Meneer de Walrus belt aan

Als je de deur van je eigen woning opendoet omdat er wordt aangebeld verwacht je soms iemand maar ook als je niemand verwacht is er blijkbaar een verwachtingspatroon. Daar denk je doorgaans niet over na, maar als je de deur opent en er staat een odobenus rosmarus, oftewel een walrus, voor je neus dan kan ik je verzekeren dat je vreemd opkijkt. Of niet, maar dan ben je gewoon een beetje een aparteling die te vaak en te veel van de paddenstoel, de flesjes en de cake heeft lopen snoepen. Dat geeft overigens helemaal niks: het leven heeft geen enkele zin dus kun je net zo goed maar de hele dag theedrinken met een gekke hoedenmaker of een nerveus konijn. Veel verschil met de rattenrace van pakkenjongens- en meisjes rond het WTC is er niet, ik heb althans de logica van die dagelijkse bezigheid nog niet ontdekt.

Maar de walrus dus.

‘Dag mevrouw,’ zei hij. ‘Mijn naam is Ben Ros en ik kom namens het Verbond van doe-maar-normaal-dan -doe-je-al-gek-genoeg. Kom ik gelegen?’

Ik keek de walrus aan maar wist niks te zeggen. Ik weet dat ik niet over hem moet blijven spreken als ‘de walrus’, hij had zich netjes voorgesteld immers, Ben Ros was zijn naam, maar de dissonantie woekerde als klimop door mijn hele lijf. Ik zag alleen een walrus, nat en glibberig, in een te klein, slecht zittend pak.

‘Mevrouw?’ De walrus keek me door zijn monocle aan. Zijn andere oog, het linkeroog, dreef gemoedelijk in een soort oogwitsoep, dobberde soms even hier heen en dan weer daar.

‘Mevrouw, u doet een beetje raar, als ik zo vrij mag zijn. U kijkt en kijkt maar naar mij. Alsof u nog nooit een walrus hebt gezien! Weet u, het is best grievend om elke dag, week in week uit, aangestaard te worden alsof ik een aap in het circus ben. Jullie mensen hebben geen idee hoezeer een walrus lijdt onder die bulderende stilte.’

Het werd almaar raarderder en raarderder. Een aanbellende walrus was een ding, een gedeprimeerde walrus die zelf niet zag hoe bizar hij en zijn slechtzittende pak en dat rare ding dat tussen zijn oogkassen zat geklemd, waren was echt kantje boord.

Met moeite hervond ik mijn stem. ‘Nou, voor iemand (u bent toch een iemand? Is een walrus een iemand? Weet u dat?) die namens iets komt dat gewoonheid predikt, vind ik u maar een potsierlijk ventje. Eh..mannetjeswalrus? Beer? Hengst? Hoe heten mannetjeswalrussen eigenlijk?’

Meneer Ros liet zijn hoofd hangen. Ik zag nu pas dat op een van zijn slagtanden regenbogen en eenhoorns waren getekend. De andere was helemaal tot zijn lippen afgebroken en goud beschilderd.

‘Ook die goude tand en die regenboogpoepende eenhoorns vind ik niet echt getuigen van doe maar normaal dan doe je al gek genoeg.’

De walrus keek op. Een traan biggelde uit het oogsoepoog.

‘Kijk, daar gaat u al. Doet u ook zo onvriendelijk tegen uw medemens? Alleen omdat ik een walrus ben meent u dat u het zich kunt permitteren zo onaardig tegen mij te zijn, zo is het hè? Waarom mag ik geen pak dragen, geen monocle? En wat betreft die tekeningen op mijn tanden: dat heeft een nare tatoeëerder ooit gedaan toen ik dronken was. Een mens. Een walrus zou zoiets nooit doen. Ziet u hoe zwaar mijn leven is? Het is al zwaar genoeg om een walrus te zijn, maar nee hoor: jullie moeten mijn lijden ook nog eens ondragelijk maken. Ik vraag me soms af waar ik het allemaal voor doe.’

De walrus liet zijn tranen nu zonder gene lopen. Al gauw stond hij in een plas van zijn eigen tranen.
Ik begon medelijden met hem te krijgen. Als het waar was wat hij zei dan had hij inderdaad een zwaar leven en dat alleen door mijn soort. Omdat wij niet konden omgaan met onaangekondigde bezoeken van walrussen. Ik besloot het over een andere boeg te gooien.

‘Nou, kom aan, meneer Ros. Waarmee kan ik u helpen? Want u belt vast niet zo maar aan- u lijkt me niet van het masochistische soort.’ Ik had geen idee hoe een masochistische walrus eruitzag maar ja, we kunnen niet allemaal te allen tijde alleen maar precies de juiste, zorgvuldige woorden kiezen.

De walrus veerde op. Een twinkeling in zijn ene oog. ‘Kijk, u leert snel! Daar houd ik van! Welnu: ik ben hier dus namens het Verbond van doe-maar-normaal-dan-doe-je-al-gek-genoeg. Mijn vraag aan u is of u donateur wilt worden.’

Voor de tweede keer in korte tijd wist ik niet wat ik moest zeggen. Aan de ene kant werd ik nooit lid van wat dan ook, normaal smeet ik de deur al dicht als iemand ook maar naar colporteren rook, maar aan de andere kant vond ik het ook zielig voor deze door het leven getekende walrus. Weer die wrijving in mijn binnenste en weer die bek vol tanden.

