Slachtoffers

Ik wil niet dat mensen zich laten slaan, dat mensen zich laten verwaarlozen. Ik wil dat mensen zich verzetten tegen woorden die hen pijn doen, tegen het onrecht dat hen wordt aangedaan. Ik wil dat slachtoffers sterk zijn.

Het is wel eens voorgekomen dat ik de behoefte voelde een slachtoffer te slaan, te duwen, op mijn tenen te gaan staan en met een spervuur van woorden hem of haar te bewegen tot actie. Iets, wat dan ook. Maar niet niks. Ik kan niet tegen de holle ogen van slachtoffers en ik weet dat het veel over mij zegt. Ik wil wakker schudden, ook al is dat niet aan mij. De aanblik van onrecht vervult mij ook met iets dat op walging lijkt en een haast gewelddadige behoefte te beschermen, in plaats van het zo gewenste mededogen en barmhartigheid. Het liefst ga ik slachtoffers daarom uit de weg, maar zoals dat gaat in een mensenleven: soms vinden zij mij.

Ooit, toen ik nog rond en zacht was en stage liep op een peuterschool was daar het jongetje met de eczeem. De uitslag zat overal en de jeuk moest vreselijk zijn maar hij krabde niet, in elk geval niet daar tussen het houten speelgoed en de zachte lichtinval. Hij zat in de kring en zweeg. Holle, grote ogen vol lusteloosheid. Hij speelde nooit. Als de andere kinderen elkaar bewerkten met een antroposofische blokkendoos, keek het mannetje toe met zijn hoofdje vol korsten en al die tijd zei hij geen woord. Ik voelde gelijk dat dit jongetje een slachtoffer was. Het jongetje wist ook dat ik het wist. Vanaf de eerste dag dat ik er kwam werken liep hij waar ik liep en waakte ik over hem. Mijn bloed kookte. Wie durft een klein jongetje zoveel angst en stress of pijn te doen dat het zijn lichaam eruit laat zien als een pokdalige maanlandschap? Wie denkt dat hij zoveel macht heeft, wie is zo onbezonnen of egocentrisch dat het lot van een kind je zo weinig doet? Ik wilde het kind ontvoeren, zijn ouders aan een staak rijgen, maar het ergste van alles was dat ik naast mijn enorme beschermingsdrang ook afkeer voelde van het hulpeloze zakje botten met het roodgevlamde vel en die afkeer lag niet aan zijn uiterlijk.

Ik denk liever niet na over het waarom achter dit gevoel, het waarom van dat unheimische dat een hulpeloos en moegestreden slachtoffer bij mij opwekken kan. Als ik dat dan toch zou doen zou ik, natuurlijk volkomen hypothetisch, zeggen dat het komt omdat ik niet van zwakte houd, maar dat hardop zeggen, zegt zoveel over mij dat ik het liever ongezegd en ongeschreven laat.

Het slaan van mensen

Het geluid van een vuist tegen een gezicht. Als je het vertraagd zou afspelen dan hoorde je eerst brekend hout, gevolgd door iets dat klinkt alsof je een natte spons uitknijpt. Ik had dat geluid al een paar jaar niet meer gehoord, tot gisteren. Splinters, en dan dat nare zuigende erachteraan. Ik lag in bed met koorts en zou nu een verhaal kunnen ophangen over dat ik eerst dacht dat ik ijlde, maar de waarheid is dat ik meteen wist wat ik hoorde. Ik kneep mijn ogen stijf dicht, probeerde het te negeren. Het ging niet weg, daar was het weer, kkkrrrrzzzzzj, gevolgd door geschreeuw, gestamp en nog veel meer geschreeuw.Ik deed mijn ogen weer open en stond moeizaam op. Mijn stappenteller gaf aan dat ik die dag vier minuten actief was geweest.

Ik keek naar buiten. Daar, de buurman van de buurman, de schreeuwaap die elk jaar opnieuw de Vinkhuizer Tokkie vh jaar bokaal wint, hij duwde net zijn puberzoon van het paadje in zijn voortuin. De jongen viel om, schreeuwde dat hij de politie ging bellen om te melden dat zijn vader hem mishandelde. De politie wist wel raad met klootzakken als hij. De vader sloeg hem nogmaals, hard. Dit keer met een vuist tegen de schouder. Hij schreeuwde naar de jongen dat hij hem dood zou maken als hij ooit nog een poot op zijn erf zette. Ik kromp ineen. Bloed stuwde veel te hard achter mijn slapen. Ik had het raam al opengedraaid en hing met mijn ongekamde hoofd naar buiten en mijn mond open om tegen de bokaalhouder te schreeuwen dat…, toen tot mij doordrong dat ik dat al eens eerder had gedaan. In ditzelfde huis, alleen dan aan de andere kant, de kant die uitkijkt op de brandgang en de tuinen van de achterburen. En dat die keer mij niet zo goed was bevallen. Ik had dat voorval tot een anekdote gemaakt, iets waarover ik kon vertellen zonder veel emotie. Daardoor was ik gaan geloven dat het me niets (meer) deed. Ik had ongelijk. Ik voelde nu juist heel veel en dat wat ik voelde was ongeschikt als borrelpraat.

