Znežanka

Ik heb pikzwart haar en reebruine ogen. Ik ben Sneeuwwitje, diepgevroren van buiten met vanbinnen een vuurtje dat maar niet uit wil gaan, hoe hard het ook waait. Ik heb ooit mijn hart aan iemand cadeau gedaan, maar die heeft het via een tekstberichtje teruggestuurd, en ook nog eens zo gehavend dat het feitelijk onbruikbaar is geworden. Verfrommeld, aangevreten, noem maar op. Ik wacht niet meer op een nieuwe prins; dat mijn hart van buiten hard is en vanbinnen roze en warm komt niet van het wachten tot ik opnieuw word wakker gekust. Ik denk dat hij blijft kloppen omdat er liefde woont. Liefde voor een klein meisje, met de haren van de slapende prinses en ogen als korenbloemen gelijk de man die haar vader had kunnen zijn.
Ik rouw niet meer om de valse prins. Ik haat niet meer elke dag met een intensiteit zoals de krachten die een springvloed veroorzaken. Ik haat nog wel, maar eerder kabbelend. Af en aan. Hanteerbaar, ook. Vind ik zelf.

Er zijn soms hele perioden dat ik niet meer denk aan hem. Tien jaar geleden, toen mijn onherstelbare hart terugkwam via enen en nullen, doorliep ik in een jaar of zes, ik doe daar blasé over, maar feitelijk weet ik precies hoelang het duurde, alle stadia van rouw die zeker niet alleen met hem te maken hadden. Zeker, ik rouwde om hem. Om de liefde die niet meer beantwoord werd, om het gemis aan intimiteit, om de verandering die onaangekondigd en abrupt kwam (ik hou niet van veranderingen), maar vooral omdat ik met allemaal onbeantwoorde vragen achterbleef die me gek maakten. Gek van verdriet was ik, maar vooral gek van niet weten waarom (ik hou niet van niet weten waarom). Maar het rouwproces duurde niet zes jaar en achtentwintig dagen vanwege de valse prins. Ik was niet jaren verdoofd, waarvan maanden letterlijk, opgenomen in een kliniek voor mensen die het leven niet aan kunnen, verloor niet mijn baan, gladde huid, vrienden en verstand, vanwege een man die mij niet meer wilde zien en niet het lef had mij uit te leggen waarom. Ik was compleet naar de tering gegaan vanwege het meisje dat alleen in mij woont en nooit een dag ouder wordt.

Ik heb heel lang gedacht dat er maar één waarheid bestond. Dat hoe je er ook naar keek, de uitkomst van een optelsom altijd dezelfde is. Feiten zijn feiten, die zijn niet naar inzicht in te kleuren. Nu ben ik daar niet zo zeker meer van. Nog steeds kan ik mij niet voorstellen dat anderen een gebeurtenis, een emotie, wat dan ook anders ervaren dan ik, maar de psycholoog van de afdeling waar ik regelmatig verblijf heeft mij proberen te overtuigen dat er meerdere waarheden bestaan en dat dé waarheid alleen in sprookjes en kinderverhalen bestaat. Dat de wereld niet zo zwart-wit, goed of kwaad, is als ik hem zie. Ik vind dat een beangstigende gedachte want waar kun je dan nog op vertrouwen als iedereen andere conclusies trekt na het beleven van eenzelfde ramp of innige liefdesband? En hoe zit dat met woorden? Hoe kan het dat iemand woorden gebruikt om zijn gevoel te uiten maar zijn daden staan hier haaks op, zeg maar twee voeten die allebei een andere kant oplopen. Dat wreekt zich toch ergens denk ik dan maar de psycholoog noemde mij naïef. Goed van vertrouwen. Kinderlijk. Ik vond hem een cynische ouwe geit, maar dat zei ik niet hardop.

