SARAH

Geen mannen. Geen mannen meer, dacht Sarah. Nooit meer mannen. Ze voelde zich nog steeds eenzaam, sterker nog: ze had zich nog niet eerder zo ver van de maatschappij en anderen verwijderd gevoeld als nu op dit terras, omringd door al deze bedrijvigheid, al deze mensen die allemaal totaal niet op zoek leken naar zingeving. Het voelde of iedereen, behalve zijzelf, een soort natuurlijk ingebouwd kraantje had dat hen vulde met diepgang, voldoening, fucking joie de vivre, als het reservoir vanbinnen leeg leek te geraken. Was haar kraantje kapot? Had zij geen reservoir? Voelde zij zich daarom zo permanent zinloos en futiel?

Haar beste vriendin naast haar, aan wie ze zojuist over haar vruchteloze, intreurige escapades had verteld, boog zich voorover en pakte het glas witte wijn voor haar op het wankele tafeltje. Voor ze een slok nam aaide ze Sarah over haar been met haar vrije hand.

‘Saartje, kop op. Je ziet eruit alsof je een dinosaurusei moet uitpoepen. Je hebt twee mislukte dates gehad, nou ja, wat het dan ook waren, maar dat is toch niet het einde van de wereld? Er is zoveel meer dan mannen!’ Carolien maakte een theatrale beweging met haar armen waardoor de wijn over Sarahs jurk klotste. Sarah zuchtte. Terwijl ze met een servetje de wijn opdepte, probeerde ze haar vriendin aan het verstand te peuteren dat zij makkelijk praten had.
‘Nou ja, eigenlijk bedoel ik: er zijn zoveel meer mannen’. Carolien zette het lege glas met een knal terug en wenkte vervolgens met een vloeiend gebaar een ober om meer drank voor haar en haar vriendin te bestellen, ook al was Sarahs glas nog half vol.
‘Jij bent slank, Caro. Je ogen twinkelen. Je tanden zijn wit. En je hebt geen grijze haren op je spleet.’

Carolien barstte in lachen uit. ‘Je zei het echt. Je hebt het echt gezegd! Spleet! Daarom hou ik van jou, jij aartspessimist, met je onzin! Denk je dat alles mij vanzelf komt aanwaaien?’
Sarah dacht eerlijk gezegd van wel, maar haalde haar schouders op. ‘Ik weet het niet Caro. Alles lijkt vanzelf bij jou te gaan. Ik zie je nooit struikelen, en als je dan hapert, lijk je er altijd sterker uit te komen. Ik, daarentegen, krimp met elke tegenslag een beetje meer en lijk niet instaat mijn plekje op deze aarde te claimen. Het lijkt er verdomd op alsof er geen plekje voor mij is hier!’
‘Wat een pathos! En wat een larie, Fuller! Op alle fronten heb je ongelijk. Jij hebt een plek, alleen ben jij de enige die dat maar niet lijkt door te hebben.’ Carolien rechtte haar rug en stak haar borsten vooruit. De push up bh liet de blanke kipfiletjes deinen. Sarah keek er gefascineerd naar. Carolien zag Sarahs ogen, pakte hoofdschuddend de hand van haar beste vriendin en legde die op de blote huid.‘Waarom draag jij dit niet, Saar? Jij hebt ook mooie tietjes. Waarom koop je geen leuke push-up bh die alleen je tepels bedekt en die ze laat klossen bij elke stap?’

Sarah schudde haar hoofd en trok haar hand terug. Dit was Carolien ten top. Shockeren, plagen. Maar dat lukte haar al tien jaar niet meer. En toch zette het Sarah aan het denken. Ze wist heel best dat het niet allemaal vanzelf voor Carolien kwam. Zo was daar de bh, de maandelijkse gang naar de schoonheidsspecialiste en de kapper, de nepnagels- en wimpers, de bindweefselmassagesessies, de ontharingskliniek en de tandarts die haar tanden liet blinken. Ze wist heel goed dat het niet allemaal door god gegeven was en dat de andere vrouw er hard voor moest werken om er zo uit te zien en toch…ze gedroeg zich alsof het van haar was, like she owned it. En dat maakte haar onweerstaanbaar.

Carolien leek Sarahs gedachten te raden. ‘En vergeet de biologisch-dynamische groenten niet he, en de eitjes van de boer en al die superfoods die ik elke ochtend naar binnenwerk alsof ik een of andere marmot ben. Het komt niet vanzelf, Saartje, echt niet. Het is hard werken om mooi te zijn.’
‘Ik wil helemaal niet mooi zijn, Caro! Alleen maar gelukkig!’, zei Sarah naar waarheid. ‘Jezus nog an toen, ik wil iets van voldoening ervaren, wakker worden ’s ochtends en dan mezelf in de spiegel zien en niet schrikken van dat afgeleefde hoofd en denken, another day, another fucking dollar, again, maar ergens naar uit kijken!’.
‘Ja, dat zeg ik toch juist? Daar moet je zelf iets voor doen! Zo’n kerel komt niet met de pizza meebezorgd. Jij begeeft je op de vleesmarkt zonder enige vorm van eigenwaarde. Volgens mij heb je je al in geen maanden geschoren daaronder, heb ik gelijk of niet? Je straalt het uit, dat je jezelf onbelangrijk vindt. Mannen ruiken dat. Pak jezelf van buiten aan en hou een grote schoonmaak van binnen en je zult zien dat je ze van je moet afslaan. Ze zijn zo makkelijk.’

Sarah wilde haar vingers in haar oren steken om de woorden niet te horen. Alles draaide bij Carolien om mannen, om gezien worden door mannen. En hoewel Sarahs pogingen tot het vinden van geluk de afgelopen maanden bijna exclusief betrekking hadden gehad op de andere sekse, was zij van mening dat een man, zeker gesublimeerd tot piemel, niet de heilige graal was. Ze wist het nu zeker, empirisch ondervonden en al. Ze zou heel ver bij mannen vandaan blijven. Nog steeds knaagde dat stemmetje ergens in haar hersenpan, knabbelde het aan de wanden van haar amygdala dat ze wel degelijk behoefte had aan liefde van een ander mens en dat de liefde die zij bliefde volledig losstond van geslachtsorganen en vleselijk genot, maar ze wilde er niet meer naar luisteren. Hoewel ze rationeel heel best wist dat haar pogingen geluk te vinden door niemand anders dan haarzelf waren mislukt, zij had alle vormen van succes getorpedeerd, misschien niet bewust maar dan toch zeker onbewust. Je zou bijna denken dat ze bang was voor de liefde, dacht Sarah wrang. Het zou komisch zijn als de waarheid niet zichtbaar door het flinterdunne oppervlak had geschenen.

