Het subtropisch zwemparadijs

Ik rende voor mijn leven. Letterlijk, vooral, maar de achtervolging was zodanig lang en uitputtend dat alle andere mogelijkheden ook niet uit te vlakken waren. Ik was doodsbang, wederom heel letterlijk en mijn hart klopte zo absurd hard dat ik me zorgen maakte of hij het wel zou overleven. Dat natuurlijk alleen als ze mij niet eerder te pakken zouden krijgen, in welk geval dat arme veel te snel kloppende hart sowieso kassiewijlen zou zijn. De mensen op de straat keken nauwelijks op, in deze maatschappij is het niet heel ongewoon een mens voor zijn leven te zien rennen. Mijn achtervolgers droegen machinegeweren, kogelvrije vesten en hadden veel ervaring met het doden van ongewapende burgers met niet meer op hun kerfstok dan een leugentje om bestwil. Ik was zo’n burger. Er is geen lang verhaal over hoe het zo gekomen was – ik was te lastig geworden, met mijn kritische vragen op live tv, ik luisterde niet naar de dreigementen en nachtelijke telefoontjes, ik liet mij verzorgen op de SEH nadat ik op klaarlichte dag op het toilet van een eetcafé in elkaar geslagen werd, maar ik stopte niet met mijn vragen. Ik ging door en nu werd ik achtervolgd door vier tot de tand bewapende mannen met een ‘license to kill’. Als ik zou struikelen of worden ingehaald, was het over voor mij.

Ondanks de angst was mijn hoofd toch bezig met de opties langs te lopen. Het waren korte snelle beslissingen die ik nam, afhankelijk van wat ik om mij heen zag en hoorde. Tak-tak-tak gingen mijn hersenen. Stond er ergens een deur open, kon ik een hoek om en snel ergens naar binnen schieten om zo uit het gezicht van de achtervolgers te geraken? Kon ik obstakels opwerpen zodat één of meerdere huurmoordenaars van de Staat enkele seconden uitgeschakeld zouden zijn? Nee. En nee. Het enige wat ik kon doen was rennen voor mijn leven en hopen op betere tijden.
Aan het einde van het dorp, dat mij totaal niet bekend voorkwam, zag ik op het moment dat ik er voorbij rende, een smalle ruimte tussen twee huizenblokken, niet eens een straatje, meer een nauwe steeg. Ik nam een beslissing. Ik sloeg rechtsaf die engte in, mijn schouder schampend aan de vochtige muren. Ik rende door en door en had geen idee waar ik heen rende maar ik wist zeker dat ik niet meer achtervolgd werd. Ik hoorde geen voetstappen achter mij, geen zware legerkisten die klosten op de klinkers van het oude brinkdorp. Maar erg gerustgesteld was ik niet, dus veel langzamer rennen deed ik ook niet echt. Licht. Ik zag licht. Ik was aan het einde van de opening tussen de huisjes. Waar was ik? Als je geen idee hebt wat je verwachten kunt, zou je denken dat je niet snel verrast bent door datgene waar je tegen aan loopt, maar ik was volstrekt verbaasd door dat wat ik voor mij zag. Het was de toegang tot een, zo te zien, enorm zwembadencomplex. Nou ja, toegang: de rand van het zwembad begon een meter of drie achter het einde van de steeg. Hoewel het snoeiheet was, zag ik niemand verkoeling in het water zoeken. Ik keek om mij heen en zag dat de achterkanten van de huizen er leeg en verloren uitzagen. Sterker nog: ze waren verlaten, vervallen, met afgebladderde verf en kapotte raamkozijnen. Ik voelde een rilling over mijn rug trekken. Wat was dit voor unheimische plek, door god en alles verlaten? Waarom zwommen er geen krijsende kinderen in het water, waar waren de mama’s in bikini’s en waar waren de badmeesters met fluitjes in hun hoge stoelen? Er was niemand. Er was geen geluid. Er waren geen vogels, geen bomen, geen gras, geen bloem of welk teken van leven dan ook te zien of horen. Het enige wat ik zag was dit zwembad gevuld met chloorwater…tot de oneindigheid leek het. Die chloorlucht. Penetrant en weeïg tegelijk, als een slechte herinnering uit mijn jeugd. Een beetje duizelig, nog van het rennen, van de genadeloze zon die door mijn kleren brandde en dus van die stank, zakte ik door mijn knieën. Ik keek nog eens beter naar het enorme zwembad. Ik had nog nooit van mijn leven zo’n groot zwembad gezien. Hoever ik ook keek, er leek geen einde aan te komen. Alleen aan de rechterkant was er een rand, die eindigde onder de achterkant van die leegstaande krotten. Links en naar voren…was alleen maar chloorwater. De huizen die hier hadden moeten staan, ik was immers een steeg in gerend die tussen huizen ingeklemd zat, waren in geen velden of wegen te bekennen. Vreemd. Er was wel een bord met daarop de volgende tekst:

ENIGE INGANG tot
SUBTROPISCH ZWEMPARADIJS het einde
BETREDEN OP EIGEN RISICO
DOE HET NIET
GELOOF ME, DAT WAAR JE VOOR VLUCHTTE IS BETER DAN HET WATER

Daar moest ik een paar keer naar kijken. Volgens mij was het originele bericht dat dit de ingang tot het subtropisch zwemparadijs is, waarschijnlijk te betreden op eigen risico. Alle andere tekst leek mij later toegevoegd, zo te zien door verschillende mensen, want verschillende handschriften. Als je alle doorhalingen en aanvullingen samenvoegde, stond er nu: ‘enige ingang tot het einde, betreden op eigen risico, doe het niet geloof me, dat waar je voor vluchtte is beter dan het water.’
Nou, een ding leek mij zeker, dat waar ik voor op de vlucht was, is erger dan een verkwikkend bad met water in deze verzengende hitte, hoe naargeestig en…doods het hier ook was. Weinig keuze ook, dus ik ging op de rand van het bad zitten en liet me in het water glijden. Geen twijfel mogelijk, ik moest dat water in. Het was lang geleden dat ik met kleren aan zwom, maar ik wilde ze niet achterlaten. Er zou vast een moment komen dat ik ergens weer uit het zwembad kon klauteren en dan wilde ik graag iets hebben om mijn naaktheid te bedekken. Voor wie wist ik niet, er was immers niemand. Ik kon er staan, het bad was niet zo diep dat ik hoefde te zwemmen, dus ik waadde vooruit, geen idee waarheen, maar in ieder geval weg van de mensen die geautoriseerd zijn mij op klaarlichte dag neer te schieten, te martelen en dat in een maatschappij waarin niemand daar meer echt van opkeek. Of mocht kijken, eigenlijk. Vroeger had je publiekelijke ophangingen, waar je heenging met je picknickmand en tegenwoordig waren er de executies op straat, waar je je weliswaar niet op voor kon bereiden, ze hadden meer weg van flash mobs, maar waar je ook niet te veel van mocht opkijken, anders was je zelf de pineut. Je negeerde het geweld dat onder je neus plaatsvond. Desnoods stapte je over een nog warm net neergeschoten mensenlichaam heen, maar amok maken was geen optie. Of je deed dat wel, zoals ik en je werd observant af.
Ik waadde een tijdje en ging soms even op mijn rug drijven om uit te rusten. Uren gingen voorbij, denk ik. Ik zag dat de zon langzaam voorbij zijn hoogtepunt gleed en ook toen hij langzaam tegen de randen van de horizon, in mijn geval de randen van het zwembadwater, aantikte, waadde ik door. Ik werd moe en had erge dorst gekregen, had moeite met mij te concentreren, een gedachte vast te houden, iets anders te doen dan monomaan doorploeteren. Ik was op weg naar Ergens, iets met vaste grond onder mijn voeten en iets met drinken en een warme maaltijd. Mijn achtervolgers hadden blijkbaar geen zin in zwemmen.
De zon was bijna niet meer te zien en het enige wat overbleef was het water en de stank van het chloor. ‘Zouden mensen die verdwalen in de woestijn zich ook zo voelen?’ dacht ik, maar die gedachte voelde idioot aan want als je water met zand gaat vergelijken, gaat het echt niet goed met je. Ik hinnikte als een paard. Ging het niet goed met mij? Ik schrok van mezelf. Mijn gedachten leken oncontroleerbaar, buiten kon ik snelle beslissingen maken, dat tak-tak-tak waar ik het eerder over had, daar stond ik om bekend, ik was van het knopen hakken, van een situatie overzien maar er gebeurde nu iets met mij, hier in dit zwembad zonder einde, waar ik niet de regie meer over had. Ik was doodmoe. Misschien lag het daaraan. Misschien was ik high van de chloor. Misschien was het die verdomde zon die de hele dag als een hondsdolle op mijn kop had gebrand. Ik was blij dat de zon weg was gegaan. Waar ging de zon eigenlijk heen als hij wegging? Waarom dacht ik dat, wie deed dat? Waarom was ik niet meer in controle van mijn eigen gedachten? Maar of de nacht nou zoveel fijner zou zijn, helemaal alleen in een oneindig zwembad wist ik ook niet. In het pikkendonker waden naar …ergens vooruit, niet in slaap vallen want ik wilde nog niet dood, ook al kon ik nu ook even geen reden verzinnen waarom ik zou willen blijven leven, het vooruitzicht van verdrinken in chloorwater was niet echt aanlokkelijk.
Ineens zag ik links van mij de contouren van een gebouw. Zo maar. Ineens. Ik waadde, nee strompelde, ernaartoe. Geen verbazing. Er zat een opening in de muur, een gat waar je normaal een raam zou verwachten. Ik keek naar binnen en zag niks anders dan nog meer zwembad, dit keer overdekt. Ik wilde mij net teleurgesteld omdraaien toen ik bedacht dat het binnen misschien, tsja wat, veiliger zou zijn. In de nacht. ‘Voor als de monsters komen, zeker?’ dacht ik er achteraan. Ik moest onwillekeurig grinniken om die gedachte. Ik had in al die uren waden en strompelen en zweven op het water nog niet één levend wezen gezien, dus met die monsters zou het ook wel loslopen.
Toen hoorde ik het. Het geluid. Een keelklank die ik nog nooit eerder van mijn leven had gehoord. Een gesmoord gegorgel, onmenselijk, alsof de stembanden te lang in het water hadden gestaan. En nog een keer, dit keer luider. Ik draaide mijn hoofd naar waar het vandaan kwam, links achter het muurtje, mijn nek uitrekkend door het gat om beter te kunnen kijken in het schemer. En toen zag ik waar het vandaan kwam. Dat wil zeggen ik zag een paar ogen naar mij kijken, angstige ogen met een vleugje woede. Grote zwarte ogen, gaten eerder, in een lichtgevend, bleek, nee verweekt gezicht. Even wist ik niet wat ik moest doen. Ik was hier niet alleen, was mijn eerste gedachte. Ik ben veilig! De ogen keken mij echter niet vriendelijk aan en er was ook iets met dat gezicht dat om het muurtje heen waden en kennismaken niet echt een aantrekkelijk idee maakten. Ik zag alleen een gezicht boven het wateroppervlak uitsteken. God allemachtig, ik kon niet goed benoemen waarom de haren in mijn nek rechtovereind gingen staan, maar het klopte niet. Ik kon het niet goed zien, het was te donker, maar toch…het was te wit en te…flubberig. Flubberig, ja. Niet omdat de eigenaar ervan per se dik zou zijn, maar…amorfe, vormeloos, opgeblazen, net als het geluid dat ik had gehoord, te lang in water gelegen. Ik twijfelde nog steeds of ik erheen moest gaan toen er naast de blubberige massa van het gezicht iets omhoogkwam. Het was ook witdoorschijnend en ging naar het gezicht toe. Nu zag ik het. Het was een arm, of iets dat ervoor door moest gaan, maar er zaten geen vingers aan. Het uiteinde was een stompje en dit stompje werd dwars over de onderkant van het weekdierengezicht gelegd, daar waar bij jou en mij een mond zou zitten, maar bij dit gezicht alleen een soort gat. Onderwijl keken de zwarte ogen naar mij. Het…ding probeerde mij iets te zeggen. Wat? Wat is er, waarom zeg je niet iets, dacht ik en ik opende mijn mond om het hardop te doen toen het ding zijn hoofd van links naar rechts bewoog. En toen begreep ik het. Het maande mij tot stilte. Praat niet, hou je stil, zeg niks. ik knikte dat ik het had begrepen. Het stompje wenkte me nu, heel zachtjes. Ik slikte. Ik stond middenin een zwembad met onmetelijke vormen, de nacht viel, ik was moe, had honger en dorst en was bang en alleen. Misschien kon dit persoon mij helpen de weg naar buiten te vinden, hoe onwerkelijk die gedachte ook was omdat het eerder leek alsof het al eeuwen hier woonde, onderdeel van het water was geworden, half vergaan zo het gezicht mij aanstaarde, tot water verworden. Ik stapte om het muurtje heen, er bleek een ingang, wat raar die had ik nog niet eerder ontdekt, en gleed naar het enige andere levende wezen toe, met mijn vingertoppen over de glibberige muur, strepen door het slijm trekkend. Ik speelde Pictionary met een menselijke kwal in een zwembad bij vallende nacht.
Hij zat op een soort bankje in het water. Ik ging naast hem zitten en probeerde in het half-schemer zijn gezicht beter te bekijken. Het was angstaanjagend, van dichtbij nog meer dan vanachter het muurtje. Waarom was ik naast hem gaan zitten? Waarom had ik dat nou weer gedaan, verdomme? Ik werd misselijk en de misselijkheid werd alleen maar erger toen ik met mijn linkerhand per ongeluk over zijn lichaam streek toen ik mij probeerde te nestelen op het aflopende bankje. Hij was …week. Gaf mee toen mijn vingers zijn vlees beroerden. Het was een ‘hij’, dat kon ik zien, maar ook maar net. Hij zag eruit en voelde aan als een stuk karton dat zich had volgezogen met water, weerzinwekkend. Maar hij was alles wat ik momenteel had. Hij duwde zich dichter tegen mij aan, zijn …vlees…om mij heen drukkend, als een levensgrote kwal en keek vervolgens naar links, de andere kant op. Ik volgde zijn blik. Daar, naast hem, zaten twee kleinere uitvoeringen van hem, vaag menselijk. Ik nam aan dat het kinderen waren, maar zeker weten deed ik dat niet. Ze keken mij beiden aan, op hun hoede, maar ook berustend, al kon ik dat niet plaatsen. We zaten zo een tijdje, in het donker, met z’n vieren, zwijgend, ogen open toen de kwallenman zijn ogen even snel dichtdeed en er iets van een zucht door zijn lichaam trok. Hij deed ze weer open en zowel hij als de twee kleine leken te krimpen. Het zag er werkelijk vreemd uit en ik had geen idee waarom ze dit deden, hun ogen groot en hun lichamen klein makend.
Toen snapte ik het wel. Nee, ik zag het. Voor ons leek iets te drijven, iets dat langzaam kronkelende, om zijn as draaide. Hoewel het donker was, kon ik meer dan genoeg zien. Het was spierwit, de kleur van gebleekte botten. Het leek op een gezandstraald skelet, maar ik had geen idee van wat en waarom een skelet, dit skelet, kon kronkelen. Er zaten allemaal gaten in, als van die gatenstenen die je soms op het strand vindt of die mensen in hun vijver of aquarium doen omdat het er zo leuk uitziet. Dit ding zag er echter niet leuk uit, hoewel dat intens witte, die gladde structuur met gaten er op een intrigerende manier wel voorwerelds mooi uitzag. De drie naast mij waren overduidelijk niet gecharmeerd van de schoonheid van het ding. Ze waren bang tot in hun ziel. Ik wist niet of ze ademden, of ze daartoe in staat waren, maar als ze dat konden, dan hielden ze nu ongetwijfeld hun adem in. Ik kroop nog dichter tegen mijn nieuwe zachte halfdoorzichtige vriend aan. Ik was mij bewust van mijn rechterflank, die helemaal openlag. Ik wist niet wat ik moest doen, maar vermoedde dat zij al veel langer hier waren dan ik en aangezien ze nog leefden, was het waarschijnlijk het verstandigst hun acties te imiteren. Ik had geen idee waarom ze zo bang voor die zak botten waren. Heel even dacht ik dat de man-kwal mij naast hem had gemaand om zijn rechterflank te dekken, maar ik had eigenlijk helemaal geen idee wat er hier gebeurde, dus verwierp ik die gedachte ook weer. Ik was ook verbaasd over mijn gebrek aan verbazing over alles wat er momenteel in en rond mij gebeurde. Vooralsnog leek het Ding alleen heel langzaam onze richting op te slingeren. Ik zag geen ogen, maar had wel het gevoel dat het ons observeerde. Rook. Voelde, ik wist niet welke of misschien allemaal. Het was zich in ieder geval van onze aanwezigheid bewust, zover was duidelijk.
