Aankomst

Gisteren op Vlieland aangekomen. Stralend weer, zon brandde op mijn rug, gelijk zin in bier en sigaretten, oude knaagdieren, wie kent ze niet. Loeizware tas afgegeven aan mens van de mannelijke overtuiging, ik droeg de vliegers naar het kampeerterrein en wreef in stilte mopperend over mijn pijnlijke spieren. Elk jaar ga ik hierheen, maar dit eiland en elk jaar is het weer fijn, al moet ik zeggen dat ik altijd even om moet schakelen. Van in mijn eentje de hele dag thuis naar een campinglife met allemaal Hidde’s, Aafke’s, Beren en Lotte’s en andere lieve hoogblonde kindjes uit oud zuid en bijbehorende pappies met verwaaide haren en zakmessen aan hun riemen en verlangende blikken naar 5 uur als ze legitiem op het terras van de Bolder hun halve liter Erdinger mogen drinken en naar de andere mammies mogen kijken en ook de mammies met hun frisse gezichtjes glimmend van de nivea en de kleurige King Louiejurkjes en groene teennageltjes en armbandjes rinkelend aan hun bruine polsen.

Ik moet ook wennen aan de kleine ruimte die ik moet delen met mijn familie, aan het zand dat overal zit, aan het wachten op de douche achter 27 tienermeisjes die zich klaarmaken voor een lange zinderende nacht met de mogelijkheid tot meer.

En dan ben ik gewend en kan ik me ontspannen. Die eerste klim omhoog de duinen op en dan het strand en de zee zien! Die eerste wandeling op het strand op blote voeten en dat je dan spieren voelt in je tenen die je al een heel jaar niet hebt gevoeld! Het wakker worden door krijsende meeuwen, de regen die tikt op het tentdoek en het licht, dat prachtige licht dat alleen op onze waddeneilanden zo schijnt!
Ik haal diep adem en ben blij dat ik leef.

Niet literair genoeg

Ik had een beursaanvraag gedaan bij het Letterenfonds voor mijn nieuwe boek en die aanvraag werd afgewezen. Vond ik niet leuk, maar ook zonder gratis geld blijf ik schrijven en aangezien ik toch een paar kilo moet afvallen, leek het me een goede motivatie nu echt met het op een houtje bijten te beginnen. Prima samenloop van omstsndigheden, omdenken, je weet wel, kan ik heus.

‘Ben je niet nieuwsgierig naar de reden dat ze je geen gratis geld willen geven?’ vroeg iemand. ‘Misschien kun je iets met de feedback of misschien past je voorstel niet in hun straatje, is het helemaal niet omdat het niet goed is.’ Ik had alleen een algemene afwijzing gekregen: zoveel aanvragen, maar een kleine zak gratis geld te vergeven, blabla, stiff competition. Misschien was het een goed idee, die uitgebreide motivering voor de afwijzing en ik stuurde een mail.

Gisteren kreeg ik hem binnen, hoor. Die uitgebreide motivering en ik ben er nog niet over uit of ik mezelf nu moet opknopen of dat ik heel hard in lachen uit wil barsten. Zo’n hysterische lach met lange gierende uithalen dan, compleet met een spastisch trillend oog en afgekloven nagels. Misschien beiden. Of misschien moet ik ook maar gewoon mijn schouders ophalen en denken dat ik mijn journalistieke carrière, of wat daarvoor door moet gaan, aan de wilgen heb gehangen omdat ik wilde schrijven. Niet voor een zak gratis geld.

Dat het Letterenfonds weinig vertrouwen heeft in een geslaagde literaire uitwerking van mijn werkplan, ze daar mijn boek Verloren Taal een onbevredigende leeservaring vinden en ook geen hoge pet op hebben van het literaire gehalte van dat boek, yeah, well, that’s just, like, your opinion, man. Ik ploeter vrolijk verder, soms min het vrolijke gedeelte, zoals nu, maar doorgaan zal ik.

En ik ga nu dus afvallen, dankzij het Letterenfonds. Lang niet slecht, toch?