Maar ze sprak haar gedachten niet uit en dronk van de nieuwe wijn die de jonge ober haar bracht, nadat ze in een teug het oude glas had leeggedronken. Ze deed haar best niet de schoonheid van de jongen te zien. Niet haar fantasie op de loop te laten. God, wat was hij mooi, de armen ontbloot en bruin en de ogen groot, blauw en nieuwsgierig. Je zag aan die ogen en aan de manier waarop hij zich voortbewoog, onbevangen en behendig laverend tussen de strak op elkaar geplaatste stoeltjes van dit populaire terras, dat hij niet alleen vol levenslust zat, maar vooral die natuurlijke arrogantie van de jager had waar Carolien ook over leek te beschikken, al probeerde zij Sarah wijs te maken dat het niets dan een loopje met de waarheid nemen was, het aandikken van feiten, de optische illusie van een bh die je borsten tien centimeter dichter richting oksels parkeert.

Sarah geloofde niet in Caroliens sussende woorden, haar aansporingen om haar vriendin wat van zichzelf te doen laten maken. Je had het –of je had het niet, en het was de blik en de tred die je verraadde. Mensen als de wijnbrenger en haar vriendin kregen wat ze wilden, ze hoefden hun aandacht maar te richten op iets, hun materiële of immateriële prooi, en het kwam ze vroeger of later toe. Zij waren de jagende elite waar Sarah zo jaloers op was. Er waren geen trap, geen tredes, geen mogelijkheid omhoog te klimmen. Je werd ermee geboren, met het jagersgen, met die vanzelfsprekende zelfingenomenheid, het was niet door middel van een opwaartse verplaatsing van klierweefsel en vel te verkrijgen.

Sarah sloot haar ogen en genoot van de zon. Gelukkig bleef die schijnen en haar verwarmen, hoe beroerd ze zich ook voelde. Nee, de leegte die zij voelde kon niet met man of pik gevuld worden en ook niet met zaden en kiemen en biologisch-dynamisch gekweekte groenten en vrije uitloop eieren. Ze moest iets anders vinden dat haar dagen kleur en invulling kon geven. Haar koude en oude meisjeslijf met warmte zou vullen.

Neus

Ik voel een groot verwantschap met die rat uit de film Ratatouille. Een aardbei links en een stuk kaas rechts, het beest weet de smaken aan elkaar te knopen in zijn hoofd. Proeft voor in zijn hersenen, voelt hoe texturen zich mengen op zijn tong zonder te eten. Ik kan dat en het is een groot voorrecht om in staat te zijn te ervaren dat de som der smaken soms meer is dan 1 plus 1.

Ik voel ook een groot verwantschap met Jean-Baptiste Grenouille. Zijn neus weet moeiteloos geuren uit elkaar te trekken in losse componenten, tot de allersimpelste stof. De meisjesmoordenaar op zoek naar het perfecte parfum, de gebochelde die werd geboren op een berg vis onder een marktstal, geuren lieten hem leven in een donkere grot en surfen op golven van lust en genot. Mijn neus heeft mij liefde laten ervaren en braakneigingen gegeven. Mijn neus is nooit stil en teruggetrokken, opererend op de achtergrond. Mijn neus is luid en cholerisch en lives a life of its own.

Deze neus, mijn neus, viert geen vakantie dit jaar: straten vol dampend asfalt, zwetende lijven en verhitte hoofden met plakkerige haren, en broeiende kruizen zorgen voor een continue toevoer pep. Een zomer vol hitte en hormonen, zompige oksels vol verbloemende deodorant in honderden geuren, sommigen oksels juist onverbloemd en overdonderend en genadeloos, gelukkig ook bloemen en gras en de ziltigheid van de zee, helaas ook natte honden en oude mensen en rotte schelpdieren en smoezelige kinderknuistjes die ruiken naar muffe aarde en ijzerpillen en zaken die een mens nou eenmaal liever niet benoemt. Ze houden mijn neus in constante staat van alertheid. No rest for the wicked, maar mijn neus is zo moe. Mijn neus is aan vakantie toe.

In de boekwinkel

Ik liep de boekenwinkel in het centrum in op zoek naar boeken van vriendjes en vriendinnetjes en andersoortig volk dat ik, al dan niet vaag of helemaal niet, ken. Ik wilde een statement maken, maar welk statement dat precies was leek bij het openen van de deur nog danig in nevelen gehuld. Er was geen actieplan of PowerPoint presentatie aan voorafgegaan, slechts een halfbakken idee had zich gevormd in mijn hoofd toen ik meer dan een kwartier in de rij had gestaan bij de H&M om een joggingbroek terug te brengen. Ik moest zo lang wachten dat er osmose tussen mij en mijn voorgangster had plaatsgevonden. Tot semipermeabele wanden zullen wij allen wederkeren, de een blijkbaar wat sneller dan de ander.

Iedereen die een boekhandel binnenkomt, dus ook ik in dit exemplaar, moet zich een weg banen door potig opgestelde tafels vol top tienen, thrillers, bn-ellende, hippe leeskost, stellages met cadeaus die niks met lezen te maken lijken te hebben, of misschien zie ik het verband niet tussen letters en hangertjes met zeesterren en kaarten met d’olle grieze van de overkant van het plein, griezelig thematerreur, veel te vrolijke puzzelboeken, kookboeken met omslagen als tropische regenwouden en vergeet vooral de lifestylesectie vol smaakvolle koffietafelwerkjes met op de voorkant slanke goedlachse blondinemillennials met groene smoothies in hun jeugdige klauwtjes.
Er is ook altijd een tafel met literaire Nederlandse boeken die leuk voor in de boekenkast zijn, maar die geen hond leest omdat ze of onleesbaar zijn of saai of zo postmodern dat je spontaan lilalevensmoe wordt als je meer dan 1.7 pagina tot je neemt.

Als je al deze obstakels en plagen hebt weten te trotseren beland je bij de kassa, die in een cirkel het halve middenveld van de vloer bestrijkt, waar ook nog leuke lastminuteboekskes staan, nog meer cadeautjes, pennen, dagboeken met slotjes, en alle bn-er boeken die je net niet was tegengekomen.

Ik was bijna veilig, nog even rechtsom, langs nog meer tafels vol boeken bekend van tv, winnaars van man bookerprijzen, gezien op dwdd. Mij maken ze niet gek, dacht ik nog: ik ben uitermate bestand tegen verkooppraatjes, charmant opgestelde wegversperringen en zelfs de kunstmatige lucht van boeken en inkt die in de zaak hing deed me niet tot kopen overgaan. Ik houd stand, ik zal zegevieren.

Boeken van vrienden was ik tot nu toe niet tegengekomen, wel een paar semi-bekende namen had ik tussen al het gekwetter ontdekt. Kijk, daar lag het dikke boek van een kennis maar daar hield het wel mee op. Gauw schoof ik haar stapeltje naar voren en draaide haar woordburen met hun achterkanten naar boven.

