De dood zit in de lucht

De dood zit weer in de lucht. Ik ruik hem om me heen. Eerst was hij nauwelijks waarneembaar, wat muffig, als een handdoek die te lang buiten had gehangen. Nu ruik ik hem overal, de dood. Het weer zit nu niet alleen in de handdoek, maar in alles. De klamme lucht is groter gegroeid, als ik mijn ogen sluit zie ik de schimmel uit de plafonds komen, organische stalactieten die zich woekerend een weg naar het centrum vreten.

Ik weet dat wij komen en gaan. Dat er een tijd voor alles is. Dat die tijd niet door ons wordt bepaald en soms uitzonderlijk oneerlijk aanvoelt. Wij worden niet allemaal 85 jaar. Wij sterven niet allemaal vredig in onze slaap. Nu de dood weer in de lucht zit vergeet ik dit soms allemaal. Nu de dood weer in de lucht zit voel ik soms alleen mijn eigen onmacht. Ik kan de donkergrijze tentakels niet uit mijn huis houden, ik kan mijn kinderen niet beschermen tegen de pijn en het verdriet die de schimmel die de dood is veroorzaakt.

De dood zit weer in de lucht. Ik moet met mijn kinderen gaan praten. De dood zit in de lucht, die vindt toch wel weer zijn weg.

Random facts over 2017

– Ik heb mijn best gedaan om garnalen met mayonaise in een halve avocado te zien als iets dat iemand wil opeten, maar ik kan het nog steeds alleen maar zien als een bult dode beesten in een schuitje.
– Op vakantie naar Portugal met 2 kinderen in augustus is geen goed idee. ‘We vonden alleen ’s ochtends en ’s avonds leuk. Dat hele stuk daar tussenin was echt dikke kak.’
– Een roman schrijven zonder kapstok is een zeer ingrijpende aangelegenheid die ik niemand aanraad. Volgende keer schrijf ik een kookboek of een fotoboek met vrouwen vlak voor hun menstruatie
– Ophouden met sporten is niet bevorderlijk voor het gemoed en het lichaam. 2018 moet weer een jaar worden dat ik iets meer doe qua fysieke inspanning dan mijn vinger optillen om een toets te beroeren.
– Mensen op facebook accepteren die vervolgens in messenger hun naakte torso of erger plus telefoonnummer opsturen: ook dit jaar vond ik het niet zo leuk. Ook: porno in mijn dm blijft ongewenst.Welke degeneraat denkt dat ik daarop zit te wachten?
– Berichtjes van wildvreemden die mijn stukjes leuk vinden vind ik dan weer wel heel leuk.
– Je stukjes ergens gepubliceerd krijgen betekent ook hoofd boven maaiveld en de loonies die wakker worden. Ik heb dit jaar mijn eerste haatberichten mogen ontvangen. Bedankt nog, jongens.
– Het voordeel van elke dag vuurwerk vanaf 1 december is dat de kat er inmiddels aan gewend is geraakt. Scheelt weer valium straks op 31 december.
– Een nieuw bed is als een nieuwe geliefde: je krijgt er maar geen genoeg van en wilt het liefst 24/7 erin blijven.
– Mijn eindejaarslijstje van Spotify geeft mijn werkelijke leeftijd aan. Er staat alleen maar muziek uit de 60s, 70s, 80s (hallo periode van zwart, zwarter, zwartst!) En een paar verdwaalde liedjes uit de grungeperiode van de 90s in. Een soort overgrootouder van de millennials, ikke.
– Ik kan mijn koffie alleen nog maar drinken met veel melk anders krijg ik acuut last van mijn maag. Ik zei het al, dichterbij de finish dan bij de start. Maar ik heb al mijn eigen tanden nog! Niets zo fijn als je je eigen klappertjes! Nog even onduidelijk of ik ze volgend jaar ook nog heb daar ik alweer een opbeetplaatje kapot heb geknaagd, maar dat zijn zorgen voor morgen.

