. Zoveel nostalgisch sentiment dat het bijna zeer doet.

Een andere herinnering, nu eind jaren 80 of daaromtrent. Ik werd achtervolgd door een man van wie ik later leerde dat het dichter des vaderlands Driek van Wissen geweest moest zijn. Achteraf gezien misschien much ado about nothing, maar ik vond het toen blijkbaar eng om door een oude vent ver voorbij het acceptabele bekeken te worden. Bij de Febo op de hoek dook ik naar links en was ik van Driek af. Ik ben hem later nog veel vaker tegengekomen, bijna alle keren in de kroeg, een enkele keer op de universiteit, maar slechts die ene keer wist ik ongewild zijn aandacht te vangen. En dit allemaal terwijl ik er nu, in het heden, langsloop. Straks is het nu weer vroeger, onderdeel van de groeiende blokkentoren die mijn leven is.

Ik woon al mijn hele leven in Groningen, in zoveel verschillende leeftijdsfasen. Dat zorgt voor bijzondere, weemoedige momenten -dat ik ergens langfiets en mezelf ineens veertig jaar jonger zie op die plek en ook voel hoe ik me toen voelde. Toen tijdens een schoolfeest (het Sintjansfeest in het Stadspark, waar we over vuren sprongen en verschroeide wenbrauwen en erger opliepen, dat de gymleraar een overmoedige jongen die in brand stond bij zijn kladden greep en het vijvertje in bonjourde, die verrukkelijke rubberentegelloze jaren 70, o tempora!) nu als ik als vrouw van middelbare leeftijd naar een wedstrijd van een zoon dertig meter verderop op hun voetbalclub fiets.

Ik zat als kind op de Vrije School, eerst aan de Concourslaan in het Stadspark, later aan het Hoornsediep, de Merwedestraat en ook nog een tijdje in de Wassenbergstraat. In dat schoolgebouw in de Wassenbergstraat was ik eens, tientallen jaren later, bij iemand op bezoek. Het was inmiddels opgedeeld in appartementen. Een raar gevoel, ik keek naar de enorme trap in het midden van het gebouw en zag Sinterklaas daar staan, zwaaiend naar het vrije schoolschorriemorrie, de pepernootstrooiende pieten om hem heen. Mijn oudste zoon zit nu ook op de Vrije School (het heet tegenwoordig Parcivalcollege), net als ik in de Merwedestraat, en de eerste keer dat ik daar weer kwam, bijna dertig jaar later, voelde zowel raar als mooi, ik wilde mijn zoon overladen met verhalen uit mijn tijd daar, daar in de aula werd ik verliefd, maar hij had natuurlijk helemaal geen behoefte aan al die boomerverhalen.

Als ik door de Zwanestraat loop kijk ik altijd naar het keldertje, het souterrain, waar de magistrale Jozef van den Berg in de jaren 70 zijn waanzinnige poppentheater had. Ik loop daar dan nu als veertiger, tien jaar geleden als dertiger, maar elke keer voel ik me weer de 5-jarige die op een woensdagmiddag op van die harde gymbankjes in dat donkere hol in de Zwanestraat naar een magische voorstelling over een hebberige Portemonnee, een praatzieke Mijnheer de Koning en natuurlijk het Mannetje Pluim zit te kijken. Ik droom er zelfs nog over, over die voorstellingen, de poppen en Jozef met zijn donkere haar en bonkige neus. Zijn zangerige stem met zachte G.

Het geeft een melancholisch gevoel, dat we doorgaan, dat de tijd niet stilstaat, dat de levens van mensen, van mij, van mijn kinderen, van iedereen voor mij en na mij, komen en gaan, alles gaat door, altijd maar door en door, maar de plekken waar wij woonden, leefden en kwamen, blijven bestaan. Niet alleen de gebouwen; ook de straten, de buurten, de bomen en de weilanden, als stille, niet-oordelende getuigen van onze levens.

En dan zijn er ook van die momenten dat ik me niet kan herinneren ergens geweest te zijn en toch herken ik de plek, of voel ik mezelf in die straat of dat gebouw ergens in het hooggestapelde verleden dat ik inmiddels achter me heb, al weet ik niet waarvan of wanneer. De déjà vu. Inmiddels ben ik erachter dat ze in frequentie toenemen, dat het te maken heeft met mijn honkvaste gefossiliseerdheid. Het heeft heel lang gekost voor ik dat doorhad Al die plekken, al die herinneringen. Ze stapelen zich in duizelingwekkend tempo op en ik onderga het lijdzaam, met een vleugje glimlach, met een mengeling van verrukking en een toefje pijn. Die verdwenen tijd.

Gisteren had ik een droom dat ik voor de V&D op de bus wachtte. Om me heen stopten andere bussen, rode. Het was een minibusstation. Toen ik wakker werd moest ik bijna huilen van die vreemdsoortige vermenging van extase en verdriet, alles aan de droom had echt gevoeld, maar ik moest het hebben gefantaseerd, toch? Er stopten immers geen stadsbussen op die plek? Ik Google het. Ik kende het gevoel, deze tintelende weemoed. Ik móest het weten. En ik had het niet verzonnen: vroeger, héél lang geleden, stopten de rode stadsbussen van de Gado inderdaad daar, op die plek. In mijn droom voelde ik weer hoe het was om achter de warme uitlaten te lopen, heerlijk vond ik het, voelde ik in de droom, die ziekelijke warme walm, ik voelde het oversteken van de stoep naar de halte, aan de hand van mijn moeder. Ik was het niet vergeten, mijn onderbewuste wist het nog.