Het idee had zich tijdens mijn tocht door de winkel wat meer uitgekristalliseerd. Ik zou vragen waar de boeken van twee van mijn vriendjes stonden en dan enorm geshockeerd reageren als de boekenverkoopmevrouw zou zeggen dat ze hun boeken helaas niet op voorraad had. Ik zou haar proberen te overtuigen van de literaire waarde van die werken, van het talent van de vriendjes. Ik zou niet van wijken weten, pas weggaan als zij beloofde de boeken in meervoud te bestellen voor de goede zaak. Niet voor mij, ik had ze natuurlijk al gelezen, voor de goede zaak en dat waren zij. Ik zou geen schaamte voelen, geen moedeloosheid. Mijn enthousiasme brandend als olympisch vuur.

Een laatste tafel vol opdringerige boeken, Engelse literatuur en derivaten daarvan dit keer. Ik voelde mijn voeten haperen, mijn blik gleed naar rechts, over de voorplatten. In stilte maande ik mezelf voorwaarts, naar de andere kant van de balie, naar de goede zaak, maar een steeds dikker wordende draad trok mij naar die vermaledijde Engelse uitstalling. Niet veel beter dan al die andere tafels, aanbevolen door Oprah, gezien op BBC. 948e druk.

Helaas wordt alles wat onduidelijk, vaag, troebel vanaf dit punt. Ik herinner me alleen dat ik 12.50 moest afrekenen en dat de woorden die ik sprak tegen de boekverkoopmevrouw in de verste verte niks van de monoloog hadden die ik in mijn hoofd had geoefend voor ik die rottige Engelse boekentafel had bereikt. Ik hoorde mezelf mompelen dat het geen cadeau was. En iets van dank je wel.

Buiten kwam ik weer tot mezelf en aanschouwde mijn zwakte; op de cover een sticker met ‘Book of the Year’ en een andere met ‘2 million copies sold’.

Hormonenhel

Aan de reactie op mijn eigen spiegelbeeld kan ik afleiden waar ongeveer in mijn maandelijkse cyclus ik mij bevind.
Als ik vol afgrijzen naar mezelf staar, en dan bedoel ik niet een béétje afgrijzen maar zoveel dat het voelt of er een ton zwarte nare beestjes uit mijn mond zal ontsnappen als ik zo stom ben mijn lippen van elkaar te doen, dan weet ik dat ik aan de vooravond van mijn menstruatie sta. Alles is dan wanstaltig aan mezelf, opgeblazen, dik en lelijk. Met geen mogelijkheid kan en zal ik de echte ik zien, het is een vertekend beeld, daar ben ik (erg handig, vlak voor de overgang) wel achter inmiddels. Ik kijk ook helemaal niet naar het geheel, mijn lijf bestaat uit rampgebieden waar ik op inzoom en waar ik vervolgens mezelf mee kwel. Ik walg dan van mij. Ik kan er niet naar kijken en toch doe ik dat wel. Ik zie kraters en putten, bubbels en lubbers. Hompen doelloos en nutteloos vlees en bedenk plannen om het aan te pakken zodat ik aan de andere kant mooi en slank en als herboren tevoorschijn zal komen. Hele trainingsschema verzin ik in deze fase van het hormonale lijfeigenschap, een enkele keer vind ik mezelf zelfs terug op een of andere pagina van een menselijke slager (of kunstenaar, ze maken per slot van rekening menselijke sculpturen in die cosmetische Houses of Horror). Ik ben dan aan het bedenken wat ik allemaal zou laten wegsnijden en kneden en toveren als ik vijf wensen mocht doen van de liposuctiefee. Het is een vreselijke mentale gevangenis en in plaats van mezelf zo kwellen zou ik er beter aan doen alle spiegels in mijn huis in deze fase te bedekken – ter zelfbescherming maar ook omdat ik gewoon in diepe rouw gedompeld ben en nee, ik overdrijf niet.

Dan word ik op een ochtend wakker en zie mijn spiegelbeeld in het voorbijgaan en denk: waar was al die boosaardige zelfhaat nou weer voor nodig? Waarom is het zo moeilijk om een beetje liefdevolle vriendelijkheid voor je eigen vlees te cultiveren? Je kunt er prima mee door en bovendien: zo belangrijk vínd je al dat uiterlijke geobsedeer helemaal niet. Evenredig aan deze gedachten lopen de trainingsschema’s met hangende worstepootjes de deur uit en sluit ik alle pagina’s die mijn tijdelijke zelfhaat mij liet bezoeken. Ik wil nog steeds het hardlopen weer oppakken maar die manische onzin is goddank weg. De endocriene duivel voor een gelukzalige maand uitgedreven.

Waargebeurd. Invoelbaar. Enz.

Stel. Je schrijft een boek. Of jij dan de schrijver bent of niet is even onbelangrijk. Dat boek vindt een potentiële uitgever. Je hebt een gesprek.

Jullie praten over het boek en je vraagt je af wanneer de olifantindekamervraag gesteld gaat worden. Dat blijkt na 6.5 minuut. Na zes en een halve minuut vraagt de uitgever of het autobiografisch is, je boek. Waargebeurd. Je vraagt hem op jouw beurt of dat ertoe doet. Of het uitmaakt voor het verhaal. De uitgever denkt even na en schudt zijn hoofd. Antwoordt nee. Maar, zegt hij, het is wel wat verkoopt. Waargebeurd en kloppend. Dat je je als lezer in kunt leven, meeleven met de hoofdpersoon en zodoende mee wordt gesleept en verder wilt lezen. Dat het geloofwaardig is. Of dat je kunt gruwelen om het leed wat beschreven wordt, lekker veilig vanaf je klippanbankje of je jan des Bouvrieleunstoel. Over Holleeder, een bn’er met een cokeverslaving. Seksverslaving. Jouw gesublimeerde ellende. Iets. Ramptoerisme maar dan in de literatuur. Gluren bij de buren met letters.

Dus, wil de uitgever weten, wat is waargebeurd? Je kent me net, zeg je, het is nogal wat om te vragen of ik een abortus heb gehad of een psychose. Doe je dat normaal ook tijdens een eerste kennismaking? Het is maar goed dat dit geen date is, grap je maar je lacht er niet bij.

Geloofwaardig, dat moet het tegenwoordig zijn. Of het moet zo overthetop zijn dat zelfs een blind paard ziet dat het absurdistisch of bovennatuurlijk is, maar dan wordt het doorgaans geen literatuur genoemd. Dan verdwijn je in het genrehoekje en moet je concurreren met boeken over elfen en hobbits.