Crack, wodka, op vakantie gaan

Ik zit midden in een oorlogsgebied. Overal kleren, toiletartikelen, knuffels, zwemkleding en garnalennetjes. En vliegers, schoenen en ballen en tassen in verschillende stadia van volheid. Ikzelf zie eruit als een hobo die zich een makeover door de kringloopwinkel heeft laten aansmeren: grijze joggingbroek tot de knieën, roze sokken, witte gympen, een of ander schurftig legerpetje en een veel te grote hemelsblauwe blouse waar mijn borsten bijna uitvallen. Een echte paradijsvogel, zij het eentje die je beter niet aan kunt raken als je wilt blijven leven. Die kleren kwamen aan mijn lijf omdat ik ze vond, op mijn tocht wild kappend met machete door de wildernis die mijn huis heet.

Nu zit ik op een berg genaamd ‘rokende oorlog’ pauze te houden. Ik wilde dit zelf: op vakantie gaan, dus niet zeiken, hoor. Inpakken hoort bij op vakantie gaan en ook die kinderen en huisdieren en man en al die meuk die je om je heen hebt verzameld, wilde je op enig punt in je leven zelf, dus kop dicht en pakken. Morgen de hel van het daadwerkelijke reizen weten te doorstaan en dan op je vakantieadres bezweet en met rode kop, jeukende scheerbultjes en uitgelopen mascara voor de tent gaan zitten en een crackpijpje roken en een fles wodka leegzuigen om te vieren dat je samen met een miljoen andere gestoorde medelanders dit eiland hebt uitgekozen om tot rust te komen. O nee, ik rook geen crack meer.

Ik kijk naar de troep om me heen en vraag me, net als elk jaar, af of ik eronder uit kan komen door me te laten opnemen in een psychiatrische inrichting. Lijkt me heerlijk, die rust en de routine. Lekker om tien uur slapen en met gratis drugs gewoon een feestje, eigenlijk. Maar nee, ik doe het weer niet. Geen crack, geen drank, geen gratis medicijnen met andere taartjes, gewoon verder met die kolerekoffers en onthouden dat dit is wat ik graag wil.

Overmorgen is het weer leuk, mijn leven.

Wat als…

Soms laat ik mijn gedachten de vrije loop. Zie maar waar je uitkomt en als je nergens eindigt is het ook goed. Dat kan ik niet altijd, dan raak ik bijvoorbeeld in de knoei en weet ik niet hoe ik een langgerekte gedachte weer kort kan krijgen, een uitwaaierende weer klein. Maar soms lukt het wel.

Zo zat ik net te denken aan hoeveel verschillende mogelijkheden er zijn in een mensenleven. Hoeveel afslagen, wegen te bewandelen, routes afgesneden omdat je anderen nam, en hoeveel zijtakken weer ontstaan doordat je juist die ene kant opliep. Hoe zou mijn leven eruit hebben gezien als mijn ouders niet waren gescheiden? Als mijn vader niet tegen een berg was gevlogen? Dan was mijn stiefvader niet mijn stiefvader geweest en mijn broertje niet mijn broertje. Dan had ik nog Tsjechisch gesproken. Dan was het zusje dat ik nooit meer zie niet geboren en had ik mijn zomers niet in Amerika doorgebracht. Of toch wel? En waar ging het dan heen?

Wat was er gebeurd als ik politicologie aan de UvA was gaan studeren, zoals ik wilde maar niet durfde? Wat was er gebeurd als ik niet was vreemdgegaan en nog bij hem zou zijn geweest? Zou ik dan kinderen hebben gekregen (hij had al een naam in gedachten)? Zou ik niet overspannen zijn geworden als ik een studie had gevolgd waar ik echt blij van werd in plaats van de veilige studie in mijn geboortestad omdat ik mijn vleugels niet durfde uit te slaan? Was ik dan wetenschapper geworden, zoals ik vroeger wilde of zou ik hoe dan ook als schrijver geëindigd zijn?

Wat als mijn ouders geen vluchtelingen waren geweest, zou ik dan andere angsten hebben, wat als mijn moeder niet joods was, zou ik dan een ander mens zijn geweest? Wat als mijn vader niet zo’n mafklapper was geweest, zo’n loner, was ik dan socialer en minder generatie x-gloomy?

Mijn hoofd tolt. Ga maar even slapen, van al dat denken word je moe.

Serendipiteit

Op zolder, in de chaos van 25 jaar opgespaard mensenleven, zocht ik het een en vond ik het ander. Helemaal achterin, tegen de muur onder het schuine dak, stond een mysterieuze kartonnen doos. Hij was van mij, aan de onleesbare opschriften te lezen, maar ik herkende hem niet. De doos was oud. Broos. Toen ik hem voorzichtig opende hield ik stukjes vermolmd papier in mijn hand. Ik was bang dat ik een muizennest zou aantreffen, maar mijn zicht op de inhoud werd alleen door een centimeterdikke laag stof verhinderd.

