Kamiel

Gisteren ontmoette ik een mens met de naam Kamiel.
Omdat ons afscheid soort van in nevelen is gehuld concentreer ik me op andere zaken. Zo had Kamiel 10 kilometer gelopen om mij te ontmoeten.
Waarom hij niet gewoon de metro of een tram had gepakt, desnoods een trein, Ik weet het niet, maar hij zag er snoezig en verfomfaaid uit toen ik hem voor het eerst zag.
Vlokken van het een of ander in zijn wenkbrauwen, iets anders ondefinieerbaars op zijn schouders en
vogelverschrikkerharen die eruitzagen of ze de bliksem hadden bevriend.

Hij at als een wolf en we dronken kabouterbier. Hij heeft een lenige geest en ondeugende ogen, hij lacht als een jongetje van 39.

Dronken in de trein naar huis een meisje dat een boze conducteur trof. Samenreiskorting was niet voor een persoon.
Een meisje naast ons stelde voor om samen te reizen en de conducteur vertelde haar dat er een boete stond op je diensten illegaal aanbieden, waarop ik tegen hem zei dat hij tegen haar sprak alsof ze een crackhoer was die een blowjob probeerde te ritselen waarop de conducteur in ons zijn meerdere zag en het hazenpad koos.

Er is dan misschien een genderkloof, een inkomensgat en ongelijkheid tussen de seksen, maar wij waren vrouwen die geen onzin accepteren.

Met een beginnende hoofdpijn keek ik in de ruit van de trein, naar mezelf en het zwart daar voorbij en dacht aan vriendschap met Kamiel en een conducteur die lik op stuk kreeg. Het was een goede dag.
.

Dankbaarheid

Mijn meestbeluisterde liedjes in shufffle mode in mijn oren, als een perpetuum mobile steeds maar weer hypnotiserend hetzelfde in wisselende volgorde, ik doe mijn ogen een paar keer dicht uit puur genot en merk hoe een glimlach zich op mijn lippen vormt. Ik zit in de trein, rij Lelystad binnen, Hallo Jumbo en zie dat de meneer met het bruine gezicht nog steeds ongehinderd en ongegeneerd naar me zit te staren. Zal ik naar hem knipogen? Zal ik mijn ogen tot spleetogen maken en mijn tong uitsteken of mijn middelvinger opsteken? Dat laatste niet, laat hem maar lekker staren. De Italianen in de vierzitter hebben niet door dat ze in een stiltecoupe zitten of misschien interesseert het ze maar matig. Mij interesseert het ook niets, Craig Cardiff zingt over Lenny Bruce en Lelystad ligt alweer achter mij.

Het zijn dit soort momenten dat ik me dankbaar voel, dankbaar om te leven, dat ik kan zien hoe iemand zijn boterham eet, hoe iemand al minuten naar me loert en hoe mijn tas alleen maar mooier wordt naarmate hij ouder wordt. Dankbaar dat ik horen kan, mijn veilige playlist die me elke keer weer geruststelt en opwekt, dat ik de Italianen kan afluisteren als ik dat zou willen, hoeveel zou ik nog verstaan na al die jaren? De Jeugd van Tegenwoordig vraagt waar de sletten zijn en ik kijk om me heen, wiebel wiebel met die tieten. Ik moet me inhouden niet te gehoorzamen. Dankbaar dat ik hier ben, besta, dankbaar dat ik liefde heb gehad en heb, dat er mensen zijn die om mij geven, dat er mensen zijn waar ik om geef, dat er mensen zijn die mij bovenmatig boeien.

Ik sluit mijn ogen weer, luister naar Zaz en zie door de kiertjes van mijn wimpers hoe ik het station van Almere binnenrol.

Daar is de lente

Drukke tijden voor sommige dieren en mensen als ik die observeren hoe die dieren zware tijden beleven.
Er stond een kater aan mijn voordeur gisterenavond laat. Zuchtend en miauwend, klagend en behoeftig. Vreemd geluid voor een kater, dacht ik nog. Ik deed de deur open en aaide hem, zijn schokkende achterkant negerend. Daar was onze huiskater die zijn kop vol manen om het hoekje van de woonkamer stak. Dit mannetje hebben ze drie jaar geleden een toontje lager laten zingen, en ze hebben dan misschien zijn zaakje afgehakt, ze hebben niet zijn nieuwsgierigheid meegenomen. Mijn man stak ook zijn kop om de hoek en barste in lachen uit. ‘Dat is geen kater, dat is een uiterst krolse dame.’ Joris de Noorse boskat-zonder-ballen stond erbij en keek ernaar, het wijfje bleef draaien en klagen en er gebeurde helemaal niks.