Met moeite wist ik de opkomende paniek te onderdrukken en het raam te sluiten. Ik zou niet tegen de mannen schreeuwen dat ze op moesten houden. Ik zou niet schreeuwen dat ik de politie ging bellen. Ik zou niet tegen de jongen schreeuwen dat hij weg moest rennen. De jongen zou me niet tijdens het wegrennen aankijken en ‘dank je’ mimen. Wat ik wel deed is met overslaand hart en ongewenste flashbacks maar een beetje daar staan, met mijn telefoon in de hand, klaar om weer 112 te bellen, zoals die keer toen de achterbuurman mij, mijn 1-jarige zoon en mijn nog ongeboren kind met de dood had bedreigd.

Mijn hoofd deed raar. Mijn hoofd doet raar als ik ziek ben en koorts heb, dan is het net of mijn gedachten niet meer van mij zijn, maar nu kwamen er ook flarden van de gebeurtenis van negen jaar geleden bij. Nou ja, flarden.. Ze waren zo levensecht dat ik toen en nu niet goed meer wist te scheiden.Ik zag me zitten in de werkkamer, met mijn dikke buik achter het bureau. Ik was bezig met een boekje voor het Tropeninstituut. Het was heerlijk werk. Iets ving mijn aandacht. In mijn ooghoeken beweging in de tuin van de achterburen. Ik draaide mijn hoofd en zag de man die Dzjengis Khan heet zijn vrouw heel methodisch en zonder noemenswaardige emotie in elkaar slaan. Krrrrzzj bam kkkrzzzj bam ging de vuist. Het geluid van een vuist tegen een gezicht. Hij hield met de ene hand het haar van Janet vast en met de andere regenden de knokkels en de pijn op haar hoofd. Het was klaarlichte dag en de buurman stond de buurvrouw vakkundig kapot te slaan. Niemand sprak een woord, hij sloeg in volkomen stilte, zij incasseerde in volkomen stilte. Ze viel en toen kwamen de voeten van Dzjengis Khan in actie, schop schop tegen het hoofd van Janet. Weer omhoog bij de haren en door. Ik had het raam al opengedraaid en hing met mijn ongekamde hoofd naar buiten voor ik door had wat ik deed. Het enige wat ik dacht was dat hij moest stoppen met doen wat hij deed. Ik riep hem. Ik riep zijn naam en zei dat hij moest stoppen met wat hij deed. Ik weet nog dat zijn vuist halverwege een stoot pauzeerde. Het zag er komisch uit, behalve dan dat er niets komisch aan was.

Hij stond daar maar, de zwarte haren van Janet in zijn ene hand en de andere hand in de lucht alsof hij haar wilde scalperen. Ik schreeuwde nogmaals. Laat haar los. De buren van Dzjengis deden hun gordijnen dicht. Mijn buren deden hun ramen dicht. Niemand keek terwijl stiekem iedereen keek. Ik weet nog hoe het me verbaasde, deze lafheid. Een vrouw wordt tot moes geslagen en jij sluit ramen en deuren en loert door de spleten. Ik schreeuwde tegen Janet dat ze weg moest rennen, zij schreeuwde tegen mij dat ik de politie moest bellen. God ja. De politie. Ik pakte mijn telefoon en belde 112. Ik keek op en tot mijn vreugde Janet door de brandgang wegrennen.. En toen zag ik hem. Hij stond voor mijn hekje, een armetierig vod waar zelfs mijn dreumes wel raad mee wist. Wat volgde was een gesprek tussen mij en de dame van 112 aan de ene kant en Dzjengis die over mijn hekje stapte en mij in het Servo-Kroatisch de dood bedreigde aan de andere kant. Hij liep naar mijn achterdeur. Had ik die opengelaten? Ik ga je doodmaken, vieze hoer. In het Nederlands. Ik schreeuwde dat de politie kwam en keek mijn werkkamer rond naar iets waarmee ik me kon verdedigen. De dame van 112 bleef ondertussen tegen me aanpraten, ze wilde dat ik aan de lijn bleef, zodat ze kon horen wat er gebeurde.

Het gekke is dat ik het einde niet meer weet. Ik weet wel dat de politie me later ondervroeg, dat ik op het bureau aangifte deed en dat Janet me kwam bedanken dat ik haar een kans op een nieuwe start had gegeven. Ik weet ook nog dat mijn buurman die avond voor mijn deur stond en me indirect bedreigde. Ik had zijn vriend van hem afgepakt, of ik de aanklacht wilde terugnemen. Ik herinner mij de brief een jaar later waarin stond dat niet tot vervolging werd overgegaan. Zij had haar aanklacht ingetrokken en mij had hij slechts bedreigd.

Ik stond bij het raam met mijn telefoon in de aanslag. Ik wilde weer schreeuwen dat hij op moest houden, maar deed het niet.