Kerstsfeer

De tafel is feestelijk gedekt, wit damasten laken, servetten met kerstman-op-slee met rendier, zilveren kandelaars met brandende kaarsen, een en al gezelligheid. De gasten lijken niet geïnfecteerd door de kerstsfeer, er hangt een onderkoeling in de lucht boven de tafel, een lagedrukgebied dat weinig goeds voorspelt.
Karen en mama zitten aan de korte kant van de tafel, papa en ik meters verderop aan de overkant. Aan de lange kant opa en oma, tante Wendy, tante Margriet, oom Arend en oom Jelle en een aantal van hun kinderen. Papa tikt met zijn voet op de grond, zonder stoppen, alsof hij extra calorieën wil verbranden om de maaltijd te compenseren. Mama, helemaal aan de andere kant, wrijft steeds hetzelfde plukje haar glad. Ik zie dat Karen het ook ziet, maar ze ziet niet dat papa’s been hier eigenlijk niet wil zijn. Niemand zegt iets, de donderwolk (het zou ook een sneeuwbui kunnen zijn) fungeert als een zwart gat. Er is geen ruimte voor woorden, de atmosfeer is te zwaar. Dus we eten. En we zwijgen.

De lange tanden van de volwassenen doen me aan konijnen denken, aan hazen misschien. Net als bugs bunny zijn de grote mensen ongewild in andermans conflict terechtgekomen en hebben ze geen idee wat ze moeten doen, dus doen ze wat ze in zo’n geval altijd doen: ze doen niks. Eten is de oplossing tot alles. En eten doen ze. De lange tanden vermalen de kalkoen en dat spul wat mama erin heeft gedaan tot pulp, als koeien en hun plukken gras. De afwezigheid van muziek zorgt voor een uitvergroting van de eetgeluiden. Ik sluit mijn ogen en hoor een apocalyptische symfonie. Zo moet het einde der tijden klinken, denk ik en knijp mijn ogen nog dichter tot het pijn doet.
‘Mag ik even jullie aandacht?’ Het is mama. Voorzichtig open ik mijn ogen. Ze snijdt met een mes door de dikke stilte en tikt er vervolgens mee tegen haar glas. Alle hoofden gaan in golfbeweging naar daar waar het geluid vandaan komt, iedereen staart naar mama. Papa’s knokkels worden wit, zo hard knijpt hij de tafel.
‘Ik wil hierbij een toost uitbrengen op mijn man die, godzijgeprezen, zeer binnenkort mijn ex-man zal zijn. Dat hij nog vele prostituees mag bezoeken en geslachtsziekten oplopen en doorgeven.’

Haar ogen zijn groot en rond en ze ziet eruit alsof ze mijn ritalin heeft vermalen en opgesnoven. Klodders speeksel schieten uit haar mond. Ik durf mijn ogen niet meer te sluiten, maar wou dat ik dat wel durfde.
‘Op de scheiding, Willem! Eindelijk ben je vrij! Dat jij en die kromme garnaal van je nog maar lang en ongelukkig moge leven!’
De scheur die mama met haar mes in het zwarte gat maakte is weer dicht, de stilte die op haar woorden volgt is eindeloos.

De niet-zo mediageile schrijver

Voor een debuterend schrijver is het niet makkelijk om een plek te veroveren in het medialandschap. Om opgepikt, gerecenseerd, ad nauseam geïnterviewd, liefst bejubeld en bekroond te worden, zodat je niet een paar weken na je boekpresentatie naamloos en gedesillusioneerd in een roemloos gat zinkt.

Mijn boek schrijven was een hele klus, maar niets had me voorbereid op wat er daarna kwam. Debuteren doe je namelijk niet alleen met je boek, heb ik ontdekt. Je moet opvallen om je boek te promoten.

Het unique selling point van de schrijver lijkt vooral hijzelf te zijn, of beter nog: dat wat hem onderscheidt van de anderen, zijn schtick, zijn kunstje. Heftige autobiografische verhalen vol seks en drugs, genderveranderingen en incest doen het altijd goed, en ook een schrijver die daarnaast bereid is zich te differentiëren van de rest door in zijn blote kont op de gevoelige plaat te gaan of zich schuimbekkend en fulminerend uit te laten over collegaschrijvers, kan rekenen op zeeën aan publiciteit. Jezelf personal branden en met een ware marketingactie neerzetten op social media schijnt ook zeer goed te kunnen uitpakken. Viral gaan doet wonderen voor je oplage, lekker en jong zijn natuurlijk ook, maar daarover zal niemand zich verbazen.

