Puberona deel 2

Zondag is bosdag bij ons, zeker als opa komt. En opa zou komen, dus het werd het Mensingebos in Roden. Jongste van 12, oudste van 14 en papa achterin als Frankfurters in een omgevallen pot, mama fijn met beenruimte en ademruimte voorin naast opa. Some Frankfurters are more equal than other Frankfurters, nicht wahr.
We waren de straat nog niet uit of het gemekker begon al. Waarom de wifi het niet deed..o nee, niet thuis. Ik weet niet of ik nog beltegoed heb, jezus, ik kan ook niet inloggen bij Ben om te zien of ik nog beltegoed heb want ik weet mijn wachtwoord niet. Ik op belerende toon: hoe vaak heeft papa al niet tegen je gezegd dat je dat op moet slaan in zo’n handig eh.. documentje of wat was het ook alweer.
Papa murmelt vanaf de achterbank dat hij dat ook al minstens 84 keer tegen mij heeft gezegd en dat ik me daar ook verdomd weinig van heb aangetrokken door de decennia heen. Sst, toch eens jij.
De veertienjarige vindt dat ik mijn hotspot maar aan moet zetten want zo’n oud kadaver doet natuurlijk helemaal niks met al die GB aan data en daar heeft hij natuuurlijk helemaal gelijk in.

Ondertussen klaagt de 12-jarige over het heet hebben en zich beklemd voelen, misselijk en hij kan ook geen adem meer halen en ik krijg visioenen van vroeger tijden dat ik hem in een skipak probeerde te hijsen en hij als een ogerjong brulde dat ie dik was zich dik voelde en het was heet en hij ging dood en dit alles met zo’n rood hoofd dat ik hem geloofde. Ook nu loopt-ie akelig rood aan zie ik in het spiegeltje rechts van me dus ik strijk over mijn hart en zeg dat hij straks voorin mag. Blijkbaar is de bevoorrechte worstenpositie een tijdelijk fenomeen. Of ik ben een slappe prak.

We rijden voorbij het bos en als ik vraag waarom dat is krijg ik te horen dat we eerst gaan lunchen in Roderesch of zoiets. Niemand vertelt mij ook iets hier.

De puber zucht theatraal vanaf de achterbank. Hij stiet een aantal niet herhaalbare schuttingwoorden uit en zegt dat Ben echttt een slechte provider is. Maar je zit toch op mijn Vodafone hotspot, zeg ik. Nee gast, zegt hij. Ik wist gewoon mijn wachtwoord ineens. Ik zucht ook en haal mijn wenbrauwen op de maat van de zucht op en zet de verbinding maar weer uit.
Gaan we lunchen, zegt de puber. Jezus nee. Ik lust helemaal niks. Moet ik weer zo’n tosti zeker. En weer van die gezellige woorden erachteraan die ik hier maar niet herhaal.

De tafeltjes staan op grote afstand van elkaar maar niet genoeg om de toenemende doofheid, of eigenlijk: de daarbijbehorende decibellen van opa, ongedaan te maken. Man, wat kan die man hard praten. Het mooie is dat het niet werkt om hem hierop attent te maken. Hij schreeuwt gewoon door. Ik vermoed dat de doofheid een mengeling is van verschillende soorten en maten, de een wat medisch aantoonbaarder dan de ander.
Het jongste stuk nageslacht wordt helemaal wild van de menukaart en de oudste is, zoals de Engelsen het zo mooi zeggen ‘underwhelmed’. De puberteit heeft daar nog een schepje bovenop gedaan: als het geen energiedrank, frikandellenbroodje of noodles uit een zakje zijn hoeft het wat hem betreft niet. Grappig de verschillen tussen die twee, denk ik. Die stuiterende blije kleine en die korzelige boze oudere broer. Dat wordt nog wat over twee jaar als de jongenste energiereep ook puberona krijgt. Ik schiet in de lach maar de puber is niet gecharmeerd. Zijn moeder die lacht, soms ben je echt heel erg, weet je dat mama. Ik knik. Ik weet het.

Later krijg ik te horen dat ik: een wesp verkeerd wegjaag, verkeerd kijk, verkeerde dingen zeg, te hard lach, een zakje met een servet verkeerd open en dat ik een dinosaurus ben, gewoon veel te oud. Alleen dat ik adem heb gehaald tijdens de lunch werd niet genoemd, jammer, anders had ik mijn bingokaart nu vol gehad. Mijn vrolijke stemming is aan het afnemen, voel ik, hoe zeer ik me ook deze keer had voorgenomen me niks van de puberona aan te trekken. Met zware voeten stap ik even later uit de auto het bos in. Ik heb geen zin meer in wandelen. Geef me een bad. Netflix. Wijn. God, ik ben veranderd in zo’n vrouw.

Dan voel ik een arm om me heen. Hij legt zijn hoofd in mijn nek en zegt dat hij van me houdt. Dat ik zijn lieve mamaatje ben, voor eeuwig en altijd. Zullen we de bal overpassen, mama, vraagt hij en lachend sprint hij naar voren, de bal behendig tussen zijn lange giraffenbenen. Een en al blije jongen.