Wat is dat voor larie dat een hoofdpersonage invoelbaar moet zijn, waarom moet je altijd maar meeleven? Wat is er mis met een beetje moeite doen voor een boek? Waarom kun je niet op dat vieze bankje of glimmende leunstoeltje zitten schelden op de hoofdpersoon, zo van: hysterisch wijf, kouwe kikker, waarom doe je toch zo stom? Als je een film kijkt en een karakter is onaangenaam dan druk je toch ook niet meteen op stop? Ik snap dat je op den duur iets wilt begrijpen, snappen van de gedachtes en acties van een hoofdpersoon, maar dat zo’n persoon nooit je beste vriend zal worden en dat je hem zelfs wilt slaan is toch geen probleem? Dat maakt een boek toch niet slecht?

Onderkoeld en tussen de regels, daar veeg jij je gat mee af. Je vindt dat nieuweklerenvandekeizerschrijven.

Nee, van jou mag het best vlammen en hoog opspatten en je houdt ook van bijvoegelijke naamwoorden en lange zinnen en bijzinnen en meanderende spanningsbogen en vindt ook dat literatuur niet enkel ter vermaak hoeft te dienen en wat je ook kunt waarderen is dat er, zeg halverwege, een kuub spreeuwen uit de lucht lazert en dat dat dan normaal is en geen haan er naar kraait. Nee nu niet gelijk wegzetten als genreschrijven of barok of wat dan ook. Niet alles geloven wat de heersende opinie voorschrijft. Ook ongeloofwaardige woorden kunnen mooi zijn en tot de verbeelding spreken. Juist, zelfs, vind jij, maar je lijkt een roepende in de woestijn.

De uitgever heeft al een poosje niks meer gezegd. Als je de spreeuwen als voorbeeld noemt zie je hem friemelen aan zijn trouwring. Arme man, die zit nu opgezadeld met een weerbarstige schrijfster die verhalen schrijft die misschien waar zijn maar misschien ook niet. Een verhaal aflevert waarin veel feiten kloppen maar ineens niet een maar zelfs twee mensen niet-bestaande mensen zien!

Hij zou haar zo graag willen vertellen dat het loont om waarheidsgetrouw te schrijven, dicht bij jezelf te blijven, klein en ingetogen. Meeslepend maar met geen woord te veel. Niet dat exuberante stapelen van emoties waar jij zo bedreven in bent. Vooral geen dooie spreeuwen! Niet praten met niet bestaande personen, zeker niet als het verzonnen is. Misschien de hoofdpersoon iets minder raar en wat meer invoelbaar maken. Nee, bij jou is alles flauw gedoe – wat de lezer maar verward en geïrriteerd achterlaat. Zo wordt het nooit wat met jou.

Je hoort hem denken: wat zonde dat je dit met je schrijftalent doet. Doe toch eens normaal. Ga een reeks schrijven, misschien moet je weer terug naar non-fictie, je bent toch journalist? En je moet grinniken. Je gaat nog heel lang door met je onzin, ook al verkoop je maar 28 boeken en word je nooit beroemd.

Levenloze voorwerpen

Ik had het hele schaaltje op een na leeggegeten; behoorlijk gedachteloos moet ik er tot mijn schaamte aan toevoegen, niet elke hap koesterend zoals ik op de cursus mindful eten had geleerd. Bij de laatste framboos werd ik me pas bewust dat er nog maar eentje was. Het was toen dat ik hardop het gesprek aanging. Met de framboos, dus.

‘Ik ga jou oppeuzelen en ik hoop dat je me niet gaat teleurstellen, vriend.’
Framboos zei niks. Lag daar maar wat te liggen.
‘Ik ga het doen, hoor. Je hebt nu nog een kans me ervan te overtuigen dat ik je moet laten liggen. Zeg het maar.’
Hij zei nog steeds niks. Ik nam hem niks kwalijk. Een framboos kan immers doorgaans niet praten.
‘Zeg, joehoe, ik heb het tegen jou, meg je rode bolletjestrui. Ben jij een sappig framboosje of ben je zo’n zure hap? Waag het niet zo’n zure hap te zijn. Niemand wil een vieze framboos, zeker niet als het ook nog de laatste is.’

Het kreng hield nog steeds zijn mond. Ik begon er het mijne van te vinden, ondanks het feit dat frambozen doorgaans niet praten. Met veel misbaar stopte ik hem in mijn mond. Het moment dat framboos mijn tong raakte wist ik dat hij, had hij gekund, in lachen was uitgebarsten. Het was geen sappig framboosje. Ook geen zuur framboosje. Ik had een verrot framboosje in mijn mond en ik wist niet hoe snel ik hem moest uitspugen.

‘Lekker dan, had je dat niet even kunnen zegg….’ Het was hier dat ik doorkreeg dat ik met een levenloos voorwerp sprak. ‘Sprak’, want die krengen zeggen nooit wat terug. Ze zijn nog stiller dan huisdieren, je hebt er niks aan. Ik dacht aan mijn psychiater die jaren terug eens aan me had gevraagd of ik met dingen sprak en ik had hem aangekeken en mijn hoofd geschud. Misschien had ik gelachen- welke gek spreekt er nou met spullen die niet terug kunnen spreken. Waarschijnlijk had ik toen ook al met de levenloze broertjes en zusjes van framboos gesproken maar nog volledig onbewust.

Ik vroeg me af of ik nu gekker dan eerst was, maar besloot dat dat onzin was. Ik was nog net zo gek, alleen nu wat bewuster van de rafelrandjes en dode hoeken van mijn karakter. Boeien.

Greta

Het klimaatmeisje kan CO2 zien, lees je ergens op het internet. Je stopt met lezen en leest het nog een keer. Het staat er echt: Greta Thunberg is in staat CO2 in de lucht te zien. Je bent te lui om even de context te googlen alhoewel je weet dat smeuïge headlines doorgaans helemaal niet de zuivere waarheid weergeven. Bovendien las je het elders op het internet ook dus moet er wel iets van kloppen. Nu lees je dat de moeder van Greta, een boezemige blondine van de derde helft die iets met acteren of opera of zoiets deed of doet en je vaag doet denken aan die blonde stoot met de letter A van de band ABBA, die leuke, niet die saaie fletse brunette met die hangtietjes, een boek ‘samen met haar gezin’ heeft geschreven en ben je helemaal overtuigd dat het geen zuivere koffie is wat er door deze klimaatgefetisjeerde Zweden wordt geschonken.
Niets wat er uit die Scandinavische mok komt is nog oke, je hoeft de naam Greta maar te horen of het schuim staat alweer in je mondhoeken.

