Goodnight Saigon

Koen vroeg of ik mee naar Zuid-Frankrijk wilde. Druiven plukken. Ik was achttien, tussen twee eindexamens in, soort van dakloos en behoorlijk stuurloos en zei ja. Vrachtwagenhoppend arriveerden we in Avignon, waar we informeerden bij lokale wijnboeren. We waren te vroeg, de druiven waren nog niet rijp. In Avignon niet, in Orange niet en ook niet in Aix-en-Provence. Teleurgesteld liepen we langs de stoffige snelwegen, Koen in de bosschages als er een vrachtwagen langskwam, ik alleen met mijn duim in de lucht. ‘Dan worden we sneller meegenomen,’ zei hij en het leek erop of hij gelijk had. Vaak stopte een trucker en als Koen dan het duveltje-uit-het-doosje trucje deed, zoefde zo’n man er soms merkwaardig hard weer vandoor. Uren en uren liepen we langs honderden potsierlijke rotondes en tientallen hypermarchés met het mooiste Franse woord ooit (‘bricolage’) op het voordeurplastiek, tot we flamingo’s zagen die zo roze waren dat het pijn aan onze ogen deed. We hadden bijna geen geld en fantaseerden over nooit meer teruggaan. We sliepen samen in een veel te kleine tent en Koen verklaarde mij de liefde die ik onbeantwoord liet. Hij rookte Gitanes van ons minimale budget en speelde gitaar terwijl ik een beduimelde Steinbeck las. Hij zong een wonderschone versie van Goodnight Saigon, en het voelde net zo, alsof we de dag in onze handpalm hielden en hoewel zijn prachtige muziek me helemaal niet onberoerd liet, kwam de liefde ook niet.