Het dociele van dit alles, als lammeren die deemoedig hun koppen buigen in afwachting van hun zekere dood, ik voelde mij er opstandig van worden, maar zoals gezegd, ik kwam nog maar net kijken in de zwembadwereld, ik had hier nog geen nacht doorgebracht, dus met botte bijl recalcitrant gaan hakken was misschien geen goed idee. Bovendien maakte zich ook van mij een soort gelatenheid meester. Ik, die de staat bevocht en nimmer reactief was, leek ook te lijden aan lijdzaamheid. En toch. Dit kat en muis gedoe klopte van geen kanten. Het witte Ding met gaten zat bij onze voeten nu. Dat wil zeggen, ik voelde waterverplaatsing bij mijn voeten. Of de anderen voeten hadden wist ik niet. Of ze waterverplaatsing bij hun voeten voelden, wist ik dus ook niet. Maar ik had nog nooit eerder zo’n fraai staaltje ‘play dead’ gezien als de illustere drie-eenheid naast mij liet zien. Doodstil, met opengesperde ogen, alsof ze de aanvaller met telepathie wilden bestrijden of verjagen. Het was een beangstigend schouwspel, ware het niet dat ik er zelf aan meedeed, nou ja, gelaten bij betrokken was. Ik nam aan dat de weekbuiken het gatenskelet wilden afweren, maar hoe dat ging met stilzitten, wist ik niet. Roofdieren-prooidierengedrag, ik wilde er niet aan meedoen.
Dus ik begon te schoppen. Met krachtige bewegingen doelgericht op het afgekloven overblijfsel van iets in te hakken. Ik gromde er ook bij, maakte diepe keelgeluiden waarvan ik aannam dat het een aanvaller zou afschrikken. Als een schop in zijn bottige zak niet zou helpen. Ik raakte hem één keer. Hard. Ik hoorde een weerzinwekkend gekraak en een soort sissend, leeglopend geluid. Het Ding deinsde terug in het water. De wezens naast mij sperden hun ogen nog verder open, totale paniek was erin af te lezen. Hun opgeblazen haarloze hoofden als in één vloeiende beweging in een ruk naar achteren deinzend. Toen draaide hij zich naar mij, de man naast mij keek mij aan. Hij opende het gat waar zijn mond moest zitten. Afstotelijker dan dit kon een mens niet zijn, dacht ik. Tandenloos, de lippen opgelost in de blubber van zijn gezicht. ‘Nee!’, zei hij. En nogmaals: ‘Nee!’. Een gutturaal, verzopen gorgelend geluid. Aha, hij wilde niet dat ik geluid maakte of het ding schopte. Ik schudde mijn hoofd, haalde mijn schouders op en keek hem vragend aan en zei vervolgens: ‘luister eens jij, dat tam stilzitten en die smerige zak botten weg..denken, dat werkt goed voor jullie, of niet? Ik denk dat je wat assertiever zou kunnen zijn, wat meer zou ku…’, maar verder kwam ik niet, want hij duwde me hard. Ik viel bijna van het bankje. ‘Kijk!’ kwam er uit het gat en hij tilde zijn stompje op en vervolgens zijn linkerarm, althans de tien centimeter die daar nog van over waren. Ik keek ernaar en huiverde. Ze hadden de kleur van het wit van gekookte kievietseieren, grijzig doorzichtig, bleek, en er liepen blauwe en rode strengetjes doorheen. De uiteinden hadden flubbertjes, een soort weke tentakeltjes, de ene drie en de andere twee. Hij bewoog zijn hoofd naar beneden, maande me te kijken. Ik keek en zag dat hij maar één been had. Zonder voet. Daar waar die had moeten zitten, had hij ook van die flubberige sliertjes. Eén van de kleintjes had geen benen, alleen maar die kwallententakels en de andere maar één. Ik huiverde en trok vervolgens mijn wenkbrauw op en gebaarde naar het witte skelet. Hij knikte. ‘Ssst. Stil…’.
Hij had waarschijnlijk behoorlijk veel gesproken voor zijn doen. En veel bewogen ook. Ik hoopte niet dat ik hem en zijn kinderen in al te veel gevaar had gebracht met mijn geschop en gegrom. Ik had natuurlijk ook geen idee wat en of het skelet iets uit kon richten. Eerlijk gezegd was ikzelf niet erg onder de indruk van het om zijn as draaiend geraamte. Waar was hij eigenlijk gebleven? Had mijn schop hem uitgeschakeld? Ik wilde net opgelucht ademhalen toen ik overvallen werd door een acute intense pijn in mijn rechter bovenarm, vlak boven het elleboogbot. Vlammende pijn alsof iets heel scherps mijn vlees had gepenetreerd. Ik gilde het uit, geen rekening houdend met de waarschuwingen die ik had gekregen. Ik draaide mijn hoofd naar rechts, keek naar mijn arm maar zag niks. Ik zag echter wel dat het Ding nu niet meer bij onze voeten lag maar zich aan mijn rechterflank bevond. Het was dus niet verbrijzeld en ik had het ook niet weggejaagd. Had het mij geprikt? Gebeten? Gestoten? Wat het ook was, het was heel snel gebeurd –ik had het niet zien aankomen- en het deed allemachtig veel pijn. Het Ding lag nu zo dichtbij mij dat ik het heel goed kon zien. Het had inderdaad ogen, al zag ik zo snel niet hoe dat mogelijk was in die constructie van gaten en botten. Ik hoorde het ook…ademen… en dat geluid gaf mij kippenvel zo smerig klonk het. Het was een reutelend geluid, alsof een emfyseem patiënt zuurstof via een tank op zijn rug zijn volle slijmerige longen binnenzoog. Dat verklaarde ook gelijk waarom het om zijn as kon draaien. Het ademde, dus het leefde. Op een of andere manier. Ik greep met mijn linkerhand naar de pijnlijke plek en keek vervolgens of er bloed aan mijn hand zat, maar dat was niet zo. Vreemd. Het voelde toch echt alsof er en ijspriem tot aan het heft in geboord zat. Ik keek naar het witte Ding. Het lag daar maar naast mij en keek mij recht aan. Ik zag geen mond waarmee het mij gebeten kon hebben. Vreemd genoeg was ik niet alleen doodsbang. Ik was ook enorm boos. Dat ik hier op een bankje in een zwembad zat met een paar angstige schapen en werd aangevallen door een wit skelet, terwijl ik hierheen was gevlucht om af te zijn van staatsjagers die mij wilden neerknallen. Ik begon weer te grommen, diepe keelklanken alleen wisselde ik ze nu af met hele hoge gierende uithalen. Grrrrrr-ieeeeeeeee-ggggggrrr—-ieeeeeee. Het kon mij niet schelen dat de weekmensen wilden dat ik stil mijn lot onderging, maar ik kon niet accepteren dat het Ding mij zo in een hoekje dreef. Dat deed ik Buiten niet, dat ging ik Hier ook niet doen. Dus ik gromde en gierde en bleef onderwijl strak in de zwarte gaten kijken van het Ding.
Hij deinsde weer terug en verdomd: ik zag angst in zijn ogen. Paniek. Of het aan mijn vechtlust lag, of aan de lage of misschien hoge tonen, hij dreef af en verdween uit mijn blikveld. Opgelucht haalde ik adem. Dat had ik toch mooi voor elkaar gekregen! Ik zakte achterover op het bankje en wilde mijn mond openen om iets te zeggen toen het zwart voor mijn ogen werd en ik viel en viel en ….viel..
Toen ik mijn ogen weer opende, stond ik in een soortement grot, met verlichting in kegels smaakvol opgehangen tussen de vochtige stenen muren. Blijkbaar zat ik niet meer op een glibberig bankje in het zwembad. Ik was ook niet alleen hier, er stond een man tegen een soort balie aangeleund, waarop INCHECKEN stond. Hij keek mij aan, observeerde mij terwijl ik mijn omgeving in mij opnam, maar zei niks. Toen ik klaar was met de grot in mij opnemen, keek ik hem ook aan. We keken elkaar enkele seconden aan, maar ik vond het moeilijk mijn aandacht op zijn gezicht te houden aangezien hij spiernaakt was. Ik nam aan dat de weekmensen ook spiernaakt waren geweest, maar deze man was…volmaakt, prachtig in zijn naaktheid. Hij miste ook geen armen of benen en zijn huid was onbeschadigd, glad en leek zacht te glanzen. Hij grinnikte toen hij mijn afdwalende blik bemerkte, zijn lippen scheef trekkend. ‘En? Bevalt het je?’ zei hij. Ik focuste mij weer op het gezicht van de man, zag hoe zijn donkere haar zachtjes in de tocht bewoog. ‘Eh, pardon?’ was het enige wat ik uit kon brengen. Ik merkte dat ik bloosde, overvallen door de schaamteloze blootheid van deze man en zijn brutale vraag. ‘Ik vroeg je of het je beviel. Je weet wel. Ik. Mijn blootheid. Dit.’ De man wees nu naar zijn kruis. Jezus. Waar was ik terechtgekomen? Ik schudde mijn hoofd en sloot mijn ogen. Opende ze weer. De man had de zelfvoldane glimlach van zijn gezicht gehaald en was achter de balie gaan staan. Beter. ‘Goed, wat kan ik voor jou doen vandaag?’ vroeg hij, terwijl hij met zijn vinger over het marmer voor hem streek, heen en weer. ‘Voor mij doen? Wat bedoel je?’ Ik had geen idee waar hij het over had. Had geen idee wie hij was of wat ik hier deed. ‘Luister’, zei hij. ‘Ik weet dat je hier nieuw bent. Dat weet ik, omdat ik het door heb gekregen, maar ik weet het vooral vanwege dat’, hij wees nu naar mijn lichaam, plukte aan zijn denkbeeldige kleding, ‘niemand hier draagt dat. De hele dag in het zwembad met je kleren en dan ook nog eens geruisloos zijn, opgaan in het water, …is geen goed idee. Dus.’
‘Dus wat?’ vroeg ik. ‘Moet ik me soms uitkleden en in mijn blote kont met je praten?’
Hij lachte. ‘Nou, eigenlijk wel ja. Maar je bent in goed gezelschap hé. Hij keek naar beneden, naar zijn eigen onderlichaam dat goddank nu achter de balie verscholen zat. Hij gaf me een knipoog.
‘En wat voor gelul is dat: de hele dag in het zwembad? En waarom zou ik geruisloos moeten zijn en opgaan in wat dan ook? Wat is dit voor een onzin?’ Hoewel de man extreem aantrekkelijk was en, eerlijk is eerlijk, hij mij niet onberoerd liet, werd ik ook chagrijnig van hem. Erg chagrijnig. ‘Ik wil mijn kleren helemaal niet uitdoen. Ik wil hier weg.’
Hij knikte. Maakte een kers van zijn mond. ‘Ja, dat willen we allemaal als we hier aankomen. Heel begrijpelijk. Het is eng, hé? Zo alleen, met de vallende nacht en alles. En zo te zien heb je ook al kennisgemaakt met de Tormentors.’ Hij wees op mijn rechterarm. Ik keek er ook naar, maar de pijn die ik voelde, kloppend nu, niet meer scherp en rauw, was niet van buiten te zien en ook mijn kleding was niet gescheurd. Ik fronste mijn wenkbrauwen. ‘Hoe weet jij dat ik gebeten ben door zo’n gezandstraalde zak botten?’ Hij trok één wenkbrauw omhoog, haalde zachtjes zijn neus op. Ik zag dat een spiertje onder zijn oog onwillekeurig bewoog en dat de spier in zijn kaak strak stond. Blijkbaar toch niet zo’n joviale gast. ‘Ik weet een heleboel wat jij niet weet, snoepje. Zo weet ik bijvoorbeeld dat de pijn die jij voelt nu niet meer vlammend is, zoals eerder, maar dat het nu bonst. Dragelijker, haast. Ik weet ook dat je arm er over een poosje af zal vallen. Op zal gaan in het water. Voer voor de Tormentors. Ze zijn je erg dankbaar, heb ik gehoord.’ Hij krulde nu zijn bovenlip omhoog, waarbij hij zijn tanden ontblootte. Ik vond de man ineens niet zo mooi meer. Zijn tanden waren erg wit, de kleur van de botten van dat Ding –dat hij Termentor noemde- en te lang en puntig. Ik huiverde. Wat een naargeestige klote plek was dit. Wie was die kerel? Was hij één van de weekdieren? Maar waarom was hij dan niet opgeblazen en doorzichtig en had hij nog al zijn haar? Of misschien…misschien was hij wel zo’n Tormentor. Bij die gedachte huiverde ik nog een keer. Onwillekeurig deinsde ik achteruit.
Hij zag het en lachte nu hardop. ‘Wees niet bang. Althans, nu nog niet. Eerst moet je nog de instructies krijgen en je dus uitkleden tot je net zo bloot als Eva bent. Geniet nog maar even van dat mooie gespierde lijfje, want straks is dat weg.’ Hij klapte even kort in zijn handen. ‘En geloof me, het zal je ook geen barst meer uitmaken dan, of je sappig bent. Ach wat zeg ik…je zult bidden dat je heel snel ontsappig wordt! Blijf je langer leven.’ Mompelend voegde hij daaraan toe: ‘Zover je van een leven praten kunt, natuurlijk.’
Ik had werkelijk geen idee wat hij allemaal tegen mij zei, maar ik was te moe om allemaal vragen te stellen en dacht dat als ik hem zou gehoorzamen ik snel van deze nachtmerrie verlost zou zijn.
Er kwam een dwerg aanlopen met een kist in zijn armpjes. De man zei dat ik mijn kleren kon doen en dat hij mij dan verder zou inlichten over het verloop van de procedure. De dwerg zette het kistje aan mijn voeten neer en wachtte met gekruiste armen tot ik klaar was. Ik zag dat hij een grote spuit in zijn knuisten vasthield en vroeg aan de man achter de balie waar die voor was. ‘Als wij straks klaar zijn met de briefing en voor ik je aan je nieuwe familie heb voorgesteld en je het zwembad voor goed zal in gaan, krijg je die spuit. Je zal dan geen honger en dorst meer krijgen. Je zal niet meer naar de wc hoeven, ook. Het zuigt zeg maar je levenssappen uit je.’ Ik keek hem aan, totaal flabbergasted. ‘Je hebt nu honger hé, vooral dorst eerder, denk ik, na een dagje in het zwembad in de brandende zon. Heel logisch. Ik zag de camerabeelden. Je hebt het er nog best goed af gebracht, al dacht ik op het laatst dat je kierewiet zou worden. Jammer dat de Tormentor je voelde, maar goed. Je wist ook nog niet wat je moest doen, dus misschien dat ze zullen besluiten het niet mee te laten tellen en je je arm mag houden. Gelijke kansen enzo, ze zijn streng, maar meestal wel rechtvaardig. En, om er even op terug te komen: dat spuitje daar doet geen pijn. Je wordt er erg rustig van, of dociel, het is maar hoe je het bekijken wilt natuurlijk, heb ik mij laten vertellen. ’
Ik schudde mijn hoofd en verhief mijn stem. ‘Hallo? Hoor je wat je zegt? Niet meer eten en drinken? Een mens moet toch eten en drinken? Waar heb je het toch over, man! En ja, ik heb dorst en moet eigenlijk ook nodig naar de wc, nu we het daar toch over hebben.’
