Parken en parkeerplaatsen

Ik had ooit een relatie met een seksverslaafde man. De man was heel charmant en lief maar had een onstilbare lust, een onverzadigbare behoefte aan bevrediging van zijn vlees waar ik met de beste wil van de wereld niet aan kon voldoen. Toen ik bij de man kwam had ik wereldbeeld X. Toen ik bij de man wegging had ik wereldbeeld Y. Ik denk niet dat je mij in het pre-S. tijdperk naïef kon noemen met betrekking tot seks. Feit is wel dat ik geen enkel weet had van hetgeen zich afspeelde in de wereld van de seksverslaafde man.

Ik had geen weet van de functie van openbare parken en plantsoenen voor mensen zoals hij. Voor mij was een park waar je met je kinderen naartoe ging om met een bal te spelen of waar je je hond uitliet. Het was niet een plek waar je heen en weer liep op zoek naar een andere man om je oraal te bevredigen. Ik had ook geen weet van parkeerplaatsen waar hetzelfde gebeurde en ook niet van parenclubs en seksbioscopen. Nou ja. Ik was misschien toch ietwat naïef.
De man had fysiotherapie gestudeerd. Werkte in een sauna toen ik hem leerde kennen en was badmeester in het enorme zwembad in zijn woonplaats. Hij had ook in een bordeel gewerkt als portier en was trainer in het meisjesvolleybalteam geweest. Het heeft mij een flinke poos gekost voor ik de overeenkomst in die verschillende baantjes zag; hij had telkenmale zijn verslaving laten bepalen waar hij zijn brood mee verdiende.
Toen ik de seksverslaving eenmaal in mijn vizier had, was van een stressvrij bestaan geen sprake meer. Er ontstond een logica der dingen, een nieuwe samenhang van de losse tot dan toe op zichzelf staande onderdelen. Het plaatje dat zich liet tekenen was niet erg fraai en maakte me onzeker en angstig. Ik vertrouwde hem niet meer en werd misselijk van het idee dat hij soms urenlang naar porno surfde of met zijn auto over een parkeerplaats cruisede op zoek naar iemand die net als hij een zinderende sjaal van testosteron om zich heen had die zich maar niet af leek te doen hoe warm het weer ook was.
Toen ik de puntjes eenmaal met elkaar had weten te verbinden was ik weg. Ik was de enige die zijn geheim kende maar ik kon er niet mee leven.
We zijn nu vele jaren verder en nooit heb ik meer naar parken en parkeerplaatsen kunnen kijken als voor de seksverslaafde man. Die blik die mannen hebben als ze, schijnbaar doelloos, kilometers en urenlang langs de ramen van hoeren lopen, dat voeden van de steeds verder opbouwende lust, alsof ze die eindeloze testosteronsjaal aan het breien zijn: die blik en dat onzichtbare harnas van de verslaving herken ik tegenwoordig onmiddellijk. Het is onderdeel van wereldbeeld Y. Noem het een gave. Noem het een vloek. Noem het volwassen worden.