Hallo doos, zei ik. Wat herberg jij voor moois?

De doos zei niks en ik knikte.

Oké, speel het maar zo, dacht ik en hield verder mijn mond.

Ik blies het stof uit de doos (nooit proberen 7 centimeter stof uit een oude doos te blazen met astma!) en zag tientallen stapeltjes oude correspondentie. Dat zijn e-mails maar dan met de hand geschreven. Zo onderhielden mensen vroeger contact met elkaar, mijn vriendinnen en ik net een beetje meer dan de gemiddelde Klazien of Jolanda. Ik schreef met iedereen, aan iedereen die maar wilde. Beplakte de enveloppen met poezieplaatjes om te kijken of de post dat zou accepteren. (PTT heette die club, ik noem ze nog steeds zo, net als Twixen voor mij altijd Raiders zullen zijn en Centerparcs gewoon Sporthuis Centrum heet. Niet alleen mijn spieren worden strammer, beste mensen.). Mutsenopstandigheid.

Ik heb jarenlang gedacht dat deze doos, althans zijn inhoud, kwijt was. En nu keek ik naar 30 jaar oude briefjes, brieven en kaarten. Zag ik namen van mensen die ik niet meer kon terughalen en van mensen die ik uit het oog verloren was. Van mensen die niet meer leefden.

Drie uur zat ik op de stoffige zolderverdieping, tussen oude slapende spullen.

Weemoed maakte zich van mij meester.

Om je kapot aan te ergeren

Er is zoveel om je over op te winden. Het Vaticaan dat geen glutenvrije hosties wil (en al die arme schapen dan die krioelend van de darmkrampen over de kerkvloer kruipen na het eten van een karrenvracht lichaam van Jezus Christus?), een restaurant dat mensen hun sushi laat eten van het lichaam van een naakte mevrouw (helemaal naakt of wel met string, of kun je ook sashimi van het kruis eten?) of een kudde zwakzinnigen die in Hamburg ontsnapt is tijdens weekendverlof met beperking en de stad heeft achtergelaten als een plek na nucleaire fallout of een scène uit GTA als je een 14-jarige pokdalige manspuber de vrije hand geeft (op het toetsenbord, viespeuk!). Zoveel menselijke stupiditeit, het grijpt je naar de keel.

Nu lees ik dat Loes Reijmer van de Volkskrant zich opwindt over mensen die zich opwinden over vrouwen met kortpittig kapsel. Ze lijkt de woede en afschuw van met name mannen van de midlifeleeftijd (en stiekem ook wel jongetjes van bijna 60) niet te snappen en ook hun maniakale behoefte om hier uitvoerig over te mekkeren is iets waar ze met verbazing naar kijkt. Volgens haar is kort haar heel bewerkelijk en klopt het “lekker makkelijk en praktisch” waar de grote kleuters aan refereren totaal niet. Ik op mijn beurt zou me weer kunnen opwinden over Loes Reijmer die zich ergert aan de kalendedikbuikbrigade, maar ik pas even vandaag. En morgen. Ik zou uren kunnen vullen met waarom een argument als “ja maar kort haar is bewerrrrrrkelijk” (zelf het poldernederlandse accentje invoegen svp) niets van doen heeft met de fixatie van de kereltjes van een bepaalde leeftijd met de kapsels van de meisjes van een bepaalde leeftijd. Het is gewoon lelijk, maar ik zou me er niet over uitlaten.

Ook niet over Trump die zijn dochter de honneurs laat waarnemen aan de onderhandelingstafel van de G20 omdat hij aan het stripyathzeeën is met een Indonesisch vriendje. Ik wil acuut weer een heleboel zeggen en schrijven maar ik hou me aan mijn belofte: even geen lettertourette meer voor Bronja. Ook niet over millennialhosties, nudistensushi en dwangbuislinksmiegels.

Ik ga me vandaag even helemaal niet opwinden. Vannacht was volle maan en ik deed geen oog dicht en zoals jullie weten bestaat er kans op autocombustie als je je opwindt tot wel 48 uur na volle maan, zeker in combinatie met insomnia. Ik hou me dus even koest, met uw permissie.