De walrus keek mij met een scheve kop aan, de monocle keurig op zijn plek en de glitters in de eenhoornstaarten schitterend in de zon. ‘U moet geen donateur worden alleen omdat u mij een zielig schepsel vindt. U moet mij beloven dat u DAT in elk geval niet doet!’

Ik keek naar de glinsterende spikkels op zijn slagtand en het jasje van de Wibra. Ik zag de tranen om hem heen op mijn stoepje en dacht aan die gemene tatoeëerder en nam een besluit.

‘Nee, dat zou ik nooit doen. Maar ik zal uw Verbond steunen. Is 50 euro genoeg?’

‘Wilt u niet eerst weten wat wij allemaal doen voor onze leden? Daarzijn we nog niet aan toe gekomen namelijk. Ik zal u alleree…’

Ik onderbrak hem. ‘Nee nee, dat zit wel goed. Ik vertrouw u. U ziet eruit als een eerlijk eh…als een eerlijke walrus. Is 50 euro voldoende?’

Ben Ros schudde zijn hoofd. ‘We werken helaas niet met eenmalige donaties. Enkel met maandelijkse bedragen. Maar 50 euro per maand is uitstekend. Als u hier maar wilt tekenen?’

Uit een van de zakken van het lelijke pak trok hij een pen en een groezelig velletje papier. Ik had ineens enorme haast hier weg te komen, de walrus niet meer te zien en in de veiligheid van mijn eigen huis een paar stengels bleekselderij in een vaas te rangschikken.

De walrus hield mij de pen voor en ik zette mijn handtekening bij het kruisje. Het papiertje rook naar overjarige mosselen. Snel stapte ik achteruit, stak mijn hand op ten teken van afscheid en sloot de deur. Toen ik mij omdraaide om de selderij uit de koelkast te halen hoorde ik de heer Ros tegen iemand praten.

‘Zo, dat was nummer 11. Hoeveel heb jij er al, Henkie?’

Eigenlijk had ik de deur nu open moeten trekken om hem een rotschop onder zijn blubberige kont te geven maar nog steeds had ik last van dat gespleten gevoel: hij was zielig en dan doe je zoiets niet.

De pedofiel van Pieterburen

De man van Lenie ’t Hart (u weet wel, de vrouw die tientallen jaren baas was van Zeehondencrèche Pieterburen voor ze op een zijspoor werd gezet), zo stond een paar maanden geleden in de krant, heeft een duister verleden vol kindermisbruik. Hij is daarvoor in 1990 gestraft met zeven maanden voorwaardelijk, met andere woorden geen dag boeten tenzij hij weer iets onverkwikkelijks met minderjarigen uitvreet. Gek genoeg kwam dit alles toen nauwelijks in het nieuws en dat wat er in de krant stond was geanonimiseerd. Dat is fijn voor deze man, maar minder voor zijn slachtoffers. Pas een paar maanden geleden ‘outte’ een verslaggever van Privé hem alsnog. De voormalig kinderfilm- en tv-regisseur Karst van der Meulen kreeg de voorwaardelijke straf opgelegd op basis van de getuigenissen van drie dappere kinderen die niet zwegen. Hiermee zeg ik niet dat al die tientallen, wellicht honderden, kinderen die zwegen niet dapper zijn, maar een mens kan nou eenmaal alleen een straf krijgen als door hem misdeelde mensen naar de rechter stappen. Het is jammer dat er maar drie kinderen waren die het aandurfden te verklaren hoe de voormalig film- en tv-regisseur traumatiserende handelingen bij hen verrichtte tijdens en na producties als de Zevensprong, Kunst en Vliegwerk en Martijn de Magiër, want als alles aan het licht zou zijn gekomen wat het daglicht niet kan verdragen, dan zou deze meneer in 1990 niet met een waarschuwend opgestoken vinger weggewandeld zijn.

Op de set ging hij nooit over de schreef, tenzij je de natte zoenen die alle kinderen verplicht aan hem moesten geven bij aankomst op en vertrek van de set als ongewenst aanmerkt. Eenmaal van de set maakte hij wel veel werk van zijn slachtoffertjes, plande hij alles tot in de puntjes. Zo nam hij de jonge kinderen mee op tripjes in zijn camper, uitjes naar de dierentuin en organiseerde hij gezellige sleep-overs bij hem thuis. Aanraken hoorde daar volgens hem blijkbaar bij, maar ach, het waren de jaren 70 en 80, weet u nog wel, toen waren we over het algemeen wat milder over lichamelijkheden tussen volwassenen en kinderen. ‘Kinderen hebben ook behoefte aan aanraking, affectie’ en ‘kinderen hebben ook seksuele gevoelens’, ik herinner me deze uitspraken nog wel en ze zullen zeker waar zijn, maar dat is dan een ontdekkingstocht die kinderen samen dienen te ondernemen. Een volwassene die met zijn volwassen lust kinderen seksuele handelingen laat verrichten op hemzelf of andersom (want daar draaien de getuigenissen tegen Karst van der Meulen grotendeels om, seksuele bevrediging van onder andere tienjarige – en zelfs jongere- kinderen), gaat daarbij ernstig voorbij aan het ontwikkelingsproces van een kind, confronteert het daarnaast met zijn eigen monomane behoeftes en zorgt ervoor dat de veiligheid die hij het kind had moeten bieden als volwassene voor altijd is geschaad.

