For fuck’s sake

Ik sta bij de balie van de bibliotheek met mijn zoon. We komen een boek omruilen. Ons voorleesboek mist een pagina of twaalf tegen de ontknoping en hoewel wij stevig erop los hebben gefilosofeerd over hoe het laatste hoofdstuk zijn einde vond (en ook waarom! Waarom natuurlijk ook!), tasten we uiteindelijk in het duister. Volgens mijn oudste zoon moet het een hond zijn geweest die het papier tussen zijn tanden naar een andere wereld hielp, maar er staan geen tandafdrukken op de flubbertjes papier die nog wel aanwezig zijn. De andere zoon denkt dat een kindje geen boksbal van zijn ouders mocht en daarom zijn agressie maar op de Grijze Jager heeft uitgeleefd. Ik verwerp dit. Niemand gaat toch zo maar een boek kapot scheuren? Hij kijkt me aan met een ‘duh’-blik. Of ik een fossiel ben, soms?

‘Duh’, zegt de oudste.

En nu staan wij dus bij de balie van de bibliotheek om te vragen of wij dit kapotte exemplaar kunnen inruilen voor een ongeschonden deel. Er is niemand. We wachten. Mijn zoon vraagt of hij op de butlerbel moet meppen en ik haal mijn schouders op. *pling*.
Na vijf minuten komt een dame van middelbare leeftijd aanstiefelen. Er hangt een wolk rook om haar heen alsof ze de cosplay versie van alamo heeft nagespeeld. Ik overhandig haar het boek en zeg dat de laatste pagina’s verminkt zijn en dat we graag een zelfde boek maar dan zonder vernietiging willen. Of ze die voor ons heeft. Ze kijkt van mij naar mijn zoon en begint dan tergend langzaam door het boek naar achteren te bladeren. Bij de misdaad aangekomen kijkt ze weer omhoog. Haar bril is afgezakt en ze staart ons over de glazen streng aan.

‘Hebben jullie dit gedaan? Mag ik vragen waarom?’

Ik voel irritatie jeuken in mijn hersenen. Mijn zoon zegt niks maar heeft een hoofd als een tomaat.

‘Nee natuurlijk niet!’ weet ik uit te brengen. Heeft ze niet geluisterd naar wat ik zei?
‘Wij kregen het boek zo en een laatste hoofdstuk niet kunnen lezen omdat het er niet meer is…is misdadig. Kunnen we hem omruilen?’

Ze blijft argwanend. Ongelovig. Misschien snapt ze niet wat het probleem is, maar dat kan ik haast niet geloven, iemand die in de bibliotheek werkt en niet snapt dat een missende ontknoping mishandeling is.

‘Maar wie heeft het dan gedaan? Iemand moet het toch gedaan hebben!’

De ergernis in mij hersenen begint zich te verspreiden en krijgt dezelfde kleur als het hoofd van mijn zoon. Ik sluit mijn ogen even, druk de woede weg. For fuck’s sake: blijf rustig, Bronja. De vrouw snapt je niet, dat kan gebeuren. DAT KAN GEBEUREN , JA!

‘Ik weet niet wie dat heeft gedaan,’ antwoord ik naar waarheid. ‘Wij niet, maar we willen het boek wel graag uitlezen. Heb je een ander exemplaar?’

Ze schudt haar hoofd. ‘Nee, dit is het enige exemplaar op het moment.’ Dan haalt ze het boek over een plaat op de balie en schrijft vervolgens op een post-it dat het boek beschadigd is. Ze rolt haar bureaustoel naar achteren, legt het boek op een plank, draait zich weer om en rolt terug, haar benen als poodlepootjes peddelend over het linoleum.

‘Ik zal een nieuwe voor jullie reserveren,’ zegt ze en ze rost op het toetsenbord naast het magneetding op de balie. Mijn zoon is nog steeds stil maar kijkt inmiddels met grote alarmering in zijn ogen naar het vrouwmens. Geen duh-blik, eerder volslagen ontzetting.
Mijn woede heeft plaatsgemaakt voor ongeloof. Natuurlijk, ik wil de vrouw nog steeds slaan, maar ik moet nu ook een hysterisch gegiechel onderdrukken. Wij zitten niet helemaal op een lijn, denk ik en shit, daar is me toch een proest ontsnapt. De zoon kijkt me boos aan.

‘Mama, godverdomme,’ sist hij. ‘Ze neemt het boek in! Wat gaan we vanavond lezen dan?’

Ik trek mijn wenkbrauw op, maar bedenk dan dat ik hem geen standje geef voor zijn godverdomme. Ik snap de godverdomme. Ik vóel de godverdomme.

‘U heeft ons denk ik niet goed begrepen, maar we willen vanavond graag lezen uit dit boek. Als er geen nieuwe is dan nemen we deze wel weer mee. Als de reservering er dan…’. De vrouw onderbreekt mijn zin.

‘Jullie willen dit boek toch niet meer?’ bijt ze me toe en ik sla mijn ogen neer. Dit wordt hem niet vandaag. Na nog zo een paar minuten Babylonische spraakverwarring krijgen we toch het oude boek mee en staat er een reservering.

Als we weglopen zeg ik tegen mijn zoon dat hij zojuist een briljant voorbeeld heeft mogen aanschouwen van het woord miscommunicatie, ofwel hoe het niet moet. Hij stoot me aan en draait met zijn ogen.

‘Duh, mama.’