Zelfcensuur

Ik ben een fervent toepasser van zelfcensuur. Aan de lopende band schrap ik stukken tekst of laat mijn gedachten niet eens tot wasdom komen, probeer ik te verhullen of af te zwakken, in te perken, om te buigen of dus simpelweg niet eens de actie van hoofd naar tekst te maken.

Ik doe dit omdat ik vind dat ik niet het recht heb anderen te kwetsen of beschadigen, ook al zijn mijn teksten zelden tot nooit bedoeld om iemand in een kwaad daglicht te stellen. Maar een schrijver observeert en die observaties gaan soms voorbij het eigene, sterker nog die gaan in mijn geval juist vaak voorbij hetgeen er in mijzelf gebeurt. Ik zie, ik leg mijn oor te luister en dan voel ik wel of niet de urgentie daarover te schrijven. Dat lijkt welhaast een autonoom proces, de vingers zoeken de pen of het toetsenbord en ik schommel wat heen en weer en er staan woorden op papier of scherm voor mij. Soms ben ik echt verwonderd over wat ik aantref. Mijn mooiste teksten schrijf ik in die meditatieve staat; de worstelingen, waarbij elk woord een bevalling is, stellen mij vaak teleur; dat zijn de moetjes.

Anderen bekijken, naar ze luisteren, proberen te achterhalen wat er bij hen leeft of achter de woorden schuilgaat en dit dan niet een-op-een doorsluizen naar leesbare communicatie, maar juist het gevoel dat ik heb bij hetgeen ik zie, er een fictieve, semi-fictieve of eigen draai aan geven of slechts iets wat ik meemaak als startschot gebruiken, is wat ik het liefst doe. Ik schrijf ook veel wat niet eerst van buiten naar binnen ging, of in ieder geval niet bewust, rare kronkels uit de krochten van mijn fantasie, maar de varianten van observaties heb ik het meest lief.

En daar zit hem de crux.

Want het is natuurlijk een ding dat ik mijzelf onderdompel in mijn waarnemingen, maar of een ander nou zit te wachten op zichzelf terugzien in hetgeen ik schrijf is een tweede. Of dat anderen niet zitten te wachten op mijn rauwe gevoelens –die variant bestaat ook nog. Het is een constant spel van wikken en wegen. Niemand willen kwetsen is een dagtaak. Namen veranderen, situaties aanpassen, steeds maar oppassen wat je schrijft, het is verdomme geen sinecure. Ik kan natuurlijk nooit weten hoe lang de tenen van anderen zijn, of ze willens en wetens zichzelf menen te herkennen in mijn schrijverij, ook al is het boeltje zo verdund dat een eventueel origineel nauwelijks nog te herkennen is, een beetje zoals homeopathie.

Eigenlijk zou ik willen schrijven wat ik wil, niks verpakken of verdoezelen, maar mijn visie op hetgeen ik om me heen zie toevertrouwen aan papier met alle uitstapjes en fliebertjes die mijn hoofd eromheen maakt. Dat die schrijfsels worden gelezen om slechts de woorden en alles wat ze eventueel bij een lezer oproepen. Ik weet alleen niet hoeveel mensen ik als gevolg van zo’n beslissing zal moeten uitzwaaien.

Gelukkig heeft God het dagboek uitgevonden. Ik geef hierbij toestemming deze openbaar te maken als ik ooit beroemd het loodje leg.