Kijkje in de keuken

Ik weet niet of er mensen geïnteresseerd zijn in een kijkje in de keuken van een schrijver die aan de ene kant volkomen geaard is en aan de andere kant zo onzeker dat het nog bijzonder is dat ze niet tot stof is vergaan, maar voila, u staat op het punt hierover te lezen. U kunt nu nog beslissen om weg te klikken, even goede vrienden verder.
Dat die beurs bij het Letterenfonds niet doorging, daar kon ik nog heel best mee leven. Met wat daarna kwam iets minder. Ik had namelijk het idee opgevat om een uitgebreide motivering van die afwijzing op te vragen, dat kon dus ik dacht, kom ik doe het. Daar kun je alleen maar van leren, niet waar?

(Omdat dit een kijkje in de keuken was zal ik u nu vertellen dat ik eigenlijk zin heb om met mijn hb-potlood in mijn moleskineboekje te rammen en dat ik de koorts voel oplopen, maar dat kan ook de overgang zijn of godverhoede emoties die ik maar matigjes onder controle lijk te hebben, maar uiteraard is uiterlijk niks aan mij te merken en type ik zoals altijd met dubbele onderkin, schermpje van mijn telefoon dichtbij mijn ogen – een overblijfsel uit de tijd dat ik met min elf door het leven ging en dat nu net zo overbodig is als een verstandskies – en de vrolijke, luchtige dispositie van een vrouwtjesluiaard. Niks aan de hand mensen, ik ben volkomen relaxt.)

Anderhalve maand pruttelden de woorden van het Fonds der Letteren na. Het Fonds, toch slechts en alleen hét hoogste orgaan dat echte literatuur van quatsch scheidt, dat als enige vlijmscherp de demarcatielijn mag tekenen tussen Waar en Onwaar, Heus en Onheus, tussen Chosen en bad egg. En nu, anderhalve maand later kan ik u verklappen dat ik wel het een en ander heb opgestoken van woorden als ‘onbevredigende leeservaring’ en ‘geringe literaire kwaliteit’. Ik heb geleerd dat dergelijke woorden mij behoorlijk van mijn stuk kunnen brengen.

Niet stoer hè, ik weet het. Ik zou eigenlijk moeten schrijven dat het me geen reet kan schelen, dat ik autonoom en onversaagd mijn koers blijf varen, eigenlijk zou ik hier helemaal niet over moeten schrijven natuurlijk, want wie wil er nou die zielige verhalen over schrijvers met existentiële angsten lezen, over angst voor afwijzing, over kleine fragiele zieltjes en stiekeme verlangens. Ik weet het allemaal en toch moet u het hiermee doen. Ik heb dus geleerd dat dergelijke kritiek mij doet wankelen en (dit duurde iets langer, ik geef het toe) godzijdank ook dat ik nog steeds kan en mag schrijven van mezelf. Dat ik dan misschien nooit zal behoren tot de Literaire Goden van dit land – en ook nooit tot de Literaire bijgoden, halfgoden of onwettige kinderen van Literaire Halfgoden – maar dat ik desalniettemin mag en moet blijven schrijven van mezelf. Ik heb mijn eigen stem en daar moet ik dan maar naar luisteren. Die stem is niet verfijnd, minimaal en modieus, die stem is emotioneel en direct, overvol. Ik hoop er mensen mee te raken, maar zoals ik al schreef: in ultimo schrijf ik omdat ik niet anders kan en wil.

Dat is wat ik bedoel met ‘volkomen geaard’. Ik mag dan misschien gekwetst zijn als ik hoor dat ik literair niet zoveel voorstel, in mij woont een mini-Bronja die zo geniet van het schrijven, van het raken van een paar mensen. Een mens die zielsgelukkig is dat ze haar baan als journalist opgaf en geen cent te makken heeft om dat te doen wat ze altijd al heeft willen doen: kijken en schrijven.

Misschien toch autonomer en onversaagder dan ik dacht.

Rimpels in een oppervlak

Toen ik Verloren Taal schreef had ik een doel: ik wilde het boek afschrijven. En afschrijven deed ik. Toen het af was wilde ik maar een ding: dat het werd uitgegeven. En na omwegen en frustratie kwam daar dan eindelijk een publicatie. Met foto’s en documenten, op een stamboom na precies zoals ik het me had voorgesteld.

En toen werd het een beetje troebel. Er was veel publiciteit maar geen matching verkoop. Sta je dan met al je iqpunten niet te snappen waarom je kop wel verkoopt maar je woorden niet. Wat is het nut van elke keer met mijn treurige gelaat in een blaadje staan als de letters waar het om te doen was niet aanslaan, niet gulzig worden opgeslurpt? Lastig. Waarom verder schrijven? Waarom überhaupt schrijven? Het is niet dat ik mijn rekeningen ermee kan betalen, misschien maar weer terug naar iets wat wel brood op de plank brengt.

Iets zegt me dat iemand haar doel niet duidelijk had.