Het hoogst haalbare voor de debutant (nou ja, iedere schrijver eigenlijk) is op de tv komen, en ook daarin zit een pikorde. Kom je bij dwdd dan is je kostje gekocht. Je uitgever opgewonden aan de telefoon, de rode loper ligt uit. Het is geen zuivere wetenschap, maar een plekje aan de tafel bij Matthijs, ook al ben je maar twee nanoseconden aan het woord, en de verkoop van je boek neemt epische vormen aan. Je bent op slag een bekende Nederlander wiens boek de CPNB top 60 in rolt. Gezien worden, daar draait het om als schrijver, en gehoord. Dan word je vanzelf gelezen.

Maar hoe kom je in die media? Hoe zorg je ervoor dat ze ‘je willen hebben’, en dat ze je niet als ‘te onbekend’, ‘niet actueel’ of ‘niet geschikt voor ons publiek’ terzijde schuiven? En moet je dat ook willen?

Als schrijver is je unieke haakje niet dat waar je al die jaren op je zolderkamer op hebt zitten zwoegen in de uren dat je baby op het kdv was, terwijl jij, tussen elk schrijfuurtje door, naarstig je borsten leegkolfde en het warme flesje op de fiets naar de crèche bracht, zodat je weer even verder mocht met schrijven aan je meesterlijke debuut. Nee, het gaat om jóú, hoe goed jij overkomt in de media, hoe mooi je bent of hoe stout. Hoeveel stof je met je optredens doet opwaaien, hoe wild of vreemd of onaangepast je persoonlijke leven is.

Maar jezus jongens, zou het ook niet eens gewoon over het boek kunnen gaan in plaats van over de persoon achter dat boek?

Tuurlijk, elk vogeltje zingt zoals het gebekt is, maar niet alle schrijvers zijn dronkenlappen, schuinsmarcheerders of connaisseurs van kutten. Niet alle schrijvers zijn eloquent of flamboyant. Je hebt immers ook schuchtere en, nu een vies woord, beleefde schrijvers. Schrijvers die geen podium willen of durven te beklimmen ter meerdere glorie van zichzelf, maar dat maar wat graag doen om hun boek aan je voor te stellen, of liever gewoon buiten beeld blijven en alleen maar willen dat hun boek gelezen wordt.

Geef deze schrijvers, of beter gezegd hun boeken, ook een kans. Als je ons vooral beoordeelt op hoe mediageniek wij zijn, dan zou je haast vergeten dat er nog heel wat te genieten valt van de schrijfparels van minder mediagenieke auteurs die misschien heel klein en ingetogen op je liggen te wachten in de boekhandel. Je weet wel, van die schrijver, niet te verwarren met mediapersoonlijkheid, die het gewoon over zijn boek wil hebben.

 

Bronja Prazdny

Tantra

Het ging weken goed; rode vlaggen mijden voor een beetje rust in kop en hart. Het #metoo circus had me uitgeput en zwarte piet stond weer vol ongeduld te trappelen voor de deur. Ik zou hem dit jaar niet binnenlaten, die kutpiet. Vorig jaar had ik me plechtig voorgenomen om de discussie, waarin weinig meer gediscussieerd werd en vooral veel gescholden en met modder en erger gegooid zoals bij bijna elk onderwerp in dit land, om gierend gek van te worden, maar dat is een ander verhaal, nou ja, om die oeverloze discussie voor eens en altijd met een twee-vingerig kruisje en desnoods een paar tenen knoflook ver van me te houden. Goddank ontdekte ik eindelijk de muteknop op social media, zo’n vijftig jaar na de ontwikkeling ervan maar een kniesoor die daarop let, dus het moest helemaal goedkomen. En ja, ik vind dat zwarte piet weg mag. Ik heb er zelf geen last van, maar dat betekent niet dat hij moet blijven. Ik ben namelijk niet het centrum van het universum, als er mensen structureel onder lijden is het tijd afscheid te nemen. En meer zeg ik er niet over.