Hij knikte en pruilde zijn lippen. ‘Snap ik. Volkomen normale reactie. Maar helaas, geen eten en drinken meer voor jou. De enige die hier nog eet, ben ik.’ Zijn stem werd zachter en fluisterend voegde hij eraan toe: ‘en de Doler, die ook.’ Zijn stem kreeg weer het normale volume. ‘En de Tormentors, natuurlijk. Die eten jou, als je niet doet wat ik je straks ga vertellen. Je mag nog wel naar de wc. De laatste keer, dus geniet er maar goed van!’ Hij wees naar een hokje rechts van de balie dat ik nog niet eerder had gezien en waarvan ik vrij zeker was dat het er niet was toen ik hier net…arriveerde, of wat het ook was dat gebeurde toen ik mijn ogen weer opende. De man kakelde van het lachen om zijn eigen grapje. Ik liep naar het hokje en plaste. Ik zorgde ervoor dat ik goed uitplaste, want ik wilde niet met overbodig plas in mijn systeem lopen als ik het er nooit meer uit zou krijgen. Wat dacht ik nou toch voor onzin? Was ik zo maar van plan aan deze idiotie mee te doen, gelaten een weekmens te worden, zoals blijkbaar de bedoeling was? Ik snapte er helemaal niks van. Waarom moest ik het water in? Waarom moesten mijn levenssappen afgetapt worden? Waarom moest ik het toe gaan staan dat de Tormentors zo maar mijn armen en benen en wat dan ook van mij opaten? Waarom beten ze die er eigenlijk niet gewoon af, waarom zou mijn arm er pas later afvallen? Wat had dat vieze skelet eigenlijk met mij gedaan? En hoe had ik het weggejaagd? Wat gebeurde er als ik weigerde eraan mee te werken en eiste dat de piemelnaakte man mij de uitgang tot het zwembad wees? En wie waren de “ze”waar hij over had gesproken? Waren er hier wezens of mensen of wat dan ook die aan de touwtjes trokken? Terwijl ik doortrok en de deur van het hokje opende, dacht ik ineens aan iets anders wat de man had gezegd: camerabeelden? Werd ik, en waarschijnlijk iedereen die in het zwembad voor zijn leven “vocht” in de gaten gehouden? Door de “ze”nam ik aan.
Ontmoedigd stapte ik het hokje uit, maar ik bleef in de opening staan toen ik zag dat bij de balie nog een tweede man stond. Ik hield mijn adem in en bekeek hem goed. Hij had kleren aan, net als ik en een flinke baard en lang haar. Hij zag er woest uit, zoals ik mij een jager of stroper voorstelde. Op zijn rug droeg hij een lange stok waaraan een smalle taps toelopende punt van ijzer zat. Hij had handschoenen aan, droeg schoenen. Helemaal niet het type wat je hier zou verwachten. Hij sprak met de naakte man. Het leek mij geen vriendelijk gesprek, ook al kon ik zo een twee drie niet benoemen waarom ik dat dacht. Ze praatten op een geagiteerde fluistertoon met elkaar, misschien lag het daaraan. Ik probeerde te verstaan wat ze zeiden, zonder dat ze door zouden krijgen dat ik ze afluisterde.
‘…Je moet nu echt gaan, voor ik ook nog in moeilijkheden raak en ook het zwembad ingestuurd word. Ik weet niet hoe je het steeds weer flikt, maar het is verboden. Jij. Hier en dat weet jij. Wegwezen, Doler. ’
Dit was dus de Doler waar hij het even hiervoor over had gehad. De enige die ook at, naast de naakte man en de Tormentors. Ik spitste mijn oren.
‘Jij maakt mij niet bang, marionet. Ik kom en ga en laat mij door niemand bang maken. Tot nu toe gaat het prima, vind je niet? Ik ben de enige in deze verdomde Onderwereld die nog enigszins op een mens lijkt. Nee, ik tel jou niet mee, nee. Jij bent als Cerberus, jij bewaakt dit schimmige tochtige hol en zorgt dat de doden er niet uit kunnen. Het enige verschil is dat de levenden hier wel in komen.’
De naakte man stak zijn handen omhoog en maande de Doler om weg te gaan, maar hij trok zich er niets van aan.
‘Waar is ze, hellehond? Waar is die dappere vrouw waar ik over heb gehoord? Heeft ze de prik al gehad? Heb je haar levenssappen al afgetapt en haar ingespoten met het angstserum? Nou, kom op, vertel. Waar is zij? Is zij al in het water, ondergebracht bij een paar gedweeë doodsbange idioten die als enige doel in hun armzalige korte leven hebben hun angst te onderdrukken en zich onzichtbaar te maken voor die witte klerelijers?’
Oeh. Ik zou ingespoten worden met angst? Kwamen die ronddraaiende skeletten op angst af of was het iets anders dat ze levende wezens deed ruiken, voelen, zien? Toen ik naast de weekdierman had gezeten leek het mij eerder dat hij zijn uiterste best deed zo onzichtbaar mogelijk te zijn, te doen alsof hij niet bestond en ik had de indruk gekregen dat omdat ik zoveel lawaai maakte, de Tormentor op mij was afgekomen, maar ik wist het niet zeker. Ik wilde dat wel zeker weten, voor ik dat water in werd gestuurd. En had ik dat ding niet weggejaagd door juist niet bang te zijn? Ik wilde niet mijn verdere leven in dat zwembad doorbrengen, volgezogen raken met water en mijn haar verliezen en langzaam maar zeker mijn armen en benen en god betert nog meer verliezen. Dat was toch geen leven? Waarom pikte al die idioten dit eigenlijk? Kwam dat ook door dat serum of omdat er echt geen keuze was?
Ik besloot om me niet langer te verstoppen en liep op de mannen af. Geen idee waar de dwerg was gebleven met zijn spuit zo groot als zijn hele romp. De Doler kneep zijn ogen tot spleetjes en keek van mij naar de naakte man en terug. ‘Zo. Ze was dus hier. En zo te zien was ik niks te laat.’
‘Luister maar niet naar hem, schatteboutje, hij is een gestoorde oude verbitterde man die zich niet aan de regels houdt. En op niet aan de regels houden staat de doodstraf.’ Hij kakelde weer. ‘ Net of het wat uitmaakt. Kom, kleed je uit en laten we dan de instructies doornemen en je op pad sturen. Zoals het hoort. ’ Hij keek de Doler aan en zei: ‘Wegwezen jij. Laat ons doen waarvoor zij gekomen is.’
‘Sterven, bedoel je?’ zei de oudere man en hij boog zich naar mij voorover. Ik had verwacht dat hij zou stinken, maar hij rook merkwaardig schoon. ‘Kom eens hier, jij’, zei hij en trok me vervolgens naar zich toe. ‘Ik zie dat je toch prooi bent gevallen aan de twee dingen waar een Termentor zich telepathisch op richt: rauwe angst, maar dan alleen als ze zichtbaar is en ze is alleen zichtbaar als je je niet constant concentreert op zo onzichtbaar mogelijk zijn. De een kan niet zonder de ander, hoor je me? Ik loop al zo lang ik mij kan herinneren door dit godvergeten klote zwembad, en ik ben helemaal niet onzichtbaar en doe ook mijn best niet dat te zijn. Daardoor kan ik mij richten op andere dingen. Het doden van die Tyfuslijers. Zeeën van tijd, in feite, als je niet bezig bent. En ik ben ik niet bang. Maar als je doodsbang bent, zoals die plumpuddingen daarbinnen, dan zul je wel moeten proberen het te beschermen, want als je aandacht even verslapt, komen ze achter je aan en…denken ze als het ware je arm aan gruzelementen. Ben je bang geweest?’
Ik knikte. ‘Wel even, ja.’
Hij knikte ook. Eén keer kort. ‘Ja, dat zal wel. En je deed niet echt je best zeker, om jezelf af te sluiten van de wereld, de bottenbaal weg te denken?’
‘Eh, nee, niet echt nee. Ik heb hem heel hard geschopt. Het kraakte.’
‘Dat is goed. Ze zijn namelijk helemaal niet sterk. Als iedereen bang voor je is, hoeft dat ook niet. Goed, luister goed. Voor die naakte gluiperd eraan komt en dit gesprek onmogelijk maakt: Die arm van je, die gaat er af, maar zonder arm kan een mens wel leven. Zorg ervoor dat het bij die ene arm blijft. Waar het om gaat is: hoewel je hier nooit meer wegkomt, kun je hier overleven. Zonder opgeblazen, gelaten en in ultimo onmenselijk te worden. Regel één: de spuit weigeren. Het maakt het proces onomkeerbaar. Het leidt ertoe dat je menselijkheid verdwijnt en er zit iets in dat je angstig maakt. Om niet opgegeten te worden, ben je de hele dag, en nacht, vergeet de nacht niet, bezig haar te onderdrukken. Het vergt al je energie en aandacht. Die angst valt dan ook niet meer te onderdrukken, als je die spuit hebt gehad. Ze willen dat je bang bent. Niet nemen dus. Regel twee: blijven eten en drinken. Mens blijven. Regel drie: geen angst voelen. Laten we wel wezen, die krengen zijn niks ander dan vaag levende witte vijverstenen. Zodra jij niet bang bent, blijven ze bij je vandaan. Sterker nog: ze zijn bang voor jou als jij laat merken geen angst voor ze te hebben. En hou je kleren aan, ze beschermen je tegen opzwellen, vraag me niet waarom, maar het is zo. En tegen je haar verliezen, je tanden, en nog een heleboel meer. Beter natte kleren dan verworden tot een kwal, is mijn motto. En, als ik jou was; sluit je niet aan bij zo’n familie. Dat was het.’
Ik begreep niet alles waarover hij had gesproken, maar wel iets. Ik wist nu dat ik die spuit zou weigeren. En ik wilde ook niet gekoppeld aan een ‘familie’ zijn. Ik zou alleen het zwembad in gaan. Ik wilde echter wel horen wat de naakte man te zeggen had over het verhaal van de Doler. Of zijn versie anders zou zijn. Hij stond ineens naast mij en ook zag ik de dwerg weer. Hij stond rechts van de balie, met zijn dikke bovenlijfje tegen het marmer geleund. De spuit in zijn linkerhand. Hij grijnsde. Ik keek naar de naakte man en voelde zijn naaktheid tegen mij aan, maar in tegenstelling tot even ervoor, deed het me nu niks meer. Ik had een heleboel vragen voor hem en het leek mij beter ze nu te stellen, voor hij erachter kwam dat ik niet met angst ingespoten wilde worden en het in mijn eentje wilde gaan doen. Ik zou hem uithoren zover ik kon. Ook hij grijnsde, ik zag zijn weerzinwekkende prooidierentanden wit blinken en rilde.
‘Zo. Die gek is weg. Vergeet wat hij je influisterde. Hij zal je verder geen kwaad doen, wees niet bang.’ Weer dat gekakel. ‘Hij denkt dat hij een soort Robin Hood is, die Doler. Hij heeft het op zich genomen de wereld van het Kwaad te redden. Wat hij niet weet is dat dat onmogelijk is en bovendien kan hij niks uitrichten. Hij is alleen en zal net als iedereen hier tot zijn dood hier gevangen zitten. Hij heeft er alleen voor gekozen de weg naar zijn dood nóg pijnlijker en eenzamer te maken dan ie al geweest zou zijn. Een coockoo dus, zoals ik al zei.’
Hij pakte mijn arm beet, mijn pijnlijke arm, en leidde me naar een stoel die ineens midden in de ruimte stond. ‘Ga maar even zitten. Je bent moe. Was het plassen lekker? ‘Hij giechelde. Hij giechelde echt, als een klein ondeugend meisje. Ik vond hem een stuk meer coockoo dan de Doler, dan wist ik wel. ‘Wees niet bang voor die arm. Over een poosje zal ie zo er afvallen en over de wond hoef je je ook geen zorgen te maken. Dat komt allemaal goed. Na je spuit in- en uit heb je nergens meer last van. Ik zal je nu instructies geven over hoe je kunt overleven in het water. Je begrijpt, er is geen ontkomen aan: de rest van je leven zul je in het zwembad wonen. Je krijgt een familie toegewezen en jullie passen op elkaar. Samen bang zijn verbroedert, haha.’
Ik trok mijn arm terug. Het deed godsgruwelijk pijn. ‘Luister eens, jij. Hoe komt het eigenlijk dat jij er nog zo uitziet en waarom lig jij niet te drijven in die chloorellende?’
‘Alles op z’n tijd poppetje en niet te nieuwsgierig. Jij bent hierheen gekomen, uit jezelf. Niemand dwong je hierheen te gaan. Je hebt het waarschuwingsbord bij de entree gezien?’
Ik knikte.
‘Juist. En je besloot het te negeren en toch het water in te stappen en daarmee heb je al je rechten op antwoorden en vrijheden verspeeld. Niemand komt hier voor de lol, iedereen is hier met een reden. Voor Buiten op de vlucht en hopen en denken “alles is beter dan dat” en tsja, misgegokt helaas. Het is je nachtmerrie. Maar als je de regels van het spel volgt, blijf je in ieder geval leven. Levenslang is beter dan dood, niet waar? En het mooie is dat met wat meditatie je dat ook nog doen kunt zonder je ledematen te verliezen! Geen slechte deal toch?’
‘Waarom zie jij er zo uit?’ vroeg ik nogmaals.
Hij raakte nu geïrriteerd. ‘Al die vragen. Ik prefereer degenen die hier komen en bijna smeken om de Spuit. Ik wil gewoon mijn werk doen en niet steeds van die lastige klanten. Maar goed, om je vraag te beantwoorden: iemand moet het doen toch? Dit werk bedoel ik. De check in. En dat kun je niet doen als je geen armen en benen hebt of er afschrikwekkend uitziet. Voor de nieuwkomers dan. Je weet wel, zonder haar en tanden enzo. Jij bent een van de weinigen die vóór de check-in al hebt kennisgemaakt met je voorland, dus je weet waar ik het over heb.’ Hij haalde zijn neus op, draaide zich om en liep naar de balie. Terwijl hij met zijn rug naar me toegekeerd daarheen liep, mompelde hij, nauwelijks hoorbaar: ‘En het helpt ook dat ik nog praten kan. Zonder stem wordt het lastig de nieuwe stakkers te verwelkomen, zeg maar.’ Weer dat gekakel.
‘Hoe bedoel je? Zonder stem?’ zei ik, maar toen herinnerde ik mij de stem van de weekman. Dat verzopen gegorgel. Mijn god, waar was ik in godsnaam beland? Zou ik ook zo eindigen, als een vormeloze homp spons, zonder stem, haar, tanden, altijd bang en mezelf proberen onzichtbaar te maken, dag in dag uit, de rest van mijn leven? Vergeleken hiermee leek het vluchten voor de mannen met Kalasjnikovs Buiten peanuts. Ik had gedacht dat mijn leven louter bestond uit overleven, maar zag nu de –weliswaar sporadische- avonden voor me waarin ik lachend met een verre vriend op een geheim kanaal zat te dollen. Overleven, dat was dit. En dat ook nog zonder stem.
‘Ik zie dat je het antwoord al weet. Slimme meid.’ Hij pakte een groot boek van de balie en liep terug naar de stoel waar ik nog steeds op zat. ‘Goed, ik ga nu de instructies voor een leven op het water geven.’ Gegiechel. ‘Haha, een schelmenroman, haast hé? Dolletjes!’ Hij zetten zijn witte tanden op elkaar en keek me met scheef gezicht olijk aan. Een afgrijselijk tafereel. Zijn piemel drukte tegen mijn zij aan, wat zo mogelijk nóg ranziger was dan die kop met piranhatanden. ‘Goed luisteren hoor, meisjelief, want ik neem ze maar één keer met je door. Daarna trekken we de sapjes uit je bevallige lijfje, hij wreef nu met zijn blote kruis tegen mij aan en beet even zogenaamd ondeugend op zijn wijsvinger, en geven we je wat van het paarse serum ervoor in de plaats. Nou ja. Niet “wat”, een heleboel, genoeg om je hele leven van te snoepen. Hihi.’
Ik bewoog mijn bovenlijf van hem af. Ik was nog niet klaar voor die instructies, wilde eerst veel meer weten. ‘Wat eet jij?’ vroeg ik hem.
Hij trok zijn wenkbrauwen omhoog. Die vraag overviel hem duidelijk, hij had hem niet verwacht. ‘Hoe bedoel je, wat ik eet? Ik eet hetzelfde als jij. Nou ja, wat jij át. Om de mensen niet de schrik op het lijf te jagen, zoals ik net ook al zei, moet ik er uitzien als een mens. En dat ben ik. Het is weleens eenzaam, soms maanden zonder praten, dan weer nieuwen bij de bosjes aan mijn balie. Dan heeft Freekje het druk, hihi. Maar het blijft bij eenmalig contact, want daarna gaan jullie allemaal op zwemles en ben ik weer alleen. Nou ja, Bertram is er ook, maar die telt niet.’
‘Bertram?’
‘De lilliputter met de spuit, koekje. Maar Bertram telt niet mee, want die komt alleen de spuit brengen en bovendien praat hij niet. En ik kan ook niet lekker met hem spelen, als je begrijpt wat ik bedoel.’ Ik verwachtte het gekakel of gegiechel weer te gaan horen, maar hij keek sip. Blijkbaar meende hij het en was hij er echt ongelukkig mee, dat de dwerg niet kon praten of dat hij geen leuk speelkameraadje was.