Weet je, ik ben geen heilige, ik zou liegen als ik zeg dat aandacht me niks doet. Ik wil gelezen worden. Ik wil dat mijn woorden ertoe doen. Kom aan, lach. Lach me uit. Erger je, laat je door mij ontroeren, herken jezelf in mij. Vind iets van me, maar lees me godverdomme.
Gelezen worden, een rimpel in iemands gedachten veroorzaken, is niet hetzelfde als aanbeden worden, schitteren en groeien in de glitter en de lichten van het podium. Ik wil dat het u om mijn woorden gaat, niet om mijn prozaïsche persoonlijkheid. Niet om mijn tafelgewoonten, mijn bedmanieren. Ik ben niet op mijn best als de band verstomt. Als de microfoon aangaat en alle ogen op mij zijn gericht. Zie hier, ik ben uw toetsenbordheldin, uw woordkunstenares, ik snoei de letters voor u zodat u kunt genieten van een aangenaam alfabetboeket, de jungle door, mijn machete kapt kaf van koren, ik gaar de woorden voor, maar serveer geen kapotgekookte troep, al dente tekst komt op uw bord. Ik ben geen stroboscoopkoningin, ik floreer in de coulissen, ik ben uw Backdoor Ally, uw Johnny on the spot. Ik ben het liefst onzichtbaar, maar zeker niet zonder naam. Ik wil dat u met smart wacht tot ik u voed met mijn lettervermicellisoep.

Maar boven alles wil ik dat u mij niet kent van interviews en optredens en talkshows en fotoshoots. Ik wil dat u mij kent van mijn letters. En hiermee kom ik dan weer terug bij mijn doel: ja ik wil dat u mij leest. Ik wil dat iedereen mij leest, maar het liefst wil ik vrij zijn, schrijven, letterkettingen maken omdat ik niet anders kan. En dat laatste weegt zwaarder dan het eerste: ik schrijf omdat ik niet anders kan, ook al raak ik geen hond met mijn woorden, ik schrijf omdat ik geen andere keuze heb.

Hoe krijgt een schrijver een ander mens zo gek zijn waanzin te lezen? Hoe leert u over mijn bestaan als een meisje geen naam heeft? En daar komen weer de kruiwagens en de hulpmiddelen om de hoek kijken die het doel heiligen. Ik ben dus niet te beroerd mijn persoonlijkheid in te zetten om u over te halen mijn woorden te lezen, maar ik waarschuw u alvast: op papier is ze beter dan in het echt. Dat u straks niet komt aankakken met dat ik tegenviel op dat podium, dat ik raar lachte en gekke onaangepaste dingen tegen u zei na afloop. Ik kom graag bij u voordragen, ga met liefde met u in discussie, laat me interviewen en draag een clownspak als het mij helpt u van mij te overtuigen, maar nog liever heb ik dat u mij leest en nog lieverder schrijf ik in vrijheid mijn letters tot woorden.

En dan stiekem hopen dat dat schrijven rimpels in een oppervlak veroorzaakt.

Melania

Melania

Altijd wars van hoe het hoort, ikke. Nooit gewoon eens aanpassen en anderen voor mij laten denken. Denken doe ik sowieso veel te veel, het is vermoeiend, maar het is alles wat ik heb. Wat ik eigenlijk zeggen wil is dat ik niet veel op heb met dress codes, als er ergens om galajurken wordt gevraagd wil ik het liefst in een ongewassen spijkerbroek met stijf kruis aan komen kakken. In plaats van een charmant kapsel mijn Ronja de Roversdochterhoofd opzetten. Peuterpuber ben ik, op het tragische af. En elke keer weer verbaasd zijn dat ik zo weinig aansluiting vind bij de mensen, dat ze me links laten liggen, raar aankijken, elke keer weer opnieuw de behoefte voelen mezelf te willen zijn en dat het dan oké is, ook al ga ik hinkelend over straat of zing ik prrtaliieloe en toch zo gevoelig als een naaktslak, ikke. Rare jongens, die Bronja.

Waar was ik. Dresscode. Het moet niet uitmaken wat iemand draagt, vind ik, maar blijkbaar geldt dat dan alleen voor mezelf want ik zag net een foto van Melania Trump in Houston. Donald Trump ernaast, breed lachend en zwaaiend naar duizenden onzichtbare fans, schijnbaar als een kind zo blij met deze ramp en de bijbehorende photo-opps. Melania die naaldhakken van minstens 10 centimeter draagt, een zwart pakje en een casual bomberjack, nee niet van de H&m, dat zou jij vast ook niet doen als je ineens ontdekte dat je goud kon poepen. Een suave zonnebril, fantastisch gecoiffeerd haar, geen sprietje te bekennen.

Ongeschikt, was mijn eerste gedachte. En gelijk erachteraan: Ongeschikt? Waarom? Nou, je bezoekt een gebied waar de hemel los ging op de aarde, waar duizenden mensen dakloos werden (en worden! Terwijl jij in airforce 1 je pannenkoek krijgt bijgewerkt, houdt een oude man zich vast aan een tafel uit angst meegespoeld te worden door het wassende water, terwijl jij bevallig met je wimpers knippert zit een heel gezin op het dak van hun huis te wachten op hulp), en jij kiest een kledingsetje uit waar je figuur goed in uitkomt, misschien ging je nog even naar de meegebrachte kapper tijdens de vlucht. Imago is alles, weet je wel.