Ik leefde dus in de relatieve luwte van al het opgefokte getier, ontweek met een sprongetje de nieuwste fad du jour en deed kunstig mijn hand voor mijn ogen als per ongeluk iets dat mijn bloed kon laten koken vanuit de periferie naar me lonkte. Hoe minder je uit het ‘nieuwspotje’ snoept, hoe eenvoudiger het wordt nepnieuws en non-nieuws te onderscheiden. En te mijden.

Tot ik net las over een hele trits tantramasseurs, van het testosteronale soort, die de grenzen tussen massage en je lusten op een cliënt botvieren en ervoor betaald krijgen niet helemaal scherp hadden. Deze holebeesten, deze steenpuisten van het menselijke ras, gaven vrouwen, die vaak aan tantramassage schijnen te beginnen nadat ze seksueel misbruikt zijn en door middel van deze vorm van massage weer ‘in contact met hun lichaam’ willen komen, vooraf de garantie geen ongewenste grenzen over te gaan. Dan lig je naakt op zo’n tafel en staat zo’n stuk afval zich voor je neus af te trekken. Dan word je gemasseerd en voel je ineens een vinger in je doos of oeps, een pik in je kont, want ja, dat schijnt te zijn gebeurd. Dan heb je het woordje ‘garantie’ niet helemaal begrepen, of je verwarde het met ‘penetratie’, kortom dan ben je echt uitschot van het ergste soort. Hoe rijm je dat, meneer de tantramasseur, een vrouw met een trauma die bij je komt om in de veiligheid van jouw praktijk haar lichaam weer te leren voelen door middel van massage, wat dat precies inhoudt weet ik overigens niet, met jouw stuk vlees in haar lijf? Ik kan me niet voorstellen dat het ook maar iets bijdraagt aan het verwerken van oud zeer. Mijn vermoeden is, en verbeter me maar als ik het verkeerd heb, dat er wel een nieuw traumaatje bijkomt op deze manier. Maar ach, de dames zijn toch al beschadigd. Een piemel meer of minder zal daar niet zoveel aan veranderen, dacht je misschien. Of misschien dacht je alleen met je vleesstaaf.

Het grote probleem is dat op dit soort beroepen totaal geen toezicht is. Iedere gek kan tantramasseur worden, of haarworteltherapeut of aambeifluisteraar. En dat klinkt misschien leuk voor de mensen die niet weten wat ze met hun leven moeten, maar verder is het gewoon een slechte zaak. Het gebrek aan toezicht heeft geleid tot een wildgroei van vage beroepen en enge charlatans die allemaal klaarblijkelijk hun eigen interpretatie van het vak hebben. Zo kunnen volksstammen idioten hun goddelijke gang gaan zonder dat iemand ze stopt. Veel alternatieve therapeuten kunnen zich niet laten registeren in het BIG-register omdat hun opleiding niet door de overheid erkend wordt, zoals dat wel het geval is bij bijvoorbeeld fysiotherapeuten en artsen. Hierdoor is helaas de deskundigheid van zo”n beroepsbeoefenaar niet gelijk duidelijk. Toch zijn er zat particuliere beroepsopleidingen in het alternatieve circuit en kan een beoefenaar met een diploma van zo’n opleiding zich bij een eigen beroepsvereniging laten registreren die vervolgens zelf kwaliteitseisen bepaalt en een klachtenregeling heeft. Het wordt hoog tijd dat er voor ‘beroepen’ waar geen opleiding voor gevolgd hoeft te worden ook dergelijk toezicht op kwaliteit is. Dat er regels komen waar een tantramasseur of alles-is-liefdetherapeut zich aan moet houden, dat er een ‘ergens’ is waar mensen met hun klachten heen kunnen. Dat er, om kort te gaan, ook voor deze mensen een vereniging komt waar ze zich bij aan moet sluiten en die je een beroepsverbod kan opleggen als jij de grenzen van hetgeen je als broodwinning hebt wel heel erg hebt opgerekt.