‘Dat doet me eraan denken. Ik mag niet veel hier, maar ze laten me wel de mogelijkheid om met de nieuwen te spelen. Zullen we straks even naar Freekjes liefdesnestje gaan? Een beetje intermenselijk contact? ‘Hij knipoogde. ‘Als een soort afscheid voor je menselijkheid? Freek belooft je een fijne paar minuten te geven, beloofd!’
Ik moest er niet aan denken, dat was duidelijk, maar als ik ‘nee’ zei, kwam ik niks meer over deze oversekste poortwachter te weten. Ik wilde weten waar hij sliep, waar hij dat liefdesnestje van hem had. Dat was duidelijk niet ín het water, dus er waren wel degelijk plekken, behalve dit platform hier dat hij de check-in noemde, waar een spuitloze zich kon ophouden. Helaas had de Doler mij niet verteld hoe ik aan eten en drinken kon komen, of waar hij sliep. De Weekmensen aten en dronken niet, hoefden niet naar de wc en sliepen ook niet. Hun enige functie was, na het krijgen van de spuit, hun ingespoten angst onderdrukken en in leven blijven. Ze werden ontdaan van hun menselijkheid. Maar ik zou de spuit weigeren en had dus wel menselijke behoeftes straks. Ik moest slapen. Dat leek mij doodeng, slapen, alleen, met de Tormentors op de loer. Maar wat had de Doler ook alweer gezegd? Zonder spuit heb je een keuze . De weekmensen, die konden niet meer kiezen om niet bang te zijn. Angst was hun staat. Ik kon ervoor kiezen om niet bang te zijn. Ik zou dan veel tijd hebben om andere dingen te doen. De Doler jaagde op Tormentors. Mijn doel was zo snel mogelijk uit deze stinkende klotenachtmerrie weg te komen. Kon me niet schelen of dat niet mogelijk was.
‘Vertel me nu maar hoe ik hier overleven moet, oké. Dan zien we dan wel of jij en ik wat dan ook gaan doen.’
Hij schraapte zijn keel. ‘Gaat ie dan. Jij bent hier vrijwillig, hebt er voor gekozen, niemand dwong je. Maar je kunt nooit meer weg. Je leven zal voortaan in dit zwembad zijn en je doel is slechts één: blijven leven. Misschien kun je je daar nu nog niks bij voorstellen, maar straks is dat je realiteit en weet je niet beter. Je zult je levenlang bezig zijn je vaardigheden in het jezelf onzichtbaar maken proberen te perfectioneren. Hoe beter je dat doet, hoe langer je blijft leven. Je wilt onzichtbaar zijn omdat je van binnen bang bent. Bang voor de Tormentors, je weet wel, die witte stenen met gaten en zwarte ogen. Ze zijn levensgevaarlijk. Ze voelen angst en dus zul jij die angst moeten leren onderdrukken en geloof mij, kleintje, bang zul jij zijn.’ Gegiechel. Ik wilde hem slaan. Hij voelde dat, of misschien zag hij mijn hand onhoog gaan. Hij pakte de hand en zei: ‘Pittig katje, papa houdt ervan. Maar niet als ik mijn werk doe. Bewaar het voor Freekje in bed zo, goed?’
Om van te kotsen, deze man, maar ik beheerste me in en hield mijn mond.
‘Goed zo, poppedijntje. Luister maar, we jagen het er even doorheen en trekken ons daarna even lekker terug. Freeks dingetje is al hard aan het worden.’
Godskolere, de man sloeg echt alles. Ik stond op het punt mijn leven op te geven, ik had geen keuze maar volgens hem was het vrijwillig en hij had het over zijn harder wordende geslacht. ‘Vertel nou maar verder, oké. Ik kan me niet concentreren op de instructies als jij me lastigvalt met dat ding.’
‘Hihi, meisje toch. Oké, komt ie. Je zult de eerste tijd wat ongemakken ervaren. Dat je lichaam pijn doet. Misschien voel je je zelfs wel ziek. Probeer het zo min mogelijk te laten merken, want je schild zal er van zakken. Je lichaam moet wennen aan de nieuwe omstandigheden. Leven in water en de rest.’
De rest. Juist.
‘Blijf bij je nieuwe familie, dat is mijn dringende advies. Het is veiliger om in een kudde te reizen, meeeeeh.’ Kakel kakel. Ik begon er nu echt genoeg van te krijgen. Fast forward….bzzzzt, ik geloofde het allemaal wel. Ik wilde door naar het onderdeel waar de spuit kwam en ik weigerde en ik zei dat ik met kleren en al aan alleen ging. En o ja, daarvoor nog een portie ogen dicht het gedoe met hem in zijn liefdesnestje ondergaan om er achter te komen waar ik misschien clandestien slapen kon en eten en drinken kon stelen.
‘…En dat was het wel zo’n beetje. Je nieuwe familie kom je vanzelf tegen als je eenmaal bloot en afgewerkt het badje in gaat. Zo werken die dingen hier, alles wordt voor je geregeld. Het enige wat je zelf nog moet regelen is in leven blijven, maar ach, meer wordt er ook niet van je gevraagd. Goed, kleed je dan nu eindelijk maar uit.’
‘Nee, nee’, zei ik. ‘Laten we eerst dat eh, nou ja, dat doen in je eh liefdesnestje.’ Ik kreeg het bijna mijn strot niet uit.
Hij klapte extatisch in zijn handen. Of hij nou lang of kort hier in zijn eentje had doorgebracht, hij bleef een man, een grote zak testosteron. ‘Kom maar mee dan. Volg Freekje maar.’ Hij wilde mijn hand pakken, maar ik trok hem terug en liep in plaats daarvan achter hem aan. Tussen de balie en de portapottie zat een gang. We liepen er doorheen, ik achter de wiebelende billen van Freek aan. Ik zag helemaal geen deuren, maar aan het einde van de gang bleek er toch een te zitten en de de naakte meneer ging naar binnen. De gang en ook de deur waren vreemd genoeg helemaal niet grotachtig, maar deden me het meest nog denken aan de overloop van mijn ouderlijke huis. Merkwaardig. De kamer echter was een soort grotruimte. Druipstenen, waxinelichtjes, zwarte doeken overal. Creepy. Hij wees naar mijn kleding en ik trok na een diepe zucht alles uit. Ondertussen bekeek ik de ruimte snel. Aan het einde van de kamer was een klein deurtje, waar je alleen kruipend doorheen kon. Het was nauwelijks zichtbaar door de doeken die er kunstig overheen gedrapeerd waren, maar het was er wel degelijk. Vreemd. Een bijzettafeltje met een schaal exotisch fruit, een kan water en twee glazen en ene plateau met verschillende soorten kazen met daarnaast een mes met een krullemmet. Freek was goed voorbereid, dat was duidelijk. Verder niks. Ik had geen idee hoe hij aan zijn eten kwam of waar hij naar de wc ging. Ik nam aan in dat ding bij de balie. Ik zag Freek verlekkerd toekijken en ging op het bed tussen de doeken liggen en gebaarde mij hetzelfde te doen. Ik stapte bij hem in bed en liet mij door hem betasten en berijden. Hij was ruig, maar maakte tevens geluiden alsof hij een jongetje was dat een achtervolgingspel deed, cowboytje en Indiaantje. Ik sloot mijn ogen en deed weer en fast forward. Wat goed dat ik dat doen kon. We liepen weer terug, nadat ik me had aangekleed, ik stond erop dat weer te doen. Toen we de grote open ruimte weer inliepen, stond de dwerg alweer of nog steeds klaar met de spuit. Freek, met blosjes op zijn wangen, nam de spuit van de dwerg over en zei hem de andere ook te gaan halen.
‘Zo. En dan nu waarvoor jij gekomen bent.’
‘Ik ben hier niet voor gekomen’, zei ik naar waarheid.
‘Nee, nee dat klopt, maar nu je hier toch bent…’. Hij giechelde weer. ‘Nee, ik weet dat je hier niet voor gekomen bent, maar je had keuze en je koos en nu is er geen weg meer terug. Eigenlijk moet ik dus zeggen: niet zeuren maar zoet meewerken, het is zo voorbij en dan weet je niet beter. Dat klinkt vreemd, maar ik heb het al honderden keren gezien: zodra je de spuiten hebt gehad, weet je precies wat je moet doen en heeft dit alles betekenis. Nu heb je nog al die verwarrende gedachten in je hoofd, die leidden af. Straks hoeft dat niet meer. Da’s fijn toch?’
‘Freek’, zei ik. ‘Moet je eens luisteren. Ik neem die spuit niet. En ook niet die andere die die dwerg nu aan het halen is. Ik neem geen spuiten.’
Hij was geïrriteerd en kon dat slecht onderdrukken. ‘Natuurlijk neem jij die spuit wel. Je hebt geen keuze immers? Als je zonder het water ingaat, ben je heel snel, echt…heel…snel…dood. Deze spuit, en die andere, zorgen ervoor dat je blijft leven. Simpel toch? Dus die die kleren maar weer uit en nu geen uitstelgedrag meer.’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee. Als ik me niet vergis ben ik alleen verplicht het zwembad in te gaan. Zonder kleren en al die spuiten…die hoeven niet. Of vergis ik mij nu?’ Ik zei het stoer maar eigenlijk was ik toch behoorlijk bang. Ik ging mee, met elke golf die over me heen spoelde, zelfs zonder de spuiten voelde het al of mijn “vrije wil” afbrokkelde in deze omgeving. Te veel nieuwigheid, ongetwijfeld, maar er was ook iets anders wat me al die idiotie als minder idioot deed ervaren. Ik schudde nogmaals mijn hoofd. ‘Nee, ik doe het niet. Want het hoeft niet.’
‘je tekent je doodvonnis, dame. Zelf weten dan.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Laat me raden, Doler heeft op je ingepraat. Heel soms doet-ie dat, komt ie langs als er een dapper varkentje arriveert. Maar niemand luistert naar die halve zool, omdat…omdat hij een halve zool is. Maar jij hebt naar hem geluisterd en wilt nu onbeschermd het zwembad.’ Hij snoof. ‘Ik neem aan dat je op de hoogte bent van wat dat inhoudt?’ Hij keek mij scheef aan. Ik haalde één schouder op. ‘Nee hé, dat dacht ik al. Nou ja, je moet het zelf maar uitzoeken ook. Maar het zal niet lang duren voor jij arm en beenloos ronddobbert hier. Ach, als je een doodswens hebt, is het misschien nog niet eens zo’n slechte keuze ook.’
Ik knikte. Ik wilde hier weg. bedacht me toen en zei: ‘dat van die angst en het gevaar van de Tormentors. Ik geloof dat het een beetje door jou is aangedikt. Zeg maar niet klopt. De Doler zegt dat de Tormentors alleen maar gevaarlijk zijn als ze angst voelen en dat ze verder ongevaarlijk zijn. Dus als ik niet bang voor ze ben, hoef ik ook niks te vrezen.’
Hij lachte. ‘Nou, je zult daar zelf wel achter komen hé. En ik wens je veel succes ook met de andere behoeftes!’
‘Ik kan toch hier langskomen? Net als de Doler?’ vroeg ik.
‘Dat zou makkelijk zijn hé, als je gewoon hier de hele dag bij mij zou kunnen blijven, maar helaas voor jou is dat onmogelijk en dat is de waarheid. Als jij eenmaal erin bent, is er geen ontsnappen meer aan. En hoe je dat gaat doen, ik weet het niet, maar ik ga je daar in ieder geval niet mee helpen. En nu is het uur U aangebroken. Jalla.’
Hij kwam naast mij staan, legde zijn handen op mijn schouders en voor ik iets kon zeggen duwde hij mij hard achterover. Het werd zwart voor mijn ogen. Alweer. Ik viel…en viel…en viel…achterover gezogen in niets.
Ik stond in water en rook chloor. Het was geen boze droom geweest. Shit. Ik opende mijn ogen en zag het water. Overal, zover ik kijken kon. Het was klaarlichte dag en ik stond weer eens in de brandend hete zon in dat tyfuswater. Deja vu. Er was niet veel veranderd met toen ik het bad was ingestapt, behalve dan dat ik nu wist wat ik verwachten kon, zo ongeveer. Of ik daar nou zo blij mee moest zijn, wist ik niet. Ik was de steeg in gehold omdat ik op de vlucht was voor mannen met wapens, maar mijn voorland hier gaf me eerlijk gezegd veel meer kippenvel. Zowel de Doler als de naakte man, Freek, dacht ik en rilde vol afschuw, waren heel duidelijk geweest: dit was voor altijd, tot de dood erop volgde. De manier waarop je die tijd doorbracht, daar zat blijkbaar speling in, afhankelijk van of je je als een mak schaap had laten ontmenselijken en vol laten spuiten met een goedje dat je voor de rest van je leven angstig zou maken voor schimmen en spoken om vervolgens je best te doen die angst te maskeren of dat je op je eigen houtje er maar wat van zou proberen te maken. Ik had gekozen voor het laatste, maar nu ik zo alleen in dit stinkende water stond, was van die initiële overtuiging niet veel meer over. Ik keek om mij heen, hopend iets anders te zien dan water, maar waar ik ook keek, hoever ik ook keek, echt alleen maar water, ondrinkbaar onwelriekend water. Mijn rechterarm deed pijn en de dorst die ik eerder ook al had gehad, was nu bijna ondragelijk. Godver, wat een klotesituatie! Ik liet mijn hoofd hangen. Ik wilde dat ik dood was. Come and eat me, motherfuckers.
Ik weet niet hoe lang ik zo had gestaan, met gesloten ogen, eigenlijk niet veel anders te doen dan wat de weekmensen deden om de Tormentors op het verkeerde been te zetten, maar het geluid dat ik hoorde bracht mij terug in de werkelijkheid. Geritsel, waterverplaatsing. Langzaam opende ik mijn ogen en ik wist wat ik zou zien. Een enkele keer knipperde ik mijn wimpers op en van elkaar en bleef verder roerloos staan. Daar lag hij. Het smerige witte skelet van iets waarvan ik geen idee had. Het draaide zachtjes om zijn as, alsof het mij aan het uitdagen of observeren was. Ik weet niet hoe ik het wist, maar ik wist het zeker: het probeerde in mijn gedachten te komen, zat daar misschien allang, had alle gedachten gevolgd die ik tot nu toe had gehad. Blijkbaar had ik angst ervaren, of één of andere emotie die er tegenaan had geschurkt, anders had het nu niet hier gelegen. Ik wist niet hoe de Tormentors opereerden, of ze gelijk toesloegen als ze ergens angst voelden, of dat ze eerst lang genoten van het gevoel van macht alvorens toe te slaan, maar ik had mijn ogen dicht gehad en ik had geen idee hoe lang. Ik had in ieder geval niet aan de Tormentors gedacht. Toch? Ik wist niet meer waar ik aan had gedacht. Hoe het ook zat, het ding lag hier en leek niet van plan weg te gaan. Ik had buikkrampen van de honger en mijn mond en keel waren krukdroog van de dorst en het leek er ook op dat ik de strijd met de slaap zou gaan verliezen zo godsgruwelijk moe was ik. Maar, godallemachtig: ik was óók bang. Daar, ik had het gedacht, ik was bang. Meteen stopte de Tormentor met draaien, poised in motion, zijn beweging bevroren. Hij wachtte af. Ik had niet lang genoeg in dit zwembad rondgedobberd om de dynamiek tussen de jagers en de prooidieren te kennen, maar die ene keer dat zo’n ding aan mijn voeten had gelegen, hadden zijn bewegingen, of gedragingen, ik wist niet precies hoe ik ze noemen moest, me anders geleken. Het was of hij toen afwachtte of er ergens een glimpje van angst door de getrainde schermen zichtbaar zou zijn, voelbaar. De situatie was toen waarschijnlijk anders geweest dan ‘normale’ aanvallen van het ding, ik had de boel aardig opgeschud met mijn schop en het schreeuwen, maar toch…De Tormentor was me niet onzeker overgekomen toen. Hij had zijn kans gegrepen. En zijn telepathische klauwen in mijn arm gezet. Nu lag hij daar en reageerde duidelijk als ik angst voelde, maar beet me niet meteen telepathisch mijn poten onder mijn romp vandaan. Waarop reageerde het precies? Het was angst, dat was duidelijk, maar was het als ik het toeliet, die angst, het me liet beheersen, ik me er door liet verteren dat het toesloeg, angst voor het beest, die steen, wat het ook maar was, of ook angst voor andere dingen? Angst om te verhongeren, angst om alleen te zullen zijn de rest van mijn leven, angst om te slapen en in mijn slaap te dromen –als ik ooit een plek zou vinden waar ik slapen kon, überhaupt- angst om gek te worden van mijn eigen gedachten?