Rouw is een raar ding

Mijn vader stierf toen ik vijftien was. Hangend aan zijn hangglider vloog hij tegen een berg en was het einde oefening voor de man van 38 met een droomcarriere voor de boeg, om nog maar te zwijgen over het kindje in de buik van zijn vrouw, een kindje dat hij nooit heeft gezien en dat daarom zijn voornaam als tweede naam heeft. Rouw is een raar ding, ik heb me vaak afgevraagd of ik überhaupt wel heb gerouwd, rouwende was, want hoe meet je zoiets, hoe zie je dat iemand ‘in de rouw’ is?

Rouw is een raar ding. Het is geen lineair proces, geen rechte lijn omhoog, geen waarneembaar eindpunt met taart en confetti bij de finish. Rouw is een weg met hobbels en kuilen, met obstakels zo machtig dat alleen omlopen soelaas biedt, of je moet opgeven en in een van de kuilen wachten tot het stopt met regenen. Rouw is zo’n proces waar je op het moment zelf, in de alledaagsheid van het heden vaak niet bewust van bent; tot een trigger je van de kar blaast met een knal zo hard dat je tanden ervan ratelen. Dan weet je weer dat je nog rouwt.

Ik zat met een man te praten over onze vaders die allebei dood waren. De mijne had zich te pletter gevlogen en de zijne had zich verhangen. Ik vroeg hem of hij merkte dat mensen ophanging als gespreksonderwerp met hem vermeden, dat zelfs een woord als ‘ophanging’ voor sommige mensen taboe was, zo bang als ze waren iets te triggeren in hem waar zij bang voor waren, niet op zaten te wachten. Hij merkte dat inderdaad, zei hij, maar voor hem hoefde dat niet en om het te benadrukken schopte hij met een knop op de controller van zijn ps4 tegen een bungelend lijk in de game die we speelden. Mij was het ook opgevallen dat mensen mij probeerden te sparen, of in ieder geval hun best deden eventuele ‘beladen onderwerpen’ zoals hanggliden of dromen over vliegen te vermijden. En ook voor mij hoefde dat niet. Ook ik hoef niet gespaard te worden.

Hij en ik hadden het over onze vaders, over vliegen en vleugels, over touwen en depressie en we praatten en het was goed en ineens voelde ik het, in neonletters stond het geschreven in mijn hoofd: taart en champagne, de rouw is voorbij!

Kfar Saba en de bejaarden

De hitte die je in warme wolken omarmt, verstikt bijna, de rode aarde, de bougainvillea die in zoveel kleuren bloeit, het stof dat overal is: elke keer als ik Ben Gurion uitstap is het deze combinatie van zintuiglijke waarnemingen die mij vertellen dat ik thuis ben gekomen. Soms moet ik huilen als ik de rit van het vliegveld naar de stad maak, alsof iets in mij heeft geslapen en nu door de klamme deken en de geuren van dit land ontwaakt.

Het is alweer jaren geleden dat ik in Israël was en ik mis het. Zelfs de schreeuwende taxichauffeurs met zwarte vachten op de vingers, rokend in hun stinkende bmw’s, de straatkatten die in elk steegje de vuilnis uit de zakken trekken, schor naar me miauwen, de vlooien zichtbaar springend op hun ruggen, mis ik, maar misschien spreekt nu de vertekenende bril van de nostalgie.

De laatste keer dat ik in Israël was, waren we in Kfar Saba op bezoek bij de aanwaaigrootouders van mijn man die daar in een soort bejaardenkolonie wonen. De verzengende hitte van het land laat je achter bij de elektrische deur waar ze geduldig op je terugkeer wacht,  als een hond met riem aan een paal. Binnen is het niet aangenaam, je wilde dat je een vest mee had genomen.

Ik ben dol op Yitzhak, al is hij nu dood. Hij vertelt zo mooi over zijn nieuwe land. Voor zijn oude land Polen heeft hij veel minder woorden en de woorden die hij voor zijn oude land heeft zijn vlak en tweedimensionaal. Hij en zijn vrouw Chava nodigen ons uit voor de lunch in de grote eetzaal in de kelder. Onze kinderen racen hun bestuurbare autootjes over de eetzaalvloer, behendig tussen bejaardebenen, rolstoelen en rollators slalommend. Opa vindt het prachtig, hij gaf ze die speeltjes met als enige doel de medebewoners van dit avondland op de kast te jagen en zo te zien lukt het: boze troebele blikken, reumatische vingers als een slechte imitatie van ET. Yitzhak kakelt, zijn bruingevlekte arm om mijn schouder, een goedkeurende blik op mijn decolleté. Mijn binnenste kakelt ook, fijn dat de oude man nog weet te genieten.