Diezelfde kater-zonder-ballen krijgt ook vandaag geen rust; hij ziet vogels druk vliegen en opgewondener dan anders naar eten zoeken. Opvallend vaak in onze tuin. Zo kom ik niet aan mijn schoonheidsslaapje van 18 uur, verdomme nog aan toe, ik hoor het hem denken, antropomorfiseer ik er lustig op los. Ik hou van observeren, maar soms ook van conclusies aan observaties verbinden en bij gebrek aan een en ander, waaronder stembanden in mijn kater, doe ik net of ik hem begrijp. De kat weet niet dat ik elke ochtend een handvol dure ongebrande ongezouten noten die tuin in lazer en dat ik hiermee hoop meesjes en merels te lokken, maar vooralsnog niet veel meer dan een setje opgefokte eksters heb gezien.

Onrustig loopt hij door de kamer, rent naar buiten waar de eksters hem uitlachen vanaf de dakpannen. Dan maar weer naar binnen, met zijn rug naar de tuin en zijn voorpoten over zijn oren. Kutvogels.

Scholenbezoek

Gisteren waren we op de openavond van een christelijke middelbare school in onze stad. Aaron had er weinig zin in en ik kan ook niet zeggen dat ik er veel animo in had. We zijn allemaal moe moe moe, liefst zitten we met oogkleppen op de bank en sluiten we zo de wereld buiten. Die buien hebben wij soms in ons huis, doorgaans als er meer van ons wordt verlangd dan het gangbare en nu waren dat de citotoetsen en een hele trits kwakkeligheden en ziektes, de een met de ander aangestoken en dus ook die scholenbezoeken en voorts beugels die niet goed zitten en elke keer weer een ritje naar de orthodontist vereisen. Ik wist niet dat je neerslachtig van een beugel kon worden maar het kan echt.

En nu was er dus het bezoek aan de christelijke school. Op ons tandvlees sjokten we de grote hal in waar een koor van kinderen ons tegemoet zong. We konden niets van de tekst verstaan maar het was vast het clublied, of hoe noem je een lied dat de ziel van een school zou moeten verbeelden. Veel witte kinderen, een paar bruine en ik zag ook een meisje met een hoofddoek foldertjes aan de mensen die de kou meer naar binnen namen uitdelen. Ik hoorde zelfs Fries in de gangen, een mem en haar zoon die spraken over wat ze in het godsdienst lokaal hadden gezien; een engel, een droomvanger en een menorah, zag ik later zelf. Ik heb namelijk geen idee wat dromenvanger in de taal van de buren is en ik hoef het ook niet per se te weten.

De school bruiste van leven zoveel enthousiaste leraren en leerlingen liepen er rond. Zouden ze in het geniep kinderen die hier naar school gaan en volwassenen die Duits, biologie en natuurkunde doceren hebben gekloond, in de tochtige kelder van dit enorme pand of bij de rector thuis in het bijgebouw dat hij bij de belastingdienst opgeeft als werkruimte? Zouden het hun klonen zijn die hier zo aanstekelijk stonden te zingen en vertellen, niet precies Stepford mannen en vrouwen en kinderen, maar wel uitzonderlijk uitzinnig voor buiten schooltijd en onbetaald.

Aaron vermaakte zich in het natuurkundelokaal met de proefjes, de studieboeken die er ook lagen negeerde hij met verve. Ik stond gefascineerd naar de opgezette beesten in het biologielokaal te kijken, bij ons op school, in een andere tijd, diep in de vorige eeuw, zwommen er koeienogen op sterk water in het biologielokaal en misschien een embryo van het een of ander, maar dit was van een heel ander niveau. ‘Ik zou voor deze school gaan en dan alleen biologie kiezen,’ mompelde ik tegen mezelf. Een meisje van een jaar of 15 hoorde wat ik zei en maakte dat ze weg kwam.

