Kaltstellen

Hebben jullie soms ook het gevoel in Oceania te wonen, waar newspeak wordt gesproken, de taal van een regime dat elke vorm van zelfdenken verbiedt en het als gedachtemisdaad bestempelt? Waar de vocabulaire is voorgekauwd en bijzonder gelimiteerd is en zo vrije meningsuiting en expressie bijkans onmogelijk maakt? Jawel, ik hyperbool ietwat, maar eerlijk is eerlijk: het voelt soms voor mij wel zo.

Het is hinkelen door een mijnenveld van woorden en frasen die je niet meer mag gebruiken als je niet afgeserveerd wilt worden als racist of nog erger: onwetende. De ‘als je niet voor ons bent, ben je tegen ons,’ vliegen je om de oren. Feilloos weten gelijkgestemden elkaar te vinden, allemaal met dezelfde taal en allemaal met gebalde vuisten voorwaarts het voorhoedegevecht vechtend. Als je met ze in discussie wilt gaan is het zeer beperkte repliek: dat je zo antwoordt getuigt precies van Het Probleem, jij bent daar onderdeel van, je onwetendheid getuigt hiervan. Of deze: jij kunt hier niet over oordelen of een mening over hebben of je überhaupt over uitspreken, want jij hebt het niet zelf aan den lijve ondervonden. Een andere veelgebruikte manier om iemand monddood te maken is als je je uitspreekt over bijvoorbeeld de aanslagen in ‘onze’ steden en wat ze met je doen en dat je dan te horen krijgt dat er in Irak veel meer aanslagen zijn waar veel meer mensen bij sterven en dat moslims ook andere moslims doodmaken. Dus!, zie je in hun ogen staan, fonkelende lava kolkt over je heen. Top that, bitch!

 

En inderdaad. Daar sta ik met mijn mond vol tanden, kaltgestellt. Niet omdat ik het eens ben met zoveel wijsheid, maar eerder omdat ik zoveel kul niet kan pareren. Toch niet lang genoeg polemiek opgezogen op mijn blanke uni. In mijn hoofd vuur ik vragen op je af: Wat wil je met zulke uitspraken? Wil je me de mond snoeren, me vertellen dat ik islamofoob ben, dat ik niet alle moslims over een kam mag scheren? Maar dat zeg ik toch niet als ik zeg dat ik me onveilig voel? Wat wil je dat ik doe, dat ik zeg? Dat ik mijn mond houd en de aanslagen deemoedig accepteer, we hebben het hier zelf naar gemaakt, perfidious West and all. Murwgebeukt voel ik me. Moedeloos. Maar toch…
Fuck dat, fuck dat allemaal. Fuck jullie met jullie drogredenen, jullie die mij vertellen in welk hokje ik hoor als ik zeg dat ik moe word van woorden als ‘safe space’, ‘cultural appropriation’, ‘NBPOC’, ‘agency’ en ‘white privilege’. Fuck jullie die mij vertellen dat ik een stinkend gutmenschfossiel ben omdat ik een ranzige rechtsradicale haatsite die mensen als Sylvana Simons ‘geen Nederlander’ noemt als onmenselijk bestempel, en jullie ook die mij zeggen dat ik een zelfhatende nietwitte ben, een apologeet van het systeem, dat ik door mij niet uit te spreken tegen institutioneel racisme (maar dan in jullie bewoordingen!) het in stand houd. Fuck de mensen die zeggen dat ik ‘onze tradities te grabbel gooi’, ‘culturele waarden verkwansel’, als ik zeg dat ik Sinterklaas een onzalig feest vind, al dat gevreet met Pasen me niks doet en in een adem mij uitspreek tegen de vrije dagen op de school van mijn kinderen op islamitisch suikerfeest.