Je kunt het je bijna niet meer voorstellen, maar in de jaren 70 en 80, in die wilde nadagen van de seksuele revolutie die had gepleit voor jezelf mogen zijn, werd er anders gedacht over seksualiteit en had ook de pedofiel (soort van) een plek in de maatschappij, althans volgens een grote groep vrijzinnige lieden. Helaas gold dit ‘jezelf mogen zijn’ vooral voor egocentrische volwassenen die hun plek opeisten en hadden kinderen de pech dat hun belang niet werd meegewogen. In die nagalm van opengebroken heilige huisjes was de behoefte van de seksueel bevrijde volwassene belangrijker dan die van het misbruikte kind. Het wrange is natuurlijk dat de mores van die tijd dan misschien anders waren dan de huidige, het effect dat misbruik heeft op kinderen is in al die jaren hetzelfde gebleven.

Het verschil met nu zit hem misschien in het feit dat kinderen in die tijd minder snel aan de bel trokken omdat ‘aanrakingen’ door volwassenen minder in de taboesfeer zaten dan tegenwoordig. Ook lieten ouders hun kinderen makkelijker bij die leuke overbuurman spelen, hij was zo goed met hun zoon, vriendschap tussen een volwassen man en een kind, hoe mooi is dat? Ze lieten hun kroost met liefde een weekend op pad gaan met een Karst van der Meulen, die grote kindervriend en zo betrouwbaar, want regisseur van kinderseries waarin hun kinderen mee hadden gespeeld. Je zou kunnen stellen dat je 30 jaar geleden meer vertrouwen had in mensen. Ook liet je je kinderen meer vrij. Ikzelf was uren alleen op pad als tienjarige en mijn ouders hadden geen idee waar ik uithing, als ik om half zes maar thuis was voor het avondeten. Maar een pedofiel is van alle tijden en als hij slecht in de zin heeft dan grijpt hij heus zijn kans, zowel toen als nu. De impact die dat op een kind heeft was 30 jaar geleden net zo groot al nu.

Er gaan verhalen over de pedoseksueel Karst van der Meulen van ver voor zijn tijd als tv-regisseur. We hebben het dan over midden jaren zestig, toen hij net meerderjarig was. Er doen ook hardnekkige geruchten (lees: anonieme verklaringen) de ronde over de periode na 1990, toen hij die armzalige voorwaardelijke straf kreeg en dit anoniem in de krant kwam. Die geruchten gaan over seksueel misbruik op de zeehondencrèche, waar jonge kinderen dagen aaneen kwamen helpen met de verzorging van de robbenwezen en ’s avonds gezellig met z’n allen bleven slapen. Karst van der Meulen gaf de kinderen (met leeftijden tussen de 7 en 15 jaar) die bij hem overnachtten ‘seksles’, ze kregen vieze boekjes te lezen en hij bevredigde ze dan seksueel voor het slapen gaan. Het zijn verhalen uit anonieme bronnen, verhalen die volgens meneer van der Meulen niet waar zijn aangezien hij na 1990 is gestopt met zijn pedofiele behoeftes om te zetten in seksueel misbruik van kinderen. Hij was een veranderd man, zijn huwelijk met Lenie ’t Hart (rond dezelfde tijd als zijn veroordeling) en de therapie die hij had gevolgd hadden hem doen laten inzien dat het niet door de beugel kon, het aanraken van kinderen. Hij had oprechte spijt.

Wat is dat toch met deze lui? Ik had ooit een vriend die een carrierespoor van bewijzen had achtergelaten op het gebied van zijn seksverslaving. Saunamedewerker, masseur, fysiotherapeut, uitsmijter in een hoerenkast, zweminstructeur: met de terugkijkbril is alles zo duidelijk. Karst van der Meulen trouwde met een vrouw die naar eigen zeggen meer op heeft met dieren dan met mensen, dieren zijn tenminste eerlijk. Lenie wist van het seksuele misbruik door haar nieuwe man, maar verklaarde onlangs dat dit stopte na hun huwelijk. De anonieme bronnen beweren anders, het misbruik ging gewoon door onder haar neus, op de plek die zij voor haar geliefde dieren had gecreëerd en waar kinderen dolgraag kwamen. Het is psychologie van de koude grond als ik een verband vermoed tussen Lenie haar behoeften en die van Karst, maar de anonieme verhalen over seksueel misbruik, waar zelfs de dieren van de Zeehondencrèche bij zouden zijn ingezet, doen mij echter het ergste vrezen. Iets met eens een pedo altijd een pedo.

Nu is Lenie op een zijspoor gezet door het nieuwe bestuur van de opvang. Ze is er niet meer welkom. Geen dieren meer voor Lenie, geen kinderen meer voor Karst hoop ik dan heel hard. Ik vraag me af wat Karst nu doet. Ik hoop dat hij elke dag om vergiffenis smeekt. Het zou zo fijn zijn als mensen als hij echt het licht zagen en beseften dat kinderen ernstig beschadigd raken van grote mensen die met hun piemel (m/v) aan hen zitten. Ik vind het oprecht naar dat de pedofiel in een maatschappij leeft waar zijn geaardheid niet wordt geaccepteerd, je bent wie je bent niet waar, maar van kinderen blijf je af. Met terugwerkende kracht ook voor de jaren 70 en 80 en ver daarvoor. En zit je dan toch aan een kind, of je nou een priester, kardinaal, kinderactivist, zwemleraar, verzorger, regisseur, begeleider of man van een dierenweldoenster bent: vertel me dan niet dat je de grens niet weet tussen het houden van kinderen en het beschadigen van kinderen. Want die ken je. Geloof me, die ken je maar al te goed, want je bent een mens.