En nu, tien jaar later, lijk ik weer vrij te kunnen ademen. Zo’n zelfde psycholoog zou zeggen dat de stadia van rouw doorlopen zijn. Ik ben verlost van de ketenen, ik mag weer leven van mezelf. Ik zit in de Efteling, net als elk jaar op dezelfde dag -5 augustus- ben ik hier. Ik ga nooit in een attractie. Ik kom hier om naar andermans kinderen te kijken. Hoewel de snijdende pijn is weggeëbd, kom ik hier nog steeds. Ik zie het als een soort van traditie, een hommage, een ode aan iemand die er niet is, nooit was maar nog altijd, elke dag wordt gemist, zij het alleen door mij. Ik mag dan misschien weer leven van mezelf en haar afwezigheid is niet meer allesoverheersend, maar het kan geen kwaad om eens per jaar mijn liefde voor het kleine prinsesje te vieren.

En dat doe ik hier. In de Efteling. Kijkend naar de kinderen van anderen. In het begin was het een kwelling, het gebeurt dat ik opgenomen word na mijn bezoekje aan het park van Lange Jan, maar al een paar jaar nu ga ik niet meer kapot op en na 5 augustus. Ik vier, geniet zelfs, merk ik vandaag. De zon schijnt, er staat een zuchtje wind en de hemel is wolkeloos. Ik draag een oranje zomerjurkje en teenslippers en zit op een bankje. Mijn zwarte haren zijn vastgebonden met een smaragdgroen lint en mijn nek wordt aangenaam gestreeld door warmte. Het is druk, maar niet zo erg dat de individuele mensen een brij worden, je weet wel, mensensoep. Ik zit in het sprookjesbos, tegenover het huisje van mijn naamgenote Sneeuwwitje, waar ik al negen jaar op deze dag zit. Ik zie de kleine meisjes komen en gaan, ook jongetjes natuurlijk, maar ik zie alleen de meisjes. Hoor hun hoge uithalen als ze ergens van schrikken of verrukt raken, ruik hun kleine meisjes lijven en zoete adem als ze mijn bankje passeren met een ijsje in de ene hand en hun andere knuistje stevig verpakt door de hand van een ouder. Ik kan nu genieten van het schouwspel. Vroeger bewerkte ik de ouders met denkbeeldige ijspriemen tot ze bloedend op de grond neerzakten en ik zo’n poppetje meesleurde omdat ze van mij was. Hoorde te zijn. Ik zit hier en het is best oké.

Een vrouw met een tweetal dochters sjokt voorbij. Blonde meisjes, een jaar of zes en negen zijn ze denk ik. Ik volg ze met mijn ogen, ik vermoed dat er een glimlach op mijn mond zichtbaar is. De vrouw, ik denk de moeder maar dat weet ik natuurlijk niet zeker, voelt mijn blik en kijkt om. Haar ogen vernauwen zich en haar lichaam verstijfd een beetje. Dan grijpt ze de hand van het oudste meisje, iets wat ik raar vind omdat ik het idee heb dat je als ouder de hand van je jongste zou pakken, maar ik weet er helemaal niks van want ik ben geen echte mama. De oudste dochter vindt het ook raar, want ze schudt de hand van de vrouw los. Ze kijkt ook om en staat stil. Ze kijkt nu naar mij. Het is alsof de tijd even stilstaat voor mij. Het meisje is mijn prinsesje, maar dan zonder mij als mama.

