Zingevingsshopper no.2/2: monkey minds

Een week later zat hij weer in een ongemakkelijke lotushouding in het lokaaltje met het lage systeemplafond te wachten op Wim die hen zou vertellen over apengedachten. Hij had lang getwijfeld of hij überhaupt nog behoefte had aan deze cursus, maar na lange diepe ongemakkelijke contemplatie was hem duidelijk geworden dat hij niet zozeer geen behoefte had aan deze verdieping (juist wel!) maar als een Mount Everest opzag tegen het weerzien met de groep idioten die zich hier verzamelde.

Wat had hij zich nietig en nutteloos gevoeld onder de decibellen van hun gelach. Waarom liep zijn leven zo, waarom ging het altijd zo? Klaas-Douwe snapte het echt niet. Zelfs op de school waar hij geschiedenis doceerde en waar hij toch de volwassene was en natuurlijk gezag zou moeten uitstralen, voelde hij zich met enige regelmaat de mindere en dat dan niet in bijzijn van zijn collega’s en wel voor de klas met puberende havisten en atheneërs. De kleine fuckers wisten precies en genadeloos wat zijn zwakke plekken waren.

Maar hij besloot de cursus af te maken, zich niet te laten kennen, heel onzen zijn tanden op elkaar te klemmen met een ferme mentale middelvinger naar zijn medecursisten. En zo zat hij hier dus te wachten op, nou ja, iedereen. Hij was veel te vroeg. Na tien minuten kwam de kralenketting binnen samen met een vrouw met knalrood henna geverfd haar waar bovenop het grijs zich ruig een weg naar buiten had weten te boren. Het kapsel, als je dat zo kan noemen want veel coupe zat er niet in, deed Klaas-Douwe denken aan een uitgewoond en verlaten vogelnest. De Kralenketting en Kiki de Bosheks dacht Klaas-Douwe en hij gniffelde inwendig. Wat een duo. Wel weer typisch dat er al contact tussen de mensen onderling was gelegd, maar misschien kenden de vrouwen elkaar al van elders. Neurotisch friemelde hij met zijn vingers.
‘Hé Han Peekel, hoe is het met je?’
De Kralenketting keek hem geamuseerd aan en grinnikte vervolgens. Val alle snedige comebacks die hij kon verzinnen, kwam er niet eentje spontaan bovendrijven.
‘Hé hoi. Ja goed. Maar ik heet Klaas-Douwe.’
‘Ja joh, dat weet ik toch’, zei ze en knipoogde. ‘Monkey minds vandaag, Klaas-Douwe. Succes!’ Ze ging zitten en even later plofte het rood-met-grijze vogelnest ongracieus naast haar op een van de kussens.