Een heel slecht mens, dat wel.

Bij mij in de buurt

Je weet dat het niet klopt en toch doe je niks. Noem het lafheid, noem het voortschrijdend inzicht. Noem het wat je wilt, maar in alle gevallen doe je niks. Niet nu, nu het er toe doet. Je kunt genoeg redenen verzinnen waarom je niks doet, uiteindelijk zou je jezelf zelfs kunnen overtuigen, maar feit is en blijft dat er niks gebeurt en dat jij het verschil niet hebt gemaakt.

Het begon met het deurtje bellen van het kind van de tokkies van twee verderop. 4000 keer die lelijke kleuter met zijn volle luier die met zijn smoezelige vingertjes probeerde je bel te bereiken en daarbij bij elke poging 79 keer tegen je voordeur aan lazerde. Heel subtiel, het moest tenslotte niet opvallen. Na 40 keer schreeuw je dat ie op moet rotten, door de dichte deur. Na 3999 keer trek je de snel open als de poepkleuter op zijn tenen gaat staan om bij de bel te komen. Dat was even schrikken. Kind huilen en daar is de boze mama die je uitscheldt voor teringhond en je leven is compleet.

Hier begon het mee, de langzame maar waarneembare aftakeling. Of vergis je je en begon het al eerder maar ben je niet in staat het exacte beginpunt aan te wijzen? Was het die keer vlak voor de kerst dat de politie aan de deur stond met de vraag of wij Reggie hadden gezien, hij zou hier in de buurt wonen. Je kent geen Reggie zeg je. Een man met dreads zeggen de agenten, maar je kent ook geen meneer met dreadlocks gelukkig.

Misschien is er geen beginpunt, misschien is het gewoon de wet van de entropie, misschien is dit hoe het hoort te gaan: uiteindelijk gaat het altijd mis, ontaardt alles in chaos en wanorde.

Maar wat maakt het uit, een keer uitgescholden worden is niks vergeleken met je schutting die verdwenen blijkt na oud en nieuw en dan de eindeloze ellende met de verzekering en zo’n mannetje van de verzekering die het handboek ‘hoe horen mannetjes van de verzekering eruit te zien en zich te gedragen’ uit zijn hoofd lijkt te hebben geleerd, die bij je thuis komt en niet alleen minzaam de afwezige schutting in zich opneemt maar ook alles wat hij bij de eerste stap in je woning ziet. Af en toe aangevuld met minzame commentaren en goedbedoelde adviezen, al zou dat ‘goedbedoeld’ waarschijnlijk ook prima tussen haakjes geschreven kunnen worden. 2.10 meter man met een beetje overgewicht, slecht zittend pak met te veel glim erin en zo’n Bob den Uyl hoofd erop met veel voorhoofd en een comb-over.

Uiteindelijk lijkt het lot je gunstig gezind te zijn en wordt de verdwenen schutting vergoed, al is het wat wrang want je had natuurlijk liever die kolereschutting gehad in plaats van geld om een nieuwe te laten aanleggen.
Hoe dan ook, heel opperbest is je stemming niet. Je slaapt slecht, voelt je onveilig maar gelukkig had je toen nog geen weet van wat er zou komen.
De schutting wordt geplaatst en bij de laatste paal in de grond haal je opgelucht adem. Hier stopt het. Nu is het klaar. Je had beter moeten opletten bij natuurkunde want het is nog helemaal niet afgelopen.

Een paar dagen later staat de buurvrouw op rechts ’s avonds voor de deur, schreeuwend, verward, als je er van een afstandje naar zou kijken zou je zeggen: zielig. Maar je kijkt er niet van een afstandje naar; je hebt de deur open gedaan en wordt uitgescholden voor van alles omdat je het in je hoofd hebt gehaald háár paaltje bij de brandgang te hebben verwijderd om te vervangen door jóuw paaltje om de nieuwe schutting te verwezenlijken. Als je tegensputtert dat háár paaltje vermolmd was en jóuw paaltje in feite júllie paaltje is komt er schuim op haar mond en doe je gauw de voordeur dicht. Je had nog wel even geïnformeerd waar ze met oud en nieuw was, toen de onverlaten je schutting jatten en haar antwoord verbaasde je: thuis en nee, ze had niks gehoord. Dat haar schutting er nog staat is stom toeval. Dat je dat maar moeilijk kan geloven, dat ze niks heeft gezien en gehoord lijkt aan dovemansoren gericht.
Eindelijk rust denk je, maar ja, had je maar opgelet bij natuurkunde: de chaos is nog niet compleet dus het einde niet in zicht.

Een week later gaat de deurbel. Twee overjarige jehova’s denk je, wel zielig zo in de sneeuw op die kale schedel en dat henna oranje haar. Het blijken vrijwilligers van iets dat buurtbemiddeling heet. Ze hebben gehoord van het conflict, of ze wat kunnen betekenen. Je hebt geen idee over welke schakels wat is gelopen, zeg je, naar waarheid. Je denkt eerst dat ze namens de politie komen om over het verdwenen hek te praten, maar het blijkt na lang trekken om het paaltje te gaan waar de buurvrouw een epileptische aanval van kreeg.