Hij roerde zich weer. Ik rilde, was bang voor hem, ik kon er niks anders van maken dan dat ik bang voor hem was. Als ik niet iets zou doen, dan zou die zak botten mij te grazen nemen, dat wist ik heel zeker. Ik was alleen, ik was een heel makkelijk slachtoffer, geen zacht, meegevend lillend vlees om mij op te vangen dit keer. Doe het dan maar nu, stinksteen, dacht ik. Zijn we er van af. Maar was dat wel zo? Kwamen ze niet elke keer terug om een ander stukje van je af te denken? Ach, wat maakte het ook uit. Het was toch zinloos en uitzichtloos voor mij.
NEE! NEE! Ik had die klootzak van een Freek niet gezegd dat ik die rommel niet wilde om mij nu hier bij de eerste de beste gelegenheid te laten lek denken, verdomme aan toe! Ik deed mijn ogen weer dicht, concentreerde mij op mijn ademhaling en zei tegen mezelf, als ware het mijn nieuwe mantra: ik heb een keuze, ik heb een keuze, ik heb een keuze. Daar werd ik rustiger van, maar helaas was het ding niet overtuigd. Toch deed hij niks; er ging alleen een enorme stilte voor de storm van hem uit. Ik sidderde, was toch weer afgeleid en voelde mijn arm kloppen. NEE! Concentreer je! Doe het! Het duurde even maar toen voelde ik het: ik had keuze en dat betekende dat ik mij niet hoefde te gedragen als de weekmensen. Ik hoefde niet stokstijf stil te staan. Ik kon bewegen, hoefde niet onzichtbaar te zijn. zolang ik maar geen angst ervoer, ofwel voor het mottige skelet ofwel voor wat dan ook, daar zou ik nog wel achterkomen. Ik moest mij daadkrachtig gedragen, voelen vooral. Niet reactief.
Ik haalde diep adem. Keek het ding recht aan en zei hardop dat ie de tering kon krijgen. Vervolgens pakte ik mijn denkbeeldige bundeltje bijeen, draaide me om en liep bij de Tormentor vandaan. Mijn hart klopte in mijn keel -voor het grootste gedeelte was het psychologisch geweest aangezien ik nog steeds angst voelde, maar het was een begin. ‘Kom maar achter me aan, klootzak’, dacht ik. ‘Ik schop je tot bottenmeel’, zei ik hardop. Geen idee waar ik heen ging. Of wat ik ging doen als de nacht viel. Of hoe ik in godsnaam iets te eten of drinken zou vinden. Ik hoopte dat mijn overtuiging zou beklijven en dat ik haar niet meer steeds hoefde te herhalen om rustig te worden. Want het koste mij nu de grootst mogelijke moeite het front omhoog te houden. Eronder piekerde ik mij suf. Ik hoopte echt dat Tormentors niet ook honger kregen van piekeren.
En zo liep en liep ik weer. Uren aaneen, nergens heen. De Tormentor was niet achter me aan gekomen. Ik had dat gecheckt, natuurlijk. Meerdere malen. Ik merkte dat de zon begon te zakken en ook dat mijn gedachten weer met me aan de loop gingen. Van de doortasting en overtuiging was niet veel meer over. Ik wist wat ik moest doen als er een Tormentor in de buurt was, en alleen dat al kostte me de grootste moeite, maar ze bij me vandaag houden, zover was ik nog niet. Dat hield in geen angst ervaren, maar de waarheid was helaas dat ik radeloos was. Ik kon met hard mijn best doen de angst uit bannen. Nog wel. Maar wat deed ik als ik buiten bewust zijn raakte, als ik sliep? Daar gesteld dat ik überhaupt slapen kon. Wat een uitzichtloze situatie. Ik controleerde niet wat er zich in mijn onderbewuste afspeelde, kon mijn dromen niet sturen. Ik kon bijna niet meer lopen van de honger en dorst en de zon deed rare dingen met mij. Het water klotste langs mijn dijen en ik had het afwisselend heel erg koud en heel erg warm. Ik kreeg visioenen van mijn handen die zo’n vieze steen eigenhandig wurgden, het steen verpulverde in brokkelend zand, knarsend tussen mijn vingers, maar die gedachte was zo absurd dat ik met mijn hoofd schudde en het uitschaterde van het lachen. ‘Een steen wurgen, heel goed, het gaat heel goed met je, ja,’ zei ik hardop. Ik schrok van mijn eigen stem, die hard en schel klonk. ‘Je kunt in ieder geval praten, wees blij. Die schimmelige kwallen kunnen niet veel anders dan gorgelen.’ Wie er beter af was, dat wist ik niet. Zij, vermoedde ik, na lang beraad met mezelf. Zij hoefden niet te slapen en waren nooit alleen. Ik dacht aan de weekman, hoe het met hem zou gaan en die kinderen die zijn familie waren geworden. Ik dacht ook aan de andere weekmensen, zoveel was me duidelijk geworden van Freek, er waren er meer hier. Maar waar? Ik had er nog niet één gezien. Moedelozer dan ooit strompelde ik voort tot ik merkte dat ik niet alleen meer was. Hé? Wat zei ik toch? Natuurlijk was ik wel allee… nee, jawel. NEE! Ik was niet alleen, kijk daar!
Ik verstijfde. De adrenaline spoot door mijn bloed. Mijn ogen werden groot. Ik voelde mijn hart overslaan, versnellen. Op een meter of tien voor mij dobberden vier weekmensen met hun ruggen dicht tegen elkaar aangedrukt, in het zwembad rond. Ze zagen er minder opgeblazen, minder door het zwembad en de Tormentors aangevreten uit als diegenen die ik eerder was tegen gekomen. Ze zagen er eigenlijk nog verbazingwekkend menselijk uit, hoewel hun haar bijna uitgevallen was en ze die bekende expressieloze blik hadden. Ze bewogen niet, zo op het eerste gezicht te zien, dat dobberen lag aan het water, hoopte ik, maar ik was er niet gerust op. Er klopte iets niet aan dit plaatje. Voor zover er sowieso iets kon kloppen aan wat dan ook er met mij gebeurde sinds ik in dit klotezwembad terecht was gekomen. Nu ik er even over nadacht, eigenlijk ook daarvoor was mijn leven te bizar voor woorden geweest. Achtervolgd worden door mannen met geweren. As if. Ik keek en wachtte. Ik wist wat er zou komen, want ik wist zeker dat ik de weekmensen nooit zou aantreffen, gezellig een biertje drinkend met hun armen over de rand van het zwembad, wat babbelend over de goede weersvooruitzichten. Of dat ik ze sowieso zo maar zou aantreffen. Ik geloofde er niet meer in. Dit hele zwembad en alles wat ik erin aantrof klopte niet. En ik werd niet teleurgesteld want uit het niks verscheen daar een Tormentor. Een kleintje, dit keer. Hij bewoog wel, draaide spiraaltjes om zijn eigen as en bewoog zichzelf zo voort. Om de vier opgeblazen dingen heen. Ik observeerde het verstilde schouwspel. Als je niet beter wist, en ik wist dat helaas wel, want ik voelde mijn arm hevig kloppen, dacht je misschien naar een experimentele dansvoorstelling te kijken, met vreemdsoortige poppen; mooi in hun afstotelijkheid. Waarom deed ik niks? Waarom verjoeg ik hem niet, die mottige gatenkaas? Maar het gedrag van de weekmensen werkte aanstotelijk en de pijn van zijn telepathische geintje als katalysator weerhield mij voor hun in de bres te springen. Hoewel ik wist dat ik niet bang hoefde te zijn voor de Tormentor, durfde ik niks te doen uit angst dat hij weer achter mij zou aan gaan. Ik dacht het en was boos op mezelf: ik had verdomme een keuze en wist bovendien van de Doler dat de roofdieren in feite bang waren voor mij, dat wil zeggen als ik geen angst ervoer. Ik kon de dingen er notabene mee verjagen. Maar ik deed niks. Er veranderde niet veel, de Tormentor bleef om ze heen draaien, de weekmensen met hun grote opengesperde ogen en gaten als monden, verstild net te doen of ze er niet waren. En ik natuurlijk, ik die niks deed behalve toekijken.
Mijn angst verdween langzaam en hiermee kwam ook mijn verstand een beetje terug. Ik stond op het punt naar de kleine Tormentor toe te waden, hem een rotschop te verkopen, toen er blijkbaar iets was veranderd in de dynamiek. Ik kon alleen maar twee van de vier weekmensen zien, omdat ze met hun ruggen tegen elkaar stonden, dus ik wist niet zeker waar de zegel van hun exterieur verbroken was, maar ik vermoedde dat het een van de kleinere was die recht voor mij stond. Hij knipperde met zijn ogen. O god, nee, hij knipperde met zijn oogjes! Ik kreeg het ijskoud, probeerde hem zonder woorden te manen zich weer te concentreren. Ik wist niet waardoor zijn aandacht verslapt was, maar ik wist het toch stiekem wel. Want hij keek nu naar mij, hij keek me aan met zijn enorme zwarte ogen zonder wimpers en ik zag zijn gezicht trillen. Ik was de reden dat dit kleintje, overduidelijk nog niet zo bedreven in het uitbannen van angst, uitbannen van het leven, zijn concentratie had verloren. Ik perste mijn lippen op elkaar en voelde tranen prikken. Verdomme. De Tormentor, die op zijn ronde precies aan de andere kant was aanbeland, stopte met draaien en kwam toen met verrassende snelheid het bochtje om gezwommen. Voor de “jongen” bleef hij liggen en vervolgens ging hij als een bezetene rondjes om zijn as draaien. Ik werd er misselijk van, vanwege het snelle draaien, maar vooral omdat het me deed denken aan die overwinningsdansjes die voetballers soms maken nadat ze een doelpunt hadden gescoord. Té overdreven. Ik had er genoeg van. Ik slikte mijn tranen weg en waadde zo hard ik kon op de Tormentor af, onderwijl al mijn gedachten concentrerend op mijn haat jegens het stukje zandsteen, of wat voor steen het dan ook maar was. Ik dacht pure haat naar hem toe. Ik geloof dat ik ook wildebeestachtige geluiden voortbracht, alsof ik ten strijde trok, maar dat weet ik niet meer heel zeker. Ik zou die klootzak kapot maken, dat zou ik!
Ik ging zo volledig in mijn junglegevoel op, dat ik niet door had dat ik te laat was. Dat begreep ik pas toen het al was gebeurd. De jongen liet zijn hoofd zakken en sloot zijn ogen. Er verscheen een grote zwarte cirkel op zijn schouder, tegen zijn hals aan. De andere weekmensen leken nu ook in paniek, gingen nog steviger tegen elkaar aan staan, sloten het kleintje in hun gelederen, zodat er nog maar drie zichtbaar waren. De lucht om hen heel trilde, al die geconcentreerde, tijdelijk uiteengespatte, energie leek zichtbaar te worden. Ik zag één, een grote vrouw met nog een verbazingwekkend mooi gezicht, mij opnemen, en in haar blik las ik naast angst ook dezelfde woede die ik bij “mijn weekman” ook al had opgemerkt. Ik snapte hem nu. Overal waar ik kwam, bracht ik ellende. Ik leidde hen af van hun taak in het leven. Onzichtbaar zijn, de angst onderdrukken, een zinloze, onmogelijke opgave, want hoe goed je er ook in werd, er gebeurde immers altijd wel eens iets wat je concentratie deed verslappen. Ook in hun bestaan. Nieuw voer voor de Tormentors, bijvoorbeeld. Die nog niet zo bedreven waren in het focussen. Of nog erger: een randdebiel als ik, die als een olifant in een porseleinkast zoveel schade veroorzaakte met mijn onbeholpen gedoe. Gelukkig voor hen was ikzelf degene die was “gebeten” de vorige keer, maar dit keer was ik wel degelijk verantwoordelijk. Ik dacht aan de kleine jongen en aan de zwarte kring bij zijn nek. Ik wist wat er zou gebeuren met dat vlees en voor de zoveelste keer in dit zwembad rilde ik. Zou hij het overleven? En: maakte dat uit? Ik voelde mij vreselijk. Een ogenblik later waren de gedachten van de weekmensen weer naar binnengekeerd, dacht ik, want de lucht boven hen bewoog niet meer. Het was muisstil. De Tormentor leek na te genieten.
Hoe had dit kunnen gebeuren? Waarom was dat kleine stuk skelet niet voor mij op de vlucht geslagen? Blijkbaar woog de geur van angst, of het vooruitzicht op eten, toch sterker dan de angst voor een halve zool zonder angst die door het water op hem af kwam ploeteren. Of had ik maar gedáán of ik geen angst had, had de adrenaline mij gefopt en was ik al die tijd toch bang geweest? Ik kon niks meer met zekerheid zeggen, behalve dan dat ik dat scharminkel nu uit zijn lijden zou verlossen en tot stof schoppen. Kaarsrecht stond ik tegenover hem, ik torende boven hem uit. De zwarte vlekken tussen de gaten in het steen keken mij aan, maar schoten steeds weg. En kwamen terug. Hij was onzeker. Net als die ander was geweest, maar wegzwemmen deed hij niet. Noch aanvallen. Ik snoof mijn neus en zei: ‘Die bitch!’ en vervolgens trok ik mijn linkerbeen omhoog en stampte naar beneden. De Tormentor maakte geluid. Een soort ‘Ieeeeeekkks’ kwam uit het water opborrelen. Ik meende een stofwolk te zien. Ik sloot mijn ogen even en dacht aan de Doler. Wat zou hij nu hebben gedaan, de Tormentordoder? Toen ik mijn ogen weer opende, stond hij daar. De Doler. Hij duwde mij vrij bruusk aan de kant en trok zijn speer van achter zijn rug uit de koker en stak hem in het ding dat voor onze voeten in het water aan het kronkelen was. Er kwam nog een “iiieeeeks” , nu zeker weten een stofwolk en van de Tormentor was niks meer te zien. Ik haalde mijn wenkbrauwen op en keek vervolgens opzij om te zien hoe het met de weekmensen ging, maar die waren in geen velden of wegen te bekennen.
Wat was dit voor een godvergeten plek? Waar je uren moest waden en niemand tegenkwam en dan met je ogen knipperde en het ineens pandemonium werd? Waar je volledig aan je lot werd over gelaten en waar je werd opgegeten als je bang durfde te zijn, niet eens in één keer, maar langzaam en stukje bij beetje, en, bedacht ik ineens, waar je aan iemand kon denken en die persoon was er dan? Wat wás dat voor een plek? Nou, deze plek dus. Verbaasd was ik niet, niet meer althans. Blijkbaar gebeurden die dingen hier zo. Maar het zette me wel aan het denken. Als ik aan de Doler kon denken en hij kwam, dan kon ik misschien ook een wc visualiseren en die kwam dan ook. Ik grinnikte. Waarom niet gewoon poepen in het water? Nee, dat was niks. Misschien een tafel vol eten, een karaf water in mijn geestesoog en dat het dan gematerialiseerd werd? Ik krulde mijn lip en dacht na over hetgeen ik net gedacht had.
De Doler keek mij met een scheef gezicht aan. Zijn lange viltige baard viel ook opzij en raakte het wateroppervlak. ‘Heel goed’, zei hij. ‘Ik zie dat je aan het leren bent. De letterlijke weg loopt soms dood hé, maar dat hoeft niet einde oefening te zijn. Er is een heel pad dat zich ontvouwt als je je ogen sluit.’ Hij was even stil, knikte vervolgens en ging verder. ‘Alles heeft zijn tijd. Denk er maar eens goed over na. Over wat ik je nu en eerder heb verteld. En vooral: wat je zelf bedenkt. Misschien heb je wat aan mijn woorden. Maar het sleutelwoord is: denken. Nooit stoppen met denken en daarop durven vertrouwen. Laat het je leidraad zijn in je handelen.’ Hij maakte aanstalten om weg te gaan, maar bleef staan. Peinzend vervolgde hij: ‘Denken is niet alleen logisch denken gevolgd door actie, hé, maar daar was je al achter. Soms kun je meer bereiken met je ogen dicht, heel stil en heel intens op niks concentreren of juist heel specifiek op iets, dan met vijfhonderd paarden trekken aan een nutteloos idee. Soms zijn op hol geslagen gedachten veruit de beste keuze. Goedendag.’
