Poepraam

Ik lig op mijn doorgezakte groene Klippan en kijk door het al drie jaar niet gewassen raam naar buiten. Als je om de kinderhandjes binnen en vogelpoep aan de buitenkant heenkijkt is dat wonderwel mogelijk. De zon schijnt. Ik heb last van mijn rechterheup. Een ouwemensenkwaal, denk ik. Dat heb je er nou van, je bent ongemerkt over the hill geraakt en hebt niet eens van elke dag genoten. Nee, zeg ik tegen mezelf, doe eens niet zo zwartgallig. Je heup doet pijn omdat je in plaats van op een stoel werken of staand lezen, de godganse dag als een aangespoelde zeekomkommer op die kutbank je werkzaamheden doet. Schrijven, lezen, research, nadenken terwijl je door dat chemisch verontreinigde raam naar buiten staart: alles doe je liggend.

Buiten loopt de Libanese overbuurman voorbij. Hij komt eigenlijk uit Irak en hij loopt ook niet echt. Het is eerder een soort schuifelen, zonder vloeiende beweging. Hij zet zijn ene ieniemienie voetje voor het andere en houdt dan zijn pas in om vervolgens weer voorwaarts te gaan. Zou hij ook verkeerd op zijn bank liggen, denk ik. Hij heeft vier kinderen en zoveel kleinkinderen dat ik de tel ben kwijtgeraakt omdat er elk jaar nieuwe bijkomen en ik ze niet meer uit elkaar weet te houden. Ze spelen hier met z’n honderden op het pleintje en gaan naar bed als hun ouders naar bed gaan. De oude man ziet mij naar buiten staren en zwaait. Ik zwaai terug. Ik wiebel met mijn heupen heen en weer in een soortement poging tot lichaamsbeweging.

Het belooft een mooie dag te worden.