Ik doe mijn ogen even dicht en probeer mijn veroordelende vermogen uit te schakelen. Niks zo lelijk als dat. Ze staan daar wel, namelijk. Ze bezoeken de plek! En dan die lelijke stem des oordeels weer: maar wat een verschrikkelijke mensen zijn het dat ze deze ramp gebruiken om er zelf beter van te worden. En dan die andere stem weer die zegt: doen ze dat niet allemaal? Die Macron met zijn duizenden euro’s aan make-up en Obama en zijn vrouw die zo ontspannen en zo gewoon leken te zijn gebleven onder al die aandacht, helemaal zichzelf op dat soort momenten? Hoeveel tijd en moeite staken zij in dat uiterlijk en die houding? Hoeveel cursussen ‘hoe manipuleer ik het volk?’ en ‘lichaamstaal voor gevorderden ‘ gingen daar erdoor? Hoeveel uren stond Mark Rutte voor de spiegel zijn Bassiegrijns te oefenen? En dan onze opperjosti en zijn juntabruid die zwaaiend met hun knuistjes onze eigen toekomstige watersnoodramp bezoeken? Of ontspannen lachen naar de persmuskieten tijdens hun skivakantie in Lech?

Zijn ze niet allemaal hetzelfde en weet de een het misschien wat natuurlijker te verpakken, die machtswellustige behoefte boven het gepeupel te staan?

Ik zal het nooit weten ben ik bang, maar ik heb zo mijn voorkeur. Liever iemand die minder opzichtig zijn of haar rijkdom flasht dan een opzichige pauw, liever iemand die een arm om een schouder slaat van een getroffene in een rampgebied dan een man die zijn eigen glimlach bewondert in de 1000 euro kostende zonnebril van zijn vrouw. Laat ik me dan bewust voor de gek houden? Misschien wel.

Een ding is duidelijk: het is maar goed dat ik niet voor het diplomatenklasje koos, destijds. Ik zou de slechtste hoge ambtenaar/politicus/enz ooit zijn, ikke.

Ode aan Amsterdam

Amsterdam is…

Ik sta al meer dan twaalf jaar ingeschreven voor een huurwoning in de gemeente Amsterdam. Dat ik er al elf jaar niet meer woon mag de pret niet drukken, want hoewel de eerste paar jaar het met name een kwestie van gedachteloos verlengen was, is het de laatste jaar vooral een soort principekwestie geworden. Mij krijgen ze er niet onder, ik blijf ingeschreven tot ik in aanmerking kom voor een fijne woning in een leuke wijk ergens in mijn voormalige woonplaats. Met je dichtgegroeide woningmarkt. Dat ik Amsterdam een kutstad vind doet er ook niet toe.

Ik woonde op drie plekken in Amsterdam en naar alle drie wil ik, zelfs niet met een zak geld toe, terugkeren. Alhoewel, naar eentje misschien toch, met iets van lichte dwang en alleen als er nergens anders (behalve in Eindhoven, daar wil ik niet dood gevonden worden maar dat is weer een ander verhaal) opvang voor mij is. Als eerste woonde ik aan de John Franklinstraat in de Baarsjes. Op steenworp afstand van dat groezelige Mercatorplein waar ik met enige regelmaat voor vieze teringhoer werd uitgemaakt, maar dat zal ik wel hebben uitgelokt met mijn wapperende haren en deinende borsten. Op straat was het erg maar in mijn onderhuurwoning vele malen erger. Ik woonde daar namelijk samen met een compleet geoutilleerd bataljon kakkerlakken en hoewel ik in die tijd nogal eenzaam was had ik er bij keuze liever alleen gezeten dan samen met 1500 kakkerlakken. Ik had toch niks beter te doen dus bracht ik mijn dagen door met het observeren van mijn huisgenoten. Ze opereerden het liefst in vluchten, roedels, zwermen of hoe je zo’n godvergeten kudde beesten ook moet noemen. Een enkele keer trof ik een brutale enkeling bij het ontwaken tussen mijn zweterige borsten, of als ik een pak hagelslag van de plank trok, maar dat waren de uitzonderingen. Als ik ’s nachts iets uit de keuken wilde pakken en het licht daar aandeed, trok de zwarte plaag van links naar rechts over de muur voorbij onderwijl een omineus woesjend geluid makend. De eerste keer dat ik dit onverwachte spektakel mocht meemaken dacht ik dat ik er in bleef, daarna was ik erop voorbereid maar wennen deed het nooit.
Bij strijklicht werden ze actief, dan vond een migratie door mijn woonkamer plaats, elke avond weer opnieuw mocht ik aanschouwen hoe het gedisciplineerde ongedierte oostwaarts trok over de muren van dit gruwelhuisje in wat nu hipsterwalhalla schijnt te zijn. En je weet het hè, deze taaie rakkers overleven een nucleaire fall-out en verdwijnen dan misschien even nadat je kill-a-roach belt, maar uitroeien doe je ze niet. Eens per half jaar kwam zo’n marsmannetje het gebouw met het gruwelijke gif besproeien en dan moesten alle bewoners tijdelijk weg. Als je weer terugkwam lagen overal dode kakkerlakken en stonk het er gruwelijk. Na een paar weken lieten de taaiste insecten zich echter weer zien, eerst klikgeluiden makend en later als het bataljon weer compleet was met dat akelige woesjgeluid, waarna het hele verhaal weer opnieuw begon. Mijn astma kwam ook weer terug in deze periode, ik vermoed door een combinatie van het ziekteverspreidende schorriemorrie en de sap des doods die werd ingezet om ze uit te moorden.