Mijn mond was een aantal keer open gegaan om een vraag te stellen, maar ik had uiteindelijk niks gezegd, bang dat ik vitale informatie omtrent mijn overleven in dit unheimische oord zou missen. Blijkbaar was de laatste keer mijn mond blijven openstaan, want ik voelde de zon branden op mijn tong. Ik schrok op uit blijkbaar weer een overpeinzing en sloot met een klap mijn mond. De Doler was weg. Dat sprak voor zich. Zijn verhaal echode echter door in mijn hoofd. Vooral zijn laatste woorden had ik onthouden, of althans, ik had het idee te begrijpen wat hij had bedoeld: soms werkt intensief concentreren vanuit jezelf beter om je doel te bereiken dan als een wilde idioot proberen iets voor elkaar te krijgen. Dat rijmde wonderwel met mijn gedachten voor de Doler zijn betoog had gedaan. Misschien moest ik me minder concentreren op wat ik niet kon in plaats van wat wel mogelijk was. Misschien wás er alleen maar chloorwater hier, tenzij ik wilde, met mijn gedachten, dat er iets anders was. Klonk goed, vond ik zelf. Ja, klonk helemaal niet verkeerd. Maar ik werd afgeleid door iets. Ik trok mijn schouders naar achteren, voelde mijn droge tong en wist wat het was: de zon. De zon stond weer bovenaan de hemel. En dat terwijl hij bijna onder was geweest toen ik bij het kwartet voormalige mensen was aangekomen. Ik zuchtte. Onmogelijk.
Maar de werkelijkheid was dat het wel mogelijk was, want het gebeurde immers. Alles leek hier te kunnen, dus misschien moest ik ook maar eens een poging wagen. Ik sloot mijn ogen en liet mijn gedachten de vrije loop. Meteen ontstond er een wedstrijd in mijn hoofd, elke gedachte vocht om een plekje op de ereplaats. ‘Die chaos kan toch zeker tot niks leiden?’, dacht ik en wist met moeite mijn hoofd weer stil te krijgen. ‘Ik moet dit anders aanpakken. Ik moet nagaan waarnaar ik het meest behoeftig ben, wat ik het liefst gematerialiseerd zie.’ Ik sloot wederom mijn ogen, mij dit keer concentrerend op niks, hiermee hopend net die ene gedachte te krijgen die voor mij het meest van belang was. Ik zag water, drinken, daarna ook druiven, kaas…het werd sterker, ik bleef mijn ogen gesloten houden, concentreerde mij nog harder…en..
Niks. Er gebeurde helemaal niks. Hevig teleurgesteld opende ik mijn ogen. Waarom kon ik wel aan de Doler denken en die baardaap stond voor me, maar als ik blijkbaar mijn gedachten de keuze gaf waaraan ze de voorkeur gaven , er niks kwam? Was de visualisatie niet duidelijk genoeg geweest? Niet specifiek genoeg? Was dat misschien het probleem? Nog maar een keer. Ogen dicht. Andere aanpak. Ik bepaalde waaraan ik dacht, ik liet dit keer niet de gedachte zelf komen. Concentreren. Nog beter concentreren. WC. Ik dacht aan een WC. Ik moest héél nodig plassen. Vreemd genoeg kon ik alleen maar aan dat stomme hokje met bloemen van Freek denken. Die fake surfersplee. Ik fronste mijn wenkbrauwen. Vooruit. Dan dat hokje maar, het zou ook niks moeten uitmaken aan welke WC ik dacht, als ik er maar aan eentje dacht. Toch? Ik kneep mijn ogen stijf dicht in de hoop mij zo nog beter te kunnen concentreren. Ik viel…en..viel…en..viel…
‘…je je ogen dicht?’
Wat was dat? Ik opende mijn ogen en zag tot mijn afgrijzen het naakte lijf van Freek voor mij, met Freek eraan vast. Hij zat op de WC die ik zo juist had gevisualiseerd. ‘Wat doe jij hier?’ wist ik uit te brengen.
‘Nou, dat wilde ik net aan jou vragen. Jij mag hier niet komen. Het is eenmalig dat je met Freekje gepaard hebt. Al wil Freekje er in jouw geval misschien wel een uitzondering voor maken…’ Hij keek verlekkerd naar mijn borsten die door de stof van mijn t-shirt te zien waren, vastgeplakt aan de stof door het water. Gatverdamme. Ik rilde heftig. Dacht snel na. Ik had dus aan een WC gehad, zijn WC…en stond nu tegen zijn behaarde knieën aan terwijl hij god mag weten wat deed op zijn pot. Blijkbaar kwam Freek gratis meegeleverd met zijn WC. Hij spoelde door. ‘…ik begrijp het al. Je moet naar de WC. Freeks WC, welteverstaan. Nou vooruit dan maar. En dan wegwezen. Hopelijk ga jij hier niet óók een gewoonte van maken, net als die stinkaap met die stok op zijn rug. Fantasieloos, zo noem ik het. Verzin eens wat anders dan Freek zijn dingetjes.’ Mopperend deed hij het deurtje van de WC open en liep weg zonder hem dicht te doen. Ik keek hem na. Mijn mond viel open. Freek liep weg, naar buiten, het niets in. Er was…niets. Letterlijk niets. Geen incheck balie, geen gang naar zijn liefdesnestje. Geen vloer, geen kleuren. Alleen maar…niks. Freek stapte in het niets. Ik deed de deur dicht. Ik ging op de bril zitten en concentreerde mij op de gelukszaligheid die mij ten deel viel. Ik luisterde naar het kletteren van mijn plas op het emaille. Een zorg minder. Voorlopig, althans.
Toen ik klaar was met plassen, sloot ik mijn ogen. Ik was van slag door dat niks waarin Freek was verdwenen. Kwam dat omdat ik alleen zijn WC had gevisualiseerd en niet zijn toko? Maar waarom kwam hij dan mee met die visualisatie? Omdat hij toevallig op die WC had gezeten? Wat was dit ingewikkeld…en creepy. Ik zat ook na te denken over wat Freek had gezegd toen hij wegliep. Over dat ik –en de Doler- fantasieloos waren en alleen maar “Freek zijn dingetjes” konden verzinnen. Wat bedoelde hij daar mee?
Ik had geen intentie bij Freek op visite te gaan, en ook niet om hier te blijven zitten, dus er zat niks anders op om mezelf weg te denken. Vreemd genoeg ging dat gemakkelijk. Ik had mijn ogen nog niet gesloten of ik rook de misselijkmakende geur die nooit wende en voelde het water alweer om mijn benen klotsen. Ik had nergens aan gedacht, dit keer. Werkte het dan zo? Als ik een andere status wilde bereiken dan mijn huidige uitzichtloze klotesituatie in het water, kwam het neer op heel specifiek concentreren. Je moest blijkbaar een bestaande WC visualiseren. Niet zo maar een wcbril en een willekeurige stortbak eraan vast, maar iets waar je daadwerkelijk op had gezeten. Gezien had. En dus ook geproefd. Gedronken. Heel specifiek. Misschien was dat eten en drinken om die reden niet tot mij gekomen: ik had maar lukraak wat aan eten gedacht. Moest ik dus ook met eten en drinken aan specifiek eten denken…eten dat ik ooit echt had gezien, gegeten en aangeraakt? Poeh. Dat werd nog knap lastig. Om de textuur terug te halen, de smaak, de vorm…Maar om terug te keren naar het zwembad en de weekmensen, de Tormentors en de angst…hoefde je maar je ogen dicht te doen en je was er. Het kwam mij enigszins oneerlijk over, maar wat hier gebeurde was niet erg eerlijk, dus dit paste wel weer mooi in het hele plaatje.
En dus was ik nu weer terug. In het zwembad. Weer alleen. Weer in de brandende zon. Niet helemaal terug bij af, want ik wist hoe ik Tormentors op afstand moest houden en ik wist ook dat ik ze doden kon. In theorie en een beetje in de praktijk. Ik had ook geleerd hoe ik mezelf naar de WC van Freek kon teleporteren. Jammer alleen dat het de plee van Freek was geweest. Met Freek erop. Afijn, Ik hoefde nu niet meer te plassen, wat enorm opluchtte, maar honger en dorst had ik des te meer. Geen idee hoe het zat met slaap, maar op de ene of andere manier was ik niet meer zo hondsmoe als een tijdje terug. Ik had ook al een poosje niet meer aan slapen gedacht, eigenlijk. Er schoot me iets te binnen. Had de Doler niet gezegd dat je behalve heel specifiek op iets te concentreren ook juist heel intens op niks kon focussen om iets te bereiken? Als ik me nou eens niet focuste op dat slaperig zijn, het volledig negeerde? Zou het dan over gaan?
Maar was dat gezond? Niet meer slapen? Hetzelfde gold voor eten of drinken, of naar de WC gaan, of wat dan ook ik nodig had om te blijven leven. Ik had de spuiten geweigerd en dat maakte mij mens. Als ik niet wilde zorgen dat mijn lichaam menselijk bleef, had ik beter de andere optie kunnen kiezen, dacht ik wrang. Ook herinnerde ik mij dat de eerste keer dat ik de Doler was tegengekomen hij mij over eten en drinken had gezegd dat ik het moest blijven doen omdat ik mens moest blijven. Wat hij daarmee had bedoeld wist ik niet, maar hij had het me vast niet voor niks verteld. Tot nu toe had de Doler mij met raad en daad bijgestaan, zei het op het cryptische af, waar ik niet echt op zat te wachten, maar ik moest het er maar mee doen. Weinig keuze. Ik fronste mijn wenkbrauwen.
Ik moest dus mens blijven. Dat betekende dat ik niet maar gewoon mijn behoeftes kon gaan negeren en uitbannen, (wat misschien wel mogelijk was, al had ik geen idee wat het gevolg daar dan weer van zou zijn), maar er juist aandacht aan moest besteden, naar mijn lichaam luisteren en dan al naar gelang de behoefte, concentreren op datgene wat ik nodig had. En wat deed ik dan in de tussentijd? Een beetje ronddolen? Tormentors jagen, zoals de Doler? Mijn poging de kleine jongen te redden was jammerlijk mislukt en hoewel ik vermoedde dat in dit geval het adagium `oefening baart kunst´ ook wel zou gelden, had ik er weinig fiducie in en ook niet erg veel zin. Het moest maar tot later wachten. Eerst de kunst van het visualiseren perfectioneren. Ik rolde met mijn ogen. Joepie.
Goed. Wat wilde mijn lijf? Ik deed voor de honderdste keer mijn ogen dicht en probeerde te luisteren naar mijn binnenste. Het was niet over het hoofd te zien: er moest brandstof in en dus deed ik hard mijn best aan eten en drinken te denken. Ik kneep mijn ogen een stukje dichter en draaide mijn oogbollen omhoog. Waarom ik dat deed, ik wist het niet zeker, maar het was iets van Buiten. Ik kneep mijn ogen nog stijver op elkaar. Concentratie! Ik had dat van iemand geleerd, ooit, maar van wie en waarom wist ik niet meer. Vreemd. Hoe kwam dat? Geïrriteerd schudde ik mijn hoofd, het visualiseren was lastiger dan ik dacht. Nu werd ik weer afgeleid door deze gedachte over mijn oogbollen, dan ging focussen op eten natuurlijk niet. Maar het kriebelde…dat ik mij niet voor de geest kon halen hoe het zat met die techniek van de ogen omhoog draaien. Ik opende mijn ogen en beet op mijn lip. Hoe zat dit? Waarom kon ik dingen van Buiten niet meer goed voor de geest halen? Het was net of er iets in het water zat waardoor alle realiteitszin verdween en dit zwembad de enige waarheid en werkelijkheid was. Was het visualiseren daarom zo moeilijk? Waarom dacht ik überhaupt niet aan Buiten? Waarom was ik op Freeks WC terechtgekomen? En niet op een WC waar ik in mijn leven van vóór het zwembad op had gezeten?
En toen sloeg het in als een bom. Als die twee nou met elkaar te maken hadden? Kon ik niet aan dingen van Buiten denken omdat dit verdomde zwembad mij alleen instaat stelde dingen te visualiseren die ik hier had gezien, gehoord, gevoeld en geproefd? Dan was ik mooi in de aap gelogeerd, want ik had helemaal niks gegeten en gedronken terwijl ik hier gevangen zat. Had alleen op de plee van Freek gezeten en dat was ook waar ik heenging toen ik moest. De WC was niet naar mij toe gekomen; ik was dáárheen gegaan. En, o shit, het enige bed waar ik in had gelegen was dat smerige liefdesnestje van de naakte gluiperd, dus ik vermoedde dat ik daar terecht zou komen als ik aan slapen en een bed zou denken. Wat een perpetuum mobilehel. Het maffe was dat ik helemaal niet bewust aan die specifieke wc had gedacht…maar blijkbaar was mijn referentiekader hier volledig opnieuw gekalibreerd. Dit was mijn referentiekader, immer zichzelf herhalend en nooit verversend . Verdomme.
Ik nam de proef op de som. Ik moest weten of mijn nieuwbakken theorie klopte. Deed mijn ogen weer dicht, focuste op eten. Het enige eten wat in mij opkwam was een schaal met kaas. Waar had ik die schaal ook alweer eerder gezien? Inderdaad. Bij Freek in de slaapkamer. Maar ik had het niet gegeten of opgepakt, dus ik zou het dus ook niet kunnen materialiseren. En dat klopte. Hoe hard ik ook al mijn energie focuste op die tyfusschaal, mijn handen bleven leeg en ik stond nog steeds in het stinkende water. Ik dacht aan drinken. Zelfde verhaal. Ik zag alleen de karaf met water die op het tafeltje bij Freeks bed had gestaan, maar omdat ik er niks van had gedronken, zelfs niet met mijn vingers langs de rand een druppel had weggelikt, kon ik er niet bij. Het kwam niet naar me toe en ik ging daar ook niet heen. Nog een keer. De druiven dit keer. Hoewel ik ze kon zien liggen, godallemachtig, ze kon vóelen, bleven ze buiten mijn bereik. Zoals het er nu dus uitzag kon ik, hoe ik het ook probeerde, alleen maar de dingen visualiseren die ik hier had gezien én waar ik hier gebruikt van had gemaakt. En dat was verdomd weinig. Aangezien ik niks had gegeten, mogen eten eigenlijk, want Freek had het mij verboden, werd het nog knap lastig om datgene te doen wat de Doler had gezegd: mens te blijven. Shit. Ik raakte in paniek. Hoe kon ik in leven blijven als ik geen referentiekader meer had? Hoe deed die baardaap van een Doler dat, in leven blijven? Hij zou mij toch niet vertellen dat ik moest blijven eten en drinken om mens te blijven terwijl hij zelf dat trucje van nergens meer aan denken had toegepast en dus nergens meer naar verlangde of niks meer nodig had? Tormentorjagen…was dat dan het enige wat hij hier deed, dag in dag uit? Een enorme treurigheid overviel mij en samen met de paniek die ik door mijn lijf voelde gieren, wist ik dat ik wederom de aandacht van de prooidieren zou trekken. Wat een deerniswekkende toestand, dit! Ik kon nergens heen, dat hadden zowel de Doler als Freek mij verteld en aangezien zij hier nog waren, nam ik aan dat ze de waarheid vertelden en ik kon niks anders fantaseren dan een bloemetjeswc en het naakte lijf van Freek..
Ik zuchtte diep. Denk. Denk dan verdomme na! Ik dacht. Ik dacht diep na. En toen had ik het. Als ik niet bij het eten van Freek kon komen door aan het eten te denken, dan zou ik aan iets anders denken waar ik wél bij kon. Via een omweg zou ik bij dat eten en drinken van die rotzak komen. Ik snapte nu ook waarom de Doler zo vaak bij de incheckbalie te vinden was. Alles wat hij nodig had om te overleven in deze onderwereld, was bij Freek te vinden. Elders was alleen water. Ondrinkbaar water. En beesten van stenen en weekmensen. Ik kon mij niet voorstellen dat de Doler die at. Ik deed mijn ogen weer dicht, voor de honderdste keer, en visualiseerde Freeks slaapkamer. Ik hoopte vurig dat hij nu niet zou slapen. En ja. Ik viel..en viel..en viel..