Je leest dus dat ze gas kan zien en vraagt je even gekscherend af of ze een thermische gopro in haar hersenpan heeft laten solderen maar weet nu genoeg. Ze heeft Asperger en dat zegt alles. Je neemt niet even de moeite je te informeren over Asperger. Waarom zou je, je weet alles al, of eigenlijk weet je genoeg. Je kunt ook te veel weten, immers. Je hebt je conclusies getrokken; gas zien, het einde der tijden zien en laten we die del van een moeder niet vergeten, om over dat watje van een vader van Greta maar te zwijgen. Jij hebt het allang uitgevogeld en een grote jongen (m/v/x) die je nog van je standpunt kan halen. Greta is een charlatan – niets kan je nog overtuigen van het tegendeel.

Je laat je niet gek maken. Jij weet immers dingen.

Meneer de Walrus belt aan

Als je de deur van je eigen woning opendoet omdat er wordt aangebeld verwacht je soms iemand maar ook als je niemand verwacht is er blijkbaar een verwachtingspatroon. Daar denk je doorgaans niet over na, maar als je de deur opent en er staat een odobenus rosmarus, oftewel een walrus, voor je neus dan kan ik je verzekeren dat je vreemd opkijkt. Of niet, maar dan ben je gewoon een beetje een aparteling die te vaak en te veel van de paddenstoel, de flesjes en de cake heeft lopen snoepen. Dat geeft overigens helemaal niks: het leven heeft geen enkele zin dus kun je net zo goed maar de hele dag theedrinken met een gekke hoedenmaker of een nerveus konijn. Veel verschil met de rattenrace van pakkenjongens- en meisjes rond het WTC is er niet, ik heb althans de logica van die dagelijkse bezigheid nog niet ontdekt.

Maar de walrus dus.

‘Dag mevrouw,’ zei hij. ‘Mijn naam is Ben Ros en ik kom namens het Verbond van doe-maar-normaal-dan -doe-je-al-gek-genoeg. Kom ik gelegen?’

Ik keek de walrus aan maar wist niks te zeggen. Ik weet dat ik niet over hem moet blijven spreken als ‘de walrus’, hij had zich netjes voorgesteld immers, Ben Ros was zijn naam, maar de dissonantie woekerde als klimop door mijn hele lijf. Ik zag alleen een walrus, nat en glibberig, in een te klein, slecht zittend pak.

‘Mevrouw?’ De walrus keek me door zijn monocle aan. Zijn andere oog, het linkeroog, dreef gemoedelijk in een soort oogwitsoep, dobberde soms even hier heen en dan weer daar.

‘Mevrouw, u doet een beetje raar, als ik zo vrij mag zijn. U kijkt en kijkt maar naar mij. Alsof u nog nooit een walrus hebt gezien! Weet u, het is best grievend om elke dag, week in week uit, aangestaard te worden alsof ik een aap in het circus ben. Jullie mensen hebben geen idee hoezeer een walrus lijdt onder die bulderende stilte.’

Het werd almaar raarderder en raarderder. Een aanbellende walrus was een ding, een gedeprimeerde walrus die zelf niet zag hoe bizar hij en zijn slechtzittende pak en dat rare ding dat tussen zijn oogkassen zat geklemd, waren was echt kantje boord.

Met moeite hervond ik mijn stem. ‘Nou, voor iemand (u bent toch een iemand? Is een walrus een iemand? Weet u dat?) die namens iets komt dat gewoonheid predikt, vind ik u maar een potsierlijk ventje. Eh..mannetjeswalrus? Beer? Hengst? Hoe heten mannetjeswalrussen eigenlijk?’

Meneer Ros liet zijn hoofd hangen. Ik zag nu pas dat op een van zijn slagtanden regenbogen en eenhoorns waren getekend. De andere was helemaal tot zijn lippen afgebroken en goud beschilderd.

‘Ook die goude tand en die regenboogpoepende eenhoorns vind ik niet echt getuigen van doe maar normaal dan doe je al gek genoeg.’

De walrus keek op. Een traan biggelde uit het oogsoepoog.

‘Kijk, daar gaat u al. Doet u ook zo onvriendelijk tegen uw medemens? Alleen omdat ik een walrus ben meent u dat u het zich kunt permitteren zo onaardig tegen mij te zijn, zo is het hè? Waarom mag ik geen pak dragen, geen monocle? En wat betreft die tekeningen op mijn tanden: dat heeft een nare tatoeëerder ooit gedaan toen ik dronken was. Een mens. Een walrus zou zoiets nooit doen. Ziet u hoe zwaar mijn leven is? Het is al zwaar genoeg om een walrus te zijn, maar nee hoor: jullie moeten mijn lijden ook nog eens ondragelijk maken. Ik vraag me soms af waar ik het allemaal voor doe.’

De walrus liet zijn tranen nu zonder gene lopen. Al gauw stond hij in een plas van zijn eigen tranen.
Ik begon medelijden met hem te krijgen. Als het waar was wat hij zei dan had hij inderdaad een zwaar leven en dat alleen door mijn soort. Omdat wij niet konden omgaan met onaangekondigde bezoeken van walrussen. Ik besloot het over een andere boeg te gooien.

‘Nou, kom aan, meneer Ros. Waarmee kan ik u helpen? Want u belt vast niet zo maar aan- u lijkt me niet van het masochistische soort.’ Ik had geen idee hoe een masochistische walrus eruitzag maar ja, we kunnen niet allemaal te allen tijde alleen maar precies de juiste, zorgvuldige woorden kiezen.

De walrus veerde op. Een twinkeling in zijn ene oog. ‘Kijk, u leert snel! Daar houd ik van! Welnu: ik ben hier dus namens het Verbond van doe-maar-normaal-dan-doe-je-al-gek-genoeg. Mijn vraag aan u is of u donateur wilt worden.’

Voor de tweede keer in korte tijd wist ik niet wat ik moest zeggen. Aan de ene kant werd ik nooit lid van wat dan ook, normaal smeet ik de deur al dicht als iemand ook maar naar colporteren rook, maar aan de andere kant vond ik het ook zielig voor deze door het leven getekende walrus. Weer die wrijving in mijn binnenste en weer die bek vol tanden.

De walrus keek mij met een scheve kop aan, de monocle keurig op zijn plek en de glitters in de eenhoornstaarten schitterend in de zon. ‘U moet geen donateur worden alleen omdat u mij een zielig schepsel vindt. U moet mij beloven dat u DAT in elk geval niet doet!’

Ik keek naar de glinsterende spikkels op zijn slagtand en het jasje van de Wibra. Ik zag de tranen om hem heen op mijn stoepje en dacht aan die gemene tatoeëerder en nam een besluit.

‘Nee, dat zou ik nooit doen. Maar ik zal uw Verbond steunen. Is 50 euro genoeg?’

‘Wilt u niet eerst weten wat wij allemaal doen voor onze leden? Daarzijn we nog niet aan toe gekomen namelijk. Ik zal u alleree…’

Ik onderbrak hem. ‘Nee nee, dat zit wel goed. Ik vertrouw u. U ziet eruit als een eerlijk eh…als een eerlijke walrus. Is 50 euro voldoende?’