Ook het wonen wat verderop in Osdorp was geen onverdeeld genoegen. Sterker nog: het was de hel. Ik woonde aan de Nicolaas Anslijnstraat, met uitzicht over de Sloterplas, wat fantastisch zou zijn geweest als de afslag van de a10 niet pal onder mijn raam had gelopen. Elke avond maakte ik mijn neusgaten schoon, net als ik had gedaan toen ik nog rookte. Mijn longarts verdiende nog steeds goed aan mij. De teringherrie was oorverdovend. Als ik oordopjes in deed en niet naar de auto-en tramsoep beneden mij keek was het naar buiten kijken soms relatief meditatief. Ik voelde mij alleen niet zo thuis in Osdorp, weinig overeenkomsten tussen de geblondeerde pantervrouwtjes en de moslims uit Nieuw-West en uw schuwe Noorderling. Ik verstond in elk geval niemand.

Ik heb ook in de Bijlmer gewoond, maar dan bij de ouders van mijn man. Ik denk dat vooral dat inwonen bij de schoonouders mijn mening over Zuidoost heeft gekleurd, dus vandaar het ‘laatste mogelijkheidscenario’ dat ik eerder beschreef. De eerste keer dat ik op Ganzenhoef uit de metro stapte en met de roltrap naar beneden ging kwam ik in een andere wereld terecht. Ik zag bijna alleen maar zwarte mensen, hoorde nauwelijks Nederlands en rook allemaal geuren die ik niet kende. Ongelooflijk, dacht ik, dit is ook Nederland! Ik vond het niet onprettig, maar ik, iemand uit Groningen die daar op de Vrije School heeft gezeten in de jaren 70 en 80 en daarna in diezelfde stad naar de universiteit ging, was niet gewend aan veel kleurvariatie in het spectrum mens. Ik was zelf meestal de donkerste. De flat zelf was oerlelijk, de ouders van mijn man woonde op de 4500e verdieping en de bijzondere geuren die ik op straat voor het eerst rook werden penetrant en onaangenaam in dit microklimaat. Geen kakkerlakken, wel overal muizen. In de zomer stond de verwarming in de metro altijd standaard op 40 graden en de stem die de metrostations aankondigde was aangetast door hetzelfde virus dat ooit gehakt maakte van de stembanden van Darth Vader. Samen met de tropische hitte en de stank maakte dat het ritje van de stad naar huis een beproeving. Iemand had mij op het hart gedrukt niet de laatste metro naar huis te nemen en zeker niet op de laatste halte uit te stappen. Kraaiennest was niet meer het Sodom en Gomorra van weleer, maar heel fris zou het er niet zijn om half twee ’s nachts. Natuurlijk belandde ik een keer knettertjelam in de allerlaatste metro, alwaar ik in slaap viel en wakker werd door de Mordorstem van de omroepster die zei dat dit de eindhalte was en dat de metro hier zou blijven staan. Volslagen benevend strompelde ik de metro uit. Het was twee uur ’s nachts, het stonk er naar pis en kots en het was aardedonker. Op de tast zocht ik de uitgang. Er was iets van een lift maar zelfs met mijn dronken harses kon ik nog inzien dat het misschien een minder briljant plan zou zijn die te nemen. Bij de trap stonden een paar mannen te wachten. Geen idee op wie. Ik voelde me helemaal de provinciaal die ik was en haastte me naar beneden. Op de trap zaten mannen met zilverpapiertjes en aanstekers te klooien. Ik deed mijn telefoon aan en met het licht dat daaruit kwam vond ik mijn weg terug naar de Gouden Leeuw.

Maar goed. Ik sta dus al twaalf jaar ingeschreven in deze Parel van Nederland en wacht met smart op de dag dat ik een huis aangeboden krijg dat ik dan vervolgens met al mijn opgespaarde frustratie kan weigeren.

