Crack, wodka, op vakantie gaan

Ik zit midden in een oorlogsgebied. Overal kleren, toiletartikelen, knuffels, zwemkleding en garnalennetjes. En vliegers, schoenen en ballen en tassen in verschillende stadia van volheid. Ikzelf zie eruit als een hobo die zich een makeover door de kringloopwinkel heeft laten aansmeren: grijze joggingbroek tot de knieën, roze sokken, witte gympen, een of ander schurftig legerpetje en een veel te grote hemelsblauwe blouse waar mijn borsten bijna uitvallen. Een echte paradijsvogel, zij het eentje die je beter niet aan kunt raken als je wilt blijven leven. Die kleren kwamen aan mijn lijf omdat ik ze vond, op mijn tocht wild kappend met machete door de wildernis die mijn huis heet.

Nu zit ik op een berg genaamd ‘rokende oorlog’ pauze te houden. Ik wilde dit zelf: op vakantie gaan, dus niet zeiken, hoor. Inpakken hoort bij op vakantie gaan en ook die kinderen en huisdieren en man en al die meuk die je om je heen hebt verzameld, wilde je op enig punt in je leven zelf, dus kop dicht en pakken. Morgen de hel van het daadwerkelijke reizen weten te doorstaan en dan op je vakantieadres bezweet en met rode kop, jeukende scheerbultjes en uitgelopen mascara voor de tent gaan zitten en een crackpijpje roken en een fles wodka leegzuigen om te vieren dat je samen met een miljoen andere gestoorde medelanders dit eiland hebt uitgekozen om tot rust te komen. O nee, ik rook geen crack meer.

Ik kijk naar de troep om me heen en vraag me, net als elk jaar, af of ik eronder uit kan komen door me te laten opnemen in een psychiatrische inrichting. Lijkt me heerlijk, die rust en de routine. Lekker om tien uur slapen en met gratis drugs gewoon een feestje, eigenlijk. Maar nee, ik doe het weer niet. Geen crack, geen drank, geen gratis medicijnen met andere taartjes, gewoon verder met die kolerekoffers en onthouden dat dit is wat ik graag wil.

Overmorgen is het weer leuk, mijn leven.