Toen ik mijn ogen opende, stond ik in zijn slaapkamertje, aan het voeteneind van het liefdesnestje. Hij was er niet en ik haalde opgelucht adem. Ik keek haastig om mij heen, want ik wilde Freek als het even kon nooit meer onder ogen komen –ook al kon hij niet heel veel uitrichten, daar was ik al achter. Hoe ik dat dan voor elkaar moest krijgen, al die vermoeiende handelingen om te kunnen blijven leven zonder dat die viezerik mij zou zien; ik had geen idee, maar ik zou mijn uiterste best doen om het voor elkaar te krijgen. Even werd ik afgeleid door mijn vorige gedachte: waaróm zou ik eigenlijk in leven willen blijven? Het was een uitzichtloze bedoening. Maar ik zette haar van me af en koerste af op het doel van deze missie: het bijzettafeltje. Ik knielde neer en propte me vol met zoveel mogelijk kaas als ik kon, afgewisseld met gulzige slokken water tussendoor. Toen ik bijna uit elkaar barstte, deed ik mijn ogen dicht en wilde mezelf net wegdenken toen ik een belangrijke gedachte had: ik kon beter van ál het voedsel proeven dan me volstouwen met alleen kaas, want dan stond dat in ieder geval op het lijstje. Ik opende dus wederom mijn ogen en at van de druiven, al het andere fruit en van een homp brood dat er de vorige keer niet had gelegen. Uitgeteld zeeg ik op de grond neer. Ik was moe geworden van het eten, maar slapen in dat bed leek mij erg onverstandig. Waar wel was de vraag waar ik mij nu mee bezig moest gaan houden. Ik stond op en liep rusteloos door het kamertje, onderwijl alles dwangmatig aanrakend, je wist maar nooit, maar op het bed en het tafeltje na, was er hier niks. Het was leeg. Niet. Niet waar. Ik kon mij herinneren hoe ik de vorige keer een rond deurtje had gezien in de achterwand van deze kamer. Een deurtje voor een dwerg. Waar was die deur? Ik liep om het bed heen en zag hem. Daar. Bijna niet te zien door de doeken die er kunstig langs waren gedrapeerd, maar hij was er. Ik knielde weer en bekeek de deur nauwkeurig. Er zat geen deurknop op, geen klink, geen enkele manier om hem van deze kant te openen. Waarom zat die deur daar dan? Ik duwde er tegen aan. Niks. Ik probeerde het wat harder en nog wat harder, maar hoe hard ik het ook deed, er gebeurde niks. Geïrriteerd blies ik de lucht tussen mijn tanden, maar ik stopte daar abrupt mee toen ik achter mij de deur open hoorde gaan. Shit. Freek. Snel schoot ik achter de gordijnen van zijn hemelbed. Ik zou me hier verschuilen tot ie weer wegging, of ik zou me vanuit deze positie proberen weg te denken, terug naar het zwembad.
Maar waarom? Wat was dat voor iets onverklaarbaars hier dat ik mij maar schikte naar datgene wat mij werd opgelegd en alles maar aannam en slikte voor zoete koek? Waarom zou ik teruggaan naar het zwembad, waar die smerige stenen rondzwommen en ik werd geconfronteerd met de schade die ze aanrichten op de weekmensen en…ineens bedacht ik iets. Hoe ging het eigenlijk met mijn arm? Ik had in al die tijd niet meer aan mijn rechterarm gedacht waarvan mij werd verzekerd dat hij elk moment kon afvallen en dat het chloorwater voor de heling zou zorgen. Hij zat er nog aan en als ik erop drukte, op de plek die voor zoveel pijn had gezorgd, dan deed dat geen pijn. Geen pijn? Ja, niet. Heel voorzichtig trok ik mijn T-shirt omhoog en keek naar de plek. Volledig genezen. Ik schudde mijn hoofd. Hoe was dat mogelijk? Het werd echt tijd dat ik niet meer mee zou doen met deze onzin. Ik was er klaar mee. Als niks klopte van de regels hier, dan was ik ook niet van plan mij aan die regels te houden. Helaas zorgde deze attitude niet voor een permanente verplaatsing uit deze hel. Ik luisterde aandachtig naar wat Freek aan het doen was, maar toen ik zacht gesnurk hoorde van achter de stukken stof was alles duidelijk. Ik besloot het er op te wagen, ging liggen en sloot mijn ogen. Ik ontwaakte uit een diepe slaap doordat er naast mijn hoofd iets had gekraakt. Ik opende mijn ogen en zag dat het deurtje op een kier stond. Freeks gesnurk was opgehouden, maar ik wist niet of hij nog in de kamer was of dat hij al weg was gegaan. Ik keek weer naar het deurtje. Nam toen een beslissing. Ik moest er achter komen wat er achter dat deurtje was, maar eerst keek ik voorzichtig om het hoekje of Freek er nog was. Hij was er, maar was bezig met iets waarvan ik na één blik meer dan genoeg had gezien. Vol walging trok ik mij terug en spoedde mij naar het deurtje en wilde er net op mijn knieën doorheen kruipen toen ik een hand op mijn rug voelde.
‘Nee! Kom hier!’
Ik bevroor. Freek. Ik was te laat. Wat moest ik doen: snel doorkruipen of me omdraaien en terug naar Freeks kamer gaan? Ik had geen idee waar dit deurtje naartoe leidde, misschien wel naar onbeperkt eten en drinken, misschien wel naar nog meer zwembad, maar ik moest het weten. Dus ik kroop door. Freek sprong op mijn rug en draaide mij om. Hij lag nu op mij, ik op mijn rug en hij op mijn buik, de helft van onze lichamen door het deurtje en de andere helft in zijn kamer. Zijn gezicht was heel dicht bij het mijne en ik rook zijn adem. Hij rook naar rotte vis en…de zilte geur van brak water. Ik huiverde. Ik dacht dat hij weer een van zijn schunnige opmerkingen zou maken en mij tot seksuele handelingen zou dwingen, maar het tegendeel bleek waar. Freek was volledig in paniek. Hij pakte met zijn linkerhand mijn haar vast terwijl hij met de andere het deurtje openhield. Dat was raar, want wij lagen er immers tussen dus de deur kon hoe dan ook niet dichtvallen. Zijn borst leunde zwaar op de mijne en ik kon moeilijk ademhalen. Ik was nog niet eerder bang voor hem geweest, had alleen walging voor hem gevoeld, maar de blik in zijn ogen maakte me ongerust. Er was iets wat hem heel erg angstig maakte.
‘Vrouw, luister. Jij mag daar niet naar binnen! Alleen Freek mag dat!’
Ik opende mijn mond om te vragen van wie dat niet mocht, en ook om te zeggen dat hij de pot op kon, maar hij schudde zijn hoofd en zei:
‘Nee, ik mag jou niet vertellen van wie niet en waarom niet. Freek weet het zelf eigenlijk ook niet. Maar ik moet het en jij mag het niet! Dit deurtje is alleen voor Freek! Jij moet nu weg.’
Maar Freek duwde me niet weg. In plaats daarvan draaide hij zijn hoofd van mij vandaan, sloot zijn ogen en was stil. Het was net of hij in gedachten verzonken was. Wat een vreemde reactie. Alsof iemand met zijn vingers had geknipt en poef de naakte man in trance was. Zag ik een soortement glimlach verschijnen op zijn lippen? Hij was in ieder geval heel ver weg met zijn gedachten. Ik deed mijn ogen ook dicht, misschien dat ik dan ook kon horen wat Freek hoorde, of voelde, ik had geen idee waarom ik dat deed, maar ik sloot mijn ogen en gelijk was het of de wereld waar ik in was…met Freeks naakte lichaam op mij en de weeë geur van het zwembad overal aanwezig en de geur van vis die van Freek walmde, verdween. Hij had plaats gemaakt voor een weiland met sappig gras. Ik zag zweefvliegen boven mijn hoofd en een blauwe lucht zonder wolken. Het gras rook naar zomer. Ik hoorde…vogels fluiten, zag een kastanjeboom. Ik had geen idee wat ik hier deed, maar had het gevoel hier eerder geweest te zijn. Ik voelde mij fijn. Op mijn gemak. Ik keek opzij en zag dat er iemand naast me lag. Een mens, een mensenjongen. Mijn hart vulde zich met liefde, niet omdat het een prachtig beeld was, maar omdat ik die jongen kende, het beeld herkende: het was een herinnering! Ik wist het zeker, het was een herinnering! Ik stak mijn arm naar hem uit, aaide zachtjes zijn wang. Hij glimlachte naar me. Ik kende hem, maar waarvan? Ik had hem hier nooit gezien, toch? Was dit…was dit een herinnering van Buiten? Ik opende mijn ogen, op hetzelfde moment dat Freek dat deed. De glimlach op zijn gezicht was verdwenen. Hij wurmde zich van me af en duwde mij hardhandig terug zijn kamer in. ‘Kom niet meer terug. Niet! Dit is alleen voor Freek!’ Ik knikte. Ik had ook behoefte aan tijd om na te denken wat er was gebeurd, dus toen het deurtje dichtviel, liet ik het er maar bij.
Alweer was ik klaar om mezelf naar het zwembad te denken, maar ik deed het niet. Daar moest ik erg mijn best voor doen- de behoefte om te gehoorzamen en niet na te denken was overweldigend hier. Zelfs zonder het angstserum en de levenssappen die anders uit mijn lijf geëxtraheerd zouden zijn, was het erg moeilijk, eigenlijk bijna onmogelijk, autonome gedachten te hebben, los van dit referentiekader, om over daden volgend uit deze eigen gedachten maar te zwijgen. Ik had ineens heel erg de behoefte om na te denken. Ik wist niet precies hoe dat kwam eigenlijk, waarom ik nu wilde zitten en nadenken en dat ik tot heel kort geleden niet eens op het idee kwam écht de tijd te nemen om te denken. Ik schudde mijn hoofd. Ook die gedachte was raar. Er gebeurde iets met mij nu, nee, er was iets met mij gebeurd en ik vermoedde dat het met het deurtje te maken had. Maar wat? Ik vocht weer tegen de impuls om naar het zwembad terug te keren. Ik wilde daar niet zijn, dus wat maakte het dan verdomme dat alles in mij schreeuwde om daarheen te moeten gaan? Sinds wanneer deed ik dingen die ik niet wilde? Zo zat ik toch niet in elkaar? Ik had geen idee meer hoe ik in elkaar zat, kon mezelf alleen maar definiëren op basis van mijn zwembadleven. Maar toch: zelfs als Freek terugkwam, zou ik er tegen blijven vechten. Een glimpje overtuiging, klein maar voelbaar. Goddank. Ik liep langs het bed en het tafeltje en deed de deur van de slaapkamer open, liep door de gang naar de incheckruimte. Weer die gang die leek op de overloop van mijn ouderlijk huis. Alles was precies zoals ik het me herinnerde. Onderwijl gingen mijn gedachten alle kanten op. Waarom leek het of ik in een computerspel zat, waar de graphics uit werden gerold terwijl je liep? Ouderlijk huis, had ik dat gedacht? Ouders…mijn ouders, kon ik ze nog voor de geest halen? Nee. Verder dan het begrip “ouderlijk huis” kwam ik niet. En wat was dat voor gedachte geweest, nee herinnering, die ik achter het deurtje had gehad? Wie was die jongen in het gras?
Ik ging op de schommelstoel zitten die achter de balie stond en schommelde mezelf rustig. Ik probeerde op een rijtje te zetten wat mij was overkomen en wat dit betekende. Dat ging een stuk minder makkelijk dan het zo overkomt, geloof me. Mijn gedachten waren…wollig, als in watten verpakt, en zodra ik van de ene naar de andere ging, was de vorige alweer verdwenen, althans, zo leek het. Ik kon me nauwelijks concentreren, maar liet me niet afrangeren door wat het ook was. Encore une fois. Goed. Ik was hier blijkbaar verzeild geraakt om een of andere reden, of misschien was er helemaal geen reden voor. En ik kon hier niet meer weg, althans dat zeiden de Doler en Freek. Ik had geen bewijs dat het niet klopte, wat ze zeiden, maar ook geen bewijs dat waar was. Vanaf het moment dat ik het zwembad betrad, werden alle herinneringen waziger tot ik eigenlijk niet meer aan Buiten kon denken. Ik knikte. Feit. En dan al die idiote dingen die ik moest doen om in leven te blijven. Als je er goed over nadacht was het van de zotte. Eigenlijk was alles wat ik, de Doler en de weekmensen hier deden niets anders dan overleven, maar dan in een bijna spookhuisachtige constructie. Constant bezig met visualiseren van voedsel, drinken, een slaapplek en dat ad nauseam, steeds maar weer en waarvoor? Was er een hoger doel? Het leek er niet op. Achtervolgd door Tormentors, loerend op een kans aan te vallen op een onbewaakt moment. …mijn arm was geraakt, zou afvallen volgens Freek en zelfs de Doler had dat beaamd, maar het tegendeel was waar: de arm had zichzelf geheeld. Wat deed ik hier? Ik wilde weg! Waarom had ik die gedachte niet eerder gehad? Als ik werd voorgelogen, waarom zou het dan kloppen dat ik hier gevangen zat? Misschien was dat ook wel een leugen!
Ik voelde paniek opkomen. Langzaam kriebelde zij omhoog, eerst aarzelend, dan langzaam druk opvoerend, met onzichtbare handjes als klimop om mijn nek. Ik kwam hier echt niet meer weg! Freek had het over “ze”gehad, wie waren dat? Keken “ze” toe hoe wij hier langzaam kapot gingen, ontmenselijkt werden en lachten ze hardop, achterover leunend in hun luie stoelen? Wat gebeurde hier toch? Waren wij voor hun vermaak? Waren wij als goudvissen in een kom, achter onze eigen staart aanzwemmend of erger nog: achter elkaar aanzwemmend en opetend? Nee, terug naar een oplossing. Goed, als ik moest visualiseren om iets te laten materialiseren, maar het kon alleen iets zijn dat ik daadwerkelijk had geproefd of gebruikt, dan hoefde dit zich toch niet per se alleen tot dit verdomde zwembad te beperken? Waarom niet mezelf hieruit denken? Wederom voelde ik verbazing. Waarom was het zo moeilijk geweest deze gedachte te krijgen? Had het geheimzinnige deurtje er soms iets mee te maken, dat ik nu wel over Buiten kon nadenken? Nou ja, over Buiten…het abstracte begrip althans. Ik moest nog maar eens zien hoe dat met het visualiseren ervan zou gaan. Want ik was er inmiddels van overtuigd dat dit de sleutel naar buiten was: mezelf hier letterlijk uit denken.
Ik had in mijn tijd hier nog geen één gedachte aan Buiten gehad –behalve achter dat deurtje. Of er een causaal verband was, wist ik niet, maar ik sloot mijn ogen en concentreerde mij op Buiten. Ik had moeite met visualiseren. Van buiten dan…op een of andere manier bestond dat bijna niet meer. Als ik eten visualiseerde kwam ik in de slaapkamer van Freek uit, of zijn bed of plee. Hoe kon ik mezelf hieruit denken als ik geen beelden van buiten zag? Weer als een goudvis achter mezelf aanzwemmend, de gedachten ervoor al kwijt voor de volgende zich aandiende. Onbegonnen werk, dit. En toch. Ik weigerde te stoppen. Ik sloot mijn ogen en dacht aan het gras. Hier was geen gras in dit verdomde zwembad, dus het moest een gedachten van Buiten zijn. Ik probeerde de geur van het gras naar boven te halen, hoe het voelde tussen mijn vingers. Ik dacht aan de insecten die ik had gezien, focuste mij op hun strepen en vleugeltjes, zag de madeliefjes en paardenbloemen en dwong mezelf de jongeling aan mijn rechterzijde te zien. Ik wist niet of het wishful thinking was, of ik zo hard wenste dat ik de dingen zag die ik zag, maar ik rook het gras en zag de zon en voelde de wang van de jongen onder mijn vingers toen ik hem zachtjes aanraakte. Toen ik mijn ogen opende, was ik wel wat teleurgesteld om te zien dat ik nog steeds op de schommelstoel van Freek zat. Ik keek om mij heen, knipperde met mijn ogen, en knipperde nog eens. Was dit omdat ik mijn ogen zolang had dicht gehad dat er rare dingen met mijn blikveld gebeurden of gebeurden er echt rare dingen? Het leek of een tl-lamp aan en uit ging, mijn zicht flikkerde, maar in plaats van licht-donker-licht ging het van incheckruimte van Freek naar grassig weiland met zonnetje en madeliefjes naar incheckbalie Freek. Het beeld bleef, haperde en verdween vervolgens weer. Ik trok een wenkbrauw op en beet op mijn lip. Wat gebeurde hier in hemelsnaam?