Door de opgezette beesten moest ik aan de jongste zoon denken die voor het eerst langer dan een uur alleen thuis was, gewapend met mobiel van broer en instructies wat te doen in noodgevallen. Het bruggetje is minder luguber dan je misschien denkt: de jongste houdt van opgezette beesten. Ik pakte mijn telefoon en zag dat hij zeven keer had gebeld. Twintig minuten geleden. Mijn hart maakte een sprongetje: wat was daar gebeurd? Mijn man had ook een pagina vol gemiste oproepen van schorrie, van morrie. Terugbellen kon niet, de telefoon stond uit. Met gezwinde spoed hink stap sprongen wij langs de euforische mensen de auto in. Ik was nog niet in paniek maar het had er wel veel van weg.

Thuis was er een ijsberend boos door bang jongetje: zijn vriendinnetje had voor de deur gestaan met de vraag of hij kwam buitenspelen. Maar het kon niet, het mocht niet, hij kon niet zo maar weggaan en papa en mama namen niet op en hij had zo vaak gebeld dat de telefoon zwart was geworden en tot overmaat van ramp was een reanimatie ook niet gelukt. Ik liep naar het tafeltje waar de telefoon lag en zag de levensader doelloos in het stopcontact ernaast hangen.

Kampnijd

De hitte die je in warme wolken omarmt, verstikt bijna, de rode aarde, de bougainvillea die in zoveel kleuren bloeit, het stof dat overal is: elke keer als ik Ben Gurion uitstap is het deze combinatie van zintuiglijke waarnemingen die mij vertellen dat ik thuis ben gekomen. Vaak moet ik huilen als ik de rit van het vliegveld naar de stad maak, alsof iets in mij heeft geslapen en nu door de klamme deken en de geuren van dit land ontwaakt.
Het is alweer jaren geleden dat ik in Israël was en ik mis het. Zelfs de schreeuwende taxichauffeurs met zwarte vachten op de vingers, rokend in hun stinkende bmw’s, de straatkatten die in elk steegje de vuilnis uit de zakken trekken, schor naar me miauwen, de vlooien zichtbaar springend op de rug, mis ik, maar misschien spreekt nu de vertekenende bril van de nostalgie.

De laatste keer dat ik in Israël was, waren we in Kfar Saba op bezoek bij de aanwaaigrootouders van mijn man die daar in een soort bejaardenkolonie wonen. De verzengende hitte van het land laat je achter bij de elektrische deur waar ze geduldig wacht op je terugkeer, als een hond met riem aan een paal. Binnen is het niet aangenaam, je wilde dat je een vest mee had genomen.

Ik ben dol op Yitzhak, al is hij nu dood. Hij vertelt zo mooi over zijn nieuwe land. Voor zijn oude land Polen heeft hij veel minder woorden en de woorden die hij voor zijn oude land heeft zijn vlak en tweedimensionaal. Hij en zijn vrouw Chava nodigen ons uit voor de lunch in de grote eetzaal in de kelder. Onze kinderen racen hun bestuurbare autootjes over de eetzaalvloer, behendig tussen bejaardebenen, rolstoelen en rollators slalommend. Opa vindt het prachtig, hij gaf ze die speeltjes met als enige doel de medebewoners van dit avondland op de kast te jagen en zo te zien lukt het: boze troebele blikken, reumatische vingers als een slechte imitatie van ET. Yitzhak kakelt, zijn bruingevlekte arm om mijn schouder, een goedkeurende blik op mijn decolleté. Mijn binnenste kakelt ook, fijn dat de oude man nog weet te genieten.

Om twaalf uur gaat een gong en is het buffet geopend. Onze oudjes blijven zitten, maar Yitzhak spoort ons aan erheen te gaan, met tegen onze ruggen de opmerking dat we ons niet moeten laten koeioneren door een stel bejaarden, dat we standvastig moeten zijn. We kijken elkaar aan en halen onze schouders op. Vijf minuten later begrijpen we de woorden van aanwaaiopa: het voelde of we waren aangerand door een horde ouderen, iemand reed expres over mijn tenen met een rolstoel en mijn man werd van achteren in zijn knieholten geraakt, we werden geduwd, onze borden omgegooid, in het Duits en Hebreeuws en weet ik wat voor talen nog meer uitgescholden dat we niet voor mochten dringen, terwijl de wandelstok lustig en preventief als stootwapen werd ingezet. Het was als hamsteren bij de Appie, als de lancering van een nieuwe game: we werden onder de voeten gelopen door een stel senior citizens die zich heel letterlijk niet de kaas van het brood liet eten.

