Postkinderangsten

Ik sprak met iemand over hoe ik ben veranderd sinds ik kinderen heb gekregen.

Over sommige dingen hoefde ik niet lang na te denken; uiterlijke veranderingen tonen zich nou eenmaal sneller dan die zich binnenin voltrekken. Dat een zwangerschap sporen achterlaat op een lichaam behoeft geen verdere uitleg. Het heeft me wel wat tijd gekost hieraan te wennen. Dat dit lijf net zo goed van mij was, terwijl het er zo anders uitzag en voelde na de geboorte van mijn twee kinderen. En af en toe zie ik mezelf in de spiegel en verlang ik terug naar dat strakke lijf van voor ik moeder werd, maar meestal niet.

Er is echter meer veranderd. Zo is mijn slaappatroon radicaal op de schop gegaan. Dat is een eufemisme voor: ik slaap enorm beroerd sinds het moment dat de eerstgeborene bij ons op de slaapkamer kwam te liggen. Veel lichter, wakker van de kleinste zucht met een triljoen nachtvoedingen die ook niet erg bijdroegen aan een robuuste nachtrust. Hierbij kwamen nog de wat wij ‘nachtbu’s’ zijn gaan noemen. Ik droomde niet alleen heel realistisch, beklemmend en bezeten, ik verrichtte hier ook diverse handelingen bij. Een terugkerende droom was dat het kind (de ‘Bu’ van de nachtbu’s) van het bed was gevallen en ik koortsachtig op zoek ging door de kamer waar hij terecht was gekomen. Zo vond mijn man mij meer dan eens kruipend over de vloer alsof ik een ouderwets mopje aan het nachtdweilen was, achter de gordijnen (alsof de baby door mij daarheen was gekatapulteerd!) en bij het voeteneind gravend als een mol (want pasgeborenen houden van vieze grote mensenvoeten?). In het begin snapte hij er geen bal van –er viel een soort-van gesprek met mij te voeren, dus nam de arme man redelijkerwijs aan dat ik wakker was. Maar het jongetje lag vredig in zijn kribje, terwijl ik maar doorging over dat ik hem had laten vallen en we hem moesten vinden. Het duurde niet lang voor hij doorhad dat ik sliep. Als hij mij dan wakker maakte, vond ik mezelf half onder het bed en moest ik weleens grinniken om zoveel zotheid. Maar de dromen inclusief handelingen hadden heel realistisch aangevoeld, dus voor de zekerheid keek ik toch nog even in het ledikantje.

Ik heb geen nachtbu’s meer, maar met mijn slaappatroon is het nooit meer goed gekomen. Wat ook nog niet is verdwenen zijn de (irreële) doodsangsten die ik met komen en gaan heb over de veiligheid van mijn kinderen. Het angstbeeld uit mijn jeugd van de kinderlokker in het park die met lange jas aan zijn lid staat te sjorren om kinderen bang te maken, heeft in mijn hoofd plaatsgemaakt voor schimmige cyberlokkers, morsige groomers die in chatboxes bij online games mijn kinderen proberen over te halen handelingen te verrichten waar ze nog niet aan toe zijn en ze hun onbevangenheid ontnemen. Ook kan ik mij druk maken over hun aansluiting met leeftijdsgenootjes, of ze worden gepest, of dat ik misschien signalen mis van een somberheid. Ik maak me zorgen over de wereld waarin zij opgroeien als de jongste weer eens ’s nachts bij mijn bed staat na een nachtmerrie over ‘een IS leger dat onze koppen komt snellen want wij kunnen geen Koranverzen citeren’.
Dit alles voel ik bij tijd en wijle zo hevig dat ik er niet van kan slapen.

De wetenschap dat ze sterfelijk zijn, mijn kinderen, kan mij intens van mijn stuk brengen. Dat zij bij mij geboren werden, maar me ook weer afgenomen kunnen worden. Dat het leven soms heel abrupt, heel erg onrechtvaardig, kan stoppen. Door een dronken klootzak in een auto, of een pervers mens dat niet om andermans leven geeft of het juist graag neemt, wat minder abrupt door een slopende ziekte, of door eigen hand en dat ik ze niet hiervoor heb kunnen behoeden.

Ik denk dat met name het wonderbaarlijke, wonderschone cadeau van hun leven met direct daaraan gekoppeld de door merg en been snijdende realisatie dat ik ze niet tegen alles kan beschermen, de grootste verandering is die ik de afgelopen tien jaar heb doorgemaakt.

Die liefde. Die verantwoordelijkheid. Dat loslaten.