Martelfantasieën

Ik heb iets op te biechten: ik heb folterfantasieën. In een tijd waarin mannen hun verkrachtingsfantasieën delen op een online medium met roze inborst en het halve land in rep en roer is over vrijheid van meningsuiting, is het openbaar maken van mijn behoefte tot martelen misschien niet heel handig. Maar ik doe het toch. Ik fantaseer sinds gisteren over de buurvrouw. Om preciezer te zijn: ik fantaseer erover toe te kijken hoe zij pijn lijdt.

Het begon vrij onschuldig met het struikelen over een losse stoeptegel en dan anderhalf voortand eruit en haar hele lelijke hoofd nog lelijker. Vlak daarna drong zich een volgend beeld op: hoe haar insuline vervangen werd door suikerwater en dat dat nare kwabbige lijf van haar hortend en stotend tot stilstand kwam en ik dan binnen kwam lopen en zei: ‘sayonara, bitch!’

Ik ben normaal niet rancuneus, maar loslaten is niet mijn sterkste kant, ik geef het toe. Nu voel ik echter wel iets dat je wrok kunt noemen, maar jezus, het vileine secreet verdient het. Gisteren liep ik mijn voordeur uit en sloeg linksaf langs haar huis. Het oude vel stormde haar voordeur uit en ging voor me staan. ‘Vraag eens aan je man of hij denkt dat er stroom op jullie deur staat, wil je?’ schreeuwde ze mij toe, vlokken speeksel mijn kant op stuwend. Ik woon al elf jaar op deze plek en weet inmiddels dat de vrouw haar psychotische momenten heeft. Ik kan daar doorgaans redelijk mee omgaan, dat wil zeggen ik pas het mijden-en-ontwijken trucje toe, wat tot nu toe prima werkte.

Het diabetes 2-geval klampt me een paar keer per jaar aan met de vreselijkste verhalen over haar gezondheid. Ik luister dan lijdzaam, veins een basale vorm van interesse en grijp elke seconde pauze (die doorgaans pas na vijftien minuten valt) aan om hem te smeren. Mijn man luistert nooit naar haar horrorverhalen en wordt ook nooit uitgenodigd voor tupperware- en spannende lingerieparty’s, zoals ik de eerste jaren dat we hier in tokkieville kwamen wonen. Bij mij hield het goddank op na verloop van tijd, trouwens. Ik vermoed dat het feit dat ik nooit op welke uitnodiging dan ook ben ingegaan (inclusief buurtbarbecue en pleintjes met schlager en aldibier) er iets mee te maken heeft gehad.

Goed, waar was ik. O ja, of de voordeur dus onder stroom stond. Ik vond het een rare vraag, snapte hem ook niet goed en in combinatie met het rondspattende spuug en haar tomaatrode kop snapte ik er al helemaal niks van.
‘Eh, wil je dat ik even kijk of onze deurbel het doet?’ vroeg ik. ‘Hebben jullie wel stroom?’
Het wijf keek me aan en bracht haar enge hoofd nog dichterbij.
‘Je hoeft je niet zo van de dommen te houden, met je onzin over stroom. Je weet dat ik doel op het keihard dicht smijten van jullie deur een kwartier geleden. Door je man.’

Van onder overhangende oogleden keken vermoeide kraalogen mij aan. Langzaam drong het tot me door dat ik erin werd geluisd. Dat ik haar woorden te letterlijk had genomen, dat er helemaal niks met wat voor soort stroom dan ook aan de hand was, behalve dan misschien de nakende kortsluiting in mijn hoofd. Fuck, wat moest ik zeggen?

‘Ja, nou ja, er waren wat problemen met zoon 2 die zijn voetbalkleding niet lekker vond zitten..’ Nee! Nee, wat zeg je nu? Wat is dit voor volstrekte onzin? Je gaat je verdedigen naar dit abjecte mens, wat is er mis met je? Ik wilde nu weg, heel hard wegrennen en tegen haar schreeuwen dat ze lelijk was en zo te zien niet lang meer te leven had, maar ik bleef staan, amorf hoopje vlees dat ik ben.
De heks was op stoom gekomen.
‘En niet alleen nu hè, het gebeurt altijd, altijd wordt er bij jullie met de deuren gesmeten!’ Voor het verhaal zou het beter zijn nu niet in herhaling te vallen, maar ik moet toch vermelden dat het speeksel in een wilde witte vloed over haar lippen kolkte. Ik rilde. Je moet nu weg. Nu. Doe het. Ga, godverdomme. Maar nee, ik bleef, had blijkbaar nog niet genoeg verbale Groningse slijk over me heen gehad.

‘Nou ja, kinderen hè…’ Ik probeerde er een grapje van te maken, de situatie te deëscaleren, terwijl ik iets heel anders voelde.
‘Wat ben jij toch een walgelijk iemand’, gilde ze. ‘Je kinderen de schuld geven! Jij en die walgelijke man van jou doen er ook aan mee, ik heb het bijgehouden!’
De ketenen verdwenen en ik kon weer lopen. Ik draaide me om en haalde mijn schouders op, haar gescheld negerend.

En nu heb ik dus martelfantasieën. Na de insuline-onthouding kwam de behoefte haar met haar mond in een bankschroef te leggen en de boel wat op te rekken en daarna een wenssprookje met een terrorclown die haar in een donker steegje naar een andere wereld liet schrikken. Momenteel zie iik haar zitten op een stoel in een verlaten fabriek met een prop in haar mond en een zestal knapen met kleurennamen die hun interne beest de vrije loop laten. Stroomstootje hier, stroomstootje daar. Kopje boven, kopje onder en een schop tegen een stoelpoot.
Het zijn maar fantasieën en ik voer ze niet eens zelf uit, kun je nagaan! Sommigen mensen fantaseren over een hond hebben zonder hem uit te hoeven laten, over een ren vol kippen die gouden eieren leggen of gewoon over de buurvrouw. Ik dus ook, maar dan net even anders.