Dood

Over een maand is de man die mijn vader was dertig jaar dood. Dertig jaar lang heeft de man die als Kvetoslav Florian Prazdny in Tsjechoslowakije ter wereld kwam niet meer zijn benen over elkaar geslagen, adem gehaald, iemand uitgescholden voor domme koe, de hond uitgelaten en ook niet een excuus van een vervanger met de naam Cathy die veel te dik is en eerder waggelt dan rent wat nergens over gaat want een hond moet rennen. Hij kan mij nooit meer zeggen dat ik zijn dochter niet ben als ik zeg dat ik pi niet snap, ik hoef me nooit meer te schamen omdat hij zoveel zweet bij het touwtje springen. Ik kom er nooit achter of ik groter zou zijn geworden dan hij. Hij heeft me nooit zien afstuderen en ook niet zien trouwen met de neef van zijn vrouw. Hij weet niet dat hij kleinkinderen heeft, mijn papa. Al dertig jaar lang moet ik mijn ogen dichtknijpen om iets van beeld te krijgen, maar soms komt er niks of dan zie ik een ex of de clown It. Kon hij nog maar een keer komen, dan zou ik me niet meer schamen dat hij zo zweette, het niet erg vinden dat hij mij dom noemde omdat ik een minder licht was dan hij had gehoopt. Dan zou ik op mijn tenen gaan staan en zeggen dat ik in ieder geval langer was dan hij.

Koningin van het Bal

Ik lig op een stretcher op het dakterras. Het is 34 graden en ik geef mij over aan het lomige gevoel dat elk mens met deze temperaturen kent, maar waaraan enkele zotten, waaronder mijn kinderen en een aantal toeristen dat nog niet aan zijn bezienswaardighedenquota zit, weigert zich over te geven. Al zouden ze voor het voorportaal van de hel staan, nog steeds zijn muddagslaapjes voor achterlijke bejaarden volgens mijn kinderen. Wat er mis is met de toeristen die attracties afvinken als zijn het veroveringen op de vleesmarkt weet ik niet.

Ik lig hier, drink bier, en laat de zeewind, de hitte en de Portugese taal over me heen spoelen. Ik denk na over het boek dat thuis op me ligt te wachten, dat ik al duizend keer geschreven heb in mijn hoofd en zoals altijd overvalt twijfel me. Kan ik dat boek schrijven? Zit het in me? En: zit iemand op mijn verstilde binnenwereld te wachten in tijden van meer meer meer prikkels, porno for the grabs, koppensnellerthrillers, of wordt het weer een boek voor een zeer klein clubje liefhebbers, eufemisme voor zeer matig verkocht?

Heel even fantaseer ik over welk leven als schrijver ik zou blieven: kunnen leven van de pen, een stukje hier en daar en de koningin van het Bal, jongemannen en oude jongetjes die mij handgeschreven briefjes schrijven, jongere Godinnen die in de coulissen klaarstaan, oogeduldig trappelend om de Geliefde Schrjjfster van haar troon te stoten. Liggen op een hemelbed in de buitenlucht, mijmeren over niks, een voetmassage en koele lippen die mij wakker kussen.

Dan keer ik weer terug naar mijn huidige realiteit en denk na over die laatste zin: ik ben al aardig op weg met die stretcher in Fuzeta, met de lauwe superbock en de vliegen die mijn voeten kietelen. Die betaalde stukjes en andere waanbeelden komen vast ook wel vanzelf.

Geprivilegieerd

Ik geniet met volle teugen van mijn privilege me niet bezig te houden met defcon-4, bozewittemannetjes, een dikke communist uit Noord-Korea of zijn even ranzige soortgenoot van een andere overtuiging in een land even over de plas water, gemekker over woordkeuze, formatie/formaniets, neonazi’s en antifa’s. Ik besef goed dat dat het is: een privilege. Als je het vergelijkt met mensen in Syrië, in een vluchtelingenkamp of godjezus met wie niet, heb ik het goed. Ik kan ervoor kiezen mijn non-nieuws pet op te zetten en me alleen met mijn aanstaande menstruatie bezig te houden of de dikke Portugezen op het strand. Bij het ontwaken met wat ik vanavond wil eten, of ik me klem wil zuipen of dat ik vanavond voor de verandering eens niet zal drinken. Of ik weer geen zin heb om mijn tanden te poetsen en dat dat mag van mezelf of dat ik weer dezelfde onderbroek wil dragen. Geen fooi geef, de plaatselijke gehandicapte vandaag eens niet groet of toch wel, een jurk of een korte broek aandoe. De keuzes van een zwaar geprivilegieerd mens.
Het is zoals vroeger wanneer we niet wilden eten: ‘Eet je bord leeg want de kindertjes in Afrika hebben honger.’ Ik had een heleboel op deze zin aan te merken, met voorop de onlogica van de zin zelf, en verder kon je dan in discussie gaan wat je wilde, wat ik natuurlijk ook deed want ook toen was ik al een irritante betweter, maar je won het nooit: het bleef gewoon bek houden en je bord leegeten. Zelfs een tegenargument als: ‘Ja maar als ik het nu opstuur naar Burkina a Faso in een envelop is het bedorven voor het aankomt’ vond geen begrip. Dat het appels met peren vergelijken was vond ik toen ook al, maar zelfs ik hield op met het proberen door te prikken van zoveel krommigheid. Dat ik tegenwoordig nooit mijn bord leeg eet en altijd wat laat liggen zal mijn passief-agressieve daad van verzet wel zijn.
Het klopt inderdaad, als je de logica van vandaag de dag volgt. Ik heb het goed en heel veel anderen niet. Zelfs in Nederland zijn genoeg mensen die het minder goed hebben dan ik, ook al ben ik vrouw, uitbundig behaard en met ietwat donkere huidskleur, halve jood, tweede generatie allochtoon (sorry geen politiek correct geneuzel voor mij) en voormalig blind paard. Er valt genoeg op mijn privilege af te dingen en toch kom ik er mee weg: af en toe geen reet geven om de wereld en zijn zorgen. Ik maak het dan weer ruimschoots goed met liefde en zorgen voor beestjes en natuur. Dat er nu een heleboel mensen zijn die mij een onattente kuttekop vinden neem ik dan maar voor lief.
Ik weet dat het een voorrecht is en ik kan er niks aan doen. Nou ja, wel natuurlijk, maar ook als ik er iets aan doe blijf ik zitten met de rode letter ‘P’ op mijn voorhoofd, het enige verschil is dat ik dan laat zien dat ik deug. Ik deug dus even niet, jongens. Sorry not sorry, ik wil er ook niks aan doen, ik wil met volle teugen met mijn bevoorrechte hol op het strand liggen zonder me schuldig te voelen dat ik niet opgewonden meeschreeuw in het koor der verontwaardigden. Ik ga mezelf niet slaan omdat anderen het slechter hebben, ga mezelf geen nachtmerries aanpraten omdat ik me net zo verrot moet voelen als de winkeliers in Hamburg zich onlangs voelden, ja ik dacht ik maak even een grapje. Ik heb geen zin om op de barricades te staan om een wave tegen Trump te maken of me als jood uit te spreken tegen Israël.

