Snelkookpanhoofd

Drie jaar geleden rond deze tijd was ik bang van de wereld te glijden. Ik gleed niet van de wereld maar het scheelde niet veel, zo zwaar voelde het af en toe. Het leven. De liefde. Het gebrek aan liefde, het vertrek van liefde. Ik lag avond aan avond in bed en als ik dan wilde slapen kon ik dat niet vanwege de kakofonie aan gedachten in mijn hoofd.

Snelkookpanhoofd, alles erin, niks eruit. Ik wilde zo graag dat mijn kop gewoon stopte, het gedachteninfarct ophield, maar ik wist niet hoe. Die teringgedachten die mij wakker hielden, die gesprekken die ik voerde met anderen die ik zelf was; het was om gek van te worden, en ik denk dat ik het ook een beetje was.

En toen wist ik wat me vasthield, tegenhield te leven. En toen ik dat eenmaal met grote zekerheid wist, belde ik mijn demonen op en hoorde ik precies wat ik moest horen om door te gaan. De wereld was weer minder hellend en zwart, het gedachteninfarct op relatieve afstand.

Soms denk ik aan die tijd, aan hoe ik bang was van de wereld te glijden en hoe ik, net als toen ik een dubbele longontsteking had gewoon maar doorging, niet voldoende de ernst van de gitzwartheid kon zien, aangezien mijn motto blijkbaar was: ‘Zolang ik nog adem en denk, besta ik’ en daarmee zwart voor grijs verwarde. Toen ik hallucinerend van de koorts van mijn fiets lazerde kwam een voorzichtig besef dat het niet oke met mij ging. Toen ik tegen mezelf wilde schreeuwen dat ik mijn kop moest houden, kwam ook dat besef.

Soms denk ik daaraan terug en maak ik met mezelf de afspraak dat ik het nooit meer zover laat komen. Dat ik hulp zoek als het grijs ooit nog zo zwart wordt of de koorts me bijna van mijn fiets laat lazeren.