Voorbestemd

Ze ontmoetten elkaar op een donkere druilerige dag in november – zonder uitzondering de enige twee waanzinnigen die zich in het stadspark waagden en de monotone sleur van de net-niet regen ofwel niet opmerkten ofwel opzochten. Zij kwam naast hem op het bankje zitten –en samen waren ze lang genoeg stil om het veelbetekend te laten zijn. Voor haar was het liefde op het eerste gezicht -hoewel het gezicht pas later kwam in het café met warme chocolademelk met rum en niet op het bankje want hij was als steen en bovendien in zijn kraag verstopt. Voor hem was het geen liefde op het eerste gezicht, eerder iets wat een ander als lust zou omschrijven. Hij wilde haar geur opsnuiven en haar aanraken als ze bij hem in de buurt was. Zij was als een drug, een verslaving, een obsessie voor hem en het enige wat hij van dit moment aan nog wilde was bij haar zijn en zich laven aan haar aanwezigheid. Maar misschien was dat ook wel liefde.

Het was niet eenvoudig, hun liefde, in het begin en later ook niet, maar wel uitzonderlijk sterk en het gevoel van voorbestemming was bij beiden aanwezig. Dan kun je verschillende kanten op, maar zij kozen de weg van stoïcijns doorploeteren tot ze dan eindelijk ook echt samen konden en mochten zijn. En toch waren ze toen dat moment zich aandiende niet echt samen, want hij was panisch dit gevoel van voorbestemming uiteindelijk kwijt te raken, ergens op de route die leven heet. Hij wilde overvallen worden door haar geur. Het blijven voelen, die intense heftigheid die tot zijn ballen trok elke keer als hij in haar buurt was. Wilde die rauwe lust steeds opnieuw ervaren, als een goudvis op zijn perpetuum mobilegang tot hij onstoffelijk werd en het over en uit was.

Hij wist uit ervaring echter dat dit een onhaalbare kaart was –zelfs niet bij haar wier aanwezigheid hem zo opwond dat het hem soms fysiek pijn deed. Of misschien was het zijn angst, die heftige primordiale angst voor sleur, die ervoor zorgde dat hij haar op afstand hield, omdat hij wist dat juist de zaken en gevoelens die zo exquise lijken, alsof je de wereld aankunt en meer, de zaken die dit leven sjeu geven en van kleur voorzien, na verloop van tijd zouden verdwijnen, zoals alle hoogste hoogten bij hem na verloop van tijd deden. Alsof het geleende tijd was, die euforische gevoelens van lust en liefde, een roes waar op den duur de stekker werd uitgetrokken en hem met een beetje mazzel weer met ‘beide benen op de grond zette’, zoals dat zo eufemistisch heette, maar wat eigenlijk gewoon betekende dat het weer tijd werd om zijn prozaïsche kutleven op te pakken.

Hij wilde dat niet voor hem en haar. Dit moest altijd zo blijven. En daarom wilde hij niet met haar samenwonen. Niet vaker dan twee keer per week afspreken. Eens per maand moest ze hem ergens treffen en doen alsof hij een onbekende was en hem versieren of zich door hem laten verleiden in een bar of laten nemen in een park als een goedkope hoer. Als hij het erg te pakken had en weer eens overvallen werd door die oerangst, gebeurde het ook wel dat hij haar op haar werk opbelde en dwong naar huis te gaan en zichzelf te blinddoeken en wachten tot hij kwam overrompelen, zoals hij dat noemde. En wekelijks kwamen daar weer nieuwe regels en geboden bij om het rariteitenkabinet dat zijn idee van de eeuwigdurende liefde was, stand te doen laten houden.

Hij noemde zijn strategie ‘omdenken’, maar wist heel best dat het kinderachtig was en zelfs een beetje onzinnig, want met omdenken had het weinig van doen. Het was de boel bedonderen, de Wetten der Liefde tarten, maar hij had het er graag voor over. Hij had uitgevonden hoe die vonk kon blijven en niet, zoals in alle relaties die hij had gehad en ook in die hij om zich heen zag, treurig uitdoofde en overging in een wazige brij van liefdevol tolereren van elkaars aanwezigheid.

Hij was zo zeker van zijn Olympische vlam dat hij alle signalen had gemist, haar wanhopige pogingen hem duidelijk te maken dat zijn vreemde claimen en toch ook steeds afstand houden, haar bang maakte. Hij was zo op het dempen van zijn angsten gefocust geweest dat hij het allemaal volledig over het hoofd had gezien.

‘Ik ga je verlaten’ zei zijn wereld. ‘Je maakt me doodsbang.’ En weg was ze. De ring die symbool had gestaan voor de eeuwigdurende brandende liefde kwam een week later per post in een vierkante witte envelop die vaag naar de zolder van zijn oma rook. Muf en schimmelig.