En waarom niet? Nou heel simpel, omdat ik momenteel liever geniet van mijn vakantie en de vinho verde. De wereld gaat ook zonder mij wel door met krankzinnig zijn, in brand staan, de strijd der kemphanen gaat ook zonder mij onverdroten voort.
Ga ik nu even nadenken of ik mascara op zal doen of niet en daarna koffie drinken en taart eten. Leeghoofdig gepriviligeerd oud meisje dat ik ben.

Rare jongens, die Friezen

Ik heb soms het idee dat minstens de helft van de wereldbevolking, of dan toch in elk geval dat deel dat woonachtig Is in de vier noordelijke provincies, uit Friezen bestaat. Waar ik ook kom, een pretpark in Overijssel, een willekeurig Waddeneiland, een gezellig middagje sauna of gewoon op de markt in mijn eigenste Grunn, overal hoor ik hun merkwaardige nasale stemmen, met die zangerige (soms keihard zeurderige) intonatie tegen het eind van een zin. Alsof je naar Deens luistert, maar dan zonder dat dronkemansgebrabbel.
Ik kan het doorgaans verstaan, een gevolg van decennialange passieve blootstelling aan de stugge buren en hun wonderlijke taaltje. Niet dat ik daar op zit te wachten, overigens.

Een paar weken geleden zat ik op de boot naar Vlieland en hoorde ik enkel Fries om me heen. Als ik mijn ogen dicht deed, waande ik mij in een kippenhok. Iemand vertelde mij ooit dat ons land in de zomervakantie overspoeld wordt door Duitse horden, maar daar heb ik in mijn beperkte leefomgeving nog nooit wat van gemerkt. Friezen van het Woud, uit het klei, van de meren, Liwwadders: ik herken hun tongval en jawel ze waren er allemaal, met z’n allen op de boot. Geen Oosterbuur te bekennen.

Momenteel zit ik in het vliegtuig naar Faro ingeklemd tussen allemaal Friese families. Ik deed een dappere poging mijn actieradius te verruimen door naar Portugal te gaan, maar ik had net zo goed thuis kunnen blijven. De geluiden uit de omgeving worden een brij van lage tonen, maar de stemmen van de Friese landgenoten weigeren op te gaan in de soep, hun hoge, hysterische uithalen nonconformistische zendelingen van het ware geloof. Hebben alle Friezen soms een heliumei vastzitten in hun strottenhoofd? Bij deze geluiden hoort veel blond, veel gezond vlees op stevige botten, blozende wangen en blauwe ogen. Een enkele bruinoog, een paar donkerharigen, de Friese meisjes van van mijn leeftijd die hun exotische look uit flesjes Schwarzkopf hebben gehaald niet meegerekend. Net mensen, die Friezen.

Ik hou van hun koppigheid, hun warsheid van opzichtig gedrag, van overdreven doen, hun botte manier van praten, hun directheid. Ik heb in mijn dagen ook wel een Fries of twee bemind. Ik hou van hun provincie, hun bossen, hun meren, hun jaloersmakende Waddeneilanden (stiekem reken ik ze tot de provincie Groningen, laat de Friezen Texel maar nemen), ik hou zelfs van hun dat wat voor humor moet doorgaan.
Het enige waar ik niet warm voor kan lopen, en geloof me, ik heb het geprobeerd, is dat taaltje van ze. Geen dialect, pas op!, ze spreken in Friesland een heuse taal. Maar godvergeme, kristus op in hynder: het is niet om aan te horen.