De man die ging sterven

Hij sloeg door onze voorruit met een kracht zo groot als de uitkomst van de wiskundige formule die de snelheid van een voertuig plus het gewicht van een object uitrekent, gecombineerd met de factor duisternis en een cocktail van drugs en alcohol. Toen stuiterde hij over de auto en kwam aan de achterkant ergens neer. Wij zaten als bevroren, vier poppetjes, twee voor en twee op de achterbank. Jirka had hard geremd, maar pas toen het lichaam op luttele centimeters van zijn stuur op hem in probeerde te boren. De politie vertelde ons later dat het feit dat wij de man niet hadden gezien ons leven had gered. Hierdoor had hij dus de snoekduik gemaakt over het dak van de aftandse Honda civic en niet op onze schoten.

Het was doodstil, op het gesis na dat onder de motorkap vandaan kwam. Er kwam ook iets uit dat op stoom leek uit. Het was pikkedonker op de weg. ‘We moeten uit de auto, jongens. Vlug!’ Ik was de eerste die wat zei, probeerde mijn vrienden aan te sporen zich los te maken uit hun gordels en hun apathie. Hendrik Jan was de eerste die reageerde en snel daarna kwamen de anderen in actie. We hadden geen idee wat er was gebeurd. Buiten was het verstikkend warm, ondanks dat het bijna middernacht was. In South Carolina kan je in de zomer op je auto zonder problemen een eitje bakken. Jirka en Rasto zetten een driehoek achter de auto en Jan Hendrik belde 911. Ik liep naar het object dat via onze voorruit midden op de weg terecht was gekomen.

Het was een man. Hij bewoog niet toen ik tegen hem sprak. Ik knielde naast hem en pakte zijn hand. Een gutturale klank kwam uit zijn mond, gevolgd door een fontein bloed. Ik bekeek de man, zag dat zijn benen allebei gebroken waren en dat er naast het bloed uit zijn mond ook bloed uit een hoofdwond stroomde. Jan Hendrik kwam aanlopen en zei dat de ambulance onderweg was. Ik knikte afwezig maar keek niet op. Mijn aandacht was bij de man die aan het sterven was.

‘Bronja, ik denk niet dat je hem moet aanraken. Kom van de weg af en laat hem liggen. We kunnen niks meer doen.’
Ik liep met Hendrik Jan mee naar een veiliger plek langs de weg. Samen met de anderen wachtte ik op de ambulance. We zeiden niks, het was een volmaakt stille nacht, op het getjirp van de krekels na en het gesis van onder de motorkap en het bloed dat ik hoorde stuwen in mijn slapen en het unheimische gegorgel dat uit de onbekende in de plas bloed midden op de weg kwam.

De ambulance kwam en de broeders takelden de man eerst op een brancard en toen in de wagen. ‘Wat deed hij eigenlijk op de weg?’ vroeg Jirka zich af terwijl hij het zwijgende ambulancepersoneel gadesloeg. ‘Welke gek gaat er nou zo laat in het donker op de snelweg lopen?’ Wij wisten het ook niet en hielden onze mond. De politie arriveerde. Een statetrooper liep naar ons toe en vroeg of er iemand van ons gewond was. De vraag verbaasde mij: ik had daar helemaal niet aan gedacht. We keken naar elkaar en onszelf en zagen overal minuscule splintertjes glas. Op onze kleren, in onze haren en op onze gezichten. Sommige stukjes hadden zich met kleine weerhaakjes vastgezet in ons vlees. Ik trok de voorkant van mijn T-shirt naar beneden en keek in mijn bh. Mijn decolleté was een glinsterend slachtveld van glas en bloed.

Rasto legde een arm om mijn schouders en fluisterde in mijn oor of het wel ging. Ik knikte, wilde zeggen dat ik me prima voelde, maar ineens, zo maar, begaven mijn benen het en werd het zwart voor mijn ogen. ‘Misschien kun je beter even met ons meerijden,’ zei een broeder en mijn vrienden knikten voor mij. Ik werd ook in de ambulance getakeld.
Ik zat naast de man die bezig was te sterven en keek de hele weg naar Greenville Memorial Hospital naar zijn op en neer bewegende borst en naar zijn gezicht vol bloed. ‘Het is een junkie,’ zei de broeder tegenover mij. ‘Jullie hebben niks verkeerd gedaan. Soms doen ze dat, op de de weg lopen. Deze zit vol chemicaliën.’

Ik zat in een grote bubbel en keek naar alles daarbuiten. Naar de broeder en de stervende man en naar de binnenkant van de ambulance, maar kon geen woorden vinden. De wereld was een videoband die in slowmotion werd afgespeeld en ik kon enkel aanschouwen. Deelnemen zat er niet in. Ik knipperde met mijn ogen en ook dat stukje band werd vertraagd afgespeeld. Flapperende wimpers door dikke smurrie. Onder water. Ik was onder water.

Maanden later kreeg ik een mysterieuze brief in mijn locker. Nieuwsgierig scheurde ik hem open. Het was de gepeperde rekening van de onderwaterrit naar het ziekenhuis. De man was de volgende ochtend gestorven en de verzekering had Jirka vrijgepleit van roekeloos rijden en dood door schuld. In het ziekenhuis had ik in de hal moeten wachten tussen neergeschoten mannen en mensen met enorme vleeswonden. Ik zag alles en hoorde alles, maar ik was er niet echt. De bubbel zat stevig om me heen. Een zuster had het glas met een pincet uit mijn borsten geplukt en vanuit mijn ik-ben-er-wel-maar-ik-ben-er-niet veiligheid keek ik naar de hand van de vrouw en naar mijn bloedende borsten.

Ik diende de rekening in bij mijn verzekering, maar die wilde niet betalen. Ik wilde ook niet betalen en nu staat er een prijs op mijn hoofd als ik het land van cowboys en indianen wil bezoeken.