‘Kom nu, Tinke, papa wacht in het restaurant’ zegt de vrouw. ‘Ik denk dat hij iets leuks voor je verjaardag heeft geregeld, kom nu, straks ben je niet meer jarig’.
Het meisje dat Tinke heet draait zich weer om en loopt achter haar moeder en kleine zusje aan. Hoewel de tijd doorliep, dat moet wel want er zijn dingen gezegd en gebeurd, voelt het alsof de zandloper fluïde is en iemand een hand om de hals heeft gesloten en het zand er niet door kan. Het meisje Tinke is ook jarig. Net als het prinsesje is ze op 5 augustus jarig. Ik doe wat ik moet doen, mijn voeten dragen mij. Ik volg de vrouwen naar de taart en de man. Ik heb geen keuze hierin. Ik loop zo onopvallend mogelijk, ik weet hoe dat moet, mijn voeten hebben mij immers honderden keren in soortgelijke situaties gedragen. De vrouw en de meisjes hebben niet meer omgekeken. Ik ben een volleerd onzichtbare vrouw geworden. Tegen wil en dank, moet ik daar helaas tot mijn spijt aan toevoegen maar als ik, naast onzichtbaar observeren van het leven van anderen, ergens goed in ben, is dat het besef dat het leven soms zo overdonderend kan zijn, zo wrang en zo hardvochtig, dat de enige manier om niet gillend gek te worden van de klappen die je krijgt, je hoofd te buigen en als riet mee te veren met hetgeen erover en langs waait en onder je door kabbelt. En niet ertegenin te gaan. Daar ben ik pas vrij laat in mijn leven achter gekomen, maar daar wil ik het nu niet over hebben. Dat is verleden tijd. Ik ben nu gezond. Ik haat, maar met mate en ik mis, maar zonder openliggende zenuwpijn. En ik voel de zweetdruppeltjes langs mijn oksels mijn zomerjurkje in lopen terwijl ik de kinderen en hun mama onopvallend volg. Niemand is mijn baas, niemand bindt mijn armen meer bij elkaar en niemand spuit mij meer plat. Ik ben weer van mezelf en heb wijze lessen geleerd.
Onzichtbaarheid en deemoedige acceptatie.

Bij het restaurant, dat Pinokkio heet en Italiaans eten serveert (wat ik raar vind want willen kinderen niet enkel pannenkoeken en patat in een pretpark?), schiet ik achter een boom. Ik zie een man zwaaien vanachter mijn schuilplek. Het lijkt zo net of hij naar mij zwaait en het kost me even om te beseffen dat zijn affectie niet voor mij is maar voor zijn familie. Waarom was ik de vrouwen ook alweer gevolgd? Ik ben een beetje in de war. De vader en zijn dochters en vrouw zijn nu herenigd, hij steekt zijn arm omhoog en gebaard een ober naar het tafeltje. Die knikt, loopt weg en komt even later met taart terug. Er wordt gezongen, ook door de ober en een paar mensen die rondom de familie zitten haken aan en zo wordt het meisje dat Tinke heet en op 5 augustus ook tien is geworden vrolijk toegezongen. Voor ik het goed en wel doorheb ben ik aangeschoven bij de feestvierende mensen en zing ik uit volle borst mee. Het voelt goed het leven te vieren –al is dat het leven van een kind dat niet het mijne is. Ik zing ook een beetje voor dat andere kind dat alleen ik vanbinnen ken.

Ik zing alleen. De mensen zijn gestopt met zingen. Het duurt even voor ik het merk, ik zie eerst de ogen die me aan staren en de opengesperde monden, dan zie ik de arm van de moeder die beschermend om de jarige haar hals zit geklemd en dan hoor ik dat de monden geen klanken en woorden meer voortbrengen en als laatste pas hoor ik de stilte. Waarom zingen de mensen niet meer?

Voor ik iets heb gezegd, ligt er een hand op mijn schouder en word ik gemaand op te staan. Achter mij staat een meneer die ik ken. ‘Mevrouw Miller, u weet toch dat u niet meer in de Efteling mag komen? Uw parkverbod geldt nog steeds. U valt de mensen weer lastig. Ik moet u dan ook verzoeken om onmiddellijk te vertrekken. Sterker nog, de politie komt er zo aan en zal u van ons terrein begeleiden. Wat is dat toch met u? Waarom blijkt u maar komen? Wanneer dringt het eens tot u door dat de mensen bang van u worden?’

De politiemannen lopen te dicht naast mij, ik kan geen kant op. Ik ruik dat de linker man knoflook heeft gegeten en geen peterselie erna en de andere man geen schoon shirt heeft aangetrokken vanochtend. Zit er synthetische vezel in de politie-uniformen denk ik als het park word afgeleid. En: ik wil zelf lopen, vrij zijn. Waarom mag ik niet meezingen voor de verjaardag van een ander meisje dan mijn dochter wier verjaardag ik nooit kan vieren? Waarin schuilt het probleem? Wie heb ik ooit kwaad gedaan?