Terug bij de tafel, gehavend en beduusd, weer een kakelende opa: ‘laten we mild zijn in ons oordeel over de oudjes met kampnijd’, zegt hij. ‘Jullie hebben de proef doorstaan.’

Rustig staat hij op en ondersteunt zijn vrouw terwijl ze naar het ontplofte buffet lopen. Liever de restjes van een maaltijd, dan opgegeten worden door een roedel hyenas. Ik geef hem geen ongelijk.

Sterven zul je

Je denkt niet aan de dood tot de dokter zegt dat je kanker hebt en daarna vaker als je je zo ziek als een hond voelt door de chemo. Je had liever gehad dat je niet ziek was, maar daar heb je het: je bent doodziek, zeggen ze. Maar denk je dat je dood gaat? Hoe voelt dat eigenlijk, bijna dood zijn? Iedereen is wel eens ziek, kotsen doen we allemaal, maar hoe voelt het om bijna dood te zijn? Je bent het, bijna dood, en toch wil je niet sterven. Je wilt leven, het is het enige dat je kent.
Je hebt nog zoveel te doen, nu je bijna dood bent realiseer je ineens hoeveel. Als je gezond bent doe je maar wat. Misschien een doel hier of daar, maar grosso modo is er geen groter plan. Je ademt, poept en plast, eet en drinkt, bemint en kijkt naar Netflix, je gaat naar je werk en spreekt af met vrienden. Je leeft. Als je bijna dood bent is de vanzelfsprekendheid weg en nog steeds heb je geen idee wat het precies inhoudt: er straks niet meer zijn.

Je valt anderen lastig met je monomane behoefte gehoord te worden. Anderen luisteren naar je, zonder weerwoord laten ze je uren oreren. Je gaat immers dood, dat weegt zwaar. Je wilt een stempel drukken, iets achterlaten. Je wilt dat je leven betekenis had, dat mensen je hebben gekend. Niet vergeten worden, dat wil je.

Je neemt geen rust. Geen afscheid. Je stopt pas met praten en gehoord worden als je echt dood bent. Je hebt geen keuze, sterven ga je, zeggen ze, maar waar het op neerkomt is dat je liever was blijven leven. Lees verder

Lege vlakte

Daar is het weer, die borrelende inspiratie die ik temper en terugduw tot het luikje zich weer sluit. De zelfcensuur waar ik een hekel aan heb, maar waar ik me aan vasthoud omdat ik de mensen om me heen niet wil kwetsen of in verlegenheid wil brengen. Ik gebruik geen namen van bekenden in mijn fictie, want ook al is alles bedacht, ik schijn daar mensen mee tegen het zere been te (kunnen) schoppen en ook al weet ik dat die reactie niet mijn ‘probleem’ is, trek ik het mij aan en zal geen personage in mijn verhalen ooit nog de naam van een bekende dragen tenzij ik weet dat het oké is. Ik kan je verzekeren dat ik de raarste namen verzon, Klaas-Douwe, Wilbert, Znežanka nog slechts de minst absurde, zolang ze voor mij maar niet bestaan. Ik schrijf niet over mijn moeder, mijn stiefvader, de vriend van mijn moeder, mijn broer, mijn schoonouders, de kinderen van de vriend van mijn moeder, de vriendin van mijn stiefvader, de ex die zich altijd in al mijn stukken herkent. Zoveel inspiratie en ik die en het luikje weer sluit. Misschien dat ik daarom zo vaak over mijn vader schrijf..Die is veilig weg en opgeborgen. Die kan niet meer reageren, zich niet meer beledigd voelen. Misschien zou hij bij leven nu wel tegen mij zeggen dat ik moet ophouden met mijn pathetische gedweep met hem, maar hij is dood dus het is hem niet gegeven.
Ik schrijf ook niet over mijn seksleven. Niet in het heden, in het verleden ook niet. Mijn moeder leest mee. Mijn broer. Mijn stiefvader. De vriend van mijn moeder. De kinderen van de vriend van mijn moeder. De vriendin van mijn stiefvader. De schoonzus van mijn stiefvader, de vriendin van mijn broer, de ex die zich altijd in mijn stukken herkent. Dat ik in de ogen van deze mensen het verhaal van mijn Italiaanse ex kan lezen, dat mijn kaken schaamrood zullen kleuren zonder dat ze een woord hebben doorgelaten. Dat wil ik hen besparen, maar ik vrees ook vooral mezelf. Ik wil niet dat iemand zich schaamt, geneert, ik wil niet dat ik met iemand afspreek en ik de olifant in de kamer voel rondbanjeren.