Voor buitenstaanders moet dit alles inmiddels aandoen als een slapstick maar als je er middenin zit voelt het eerder aan als drijfzand. Je hebt geen idee hoe je hierin kwam en vooral geen idee hoe je hier weer uit komt. Rennen, stilstaan, kop in het zand: geen idee. Het voelt als iemand anders zijn toneelstuk, maar wie die ander is is je onbekend. Je zou heel graag willen dat het doek viel en dit naargeestige schouwspel ophield, maar helaas.

Het hennavogelnest en de man zonder haar en weinig testosteron blijven vaag en omslachtig antwoorden. Ze mogen niet precies zeggen wie de opdracht gaf om hun voet tussen jouw voordeur te steken maar dan kennen ze jou nog niet en na omwegen ben je erachter dat de politie de instigator is voor deze akte van het toneelstuk. De boze buurvrouw had daadwerkelijk aangifte willen doen van het verwijderen van het paaltje. Dat ze er een nieuwe schutting voor nop voor terug had gekregen was geen reden om wat terughoudendheid te betrachten. Waarschijnlijk vond de politieagent van dienst ook dat ze zich vergaloppeerde en nam de aanklacht niet aan. Wat er daarna gebeurde laat zich raden. Misschien zat er nog geld in het potje ‘buurtbemiddeling’, misschien was het wat anders maar feit is dat de politie de aanvraag tot bemiddeling had gedaan. Enter henna en kaal.

Intussen was er bij je buurjongens op links zowel voor als achter een baksteen door de ruit gegaan (dader: onbekend) en leek de buurman naast de hormonale heks op rechts zijn huis te hebben verhuurd aan twee junks met een kitten en een chihuahua. Elke avond tussen 9 en 12 maken deze twee kansarme mensenkinderen slaande ruzie; ook letterlijk. Deuren deinen in hun sponningen, de ene dag wordt zij van de trap naar beneden geduwd en de volgende dag hij, geen grap. Elke avond lig je in je bed en denk je aan die arme dieren en of je de po-politie moet bellen, maar de politie kwam niet nadat je (online) aangifte van je verdwenen schutting had gedaan (aangifte mocht alleen online), en stuurde buurtbemiddeling op je af vanwege een vermolmd paaltje dus veel fiducie in waakzaam en dienstbaar heb je momenteel niet. Je wilt alleen maar slapen, maar dat kan niet vanwege de drugs die in de huurders van de buurman naast de boze buurvrouw zitten.

Je werkt henna en kaal de deur uit met de woorden geen interesse in bemiddeling te hebben. Je zegt wel interesse in een rustige wijk te hebben maar daar zijn henna en kaal niet voor ingehuurd, zeggen ze, dus hop de sneeuw in met ze.

Elke ochtend word je wakker met onder andere koppijn omdat je met opeengeklemde kaken in slaap bent gevallen, maar je belt de politie nog steeds niet want je bent een beetje bang voor de onvoorspelbaarheid van de junks. Elke dag sla je veel te veel spanning op en baal je dat je ervoor kiest niks te doen. Je zoon vertelt je op een dag dat de mannelijke junk Reggie heet. Dat heeft hij aan de buurtkinderen verteld.

Dan kom je op een middag de onderverhurende buurman tegen. Hij vertelt dat de junks uit zijn huis zijn gezet. Hij is nu bezig hun spullen in de achtertuin te zetten. Van de week zal hij de sloten vervangen zodat ze niet naar binnen kunnen. ’s Avonds is er weer rust. Je kaken ontspannen zich langzaam, de hoofdpijn verdwijnt .

Dan, laten we zeggen: drie dagen geleden, hoor je gemiauw voor je voordeur. Als je opendoet zie je de kitten van de junks staan. Je hebt geen idee waarom hij voor jouw deur staat maar je vermoedt dat hij niet is meegenomen toen de junks vorige week het huis op de hoek verlieten en dat hij nu op zoek is naar zijn thuis. Je laat hem binnen en verzorgt hem. Je koopt babyvoer voor hem en geeft hem liefde. Je denkt dat nu eindelijk het ellendige toneelstuk afgelopen is.

De volgende ochtend zie je dat de onderverhurende buurman onkruid tussen de voortuintegels plukt. Je denkt aan zijn woorden van een week ervoor (hij had slapeloze nachten gehad van zijn avontuur met de junks, het huis was een ravage, hij dacht erover het te verkopen nadat hij de schade had hersteld) en bent blij voor hem. Dan zie je Reggie de junk die komt aan fietsen. Hij parkeert zijn fiets tegen het hek van de buurman en loopt door de open deur naar binnen. Je moet weg op dat moment, je hebt een afspraak, maar maakt een mentale notitie dat je ’s avonds of de volgende ochtend even moet controleren of.. ja wat eigenlijk. Je maakt jezelf wijs dat er niks is.

Laten we zeggen dat het twee dagen later is en de fiets van de junk Reggie nog steeds tegen het hek van de buurman die zo onfortuinlijk was zijn huis open te stellen, staat. Van de buurman geen enkel spoor. Alles is dicht in dat huis. De meubels van de junks liggen nog in de achtertuin.

Maar je doet niks. Je weet dat het niet klopt en toch doe je niks.