Om twaalf uur gaat een gong en is het buffet geopend. Onze oudjes blijven zitten, maar Yitzhak spoort ons aan erheen te gaan, met tegen onze ruggen de opmerking dat we ons niet moeten laten koeioneren door een stel bejaarden, dat we standvastig moeten zijn. We kijken elkaar aan en halen onze schouders op. Vijf minuten later begrijpen we de woorden van de aanwaaiopa: het voelt of we zijn aangerand door een horde ouderen, iemand reed expres over mijn tenen met een rolstoel en mijn man werd van achteren in zijn knieholten geraakt, we werden geduwd, onze borden omgegooid, in het Duits en Hebreeuws en weet ik wat voor talen nog meer uitgescholden dat we niet voor mochten dringen, terwijl de wandelstok lustig en preventief als stootwapen werd ingezet. Het was als hamsteren bij de Appie, als de lancering van een nieuwe game: we werden onder de voeten gelopen door een stel senior citizens die zich heel letterlijk niet de kaas van het brood liet eten.

Terug bij de tafel, gehavend en beduusd, weer een kakelende opa: ‘laten we mild zijn in ons oordeel over de oudjes met kampnijd’, zegt hij. ‘Jullie hebben de proef doorstaan.’

Rustig staat hij op en ondersteunt zijn vrouw terwijl ze naar het ontplofte buffet lopen. Liever de restjes van een maaltijd, dan opgegeten worden door een roedel hyenas. Ik geef hem geen ongelijk.

Toekijken

Het allermooiste van mijn werk vind ik het onzichtbaar zijn. Ik zie alles, zie wie ik wil zien, maar niemand ziet mij. Ik speur, ik pauzeer en kijk terug naar hartenlust, terwijl het zweet van je lichaam gutst, je je auto parkeert, je plast of je ruw wordt genomen in een openbaar toilet. Allemaal momenten dat je je onbespied waant. En ik naar je kijk. Ik ben dat gaatje in de muur, die rits die niet goed afsluit. Ik kijk, ik kijk, maar je ziet me niet.

Ik liet me met een voldaan gevoel in de leren stoel glijden. Zes uur kijken voor de boeg. Ik legde mijn benen op het bureau en mijn handen in mijn nek. Bijna honderd monitors voor me boden een overzicht van de stad. En ook nog twee schermen die alleen ik kon zien; we mochten overal kijken, in alle openbare ruimtes, maar niet bij mensen thuis. Deze camera’s boden mij een blik in het leven van Eva, mijn privéproject. Mooie dwaze Eva met haar glanzende blonde haren. Over vijf minuten zou ze thuiskomen en kon de pret beginnen. Ik voelde mijn opwinding groeien. Mooie, mooie Eva. Misschien nam ze weer een man mee en zou ik deelgenoot worden van hetgeen er zich dan afspeelt tussen weer een klaploper en het meisje. Misschien zou ze ook wel alleen zijn en Netflix kijken de hele avond en een fles Chardonnay wegtikken, alvorens onvast op de pootjes naar het hemelbed te kruipen. Ik hoopte ergens op een meegebrachte lamlul.

De hitte hing nog boven het asfalt en de stad had een zinderende indruk op me gemaakt toen ik naar het observatiestation liep. Zo’n gevoel dat je krijgt als je The Great Gatsby leest, er hangt iets broeierigs in de lucht, alsof er iets groots staat te gebeuren. De warmte maakte me opgewonden. Geil. Ik had behoefte haar naakt te zien, in actie, ook al zou het een willekeurig andere man zijn die haar nam en niet ik en was ze ook niet van mij. Ik zat zoals altijd op mijn leren stoel en wachtte rusteloos af, voelde het bloed naar mijn kruis trekken, kreunde onwillekeurig. Noem het voorpret.

Waar was ze? Ze was te laat. Ik keek op de monitor die uitzicht gaf op de ingang van haar flatgebouw. Geen Eva. Ik controleerde de lift, maar ook daar was ze niet. Er was niet veel keuze meer. De straat, ik moest haar straat afspeuren. Gespannen trokken mijn ogen denkbeeldige lijnen van links naar rechts en weer terug maar de straat was uitgestorven. Van de opwinding was niet veel meer over, mijn lichaam had het ene hormoon door een andere vervangen.