Als je zo graag met je pielemuis werkt en er voor betaald wilt krijgen kun je beter een ander beroep kiezen, me dunkt.

Doodgaan

‘Hoe wil jij het liefste doodgaan, mama?’
Het is zondagochtend en we zitten met z’n allen aan de ontbijttafel. Hij wacht mijn antwoord niet af en begint voorbeelden op te noemen van manieren waarop een mens zou kunnen sterven. Zo heb je verdrinking, moord en zelfmoord, sterven in je slaap, door een ziekte de pijp uit gaan en door een ongeluk om het leven komen. Terwijl hij met zijn opsomming bezig is probeer ik na te denken over zijn vraag. Hoe zou ik dood willen gaan? Ik vind het lastig aangezien ik helemaal niet dood wil, voorlopig niet althans. Ik kan me voorstellen dat als ik 95 ben en volledig incontinent, invalide, dement en zonder menselijk contact mijn dagen uitlig in een in hoogte verstelbaar bed in een verzorgingsoord met chronisch te weinig personeel zodat ik doorligplekken krijg, ik misschien wel de voorkeur geef aan het hier niet meer zijn, maar vooralsnog moet ik vaststellen dat ik door de bank genomen het best aardig vind hier. Nait verkeerd, zeg maar. Maar goed, dood gaan we allemaal en op wat uitzonderingen na valt er niet zoveel te kiezen en daarom spelen we dit spelletje, net zoals met die miljoenen die je ook nooit in de staatsloterij wint maar wel over fantaseert. Zo wonen wij in een volksbuurt ten westen van Groningen, maar wanen wij ons in het heetst van het spel in een lommerrijke buurt met Jugendstilpanden in de binnenstad. Een mens moet wat te verlangen hebben, nietwaar.

Hij kijkt me aan met zijn grote bruine ogen die hij van mij heeft en zijn mond vol iets dat men ‘ontbijtgranen’ noemt maar weinig weg heeft van granen. ‘Nou mama, wat wordt het?’

‘Ik denk dat ik dan iets kies dat snel voorbij is. Gewoon boem dood. Of in mijn slaap overlijden, dat lijkt me ook wel wat.’

‘Boem dood zoals opa Slava? Die knalde toch met zijn slaap tegen een rots en was op slag dood?’

Ik merk dat ik steeds minder een brok hoef weg te slikken als mijn overleden vader spontaan wordt genoemd. Vroeger barstte ik wel eens in tranen uit als iemand me zonder waarschuwen mijn papa voor de voeten gooide.

‘Ja zoiets ja. Ik denk dat hij op slag dood was, dat hij niets van heeft gemerkt. Niet een heel slechte manier van er tussenuit piepen. Wel wat minder leuk voor ons alleen.’

‘Maar niet heel praktisch. Om nou allemaal te gaan vliegen om dood te kunnen gaan…’

En voor ik het doorheb is iedereen al weer met iets anders bezig en denk ik nog even na over de dood. Over hoe ik zei toen mijn papa stierf dat ik niet zoveel problemen met de dood had, maar dat het feit dat ik hem nooit meer kon zien, aanraken, horen of ruiken me oneindig verdrietig maakte. En hoe iemand toen voorzichtig tegen me zei dat dat de definitie van doodgaan was en ik fluisterde dat ik doodgaan dan toch niet zo fijn vond.