Ik stond op en liep wat rond. Freek was nog steeds nergens te bekennen. Waarschijnlijk lag hij nog steeds achter het deurtje gelukzalig aan zijn armzalige leven Buiten te denken. Ik begreep ineens ook waarom hij nog zo “goed geconserveerd” was. Hij had de mogelijkheid om zichzelf als het ware op te laden met zijn herinneringen. Maar waarom was hij hier dan nog steeds? Waarom had hij zichzelf niet weg gedacht? En waarom liep de Doler hier nog rond? Die moest toch ook van het deurtje af weten? Vreemd. Beiden hadden mij verzekerd dat ik de rest van mijn leven hier zou doorbrengen. Dat was ofwel een flagrante leugen van één of beiden ofwel de bittere waarheid. Feit was in ieder geval dat zowel de Doler als die malloot van een Freek hier nog waren, al had ik een gevoel, meer was het niet, dat de naaktlopende zot hier was omdat hij dat zelf, in ieder geval ten dele, wilde en de Doler de weg naar Buiten niet had gevonden en het opgegeven had.
De intervallen tussen de verschillende haperende beelden werd langer en niet veel later waren het groene gras en de jongen helemaal verdwenen. Als laatste verdween de geur van het zoete gras. Ik liep naar de WC en sloot het deurtje en ook mijn ogen andermaal. Het was bijna te veel om te behappen en misschien was dat ook wel onmogelijk. Dit behappen. Misschien moest ik het, net als alles hiervoor, maar over me heen laten komen, met één klein verschil: ik had niet als doel te overleven maar hieruit te komen. Buiten. Ik herinnerde mij een soort van achtervolging…was dat echt geweest? Was dat een herinnering aan Buiten of was dat ook onderdeel geweest van deze idiote heksenjacht? Als ik me daar nou eens op focuste…op die achtervolging. Maar nee. Als die herinnering niet zuiver was, zat ik straks voor altijd gevangen in weer een leven van overleven, maar dan elders. Was dat wel mijn leven? Ik wilde dat niet meer en als die herinnering wel echt was geweest..nou ja, dan zou ik stoppen met vluchten. Simpel. Dan maar opgegeten worden door die draaiende stukken steen.
Ik was zover in mijn overpeinzingen opgegaan dat ik bijna van de WC pot viel toen de deur werd opengetrokken. Het was Freek, natuurlijk. Hij was niet erg verbaasd mij te zien, maar echt blij leek hij ook niet. Kwaad eerder.
‘Je moet hier nu echt mee ophouden. Dat jij de spuiten niet wilde, is je goed recht, maar je zult je moeten redden buiten het huisje van Freek om. Niet alleen vindt Freek het niet leuk om te delen, maar het mag niet. Jij hoort in het water en Freek hoort hier. Zo zijn de regels en Freek houdt zich aan de regels en nu ben jij hier en moet jij je ook aan de regels houden.’
Ik stond op en liet hem erlangs. Dat kleine beetje angst dat ik voor hem had gevoeld, was volledig verdwenen. Hij irriteerde mij, met zijn derde persoon enkelvoud en zijn leugens. Hij wist veel meer dan hij mij had verteld, dat wist ik zeker. Ik zou hem eigenlijk moeten uithoren, dacht ik, hem bij zijn ballen moeten grijpen en heel hard knijpen, maar ik verwierp het even snel, want het was zinloos. Ik wist immers al wat mij te doen stond: ik moest ontzettend hard en veel aan Buiten gaan denken. Als dat niet buiten het deurtje kon, dan maar aan de andere kant. Ik wist niet wanneer het open ging, maar dat zou mijn missie worden vanaf nu. Mezelf naar Buiten denken, net zolang tot de herinneringen niet meer verdwenen, maar dit vieze zwembad met zijn bewoners wel.
‘Ok, Freek, ik ben al weg. Ga jij maar fijn nieuwe stakkers verwelkomen hoor. Ik zal proberen je zo min mogelijk tot last te zijn.’ Ik deed mijn broek omhoog, ik was blijkbaar de schaamte totaal voorbij bij hem, want wij stonden allebei tegen een zijwand van het wc hokje met luttele centimeters tussen ons in en zijn blote piemel bijna tegen mijn buik geperst en mijn broek dus op mijn enkels. Het deed hem blijkbaar ook niks meer, mijn fysieke aanwezigheid, want ik zag geen verlustigende blik of andere tekenen van opwinding.
Ik knikte als afscheidgroet en verdween. Mijn missie: herinneren ophalen. Met Freek op de plee was er in ieder geval één obstakel minder om zonder al te veel gedoe het kleine deurtje in te kruipen en me een breuk te herinneren. De gang door, de slaapkamer in, langs het eten (was alles nou weer aangevuld? Zag ik dat goed? Maar ik had geen tijd om hier bij stil te staan, ik moest verder, verder), naar het kleine deurtje. Het was dicht. Natuurlijk. Was te verwachten. Maar ik zou mij niet uit het veld laten slaan. Ik zou hier blijven zitten, liggen en ijsberen tot het deurtje openging. En dat zou het, want Freek moest zijn portie menselijkheid krijgen. Toch? Ik wist niet of het vaker openging, of er een systeem of regelmaat in zat, maar dat zou ik dus nu gaan uitvinden. Misschien moest ik wederom met Freek samen herinneringen opsnuiven of misschien moest ik hem wel wat aan doen, maar ik zou hoe dan ook aan de andere kant van het deurtje zijn als het openging. Elke keer. Tot ik genoeg herinneringen had opgehaald en in praktijk gebracht. Tot ik hier weg kon, verdomme.
Dus ik wachtte. Het deurtje ging niet open. En wachtte. Nog steeds ging het deurtje niet open. Net op het moment dat mijn ogen dichtvielen van verveling, verslapte aandacht of hoe je het maar noemen wilt, hoorde ik een zachte klik en ontstond een kier tussen de twee delen van de deur. Zonder verder na te denken trok ik hem open, wurmde mijn lichaam erdoorheen en trok ik de deur met een klap achter me dicht. Of dat handig was, wist ik niet, maar wie zou mij er uithalen? Laat ze maar komen, dacht ik. Motherfuckers. Heel kort flitste nog door mijn hoofd dat er misschien een maximum zat aan de tijd dat je hier herinneringen kon ophalen, dat wil zeggen, voor het je hersenen zou frituren, maar daar had ik op dit moment geen boodschap aan. Ik was er en dat was genoeg. Dan maar gefrituurde bloemkool in mijn hoofd. Alles beter dan in de hel van chloor, agressieve stenen, vieze blubberige dingen en een overgeile mensaap verblijven. Ik sloot mijn ogen. Er gebeurde niks. Ik deed mijn ogen weer open. Waarom gebeurde er niks? Ik stiet een gefrustreerde gesmoorde kreet uit. Rustig. Rustig blijven. Ontspan, verdomme! Ik blies lucht uit en concentreerde mij op rustig ademhalen. Langzaam ontspande ik. Wederom sloot ik mijn ogen en nog voor ik ze goed gesloten had, drongen de beelden zich op. Ik zat op een gemakkelijke bank en had een grote koptelefoon over mijn schouders hangen. Ik keek om mij heen en zag dat ik in een soort zolderkamer zat, met scheef dak en een dakraampje waarop de regen een gestaag ritme sloeg. Ik zag overal brandende kaarsjes staan en op een tafeltje stond een fles wijn en twee wijnglazen (twee?!). Ik was zenuwachtig, maar ik had geen idee waarom en waarvoor. De kaarsjes verspreidden een aangename geur en verlichtten de kamer op ene prettige manier. Ik stond op en liep naar een computer en zette muziek aan. Ik sloot mijn ogen even en had voorpret. Wederom, ik wist niet waarom, maar het voelde fijn. Ik liep naar het bed onder het raam en schikte een sprei. Ik liep naar een wastafel en keek in de spiegel die erboven hing. Daar was ik, dat was mijn spiegelbeeld. Bruin haar in een lange slordige vlecht, grote dicht bij elkaar staande bruine ogen die nerveus knipperden. Ik glimlachte naar mezelf, aaide over mijn eigen haar in een poging mezelf gerust te stellen. Ik keek naar mijn kleren en schudde mijn hoofd. Liep naar een klerenkast en pakte een mooie groene jurk van een knaapje. Vervolgens trok ik mijn broek en t-shirt uit en hield het groene jurkje voor mijn bijna naakte lichaam. De bel ging. Ik opende de voordeur en keek in de blauwe ogen van de jongen uit de grasherinnering. Hij was ouder, geen jongen meer, een jongeman. Ik voelde het geluk door mijn lijf stromen en sloeg mijn armen om zijn nek. De jurk viel op de grond maar het was goed.
Ik werd uit de herinnering gezogen en voelde een niet te onderdrukken impuls met mijn ogen te knipperen en ze te openen. Ok. Zo ging dat blijkbaar. Ik dacht aan de jongen die geen jongen meer was en die ik blijkbaar liefhad. Hoe heette hij? Was deze herinnering ook oud? Waren wij allebei oud in het heden in het echt in de Buitenwereld? Ik keek naar mijn handen. Ze zagen er niet oud uit, maar wat zei dat. Niks. En nu? Wat moest ik nu doen? Nog eens ogen dichtdoen en hopen nog een herinnering? Ja, maar. Ik deed ze dicht en ja, daar was ie. De hevigheid overviel me, want ik zag mezelf niet van en afstandje, maar zat middenin keiharde actie. Ik had het gevoel dat ik uit elkaar werd gescheurd en schreeuwde als een gewond beest. Ik opende mijn ogen en zag de jongen die geen jongen meer was en ook geen jongeman maar een man van een jaar of dertig, naast mij staan met mijn hand in zijn hand en wanhoop in zijn ogen. Hij praatte tegen mij, maar ik verstond hem niet. Ik schreeuwde alleen maar hard en veel. Ik voelde geen liefde voor hem op dit moment. Ik lag. Op mijn rug, voelde ik. En ik had dus het gevoel alsof ik uit elkaar werd gescheurd, de pijn was onbeschrijflijk. Aan het voeteneind van het bed waren een paar mensen in witte jas van alles aan het doen. Waarom halen ze dat kolerekind er niet gewoon uit?, dacht ik. Aha, ik was dus…wat? Jezus, ik was middenin een bevalling. Ik was aan het bevallen! Was de eens-jongen-nu-man met de korenblauwe ogen de vader van mijn kind? Het was bizar. Ik voelde hoe ik hijgend en puffend lag te bevallen, het was verdomd realistisch, voelde niet als een herinnering en aan de andere kant keek ik toe en vulde ik in en aan, zoals je dat doet misschien na geheugenverlies. De doktoren bogen zich over mijn onderkant en knikten met hun hoofd. Ik perste alsof er geen morgen was en gaf een laatste oerkreet. Het was stil en toen was het niet meer stil. Luid voorwereldlijks gekrijs vulde de kamer. Het leek op een bloederige cocon, zo erg zat het verpakt in witte vliezige massa. Ik sloot mijn ogen. Ik was misselijk. Ik rook bloed, zweet en iets wat ik niet plaatsen kon. Toen rook ik mijn kind. Ik wist dat het mijn kind was want zó rook mijn kind. Ik opende mijn ogen weer. Hij keek mij aan. Het was alsof de blauwogige jongeling opnieuw geboren was. Mijn armen bewogen naar hem toe en pakten zijn lijfje. Ik huilde van vermoeidheid, pijn en blijdschap.
En toen was het weer weg. Ik lag weer gewoon waar ik al die tijd had gelegen. Op de witte vloer achter het deurtje. Tranen kwamen uit mijn ogen en mijn ademhaling ging snel. Ik was dus moeder! Niet alleen was de jongen met de blauwe ogen mijn metgezel, maar wij hadden een zoon. Ik slikte en kwam voorzichtig overeind. Dat ik niet verder kon met herinneren was overduidelijk. Ik was kapot, de gedachten buitelden over elkaar en het voelde alsof mijn lichaam zwaar fysiek werk had geleverd. Dat kon ik niet direct plaatsen, maar dat interesseerde me niet genoeg om bij stil te staan. Het deurtje zat nog steeds op slot, zag ik. Voorzichtig kroop ik erheen en opende het. Geen Freek te bekennen. Op mijn tenen liep ik naar zijn bed en daar lag hij. Opgekruld, een duim in zijn mond en zijn andere hand om zijn geslacht gewikkeld. Onwillekeurig moest ik grinniken. Ik tikte hem een paar keer op zijn schouder en sloot mijn ogen. Vrijwel meteen rook ik de geur van het chloor en voelde ik het water zachtjes tegen mijn zij aan kabbelen.
Goed. Ik moest nu de verkregen herinneringen in de praktijk gaan toepassen. Daar was ik wel huiverig voor aangezien een van die herinneringen mijn bevalling was en deze waanzinnige pijn had gedaan, maar veel keuze had ik niet. Als ik hier weg wilde, moest ik wederom de baring gaan beleven. Ik keek om mij heen of er geen weekmensen of Tormentors in de buurt waren, maar ik zag alleen water. Met de ogen gesloten haalde ik diep adem en blies toen de lucht uit door mijn mond. Kom maar op. Wederom werkte het. Knipperend kwamen en gingen de gedachten, geprojecteerd op de wereld om mij heen, weer alsof ik in een computer game met ene bug zat. Maar het werkte, het werkte echt. Langer dan bij de herinnering aan de jongen in het gras, nog realistischer ook. Ik probeerde die herinnering nogmaals, als proef op de som en ook dat ging goed. Maar uiteindelijk doofde de herinneringen uit en stond ik onherroepelijk in het weeë water. De zon verdween weer langzaam, de avond viel opnieuw en ik had het zo gehad, was zo moe. Er zat niks anders op dan wéér een ronde achter de deur te gaan en waarschijnlijk nog ettelijke malen daarop volgend. Ik sloot mijn ogen, dacht aan het drinkwater in de glazen kan en was bij Freek op de kamer. Hij was nergens te bekennen. Het deurtje was gesloten. Of Freek erachter lag of achter zijn balie stond wist ik niet en het kon me ook niks meer schelen. Ik dronk, ik at en ging in zijn liefdesnestje liggen dat muf, mannelijk en vaag naar vis rook. Toen ik weer wakker werd, zag ik dat het deurtje op een kier stond. Ik stoof erheen, erdoorheen en trok het hard achter me dicht. Ik wilde hieruit! Weg! Naar de mooie jongen-meneer en de jongensbaby die wij samen blijkbaar hadden gemaakt.
Ik had mijn ogen al gesloten toen ik iets bedacht. Het was een rare gedachte, raar vooral omdat ik haar niet eerder had gehad. Het was zó verbluffend simpel eigenlijk, waanzinnig en verontrustend in eenvoud. De gedachte was: waarom kruip ik niet door? Wat bevindt zich verderop, hierachter, hierna? Er kon toch niet alleen witte vloer hier zijn? Ik schudde mijn hoofd. Ook deze gedachte leek aan en uit te flikkeren en hard haar best te doen zich uit mijn hoofd te wissen. Maar ik liet mij niet bedotten en ging weer uit de foetushouding en op handen en knieën zitten en kroop van het kleine witte deurtje af, door de lange witte tunnel.
Ik geloof dat ik onderweg nog heb geslapen, maar zeker weten doe ik het niet meer. De herinneringen aan de tunnel en het deurtje en alles wat daarachter was, zijn aan het vervagen namelijk, elke dag een beetje meer. Ik kan niet zeggen dat ik er rouwig om ben. Alleen op koude dagen doet mijn arm pijn, verder heb ik geen schade overgehouden aan de verschrikkingen in het zwembad uit de hel.
Wat ik wel weet is dat het steeds lichter werd naarmate ik verder kroop. Uiteindelijk kwam ik in een wolk van een tl-achtig licht terecht, te fel om te zien. Ik sloot mijn ogen, geloof ik en krulde mijn lichaam tot een bal. De stemmen werden harder, maar horen wat ze zeiden kon ik niet. Ik liet het maar gebeuren. Toen ik ze uiteindelijk weer opende, mijn ogen, stonden daar en de jongen-man met de blauwe ogen en het kind dat een herboren versie van hem was. Ze hadden een grote glimlach op hun mond. Ik lachte verlegen terug.
‘Hoi’, zei ik. ‘Ik weet wie jullie zijn.’
Bronja Prazdny