Ik veerde op in mijn stoel: daar, daar was ze! Ze stond bij de deur van haar flatgebouw te praten met twee mannen met capuchons over hun hoofden getrokken. Ik kende ze niet en zo te zien waren het ook geen bekenden van Eva. De ene stond voor haar, de andere achter haar en ze voelde zich ongemakkelijk, dat kon je zien, zelfs op de zwartwit beelden zonder geluid was het ongemak zichtbaar. Haar hoofd schoot van de een naar de ander, op en neer, haar knuist stevig op de klink. Ik zag hoe een van de mannen haar vastpakte en hoe ze haar mond tot een grote O opende, hoe de andere man haar naar achteren trok met zijn elleboog om haar hals en hoe ze op de grond viel. Ik zat daar maar, op elke leuning een vuist met witte knokkels, ik zat daar maar en deed niks.

Ik bleef zitten en zag hoe de man van de elleboog haar in bedwang hield. Ze zat inmiddels op handen en knieën en hij stond voorovergebogen naast haar, een hand over haar mond en de ander op haar achterhoofd, terwijl de man die haar als eerste had aangeraakt zijn broek liet zakken en achter haar plaatsnam. Ik zat daar maar en deed niks. De man deed waar ik eerder op had gehoopt, maar ik kan niet zeggen dat het schouwspel me nu veel plezier deed. En nog steeds bleef ik zitten en deed niks. Toen de man klaar was met neuken trok hij zijn broek omhoog en wisselde van plek met zijn vriend. De handeling herhaalde zich en toen het was afgelopen hees ook de vriend zijn broek op. Samen schopten ze de vrouw en liepen weg.

Al die tijd had ik toegekeken. Ik had daar gezeten en toegekeken en niks gedaan.

Roken en seks

Roken leek mij lang een van de weerzinwekkendste activiteiten op aarde. Je moet wel heel erg seniel zijn als je een brandende kankerstok in je muil stopt en er dan de rook uitlurkt samen met teer, arseen, benzeen en dat goedje waarmee ze lijken prepareren. Welke klapdebiel doet dat vrijwillig? Het was onvoorstelbaar voor me. Rokers moesten wel collectief van het padje zijn. Ik werd nog liever verstikt door rook in mijn huis dan mijn binnenste langzaam te laten wegvreten door die troep. En dan eindigen met een zuurstoftank op je rug en een gat in je keel waar je dan je lievelingsschatjes in steekt. Het liefst voor het ziekenhuis, zodat je gelijk opgenomen kan worden mocht het onverhoopt mis gaan of je zuurstof opraken. Wat een armoe.

Het was een beetje zoals met seks; dat leek mij ook het ultieme smerig. Misschien vond ik het concept seks nog wel weerzinwekkender dan roken. Ik bedoel: bezwete lijven, een veelheid aan lichaamssappen -en openingen, gehijg in je oor en jij die na afloop met de rommel opgescheept zit. Welk weldenkend mens begint daar in godsnaam aan? Die moet wel kraaiend koekoek zijn, die seksende mens. Mij niet gezien, dacht ik. Ik vond het niet alleen een ranzige bezigheid, het leek me ook zo zinloos allemaal. Al die mensen, als slaven van hun hormonen, in de meest onzalige posities in elkaar gefriemeld. En waarom? Wat was het nut van al die ellende, echt, waarom zou je het jezelf aan doen?

En toen ging ik studeren en raadde iemand mij aan om te gaan roken. Tijdens het Risken werd ik altijd zo benauwd van de rook van de sigaretten van mijn huisgenoten (ja, iedereen rookte) en zelf een sigaret opsteken zou me van mijn gebrek aan lucht afhelpen. En godverdomme nog an toe: het hielp! Ik kon weer ademen! Ik nam de toekomstige kanker voor lief en werd roker. Zo’n smoezelig mens met bruine vingers en grafadem, alles wat ik eerder had verketterd. Na een half jaar verliet ik het studentenhuis en heb ik nooit meer geriskt of welk ander bordspel dan ook gespeeld, daar ik een enorme hekel aan bordspellen heb en was ik gewoon een van de zombiesquad, een verslaafde.

Ook met seks bleek ik iets minder standvastig. Na wat opstartproblemen bleek ik er zelfs soort van schik in te hebben, verkwanselaar van principes die ik ben.