Zonneschild II

Het voelt toch elke keer als een nederlaag om hier weer te zijn. De net-niet steriele, onpersoonlijke omgeving, het zou na tien jaar bijna vertrouwd aan moeten voelen, zou je denken, maar ik raak er maar niet aan gewend. Gewend genoeg om weer naadloos in het regime mee te draaien, de dagelijkse gang van bed naar bed kan ik zonder met mijn ogen te knipperen uitvoeren, dat wel. Voor veel van de ‘cliënten’ is de routine van de inrichting minstens zo belangrijk in hun herstel als de vele uren die ze besteden aan therapie. Het terugvinden van een stipte dagbesteding helpt een druk hoofd tot kalmte te komen: mens sana in corpore sano en alles. Elke dag op hetzelfde tijdstip op en van uur tot uur alles afwerken via een overzichtelijke volgorde tot het eten en dan spelletjes samen of tv kijken of alleen met een boek in je kamer tot de nachtklok ingaat en de lichten uit en van je verwacht wordt dat je je ogen sluit voor een nacht vol medicinale dromen.

Ik val niet onder meeste cliënten, sterker nog, ik weet dat ze hier in dit gekkenhuis in het bos geen idee hebben wat ze met mij aan moeten. Dr. Halberstamm heeft het me letterlijk gezegd en ik heb ook zusters met elkaar over mij horen praten, over het Sneeuwwitje dat zo normaal oogt en geen vlieg kwaad doet en dan elk jaar weer wordt binnengebracht, of zichzelf meldt, zoals ook wel een paar keer is gebeurd. Die dan na een week of wat weer normaal is geworden en sans scrupule zonder medicatie of therapie het loofhouten onderdak wordt uitgestuurd en die iedereen dan weer vergeet tot die ene dag en dan blabla.

Ik heb geen behoefte aan hun rigide structuur. Ik heb genoeg van dat alles van mezelf. Ik verwaarloos mezelf niet, ik eet goed, aan mijn corporo mankeert niet zoveel. Nu ja, wel, maar daarover zal ik later vertellen. Aan mijn geest mankeert ook niets, maar daar verschillen de meningen over, zoals je al had begrepen. Tot aan het Prinsesje was ik volledig van willekeurig welke psychiatrische radar dan ook, nog nooit een dag met een psycholoog gepraat, niks. Het is het meisje dat een duidelijk markeerpunt vormt in mijn geestelijke gezondheid, een demarcatielijn, zover wil ik nog wel gaan. Dr. Halberstamm vermoed dat ik altijd al een wat onbevangen kijk op het leven heb gehad (hij bedoelt naïef) en dat dat geloven in sprookjes, goed en kwaad, niet pas is gekomen nadat ze niet geboren werd, maar dat dat op zichzelf niet voor grote problemen hoeft te zorgen. Het is volgens hem de combinatie van de twee die mij over het randje heeft geduwd. Mijn grip op de realiteit nam ook een duik mee de afgrond in.

Ik vermoed dat de dokter gelijk heeft, op een bepaald punt. Toch heb ik niet het idee dat ik gek ben. Maar zeg nou zelf: hoeveel gekken vinden van zichzelf dat ze gek zijn?

Ik ben hier, elke keer weer opnieuw, omdat hetgeen zich in ‘de werkelijkheid’ afspeelt en hetgeen in mijn hoofd werkelijkheid is, soms ietwat uiteen wijken; dan voelt het of er een soundtrack speelt bij een film die totaal niet passend is. Ik zie de wereld om me heen en de mensen die erin acteren maar ze passen niet bij wat ik voel en denk. Het is een slecht passend decor, en alles wat er om me heen wordt gezegd leidt af van hetgeen zich in mij afspeelt, mijn onwrikbare werkelijkheid.

Dat is irritant voor mij, maar na tien jaar ben ik erachter gekomen dat het vooral de anderen zijn die last hebben van mijn alternatieve werkelijkheid. Ik maak ze bang, ze voelen zich onveilig bij mij terwijl ik, in het hier en nu maar ook als ik de andere kant op denk, geen vlieg kwaad doe. Maar mensen houden niet van dat wat afwijkt van henzelf en een schreeuwende of in zichzelf pratende vrouw is eng.

Ik ben hier dus om weer wakker geschud te worden. Een klinkende klap in mijn gezicht om met de frisse morgenlucht de nevel uit mijn harses te verjagen. Het gesticht als de ultieme prins die dit Sneeuwwitje elk jaar weer opnieuw wakker kust. Wake up, you sleepy head. Ik blijf liever slapen meestentijds, maar ben slim genoeg om te weten dat het alternatief op de jaarlijkse institutionele kusscene een permanente opsluiting of een minstens zo permanent gebruik van antipsychotica is, en voor beide bedank ik. Zo ver van wat zich realiteit laat noemen ben ik nou ook niet verwijderd.

Nieuw lichaam

Gisteren was ik in de stad om mijn lichaam terug te brengen of beter nog: om te ruilen voor een nieuw exemplaar. Na lang wachten stond ik uiteindelijk aan de balie en vroeg of ik een of ander formulier moest invullen of dat het nog in de garantietermijn viel.

De jongedame achter de balie keek me met grote verschrikte ogen aan.
‘U wilt wát retourneren?’
‘Mijn lijf. Hij doet het niet meer zo goed.’ Daar was geen woord aan gelogen: het leek sommige ochtenden of ik uit elkaar aan het vallen was. Alles kraakte en piepte en een keer viel ik zelfs voorover uit bed vanwege stijve gewrichten. Ik moest moeite doen mijn tranen te bedwingen. Nog zo’n kwaaltje dat er zo maar was ingeslopen, samen met hartkloppingen, afbrokkelende nagels, haren op rare plaatsen, een verkeerd afgestelde thermostaat en een biologische klok die volledig van de leg was.