Ben Ros schudde zijn hoofd. ‘We werken helaas niet met eenmalige donaties. Enkel met maandelijkse bedragen. Maar 50 euro per maand is uitstekend. Als u hier maar wilt tekenen?’

Uit een van de zakken van het lelijke pak trok hij een pen en een groezelig velletje papier. Ik had ineens enorme haast hier weg te komen, de walrus niet meer te zien en in de veiligheid van mijn eigen huis een paar stengels bleekselderij in een vaas te rangschikken.

De walrus hield mij de pen voor en ik zette mijn handtekening bij het kruisje. Het papiertje rook naar overjarige mosselen. Snel stapte ik achteruit, stak mijn hand op ten teken van afscheid en sloot de deur. Toen ik mij omdraaide om de selderij uit de koelkast te halen hoorde ik de heer Ros tegen iemand praten.

‘Zo, dat was nummer 11. Hoeveel heb jij er al, Henkie?’

Eigenlijk had ik de deur nu open moeten trekken om hem een rotschop onder zijn blubberige kont te geven maar nog steeds had ik last van dat gespleten gevoel: hij was zielig en dan doe je zoiets niet.

De pedofiel van Pieterburen

De man van Lenie ’t Hart (u weet wel, de vrouw die tientallen jaren baas was van Zeehondencrèche Pieterburen voor ze op een zijspoor werd gezet), zo stond een paar maanden geleden in de krant, heeft een duister verleden vol kindermisbruik. Hij is daarvoor in 1990 gestraft met zeven maanden voorwaardelijk, met andere woorden geen dag boeten tenzij hij weer iets onverkwikkelijks met minderjarigen uitvreet. Gek genoeg kwam dit alles toen nauwelijks in het nieuws en dat wat er in de krant stond was geanonimiseerd. Dat is fijn voor deze man, maar minder voor zijn slachtoffers. Pas een paar maanden geleden ‘outte’ een verslaggever van Privé hem alsnog. De voormalig kinderfilm- en tv-regisseur Karst van der Meulen kreeg de voorwaardelijke straf opgelegd op basis van de getuigenissen van drie dappere kinderen die niet zwegen. Hiermee zeg ik niet dat al die tientallen, wellicht honderden, kinderen die zwegen niet dapper zijn, maar een mens kan nou eenmaal alleen een straf krijgen als door hem misdeelde mensen naar de rechter stappen. Het is jammer dat er maar drie kinderen waren die het aandurfden te verklaren hoe de voormalig film- en tv-regisseur traumatiserende handelingen bij hen verrichtte tijdens en na producties als de Zevensprong, Kunst en Vliegwerk en Martijn de Magiër, want als alles aan het licht zou zijn gekomen wat het daglicht niet kan verdragen, dan zou deze meneer in 1990 niet met een waarschuwend opgestoken vinger weggewandeld zijn.

Op de set ging hij nooit over de schreef, tenzij je de natte zoenen die alle kinderen verplicht aan hem moesten geven bij aankomst op en vertrek van de set als ongewenst aanmerkt. Eenmaal van de set maakte hij wel veel werk van zijn slachtoffertjes, plande hij alles tot in de puntjes. Zo nam hij de jonge kinderen mee op tripjes in zijn camper, uitjes naar de dierentuin en organiseerde hij gezellige sleep-overs bij hem thuis. Aanraken hoorde daar volgens hem blijkbaar bij, maar ach, het waren de jaren 70 en 80, weet u nog wel, toen waren we over het algemeen wat milder over lichamelijkheden tussen volwassenen en kinderen. ‘Kinderen hebben ook behoefte aan aanraking, affectie’ en ‘kinderen hebben ook seksuele gevoelens’, ik herinner me deze uitspraken nog wel en ze zullen zeker waar zijn, maar dat is dan een ontdekkingstocht die kinderen samen dienen te ondernemen. Een volwassene die met zijn volwassen lust kinderen seksuele handelingen laat verrichten op hemzelf of andersom (want daar draaien de getuigenissen tegen Karst van der Meulen grotendeels om, seksuele bevrediging van onder andere tienjarige – en zelfs jongere- kinderen), gaat daarbij ernstig voorbij aan het ontwikkelingsproces van een kind, confronteert het daarnaast met zijn eigen monomane behoeftes en zorgt ervoor dat de veiligheid die hij het kind had moeten bieden als volwassene voor altijd is geschaad.

Je kunt het je bijna niet meer voorstellen, maar in de jaren 70 en 80, in die wilde nadagen van de seksuele revolutie die had gepleit voor jezelf mogen zijn, werd er anders gedacht over seksualiteit en had ook de pedofiel (soort van) een plek in de maatschappij, althans volgens een grote groep vrijzinnige lieden. Helaas gold dit ‘jezelf mogen zijn’ vooral voor egocentrische volwassenen die hun plek opeisten en hadden kinderen de pech dat hun belang niet werd meegewogen. In die nagalm van opengebroken heilige huisjes was de behoefte van de seksueel bevrijde volwassene belangrijker dan die van het misbruikte kind. Het wrange is natuurlijk dat de mores van die tijd dan misschien anders waren dan de huidige, het effect dat misbruik heeft op kinderen is in al die jaren hetzelfde gebleven.

Het verschil met nu zit hem misschien in het feit dat kinderen in die tijd minder snel aan de bel trokken omdat ‘aanrakingen’ door volwassenen minder in de taboesfeer zaten dan tegenwoordig. Ook lieten ouders hun kinderen makkelijker bij die leuke overbuurman spelen, hij was zo goed met hun zoon, vriendschap tussen een volwassen man en een kind, hoe mooi is dat? Ze lieten hun kroost met liefde een weekend op pad gaan met een Karst van der Meulen, die grote kindervriend en zo betrouwbaar, want regisseur van kinderseries waarin hun kinderen mee hadden gespeeld. Je zou kunnen stellen dat je 30 jaar geleden meer vertrouwen had in mensen. Ook liet je je kinderen meer vrij. Ikzelf was uren alleen op pad als tienjarige en mijn ouders hadden geen idee waar ik uithing, als ik om half zes maar thuis was voor het avondeten. Maar een pedofiel is van alle tijden en als hij slecht in de zin heeft dan grijpt hij heus zijn kans, zowel toen als nu. De impact die dat op een kind heeft was 30 jaar geleden net zo groot al nu.