Wat is er voor nodig om dat los te laten?
Er is een leeg landschap dat ligt te wachten om bewerkt te worden, te worden geëegd, geploegd, gezaaid en geoogst; met wat bio-dynamische en creatieve landbouw ligt er inspiratie voor vele jaren die ik oversla om conflict te mijden, mensen te sparen, mensen niet te kwetsen of voor het hoofd te stoten en zonder kleerscheuren door het leven te hink stap springen.
Hoelang nog tot mijn veilige aarde uitgeput en bar is, opgebruikt?
Een maagdelijke vlakte. Wachtend op mijn komst. Grond die roept: kom kom, kom oud meisje: kom.

Meisjes die vrouwen zijn (vrouwen die meisjes zijn)

Een vriendin noemde me ooit ‘meisje‘ op Twitter. Een warme gloed gleed door de telefoon mijn vingers in, zoveel genegenheid lag er in dat woord. Ik werd er kiezel van. Een paar minuten later reageerde een oudere vrouw, duidelijk geen meisje, op het woordgebruik van mijn vriendin. Volgens haar kon het niet, een vrouw van rond de 40 die een andere vrouw van rond de 40 ‘meisje’ noemde en dat de ontvanger dan in plaats van beledigd te zijn met hartjes of dankbaarheid reageerde. ‘Jullie ondermijnen het werk van de feministen die al die jaren hebben gestreden om als gelijke behandeld te worden. Jullie zouden er fier op moeten zijn vrouw te zijn in plaats van jezelf ‘meisje’ te noemen, een woord dat aangeeft dat je niet volwassen, sterk en gelijk bent aan een man.’

Wij keken elkaar virtueel in de ogen en barstten in lachen uit. Mijn vriendin vroeg voor de zekerheid of ik het echt niet erg had gevonden, ze wist heus wel dat ik al lang geen meisje meer was. Ik kon haar verzekeren dat ik het juist fijn had gevonden, het heeft iets intiems, zo’n verkleinwoordje, net zoals het een mate van nabijheid uitstraalt als een man zijn object van affectie liefkozend ‘meisje’ noemt. Ik hou ervan, niet altijd en van iedereen, en dat zei ik ook tegen de oudere dame op Twitter, maar zij wees alles wat ik zei af. Meisjes waren kinderen, wij waren vrouwen. Geen verkleinwoorden, geen woorden die onze gelijkheid op het spel konden zetten. We deden er maar het zwijgen toe, daar op Twitter.

Maar ik ben natuurlijk gewoon een meisje, wat de vrouw op Twitter ook zei. Ik ga nauwelijks naar de kapper, ik slaap met sokken in bed als ik koude voeten heb, ik stamp in plassen, ik praat te hard, ik huppel, ik vloek, ik maak ongepaste opmerkingen, ik hou niet van lippenstift, ik lach om foute moppen en ik denk dat ik in de anale fase ben blijven steken want als mijn kinderen ‘piemel piemel piemel’ roepen of iets hardop zeggen over een kakkende hond en hoe ze zijn kont kunnen zien moet ik meestal lachen in plaats van dat ik het ongepast vind. Ik word dan wel grijs en mijn borsten gaan hangen, van binnen ben en blijf ik bljkbaar een meisje, een oud meisje, dat dan weer wel.
Sorry feministen. Sorry gelijkheid.