Verkeershufter

Dat was even heel erg schrikken.
Met mijn kinderen uit school in de regen naar huis op de fiets, wachtend om een drukke straat over te steken. Komt er een auto vanuit die straat ons straatje ingereden, bocht veel te krap genomen zodat ik bijna van mijn fiets word gesjeesd. Ik schrik, de auto blijft naast me staan, half op de grote weg, bestuurdersraampje naast mijn fiets.
ik probeer naar binnen te kijken. Wie zit daar, wat wil hij. Ja, zo iemand is een hij, testosteron als een slakkenspoor achter de wagen aan. Twee paar zwarte ogen staren terug. Koud, neerbuigend, boos. Waarom boos, denk ik en daar gaat dat raampje al open.
‘Wat moet je, heb ik wat van je aan? Wat staar je me aan kutwijf. Eerst staar je de hele tijd naar de weg en nu zit je weer mijn ogen op te zoeken. Je moet oppassen. Je moet oppassen, weet je. Waarom zit je te kijken?’
Ik haalde mijn schouders op. De man voelde zich aangevallen. Hij maakt een fout en het ligt natuurlijk aan een ander. Die ander die hem recht aanstaart. Dat is hij niet gewend. De meeste mensen kijken weg. Zijn bang. Ik was nu ook bang. Bang om te ontploffen en een mes tussen mijn ribben te krijgen, maar met de grootste moeite deed ik of dit alles me niet bang maakte, of zijn agressieve gedrag en die cocaine-ogen me geen reet deden.
Ik haalde mijn schouders nogmaals op. Ik zou niet zeggen dat hij in de fout ging. Ik zou niet mijn gelijk gaan halen. Ik zou niet bijdragen aan escalatie, want op escalatie stuurde hij duidelijk aan. ‘Ik heb geen idee waar je het over hebt,’ zei ik en bleef hem aankijken. Hij zat zich geweldig op te vreten en besloot uiteindelijk dat er geen eer te behalen viel aan dit door hem geënsceneerde opstootje met die rare vrouw die alleen haar schouders stond op te halen.
‘Laat ook maar, kutwijf’ en weg was de dure pooierbak met achter het stuur de man met het doorgesnoven hoofd.
We bleven even staan. We hadden geen woorden. Toen staken we de straat over een reden in stilte naar huis.

Tsaar Vlada

Vlada is koning, keizer, admiraal. Hij is het allemaal, oppermachtiger met het voortschrijden der tijd en elke dag voelt het of hij groeit. Niet alleen zijn ego, zo groot dat het bijna niet is te bevatten, zelfs uit zijn borstkas zou spatten als dat kon; het voelt ook alsof zijn lichaam groeit, zelfs zijn ingewanden voelen hem met de dag zwaarder en machtiger aan.

De overtreffende trap van oppermachtig is oppermachtigst en hij is daar bijna, zoiets voel je.

Dan is hij Tsaar Vlada, de Grote Vladimir Vladimirovitsj en is zijn meesterwerk, waar hij al sinds het jaar 2000 aan werkt, compleet. Tot die tijd deelt de bijna-Tsaar bevelen uit. Speelt hij stoelendans met de trekpop Anatoljevitsj Medvedev, een useful idiot, laat hij onwelgevalligen muilkorven en verdwijnen en laat hij zich, als meditatie-oefening op stressvolle momenten, verleiden tot een potje zelfverrijking. Zijn nieuwste speeltje is het groene spul, door vriend en vijand liefkozend ‘zeljonka’ genoemd.

Zeljonka is als jodium, je maakt er wonden mee schoon. Het fantastische aan het groene spul is echter dat het ook echt een desinfectant is: het ruimt bacteriën op. Korsten der aarde, vuiligheid en vuilnis worden met een beetje mazzel blind, verdwijnen weer uit het zicht. Vlada Vladimirovitsj is verrukt. Het was alweer even geleden dat iets hem zo blij maakte als dit ontsmettingsmiddel. Een ferme flets in het gezicht van een Mohikaan en je kan er welhaast op rekenen dat het laatste beetje weerstand gebroken wordt en zo komt de tsarenkroon nog weer een beetje dichterbij. Nu Brexit is gelukt en aartsvijand Amerika aan zijn eigen vuilnis tenonder lijkt te gaan, is het vanaf nu vooral achterover leunen en zegeningen tellen.
En dat doet hij. Vlada Vladimirovitsj Poetin wrijft zijn zegelring op met spuug en ziet dat het goed is.

Herinnering 1 t/m 4

Herinnering 1.
Een tussenuur op de middelbare school, of misschien een gespijbeld uur, al vermoed ik dat niet, mezelf kennende. Mijn beste vriendin en ik fietsen snel naar mijn huis, zetten de lp van Calimero op en trekken de fles slivovitz van mijn ouders uit de vriezer. Het wordt een soort Balkaneze vogeltjesdans, dikke pret, hiep hiep hoi Calimero! En dan komt mijn stiefvader binnen.

