Vogelvoer

Ik vergaar vlees. Ik ben een verzamelaar van hetgeen achterblijft van een lichaam als iemand of iets sterft. Het mooiste vlees is het vlees dat net ontzield is; grote brokken nog warm aanvoelend weefsel, rood en rauw, klaar om een nieuwe meester te dienen.

In de woestijn zijn de gieren, in de stad ben ik. Ik sluip langs parken en door stegen, onder ramen en door winkels, ik hoor elke hartslag in mijn nabijheid en weet wanneer dat hart hapert, een lichaam op het punt staat over te gaan in voedsel voor mijn Nachtvogels.
Het was begonnen met het toeschreeuwen, ’s nachts in mijn slaap: geef ons eten, maak ons sterk. De stemmen waren te krachtig om te negeren, dus ik deed wat ik moest doen en concentreerde mij volledig op mijn nieuwe levensmissie.
Ik had meer dan 20 kilo bijeengeraapt deze week. Alleen maar kleine beesten, helaas en tot mijn schande zelfs vermengd met afval dat ik eergisteren uit een container achter het abattoir had weten te stelen. Ze houden niet van oud vlees, maar soms moeten ook zij genoegen nemen met minderwaardig voedsel; in tijden van nood pak je wat je pakken kunt probeer ik ze te vertellen, maar veel haalt het niet uit. Ze luisteren niet naar mij, ik ben slechts slaaf, brenger van brandstof terwijl zij een overname van de wereld plannen.
Ik kreeg geen zegeningen nadat ik de dode in stukken geknipte en gezaagde dieren op het heilige voedergebied had uitgestrooid. Ik zeg uitstrooien, want vogelvoer strooit men uit niet waar, maar als je hompen vlees van enkele kilo’s probeert uit te strooien, zul je merken dat dat nog niet zo eenvoudig gaat. Ik drapeerde sommige stukken over de glijbaan, andere stukken legde ik onder de wipkip en er kwam ook vlees tussen de touwen van de hindernisbaan te hangen. Allemaal om het de Nachtvogels naar hun zin te maken, maar de zegeningen bleven uit. Ik vroeg me af of het kwam door het slachthuisvlees, of omdat ik een dag later dan anders op het schoolplein met hun voedsel was aangekomen. Ik kreeg geen antwoord en ook geen zegeningen.
Teleurgesteld en vermoeid liep ik terug naar huis. Ik moest voor de volgende keer mijn planning nog strakker maken, meer vlees van goede kwaliteit verzamelen, wegblijven van het inferieure spul. Alles voor de zegeningen. Zonder hun zegeningen kon ik niet leven, ze waren immers het lichtpunt in mijn bestaan.