Het meisje knipperde nu een paar keer met haar ogen.
‘U meent het serieus? U wilt uw lichaam niet meer?’
Ik knikte. Voelde een lichte irritatie opkomen. Waarom herhaalde dit wicht alles wat ik zei?
‘Luister, er zit een productiefout in. Hij behoort het nog minstens 30 jaar te doen maar valt nu al van ellende uit elkaar. Hier kan ik niks mee. Ik wil hem inruilen voor een nieuw lijf. Een beter lijf. Misschien kun je achter even kijken of daar nog eentje ligt? Als er keuze is dan graag zonder hangborsten en grijzende haren maar vooral eentje zonder enge hormonen die doen alsof ze in Noord-Ierland ten tijde van the Troubles leven. Ik word er echt gek van. Ze zijn totaal losgeslagen. ‘

Het meisje zei niks. Haar mond was opengevallen. De mensen achter me in de rij roerden zich. Ik stond nog steeds in mijn ouwe aftandse lijf tegen de balie geleund. De lichte irritatie was overgegaan in een hittestuwing tot mijn kruin. Ik wilde brullen dat ik het niet pikte, dat ik graag geholpen wilde worden en wel nu, maar in plaats daarvan droop het zweet over mijn rug mijn bilnaad in en zei ik niks.

‘Mevrouw, ik weet niet hoe ik u dit moet vertellen maar u bent hier niet aan het juiste adres. Dit is de Mediamarkt. Wij verkopen telefoons en computers. Koptelefoons, koffiezetapparaten. Geen jonge lichamen. Het spijt me.’

‘Ik wil ook geen nieuw lichaam kopen,’ zei ik. ‘Ik wil dit uitgewoonde omhulsel alleen inruilen voor iets met meer vlees en minder vel. Voor iets met hormonen die zich niet gedragen alsof ze in een oorlogsgebied wonen en aan ptss lijden. Zo moeilijk is dat toch niet?’

‘Nou, wel bij de Mediamarkt. En even los van het feit dat wij geen lichamen in ons assortiment hebben, wil ik u erop wijzen dat u bij zo’n ruil dan misschien een fraai jong exemplaar krijgt zoals het mijne, maar de winkel blijft zitten met dat afgeleefde overjarige ding waar u al uw hele leven in woont. Niemand ziet daar een businessmodel in, mevrouw.’

‘Maar ik wil een nieuw lijf en wel nu! Deze is in de garantietermijn kapot gegaan!’ Het meisje nam mijn klachten niet serieus en dat maakte me woest.

‘Mevrouw, niemand wil uw lichaam hebben. Dat snapt u toch zelf ook wel? Ga naar huis. Drink wijn. Doe wat nodig is maar gaat u alstublieft weg. Dit is de Mediamarkt. Geen vleesmarkt. Volgende klant graag.’

Er zat niks anders op dan weggaan. Ik had mijn best gedaan en had gefaald. Ik zat voor zolang ik leefde vast aan dit lichaam. Waarom had nooit iemand me hiervoor gewaarschuwd? Waarom had nooit iemand tegen me gezegd dat je in het leven maar één lichaam krijgt?

Het was oneerlijk en dat was het.

Ik stop met fictie

Ik wilde er eerst een heel stuk aan wijden, maar denk nu dat het ook in een paar regels kan. Nou ja, mezelf kennende worden het dan weer een paar alinea’s om vervolgens toch nog een soort van heel stuk te worden, maar dat zien we dan wel weer.

Zoals de titel al zegt: ik stop met fictie schrijven.
Zo. En dan zal ik nu de nuance aanbrengen. Eerst het zwart op het doek kwakken voor het extradramatische effect, dan stipjes wit hier en daar om de grijstinten te realiseren.

Ik heb nu twee boeken geschreven zonder contract op zak. Het zolderkamertjes-ploeteren-in-de-nacht-werk, wat in mijn geval neerkwam op journalistieke werkzaamheden op nul zetten en tussen de luiers en de creche en toen de basisschoolgaande kinderen en alle daarbijbehorende activiteiten, schrijven. Over Verloren taal deed ik, inclusief alle research en interviews en reizen, vijf jaar. Over mijn laatste boek Znežanka (pure fictie) anderhalf jaar. Ik schreef meestal aan de eettafel, tussen de kruimels, omdat ik geen lol aan beleef aan opruimen en andere prioriteiten had. SCHRIJVEN.

Het waren meestal heerlijke dagen. Soms waren het ook zware dagen. Ik denk niet dat ik een uitzondering ben: schrijven is soms gewoon Kut mit Birnen. Ik denk dat je mijn manier van (fictie) schrijven het best zou kunnen omschrijven als method writing. Zoals een acteur zich soms zó inleeft in een rol dat-ie als het ware zijn karakter in die film wórdt, of althans even, tijdens het filmen, zo schrijf ik. Vaak.

En dat hakt erin. Het is heerlijk. En het is verschrikkelijk. Het is heftig. En het is verslavend. En als het dan klaar is, is er dat gat. Dat gat is eigenlijk vooral het grote niks. Afkicken is het. Welnu. Ik kan daar wel mee omgaan.

Wat ik niet meer kan is schrijven voor mijn bureaulade.

En dat dreigde te gebeuren met Verloren taal, ware het niet dat ik in de finale van een mooie schrijfwedstrijd voor debutanten kwam. Toen was er wél belangstelling voor Verloren taal. Dat was heel fijn.