Er gaan verhalen over de pedoseksueel Karst van der Meulen van ver voor zijn tijd als tv-regisseur. We hebben het dan over midden jaren zestig, toen hij net meerderjarig was. Er doen ook hardnekkige geruchten (lees: anonieme verklaringen) de ronde over de periode na 1990, toen hij die armzalige voorwaardelijke straf kreeg en dit anoniem in de krant kwam. Die geruchten gaan over seksueel misbruik op de zeehondencrèche, waar jonge kinderen dagen aaneen kwamen helpen met de verzorging van de robbenwezen en ’s avonds gezellig met z’n allen bleven slapen. Karst van der Meulen gaf de kinderen (met leeftijden tussen de 7 en 15 jaar) die bij hem overnachtten ‘seksles’, ze kregen vieze boekjes te lezen en hij bevredigde ze dan seksueel voor het slapen gaan. Het zijn verhalen uit anonieme bronnen, verhalen die volgens meneer van der Meulen niet waar zijn aangezien hij na 1990 is gestopt met zijn pedofiele behoeftes om te zetten in seksueel misbruik van kinderen. Hij was een veranderd man, zijn huwelijk met Lenie ’t Hart (rond dezelfde tijd als zijn veroordeling) en de therapie die hij had gevolgd hadden hem doen laten inzien dat het niet door de beugel kon, het aanraken van kinderen. Hij had oprechte spijt.

Wat is dat toch met deze lui? Ik had ooit een vriend die een carrierespoor van bewijzen had achtergelaten op het gebied van zijn seksverslaving. Saunamedewerker, masseur, fysiotherapeut, uitsmijter in een hoerenkast, zweminstructeur: met de terugkijkbril is alles zo duidelijk. Karst van der Meulen trouwde met een vrouw die naar eigen zeggen meer op heeft met dieren dan met mensen, dieren zijn tenminste eerlijk. Lenie wist van het seksuele misbruik door haar nieuwe man, maar verklaarde onlangs dat dit stopte na hun huwelijk. De anonieme bronnen beweren anders, het misbruik ging gewoon door onder haar neus, op de plek die zij voor haar geliefde dieren had gecreëerd en waar kinderen dolgraag kwamen. Het is psychologie van de koude grond als ik een verband vermoed tussen Lenie haar behoeften en die van Karst, maar de anonieme verhalen over seksueel misbruik, waar zelfs de dieren van de Zeehondencrèche bij zouden zijn ingezet, doen mij echter het ergste vrezen. Iets met eens een pedo altijd een pedo.

Nu is Lenie op een zijspoor gezet door het nieuwe bestuur van de opvang. Ze is er niet meer welkom. Geen dieren meer voor Lenie, geen kinderen meer voor Karst hoop ik dan heel hard. Ik vraag me af wat Karst nu doet. Ik hoop dat hij elke dag om vergiffenis smeekt. Het zou zo fijn zijn als mensen als hij echt het licht zagen en beseften dat kinderen ernstig beschadigd raken van grote mensen die met hun piemel (m/v) aan hen zitten. Ik vind het oprecht naar dat de pedofiel in een maatschappij leeft waar zijn geaardheid niet wordt geaccepteerd, je bent wie je bent niet waar, maar van kinderen blijf je af. Met terugwerkende kracht ook voor de jaren 70 en 80 en ver daarvoor. En zit je dan toch aan een kind, of je nou een priester, kardinaal, kinderactivist, zwemleraar, verzorger, regisseur, begeleider of man van een dierenweldoenster bent: vertel me dan niet dat je de grens niet weet tussen het houden van kinderen en het beschadigen van kinderen. Want die ken je. Geloof me, die ken je maar al te goed, want je bent een mens.

Een heel slecht mens, dat wel.

Bij mij in de buurt

Je weet dat het niet klopt en toch doe je niks. Noem het lafheid, noem het voortschrijdend inzicht. Noem het wat je wilt, maar in alle gevallen doe je niks. Niet nu, nu het er toe doet. Je kunt genoeg redenen verzinnen waarom je niks doet, uiteindelijk zou je jezelf zelfs kunnen overtuigen, maar feit is en blijft dat er niks gebeurt en dat jij het verschil niet hebt gemaakt.

Het begon met het deurtje bellen van het kind van de tokkies van twee verderop. 4000 keer die lelijke kleuter met zijn volle luier die met zijn smoezelige vingertjes probeerde je bel te bereiken en daarbij bij elke poging 79 keer tegen je voordeur aan lazerde. Heel subtiel, het moest tenslotte niet opvallen. Na 40 keer schreeuw je dat ie op moet rotten, door de dichte deur. Na 3999 keer trek je de snel open als de poepkleuter op zijn tenen gaat staan om bij de bel te komen. Dat was even schrikken. Kind huilen en daar is de boze mama die je uitscheldt voor teringhond en je leven is compleet.

Hier begon het mee, de langzame maar waarneembare aftakeling. Of vergis je je en begon het al eerder maar ben je niet in staat het exacte beginpunt aan te wijzen? Was het die keer vlak voor de kerst dat de politie aan de deur stond met de vraag of wij Reggie hadden gezien, hij zou hier in de buurt wonen. Je kent geen Reggie zeg je. Een man met dreads zeggen de agenten, maar je kent ook geen meneer met dreadlocks gelukkig.

Misschien is er geen beginpunt, misschien is het gewoon de wet van de entropie, misschien is dit hoe het hoort te gaan: uiteindelijk gaat het altijd mis, ontaardt alles in chaos en wanorde.

Maar wat maakt het uit, een keer uitgescholden worden is niks vergeleken met je schutting die verdwenen blijkt na oud en nieuw en dan de eindeloze ellende met de verzekering en zo’n mannetje van de verzekering die het handboek ‘hoe horen mannetjes van de verzekering eruit te zien en zich te gedragen’ uit zijn hoofd lijkt te hebben geleerd, die bij je thuis komt en niet alleen minzaam de afwezige schutting in zich opneemt maar ook alles wat hij bij de eerste stap in je woning ziet. Af en toe aangevuld met minzame commentaren en goedbedoelde adviezen, al zou dat ‘goedbedoeld’ waarschijnlijk ook prima tussen haakjes geschreven kunnen worden. 2.10 meter man met een beetje overgewicht, slecht zittend pak met te veel glim erin en zo’n Bob den Uyl hoofd erop met veel voorhoofd en een comb-over.

Uiteindelijk lijkt het lot je gunstig gezind te zijn en wordt de verdwenen schutting vergoed, al is het wat wrang want je had natuurlijk liever die kolereschutting gehad in plaats van geld om een nieuwe te laten aanleggen.
Hoe dan ook, heel opperbest is je stemming niet. Je slaapt slecht, voelt je onveilig maar gelukkig had je toen nog geen weet van wat er zou komen.
De schutting wordt geplaatst en bij de laatste paal in de grond haal je opgelucht adem. Hier stopt het. Nu is het klaar. Je had beter moeten opletten bij natuurkunde want het is nog helemaal niet afgelopen.