Niet veel later kwamen ook Wim, Eric, Leopold en twee mannen waar hij de naam niet van wist omdat zij zich nog niet hadden voorgesteld de eerste keer, het tot meditatieruimte omgebouwde kantoorkamertje binnen. De vrouw met de lange blonde vlecht was afwezig zei Wim toen iedereen luidruchtig een plekje had weten te vinden. Ze zou helemaal niet meer komen, want ze zat inmiddels al een paar dagen in Tibet. Mediteren bij de monniken, in heerlijke tijdloze stilte afgewisseld met zielreinigende noeste arbeid in de tuin en op het land. Ik ben niet snel jaloers, zei Wim, maar Trudy heeft het toch maar weer mooi voor elkaar, vinden jullie niet jongens? Knikkende hoofden, bevestigend gemompel en natuurlijk haantje de voorste Leopold die het nodig vond meer dan non-verbaal zijn mening kenbaar te maken.
‘Die Trudy!’ zei hij. ‘Diepe bewondering voor iemand die zo soepel haar passie volgt! Daar gaan we ongetwijfeld nog veel van en over horen!’
Wim antwoordde echter dat hij vermoedde dat juist het tegenovergestelde waar was. Als Trudy de rust in de stilte zou vinden zouden we helemaal niks meer van haar horen. Eat that, kale stumper, dacht Klaas-Douwe.
‘Goed, jongens. Vandaag gaan we kijken of we onze hongerige hypergedachten wat tot bedaren kunnen brengen. Overactief, rusteloos, onverzadigbaar zijn ze, impulsief, besluiteloos en onbeheersbaar. Ze eisen vaak alle aandacht op, en dat meestal ook nog onbewust!, ze zijn soms zo sterk dat we als slaven hun bevelen opvoeren. Helemaal stil worden ze nooit, die monkey minds, maar we kunnen ze met enige oefening wel temmen en dat is bedrieglijk simpel. Ga maar lekker zitten.’ Wim nestelde zich dieper in het platte kussen, legde zijn handen op zijn gekruiste benen en sloot zijn ogen. De groep aapte hem na, en net als de eerste keer dat ze begonnen aan de visualisatie was het weer een komen en gaan van zuchten, uitgeblazen lucht en keelklanken. Klaas-Douwe deed snel zijn ogen dicht.
‘We hebben allemaal monkey minds zegt de Boeddha’ vervolgde Wim. ‘Onze geest is gevuld met hyperactieve apen, ze rennen, springen en weten van geen ophouden, zo wild als ze zijn.’ Hij nam een diepe teug adem en blies hem vervolgens krachtig uit. ‘Luister maar eens naar die apen in je hoofd. Laat de chaos maar gebeuren. Probeer nog niets te doen, alleen maar luisteren. Wat een gedachteninfarct hè? Alles door elkaar, geen structuur. Vermoeiend.’
Klaas-Douwe had het gevoel dat de adem uit zijn luchtpijp werd geslagen, zo hard kwamen de gedachten bij hem binnen. Waren die er altijd, in deze sterkte? Inderdaad, vermoeiend, maar vooral beangstigend daar hij zich er nooit bewust van was hoe dominant ze waren. Bepaalden deze dronken apen zijn gedachten en hoe zat het dan met gevoel en gedrag? Luisterde hij naar deze angstige chimpansees, en nog afschrikwekkender: handelde hij ernaar? Wat afschuwelijk.
‘De Boeddha liet zien hoe je met jouw eigen apen om kan gaan. Dat proces van leren kennen begint bij observatie: kijk hoe ze werken, luister onbevangen naar ze, vel geen oordeel maar wees kritiekloos. Boeddha liet zijn leerlingen zien hoe je door eenzame meditatie, door enkel je geest tot rust te brengen door op je ademhaling te focussen, of door je op een visualisatie of een eenvoudige mantra te richten je na verloop van tijd de apen kunt leren temmen.’
‘Horen jullie allemaal jullie aapjes? Wat zeggen ze, zijn ze angstig? Proberen ze je te weerhouden hardop te spreken, actie te ondernemen?’
Instemmend gemompel. Ook Klaas-Douwe moest onderkennen dat zijn stuiterballen voornamelijk angstapen waren. Ze varieerden van blinde paniekgevallen tot bedrieglijk kalme exemplaren, die hem ervan probeerden te weerhouden echt naar zijn gevoel te luisteren. De grote gemeenschappelijke deler in deze psychiatrische dierentuin was echter de angst ontmaskerd te worden als lege huls, als charlatan. Alles stelden deze ongemediceerde ongeleide projectielen in het werk Klaas-Douwe ervan te weerhouden echt op zijn gevoel af te gaan.

Deze realisatie kwam als een schok, een koude rilling gleed sidderend over zijn ruggengraat. Hij, die zijn ziel wilde voeden, die zijn leven betekenis wilde geven, was al die tijd bezig geweest met het niet luisteren naar zijn ware gevoel en enkel gefocust op de buitenkant. Bezig met wat anderen van hem vonden, hoe hij overkwam, erbij willen horen. En daar waren die apen weer, krijsend en schreeuwend door elkaar heen, een spervuur van flitsen door zijn schedel om hem in het gareel te houden. Fuck you, dacht hij. Echt, fuck you! Ik ga niet naar jullie luisteren! Wim mag zeggen wat hij wil, maar deze paar minuten jullie toelaten vult mijn hele lijf met adrenaline, stress en angst: ik pas ervoor.
Het was alsof Wim zijn gedachten kon lezen, want zijn woorden sloten naadloos aan bij de weerzin die Klaas-Douwe voelde. ‘Het is zinloos met ze te vechten, of ze proberen uit te bannen, jongens. Geloof mij, ik spreek uit ervaring. In plaats van ze te bevechten liet de Boeddha zien hoe je door simpele meditatieoefeningen de apen tot rust brengt. En hij heeft gelijk: door die dwingende gedachten er maar gewoon te laten zijn en je ergens anders op te richten, worden angst, zorgen en andere negatieve emoties minder dominant. Wij gaan de komende weken leren hoe je dit doet, luisteren naar en in gesprek gaan met je apen, ze niet proberen de nek om te draaien, immers: wat je probeert te weerstaan, blijft bestaan, maar ze juist alle ruimte te geven er te zijn, om vervolgens onze aandacht elders op te focussen zodat niet alle aandacht bij de chaos, angst en paniek ligt. Jullie leven zal ingrijpend veranderen door meditatie, jongens. Het is een van de mooiste geschenken die je jezelf kan geven.’

