Verjaardagstaart

Mama snijdt de taart met een glimlach op haar gezicht. Ze ziet eruit als een bange chimpansee. Papa komt uit de keuken met plastic bekertjes en schenkt de limo in. Op de taart staat in een rondje geschreven: ‘Gefeliciteerd Lotje!’ met een grote 9 in het stierenoog. Maar nu de taart in stukken is gesneden hebben wij alle vier gekke lettersoep, behalve Casper, die spelt nu de naam op zijn bord.

‘L-O-T-J-E’.

Ik heb ‘!G-E-F-E’.

‘Waarom zegt de bakker Lotje? Ze heette toch Lotte?’

Mama fronst haar wenkbrauwen en haar glimlach verdwijnt. Haar benige vingers omklemmen de taartschep zodat haar knokkels wit worden.

‘Heet, Casper, niet heette. Dat ze er nu niet bij kan zijn betekent niet dat ze er niet is!’

‘Maar mama’ zegt Casper. ‘Waarom vieren we haar verjaardag elk jaar? Ze komt toch nooit!’

Mama kwakt de schep net iets te hard op tafel en schuift haar stoel naar achteren. Terwijl ze gaat zitten zegt ze: ‘Omdat ze jarig is, daarom jongen. Dáárom. Net als jij over een maand. Wij vieren jouw verjaardag toch ook? In dit huis vieren we iedereens verjaardag. Al mijn kinderen krijgen dan taart, of ze er nou bij kunnen zijn of niet.’

Ik kijk naar de roze G op mijn stuk taart en trek aan het streepje. We eten zo vaak taart in dit huis dat het mijn neus uitkomt. Ik denk aan Lotte en voel helemaal niks.

‘Nou, laten we voor jullie zusje zingen jongens en dan haar lievelingstaart opeten.’

Ik vraag me af hoe mama dat weet, dat Lotje het liefst frambozenkwarktaart at, maar zeg niks. Ik heb geleerd te zwijgen, net als papa die nog geen woord heeft gezegd sinds hij van zijn werk thuis is gekomen.

Mama begint ‘Lang zal ze leven’ te zingen en een voor een vallen we in. Ik vind het een stom liedje en Lotte kan het toch niet horen dus waarom toch elke keer weer?

 

26 dagen later doe ik de voordeur open met mijn sleutel aan het touwtje om mijn nek. Ik ben een beetje laat omdat ik klassendienst had en hoop dat ze op mij hebben gewacht. Ik hoor gelijk dat het mis is. Nog met mijn jas en schoenen aan duw ik de woonkamerdeur open. Zes kinderen kakelen door elkaar, mijn moeder staat maar wat te staan en mijn kleine broertje huilt hartverscheurend. Op tafel ligt weer een taart. ‘Hiep hiep hoera, Casper en Eva 7 jaar!’ staat erop.

Oké, beslissingstijd. Ik roep alle kinderen bij me en doe de televisie aan. ‘Ga maar op de bank zitten jongens. Hier, is Nickelodeon goed? Zometeen gaat het feestje verder hoor, even geduld.’

Ik pak mijn kleine broertje bij zijn hand en neem hem mee naar de gang. We gaan naast elkaar op de trap zitten. Ik weet al wat er gebeurd is, maar vraag toch aan Casper of hij erover wil vertellen. Hij veegt zijn knuistje over zijn betraande ogen en zegt dan snikkend:

‘Mama heeft Eva op mijn verjaardagstaart gezet, Tijn. Maar Eva is niet jarig. Ze is dood!’

Ik knik, leg mijn hand op zijn magere schouder. ‘Ja kerel, dat klopt. Eigenlijk is ze niet eens geboren. Ze zat in mama’s buik samen met jou en alleen jij werd geboren. Jullie waren buiktweelingen. Zoiets heet een miskraam.’

Casper rimpelt zijn neus. ‘Echt?’

Ik knik weer. ‘Echt.’

‘Maar waarom? Mama weet toch dat ze allemaal dood zijn? Toch?’

‘Ik weet het niet, Cas’ zeg ik naar waarheid. ‘Ik weet alleen dat we elk jaar 8 verjaardagen vieren met al die klotetaart, terwijl we maar met 4 zijn, al zolang jij geboren bent.’