En nu heb in Znežanka geschreven en is er weer geen belangstelling. Althans, daar ziet het naar uit. En daar zit hem voor mij de kink in de kabel. Ik kan daar niet heel lekker mee omgaan. Het voelt of ik voor de kat zijn voortplantingsorgaan heb geschreven. Geen pay-off. En ja, ik hoor een enkeling alweer miauwen dat je toch voor jezelf schrijft enzovoorts en voor de voldoening en dat is ook allemaal zo, maar toch doe ik het niet exclusief voor mijn lade. Van mijn bureau, dus.

Ik kan het niet meer, vijf of anderhalf jaar volledige onderdompeling en dat er dan niets mee gebeurt.

Dus.

Ik stop met het schrijven van fictie als er geen belangstelling voor is. Non-fictie werkt vaak met een ideetje naar een uitgever, uitwerken bij interesse en dan kun je met contract op zak aan de slag. Het is mijn werk, mijn beroep. Dus dat ga ik dan maar (weer) doen. Ik heb het nodig; een redacteur, deadlines, belangstelling. Daar mag iedereen het zijne van denken, overigens.

Als ik wist dat er aan het einde van de lijdensweg die boeken schrijven heet (en ja, lijden kan ook fijn zijn!) licht was, belangstelling, publicatie, dan zou ik het zó weer doen. Fictie schrijven is namelijk waarvoor ik ben geboren. Maar ik ga me nu dus richten op het op-een-na leukste: non-fictie. Verhaaltjes zal ik blijven schrijven, als ze eruit moeten. Maar alleen dan en dan inderdaad alleen voor mezelf.

Werd het tóch nog een heel stuk. Verrassend.

Writer’s block

Iemand noemde het een writer’s block. Dat wat zich meester van mij heeft gemaakt zo heet. Een schrijfblokkade. Ik vind het prima dat iemand het zo noemt. Dan heeft het een naam en zit het in een doosje en dan kan zo’n persoon weer verder. Maar ik zit ondertussen nog steeds totaal op slot. Met de gebakken -nee zwartgeblakerde peren.

Ik kan niet meer schrijven en het voelt of ik op een druk plein in Florence ben neergezet en dat de mensen met camera’s en telefoons en birkenstocks en zonnebrillen langs me zoeven om zoveel mogelijk schoonheid vast te leggen en dat ik alleen maar naakt daar kan staan, de kunst zie, de mensen hoor, de opwinding en de drukte voel, al die lijven uit al die landen ruik, kan aanraken maar niet kan deelnemen aan de prachtige jacht.

Er is niks mis met mijn observatietalent; er is iets mis met het doorgeefluik. Er wordt gekookt in deze keuken, mensen, de gerechten bereiken alleen de gasten in het restaurant niet. En soms wordt er niet eens gekookt, soms kan ik alleen maar kijken naar de bedrijvigheid om mij heen en daar waar ik een paar maanden geleden mijn ogen maar hoefde te openen om inspiratie te voelen is er nu vaak verrassend veel leegte. Ik zie dan wel maar voel het niet.

Ik kan me goed voorstellen dat het woordje ‘naakt’ in de paragraaf hierboven je je lippen deed krullen. Ik kan me voorstellen da je een wenkbrauw optrok en dacht: ‘nou nou, overdrijven is ook een vak, mevrouw Prazdny’ en ik geef u geen ongelijk, maar het is zoals het voelt. Ik voel mij naakt nu ik niet kan schrijven. Al die inspiratie die tegen mijn lijf beukt, butsen en blauwe plekken veroorzaakt, maar het ventiel dat voor ontluchting van mijn snelkookpanhoofd zorgt is kapot: het geeft allemaal een nogal onbeschermd gevoel.

Een vol hoofd en een naakt lijf, ik kan er niet aan wennen. Nog minder kan ik wennen aan een naakt lijf en een leeg hoofd; ik ontbeer elk talent voor de pornografie.

En ja, die hele naakt-analogie is natuurlijk volstrekt gekunsteld en slecht uitgewerkt maar dat komt dan weer door mijn writer’s block.

Kerst zonder cadeautjes

Het is altijd een eclectisch feestje geweest bij ons, dat kerst. Een beetje van de Tsjechische oma’s (kindeke Jezus dat de pakjes brengt, niet die dikke engerd met zijn manische vliegbeesten, maar de kerstkarper die in Praag bij mijn moeder in het bad zwom daags voor kerst hebben we niet overgenomen, niet letterlijk en ook niet anderszins, deprimerend opgefokte stichtelijke kerstliederen (vanoční koledy) werden bij mijn ouders thuis nog wel op de platenspeler gelegd, maar hier worden ze na 2 of 3 liedjes afgezet, de kerstkoekjes (rohlicky en die dubbele met jam ertussen) hebben de overlevering ook niet gehaald, maar dat ligt ook aan mijn labbekakkerigheid en mijn algehele afkeer van alles wat met een keuken te maken heeft), af en toe een retourtje sjoel voor wat chanoeka, een kerstboom (met Tsjechische engeltjes erin); vreemde Joden in de bijt blijven we toch.

Dit jaar was een rare kerst. Zonder een oma en zonder onze kat. Die gingen allebei dood in 2018 – de een aan kanker en de ander omdat iemand over hem heen kachelde. En dus ook zonder cadeautjes. