Piemel is geen vies woord

Eerste werkdag op kinderdagverblijf de Dondersteen vandaag. Ik stond om acht uur voor de deur, belde aan maar niemand deed open. Er liepen en kropen kinderen door de hal, eentje zag mij en trok zich aan de andere kant van de deur op en leunde er onvast tegen aan, zijn vieze knuistjes maakten remsporen op het glas. Hij had een rompertje aan en de luier die hij daaronder droeg zat zo vol dat een drukknoopje aan de onderkant had losgelaten en de luier scheef naar beneden hing, bijna tot op zijn knietjes. ‘Lekkere boel hier’, dacht ik.

Toen er eindelijk een meisje, waarvan ik aannam dat het hier werkte, aan kwam lopen, waren we vijf minuten verder. Ze bukte zich en griste het jongetje met een behendige zwaai van de grond. Met de andere hand ontgrendelde ze de voordeur.

‘Sorry’, zei ze terwijl ze de voordeur met haar been voor me openhield. Het ventje onder haar arm bungelde er vrolijk op los, vermaakte zich prima. ‘Het is hier ’s ochtends altijd een gekkenhuis. Dit mannetje, bijvoorbeeld, mag helemaal niet tot de voordeur, zoals je wel begrijpt. Iemand heeft de tussendeur open laten staan.’ Ik keek eens rond in het halletje. Er stonden dweilen, emmers, tientallen rode kinderlaarsjes in een krat, wcpapier en op een plank op anderhalve meter hoogte roze flessen schoonmaakmiddel en roosvicee. Ik nam de deur van het meisje over en gaf haar een hand.

‘Gwen.’

Ze glimlachte. ‘Hoi Gwen, ik ben Kamze. Je bent erg welkom. En nodig. Dus.’ Ze wees met een mollig vingertje om zich heen. ‘Jorrit hier is een getraind uitgangenzoeker. Op zichzelf handig, maar niet geheel ongevaarlijk.’ Jorrit met de hangluier had zijn knuistjes in de hoofddoek van Kamze gezet en begon eraan te trekken. Zij trok met haar hoofd eerst van hem weg, maar de handjes van de peuter waren sterk en lieten niet los. Het kind werd op haar heup geladen waarop Kamze vervolgens de doek wist te bevrijden.

Ze zuchtte. ‘Dit gebeurt dus steeds. Ik zou die hoofddoek er bijna met spijkers in moeten slaan zo vaak ik ze eruit moet verwijderen.’

We liepen door de lange gang naar de achterkant van het gebouw. De meeste kindjes zaten of stonden een beetje daas voor zich uit te slapen, net of ze er nog niet helemaal aan waren gewend dat ze al wakker waren en geparkeerd op het kinderdagverblijf tot papa en mama hen weer kwamen halen. Niemand vraagt mij ook iets, misschien wilde ik weleens een keer uitslapen, weet je wel? Twee kereltjes maakten ruzie om een plastic brommer, de moderne variant van de houten loopfiets. Het ene kind probeerde het andere ervan af te duwen, wat half lukte, want de coureur viel met brommer en al opzij en begon hard te huilen. Totaal niet gehinderd door enige vorm van empathie dook de duwer er bovenop en begon met zijn vuistjes op het andere kind te beuken. ‘Mij moto! Mij moto!’, waarna hij het vervoersmiddel onder zijn vriendje probeerde los te trekken.

‘Genajo. Hou daar eens mee op! Samen delen samen spelen, dat weet je best!’ Kamze bukte zich, zette de peuter Jorrit op de grond en trok Genajo bij het plastikken speelgoed en het andere jongetje vandaan.

‘Dat kan niet juf!’ zei Genajo. ‘Samen spelen kan niet op de moto! Hij is van mij, ik had hem het eerst!’ Het andere jongetje maakte intussen gebruik van de situatie, ging op de motor zitten en trok hard op tot hij uit het zicht verdween; de soort van lachende derde.

Kamze schudde haar hoofd, aaide de boze Genajo over zijn haar en pakte vieze Jorrit weer op.

‘Zo gaat het hier de hele dag Gwen. Dat weet je toch, hè, dat dat is wat je te wachten staat?’

Met haar vrije hand nam ze Genajo mee. Ik liep er maar achteraan, veel meer dan meelopen zou het vandaag toch niet worden, vermoedde ik.

‘Nee, Genajo. Ik kan Winston niet voor zijn billen slaan, dat mag niet.’

‘Maar dat zou mijn mama wel doen! Winston is stout! Ik ga hem in zijn piemel schoppen, juf!’

Kamze zette Jorrit weer op de grond en hurkte naast de boze Genajo.

‘Nu moet jij even goed naar juf luisteren, meneer De Vries. Jij mag niemand schoppen. En ik vind het helemaal niet oké dat je zulke vieze woorden gebruikt!’

Het kereltje fronste zijn wenkbrauwen en zei toen: ‘Piemel? Piemel is geen vies woord juf! Papa zegt dat je piemel mag gebruiken, maar dat pik of lul niet mag als je buiten komt!’

Ik deed net of ik het niet hoorde. Bedacht toen dat het misschien een goed gebaar zou zijn als ik Jorrit oppakte, zodat Kamze niet vierhonderd keer hoefde te bukken tijdens die tien meter gang die we moesten afleggen, maar toen ik zag hoe de ranzige luier sporen over de vloer trok als die van een naaktslak, deed ik helemaal niks en bleef braaf wachten tot het allemaal voorbij was.