Thuis

Ze heeft een euthanasieverklaring laten opstellen, zorgvuldig nagelezen en getekend. Ze wil dat wij hem ook lezen en weten wanneer het moment van handelen daar is. Ze is manisch door de medicijnen, praat aan een stuk door over haar leven, drinkt water met ijs om haar slijmvliezen te sparen. Ze is 20 kilo afgevallen, weegt net zoveel als toen ze 18 was, we maken grapjes over dat ze nu eindelijk slank is, ze draagt jurken uit lang vervlogen tijden omdat al het andere te groot is. Ze is thuis. Eindelijk is ze thuis, weg uit het ziekenhuis, geen slangen meer, geen chemo, geen immunostherapie, geen levensverlengende zaken die haar alleen maar zieker maken.

Ze is thuis om te sterven en zegt dat we positief moeten zijn en we knikken over onze tranen heen.

Eigenheid

Van de week scrolde ik door de teksten die ik het afgelopen jaar heb geschreven. Het viel mij op dat mijn vader een grote inspiratiebron bleek te zijn geweest en nog steeds is, want de bron is nog steeds niet opgedroogd. Ik was me daar niet per se van bewust. Een ander valt het vast sneller op dat bepaalde onderwerpen vaker terugkomen bij mij of willekeurig welke andere schrijver. Iemand vond het bijvoorbeeld nodig om mij nadat mijn boek Verloren taal uitkwam te laten weten dat ‘het vermarkten van mijn afkomst om geld te verdienen’ zeer onsmakelijk en treurig was. Ik vond het ook verdrietig, met name vanwege het feit dat ik er nul komma nul geld mee verdien, maar alle gekheid op een stokje, zo raar is het toch niet, dat een schrijver schrijft over hetgeen hij aanschouwt, beschouwt, voelt en hoort? Dat hij oeverloos dooremmert over zijn verlangens, over hetgeen hij mist, wenst en begeert? Niet gek dat mijn vader veel langskomt op mijn scherm, ik mis hem en hou hem een beetje levend door over hem te schrijven.

Nog zo eentje: dat je misschien ook aan de tekst zelf kan zien wie hem geschreven heeft, omdat bepaalde woorden en woordcombinaties de schrijver in kwestie als het ware verraden. Net als bij blind proeven zou je dan zonder de naam van de schrijver te zien zijn tekst uit een stapel kunnen plukken omdat hij bijvoorbeeld vaak ‘slappe lach’ schrijft, of ‘dedaigneus’, of een bepaalde stijl hanteert.

Ik heb wel eens geprobeerd te schrijven ‘als een ander’. Ik zag bij iemand een klein, breekbaar tekstje, minimaal en ongelooflijk lief. Ik sloot mijn ogen en probeerde een gevoel bij mezelf op te roepen dat zulke fragiliteit kon uitlokken in mijn hoofd, hart en vingertoppen. De tekst die ik vervolgens produceerde was zo diametraal tegenovergesteld aan hetgeen ik in gedachten had gehad dat het lachwekkend was. Toen ik het teruglas kreeg ik inderdaad de slappe lach. Ik ben blijkbaar niet te sturen, in mijn woont een onstuimige Ronja de Roversdochter die gewoon doet wat ze zelf wil, een Pippi die haar schrijfwereld in richt naar haar eigen zin. Ik zeg blijkbaar, want ik had mijn zelfopgelegde schrijfopdracht heel serieus genomen. Maar stiekem misschien toch niet; opstandigheid valt niet heel makkelijk uit te roeien. De tekst die ik had geschreven nadat ik mij intern klaar had gemaakt om broos en minimaal te schrijven, was moddervet, cynisch, met lange zinnen en bijzinnen, in niets de hippe uitgebeende tekst met gemiddeld 4,9 woorden per zin die zo schitterde in al zijn eenvoud waar ik van had gedacht: dit wil ik ook eens proberen.

Ach. Mijn dikke, emotionele drab komt vast nog wel eens in de mode (en voor de mensen die nu denken dat ik zielig ben: ga weg, u herkent toch wel een gebbetje!) en tot die tijd schrijf ik kwistig door over mijn vader, mijn liefdes, mijn onzekerheid, mijn woede en de wereld om mij heen. Hier in de samizdat, in de veiligheid van mijn sub rosa, zwaai ik welgemeend en liefdevol naar de puntige onderkoelde tekstjes van de literaire collega’s en wens ik iedereen, literair of niet, jong en oud, lelijk en bloedmooi en alles ertussenin een heerlijk 2018.