Zwoele zomeravonden

Er kleeft een nadeel aan zomeravonden. Ja, echt. Aan die lange zomeravonden die maar niet lijken op te houden. Aan die zwoele zomeravonden, niet te klam, net genoeg briesje onder je floddertopje om je tot diep in de nacht buiten te houden met prosecco en sigaretten en goed gezelschap of alleen met een boek in de tuin. Wat er mis is met deze hemelse avonden is dat de plaatselijke jeugd vrijgesteld is van vaste bedtijden en een spertijd invoeren misschien ook wat ver voert.Het is een bont gezelschap dat zich avond na avond verzamelt op het speelpleintje voor mijn huis. Zo tegen elf uur vertrekken de Libanezen. Ze nemen hun mizrachi met de typerende melancholische kwartnoten mee, maar de lokale pronkjewailen blijven nog even hangen. Ze staan maar wat, meestal zo lamlendig dat het pijn aan mijn ogen doet. Want kijken doe ik, getraind voyeur van andermans kinderen die ik ben. Ze hangen, duwen wat tegen elkaar aan en houden hun mobiel omhoog in een poging hetgeen daar uitkomt maximaal te verspreiden.

Ik wilde schrijven: delen met de buurt, maar als je veertien bent, bestaan er geen andere mensen. Ik wilde ook schrijven: muziek, maar dat heb ik weer weggehaald, want wat er uit die mobiele telefoons komt avond op avond, nacht na nacht, is geen muziek maar iets dat uit Mordor is gezonden om mij over het randje te duwen. Het is alsof Sauron persoonlijk de Zwarte Poort van zijn vervloekte land heeft opengezet en zijn Uruk-hai naar dit kinderplaatsje in Groningen stuurde. Ongelooflijk wat een bak teringherrie. Alle haren op mijn lichaam gaan overeind staan, mijn bloed bevriest en kookt tegelijkertijd en er ontstaat kortsluiting in het aansturingssysteem. Het enige wat ik nog kan denken voor ik epileptisch ter aarde stort is: kill kill kill.

Vaak word ik dan weer in mijn eigen bed wakker, een zompig lauw washandje op mijn voorhoofd en een naakte man met een zusterschortje om in mijn blikveld die vraagt of het alweer een beetje gaat.