Herinnering 2.
Vriendinnetje 2 en ik, kipjes van ik denk 13, kleden ons in onze mooiste Cyndi Laupertenuetjes, achteraf zou je eerder denken dat we de verkleedkist van oma hebben geplunderd, maar toen in de jaren 80 voelden wij ons grote zelfstandige meiden going on vrouwen. We gaan naar buiten. Wandelen. Bij de Westerhaven stopt een man op een fiets ons en vraagt waar de Aquamarijnstraat is. Ik zeg dat ik denk dat het die kant op is en wijs met mijn vinger over het Hoendiep. De man kijkt niet mee en trekt in plaats daarvan zijn roze homp ongesneden vleeswaar uit zijn gulp. ‘Wat vinden jullie hiervan, dames?’ Wij reageren marktconform en zetten het op een lopen. Thuis weten we precies wat we eigenlijk hadden moeten zeggen en doen. Unaniem: we hadden die stumper moeten uitlachen. Het was een heel lelijke piemel.

Herinnering 3.
Ik ben in Amerika. Bij mijn vader en stiefmoeder. Zoals elk jaar ben ik op zomerkamp geweest en daar heb ik de geneugten van het vrouw zijn mogen aanschouwen. Meisjes van 14 die hun benen scheren, meisjes van 13 die lijnen en calorieën tellen. Bronja van 14 eet gewoon stroopwafelkruimels met liters stroop dus het is allemaal even wennen. Maar een mens moet wat dus ik ga ook aan de augurken. Ik laat mijn stiefmoeder voor mij een grote pot van 5 kilo kopen voor de reis naar Lake Tahoe. Achterin in de Jeep, over hobbelende stijgende en dalende bergwegen eet ik me letterlijk ziek aan de zure bommen. Ik kots de hele auto onder en eet minstens tien jaar geen enkele augurk of andere zoetzure rommel meer.

Herinnering 4.
Ook in Amerika. Bij mijn vader in de Jeep op weg naar wederom Tahoe. Ik zit met mijn voeten tegen de voorruit en doe oefeningen en strek en ontspan mijn tenen tegen het glas. Floep, een sterretje in de ruit en erachteraan een chemtrailachtig spoor. Mijn vader boos. ‘Dat is 500 dollar! Ik ga je langs de weg zetten, kun je al dat geld terugverdienen!