*
De weken na de introductie van de apengedachten oefende Klaas-Douwe contentieus op de verschillende meditatietechnieken die hem uiteindelijk zouden moeten verlossen van zijn neuroses. Helaas had het er alle schijn van dat hij een slapend monster had gewekt: de gesloten inrichting die zijn hoofd voorheen was geweest, leek door het luik dat hij onder bezielende begeleiding van Wim had aangebracht, te werken als een defecte sluis. Hetgeen hem eerder onbewust had aangestuurd, de angst ontmaskerd te worden als incompetente fraudeur, spoelde de laatste tijd in akelig tastbare vorm over hem heen. Van alle kanten beukten de paniekgolven tegen hem aan. Badend in het zweet werd hij wakker, vaker wel dan niet en dacht: hoe sluit ik deze zee-kering, deze vervloekte doos van Pandora?
Hij had het aan Wim voorgelegd, ietwat beschroomd nadat een les was afgelopen en Wim had zijn zachte hand op zijn schouder gelegd en hem daar laten liggen terwijl hij probeerde Klaas-Douwe op zijn gemak te stellen. Iets over van onbewust onbekwaam naar bewust onbekwaam met als einddoel bewust bekwaam. Nu Klaas-Douwe kennisgemaakt had met zijn angstapen kon hij zich focussen op zijn ademhaling tijdens de meditaties.

Maar ik wil die angstapen niet, had Klaas-Douwe harder dan hij wilde gezegd. Wim had even in de vlezige schouder van de leerling geknepen en vervolgens gezegd dat die apen er natuurlijk altijd al waren geweest, maar dan zonder dat hij zich ervan bewust was geweest. Nu hij van hun bestaan wist, leken ze oorverdovender te schreeuwen dan voorheen, maar dat was enkel omdat hij nu van hun bestaan wist. Hij kon ze nu leren kennen, zijn angsten onderzoeken, mildheid betrachten in plaats van in onwetendheid leven en van hieruit kon hij verder. Dat is toch prachtig, had Wim gezegd en Klaas-Douwe had ja gemompeld maar heel hard nee vanbinnen geschreeuwd.
Hij voelde zich mislukt. Hij zag hoe de anderen opbloeiden, haast verlicht leken, of op zijn minst lichter, terwijl hij steeds zwaarder gebukt ging onder het primatengeweld in zijn hersenpan. Meditatie was niet voor hem weggelegd. Zoveel was hem inmiddels wel duidelijk. Te confronterend, te dichtbij. Hij werd er bloednerveus van. En hoewel hij de twee opeenvolgende weken trouw aanwezig was, merkte hij dat dat zijn aandacht steeds minder bij de cursus Wat Meditatie Echt Is was. Zijn gedachten gingen met hem aan de loop tijdens de visualisatieoefeningen en mantra’s leken na elke paar herhalingen spontaan te veranderen, hij vergat wat de toverwoorden waren, omdat hij zich op alles behalve het vasthouden van de hypnotiserende cadans van deze ritmisch uitgesproken woorden focuste. Wederom een verliezer, dacht hij bitter en hoewel hij zich voorhield dat het geen zelfhaat was dat hij voelde, stond er ook bitter weinig liefde voor de persoon die hij was geworden tegenover.
De dag voor de vijfde bijeenkomst voelde hij dat het genoeg was en stuurde hij in de pauze een mail naar Wim. Dat hij ermee stopte, met de cursus en met mediteren. Nog voor het volgende uur begon had hij antwoord van de man die wel zen werd van mediteren en die iedereen behalve Klaas-Douwe enthousiast had weten te maken om zich verder te verdiepen in de leer van de wijze Boeddha. Wim schreef hem dat het hem speet dat Klaas-Douwe vroegtijdig stopte en dat hij ten zeerste had gehoopt dat zijn adem lang genoeg was geweest om de angstige apen te leren beheersen maar dat het niet anders was. Hij sloot af met een vriendelijke groet waarop de piece de resistence volgde in de vorm van een ps. Wim zei dat hij nog even had getwijfeld of hij het moest zeggen maar besloot van wel omdat hij meende dat Klaas-Douwe wellicht gebaat zou zijn bij deze laatste woorden: ‘pas op met shoppen, vriend. Geluk is een weg en geen einddoel. De vrede komt vanbinnenuit en heeft geen tastbare, externe vorm. Het ga je goed.’
Met opeengeperste lippen liep Klaas-Douwe naar zijn lokaal. Vandaag zou hij VWO 4 gaan vertellen over de Republiek en de grote wetenschappers die zij aan had weten te trekken. Hoewel hij meer hield van de modernste geschiedenis, waren Locke en Spinoza wel namen waar hij graag over vertelde, dus probeerde hij die nare post scriptum van Polderwim uit zijn hoofd te bannen en zich op de loepzuivere logica van Baruch Spinoza te richten. Vreemd genoeg ging hem dat wonderwel af. Nog voor hij het klaslokaal betrad, waren alle gedachten over meditatie uit zijn hoofd verdwenen. Wat een heerlijk bevrijdend gevoel was dit toch, ik hoef niet meer te mediteren. Ik hoef niet meer te mediteren. Ik hoef niet meer te mediteren, kijk nu ik bevrijd ben van het moeten kan ik het wel.