Je bent een heleboel als je niet in iemands kamp bivakkeert en meestentijds voelt het etiketje plakkerig en nogal krap.
Ik ben kind van vluchtelingen en mijn moedertaal is niet het Nederlands. Toch zie ik mezelf niet primair als buitenlander, allochtoon, iemand met een andere afkomst of kleur of hoe dat tegenwoordig ook maar heet. Ik weet dat het zo is en ik weet ook heus wel dat ik minder vaak word uitgenodigd op een sollicitatiegesprek omdat ik Prazdny van achteren heet. Ik weet dat toen ik trouwde ik de kans kreeg mijzelf een Nederlandse naam cadeau te doen. Ik koos ervoor mijn allochtonische naam te blijven gebruiken. Omdat die van mij is, de naam van mijn overleden vader die kind was van Pruisen en Slaven en Krim-Tataren. Ik voel geen schaamte voor mijn afkomst, maar ook geen buitensporige trots waardoor ik met wapperende vlaggen en toeterende claxon de straat op ga als mijn Allochtonië onverhoopt met ijshockey wint. Hoe hard mij ook is geleerd in de politiekcorrecte jaren 80 dat wij kleurenblind moesten zijn omdat kleur niets over iemand zegt, zie ik nog steeds kleur en dat lijkt me prima. Wat een mens vervolgens met die kleurenbril doet is belangrijker.
En hier komen we dan bij het punt waarop ik de social justice warriors en black racismschreeuwerds gelijk geef: laten we niet doen of kleur er niet toe doet als duidelijk is dat kleur er wel degelijk, aantoonbaar, toe doet. Racisme bestaat. Ook in dit land. Of we het nou leuk vinden of niet, het bestaat. Mensen met een andere afkomst en waar het aan te zien is, worden vaker gediscrimineerd dan mensen aan wie je dat niet ziet. It is that simple. Vind ik dat leuk? Nee. Vind ik dat oké? Ook niet. Zou ik willen dat we ophouden met zwarten, homo’s, joden, moslims, dwergen en dikke mensen discrimineren of uitlachen? Liever vandaag dan morgen.

Maar de rapen zijn gaar als ik vervolgens zeg dat die strijd mijns inziens niet gestreden moet worden op woordniveau, of niet alléén op woordniveau, door allemaal woorden te verbieden, en mensen die die woorden nog wel gebruiken te besmeuren en weg te zetten als racist. Of door mensen die niet in jouw groep zitten te verbieden zich uit te spreken omdat het niet hun strijd is en cultural appropriation en wit centrisme en in je mand. Of door allemaal nieuwe woorden te verzinnen om die mensen die op het strafbankje zitten nog verder mee te shamen.
Als je vervolgens niet een kant-en-klaar plan hebt hoe de strijd wel gestreden dient te worden, ben je dubbel af, de zoveelste drogreden op rij met megafoon in je oor getoeterd.

Mensen. Ik ben gewoon Bronja. Mezelf. Ik kán alleen mezelf zijn, geel als ik ben, niet links, niet rechts, iemand die door omstandigheden stopte met het spreken van haar moedertaal, een Nederlander en toch altijd weer die met die rare naam en Svetlanasnor. Ik moet het ermee doen en dat vind ik doorgaans niet erg. Ja, toen ik na mijn afstuderen 75 sollicitatiebrieven schreef die allemaal werden afgewezen werd ik wel eens chagrijnig. Dacht ik: stomme bekrompen zieltjes die niet voorbij een naam kunnen kijken, denken dat hun poep naar viooltjes ruikt. En nog steeds voelde ik me niet Bronja de allochtoon, maar gewoon Bronja.

De achterstand is (soms) reëel, ik ben de eerste die dat toegeeft, maar ‘blanke landgenoten’ muilkorven, kalstellen, ridiculiseren, lijkt mij niet de manier om deze slag te winnen. Ze tegen je in het harnas jagen door ze ‘bozewittemannetjes’ te noemen en ze de volledige slavengeschiedenis in de schoenen te schuiven, lijkt me ook contraproductief. Mensen attent maken op ingebakken racisme, zonder jij-bakken en politiekcorrect geneuzel lijkt me zinvoller. Hoe? Ik ben er nog niet over uit.