Een paar dagen later staat de buurvrouw op rechts ’s avonds voor de deur, schreeuwend, verward, als je er van een afstandje naar zou kijken zou je zeggen: zielig. Maar je kijkt er niet van een afstandje naar; je hebt de deur open gedaan en wordt uitgescholden voor van alles omdat je het in je hoofd hebt gehaald háár paaltje bij de brandgang te hebben verwijderd om te vervangen door jóuw paaltje om de nieuwe schutting te verwezenlijken. Als je tegensputtert dat háár paaltje vermolmd was en jóuw paaltje in feite júllie paaltje is komt er schuim op haar mond en doe je gauw de voordeur dicht. Je had nog wel even geïnformeerd waar ze met oud en nieuw was, toen de onverlaten je schutting jatten en haar antwoord verbaasde je: thuis en nee, ze had niks gehoord. Dat haar schutting er nog staat is stom toeval. Dat je dat maar moeilijk kan geloven, dat ze niks heeft gezien en gehoord lijkt aan dovemansoren gericht.
Eindelijk rust denk je, maar ja, had je maar opgelet bij natuurkunde: de chaos is nog niet compleet dus het einde niet in zicht.

Een week later gaat de deurbel. Twee overjarige jehova’s denk je, wel zielig zo in de sneeuw op die kale schedel en dat henna oranje haar. Het blijken vrijwilligers van iets dat buurtbemiddeling heet. Ze hebben gehoord van het conflict, of ze wat kunnen betekenen. Je hebt geen idee over welke schakels wat is gelopen, zeg je, naar waarheid. Je denkt eerst dat ze namens de politie komen om over het verdwenen hek te praten, maar het blijkt na lang trekken om het paaltje te gaan waar de buurvrouw een epileptische aanval van kreeg.

Voor buitenstaanders moet dit alles inmiddels aandoen als een slapstick maar als je er middenin zit voelt het eerder aan als drijfzand. Je hebt geen idee hoe je hierin kwam en vooral geen idee hoe je hier weer uit komt. Rennen, stilstaan, kop in het zand: geen idee. Het voelt als iemand anders zijn toneelstuk, maar wie die ander is is je onbekend. Je zou heel graag willen dat het doek viel en dit naargeestige schouwspel ophield, maar helaas.

Het hennavogelnest en de man zonder haar en weinig testosteron blijven vaag en omslachtig antwoorden. Ze mogen niet precies zeggen wie de opdracht gaf om hun voet tussen jouw voordeur te steken maar dan kennen ze jou nog niet en na omwegen ben je erachter dat de politie de instigator is voor deze akte van het toneelstuk. De boze buurvrouw had daadwerkelijk aangifte willen doen van het verwijderen van het paaltje. Dat ze er een nieuwe schutting voor nop voor terug had gekregen was geen reden om wat terughoudendheid te betrachten. Waarschijnlijk vond de politieagent van dienst ook dat ze zich vergaloppeerde en nam de aanklacht niet aan. Wat er daarna gebeurde laat zich raden. Misschien zat er nog geld in het potje ‘buurtbemiddeling’, misschien was het wat anders maar feit is dat de politie de aanvraag tot bemiddeling had gedaan. Enter henna en kaal.

Intussen was er bij je buurjongens op links zowel voor als achter een baksteen door de ruit gegaan (dader: onbekend) en leek de buurman naast de hormonale heks op rechts zijn huis te hebben verhuurd aan twee junks met een kitten en een chihuahua. Elke avond tussen 9 en 12 maken deze twee kansarme mensenkinderen slaande ruzie; ook letterlijk. Deuren deinen in hun sponningen, de ene dag wordt zij van de trap naar beneden geduwd en de volgende dag hij, geen grap. Elke avond lig je in je bed en denk je aan die arme dieren en of je de po-politie moet bellen, maar de politie kwam niet nadat je (online) aangifte van je verdwenen schutting had gedaan (aangifte mocht alleen online), en stuurde buurtbemiddeling op je af vanwege een vermolmd paaltje dus veel fiducie in waakzaam en dienstbaar heb je momenteel niet. Je wilt alleen maar slapen, maar dat kan niet vanwege de drugs die in de huurders van de buurman naast de boze buurvrouw zitten.

Je werkt henna en kaal de deur uit met de woorden geen interesse in bemiddeling te hebben. Je zegt wel interesse in een rustige wijk te hebben maar daar zijn henna en kaal niet voor ingehuurd, zeggen ze, dus hop de sneeuw in met ze.

Elke ochtend word je wakker met onder andere koppijn omdat je met opeengeklemde kaken in slaap bent gevallen, maar je belt de politie nog steeds niet want je bent een beetje bang voor de onvoorspelbaarheid van de junks. Elke dag sla je veel te veel spanning op en baal je dat je ervoor kiest niks te doen. Je zoon vertelt je op een dag dat de mannelijke junk Reggie heet. Dat heeft hij aan de buurtkinderen verteld.

Dan kom je op een middag de onderverhurende buurman tegen. Hij vertelt dat de junks uit zijn huis zijn gezet. Hij is nu bezig hun spullen in de achtertuin te zetten. Van de week zal hij de sloten vervangen zodat ze niet naar binnen kunnen. ’s Avonds is er weer rust. Je kaken ontspannen zich langzaam, de hoofdpijn verdwijnt .

Dan, laten we zeggen: drie dagen geleden, hoor je gemiauw voor je voordeur. Als je opendoet zie je de kitten van de junks staan. Je hebt geen idee waarom hij voor jouw deur staat maar je vermoedt dat hij niet is meegenomen toen de junks vorige week het huis op de hoek verlieten en dat hij nu op zoek is naar zijn thuis. Je laat hem binnen en verzorgt hem. Je koopt babyvoer voor hem en geeft hem liefde. Je denkt dat nu eindelijk het ellendige toneelstuk afgelopen is.

De volgende ochtend zie je dat de onderverhurende buurman onkruid tussen de voortuintegels plukt. Je denkt aan zijn woorden van een week ervoor (hij had slapeloze nachten gehad van zijn avontuur met de junks, het huis was een ravage, hij dacht erover het te verkopen nadat hij de schade had hersteld) en bent blij voor hem. Dan zie je Reggie de junk die komt aan fietsen. Hij parkeert zijn fiets tegen het hek van de buurman en loopt door de open deur naar binnen. Je moet weg op dat moment, je hebt een afspraak, maar maakt een mentale notitie dat je ’s avonds of de volgende ochtend even moet controleren of.. ja wat eigenlijk. Je maakt jezelf wijs dat er niks is.

Laten we zeggen dat het twee dagen later is en de fiets van de junk Reggie nog steeds tegen het hek van de buurman die zo onfortuinlijk was zijn huis open te stellen, staat. Van de buurman geen enkel spoor. Alles is dicht in dat huis. De meubels van de junks liggen nog in de achtertuin.

Maar je doet niks. Je weet dat het niet klopt en toch doe je niks.