Beerput

#metoo. Wat een beerput. En wat een topje van een ijsberg van een beerput. Ik lees over een meneer van een uitgeverij die over de professionele schreef ging door vrouwen die hij had gerekruteerd met nachtelijke sms’jes en oeverloze emails te bestoken, naar eigen zeggen onder invloed van drank en drugs en ongetwijfeld ook bevangen door het soort opwinding dat nou eenmaal kleeft aan een (naderend) debuut, zeker als dat debuut door jou is binnengehaald. Ik denk aan die man en voel iets van medelijden met hem. Zijn succes leek onstuitbaar, hij was op weg naar boven en hoger en hoger klom de man op de bonenstaak, zijn hoofd bijna in de wolken, hij kon de geur van bovenop al ruiken waardoor hij vergat dat hij beter met beide benen op de grond kon blijven staan, want dat is nou eenmaal de veiligste plek voor een mens die niet als een God is geboren. Maar de drek die hem nu wordt toegeworpen voelt voor mij als .. Ja, hoe voelt dat eigenlijk. Alsof hij ook porties drek van andere, niet met naam en toenaam genoemde mannen over zich heen krijgt. Alsof hij de volle laag krijgt omdat veel grotere smeerlappen in de veiligheid van de coulissen kunnen blijven bestaan en opereren. En waarom kunnen zij blijven bestaan? Omdat zij, anders dan de man van de uitgeverij, niet ge-out zijn. Omdat de vrouwen (en mannen, die ook) die slachtoffer zijn geworden van deze meneren zich stilhouden. Omdat zij niet geloven in #metoo. Omdat zij niet durven te spreken. Omdat zij niet kunnen spreken. Omdat zij zwijgen, uit angst, uit schaamte. Omdat wij met z’n allen zwijgen, de dingen die het daglicht niet kunnen verdragen zo blijven noemen en in een enorme doofpot stoppen. Keer op keer op keer. Ook ik.
Begrijp me niet verkeerd: de man van de nachtelijke sms’jes ging te ver. Hoeveel te ver hij ging weet ik niet, dat weten alleen hij en de vrouwen die hij lastigviel. Maar staat hetgeen nu over hem heen komt in verhouding met wat er is gebeurd? Ik vind van niet. Ja, inderdaad, ik zeg dit zonder dat ik van de hoed en de rand weet. Ik denk dat zijn positie hem naar het hoofd is gestegen en als niemand er iets van zegt, verandert er ook niks. Dat is nu gebeurd en dat is goed. Over de manier waarop heb ik wel mijn vraagtekens. Ik vind iemands zielige praat in messenger of WhatsApp onder invloed van drank echter wel wat anders dan mannen die seks opeisen, mannen die bedreigen, stalken, aanranden en verkrachten. Het lijkt me ook onjuist om wat hij heeft gedaan te vergelijken met de walgelijke daden van de vele mannen die al decennia in een patroon van machtsmisbruik zitten en bijna denken dat hun ranzige gedrag normaal is geworden, maar die de ‘luxe’ hebben (nog) aangenaam anoniem door het leven te gaan. Elk varken of varkentje verdient dan misschien zijn schandpaal, maar door ze allemaal met een hashtag #metoo op social media te zetten krijg ik al snel de indruk dat het allemaal dezelfde gore zwijnen zijn. Dat ze van hetzelfde laken een pak krijgen. En het allerergste, wat me nog het woestst maakt, is dat tegenover elke geuite #metoo getuigenis er honderden niet-geuite staan.
#metoo heeft de beerput geopend. Dat is een goede zaak. #metoo heeft bij sommigen misschien gezorgd voor een bewustwording, ook bij mijzelf, over wat acceptabel gedrag is is en wat niet, over grenzen en waar die voor mij en voor ons als groep, liggen of horen te liggen. Een soortement herijking van waarden en normen. Hopelijk worden we niet te verkrampt met z’n allen, hopelijk durven mannen nog een hand op een schouder van een vrouw te leggen zonder zich af te vragen of het gepast is. Hopelijk zorgt al deze bewustwording niet voor een doorgeschoten angst of massapsychose, maar juist voor meer empathie en begrip.
Wat ik het meest hoop is dat de grootste smeerlappen, die roofdieren in de coulissen waarover ik net sprak die zich heel veilig wanen, de #metoo getuigenissen ook lezen en horen en een dergelijke bewustwording doormaken. Dat zij wroeging voelen, oprechte spijt, en dat dit zich dan vertaalt in een verandering in gedrag. Dus geen misbruik meer maken van jongetjes op een jeugdtheaterschool of jonge vrouwen onderaan de bonenstaak. Maar ik heb zo mijn twijfels. Dan maar hopen dat ze zich net een beetje minder veilig wanen. Wij weten namelijk wie jullie zijn, ook al zwijgen we.
Om deze varkens te wassen, echt te wassen, is echter meer nodig dan #metoo. Het begint bij opvoeding, maar daar eindigt het niet. Om dergelijke excessen tegen te gaan is het nodig dat onze cultuur ten opzichte van dit type wangedrag verandert. We moeten het niet accepteren dat iemand zo tegen ons praat, dat iemand met zijn poten aan ons zit. We moeten leren dat te zeggen, het aan te kaarten en dan zonder de angst onze baan te verliezen of juist een baan niet te krijgen. Het moet duidelijk zijn dat wij met z’n allen, als groep, het onaanvaardbaar vinden dat iemand zich zo naar een ander toe gedraagt en het moet duidelijk zijn dat wij, met z’n allen, als groep, zullen optreden tegen iemand die zich zo naar een ander toe gedraagt.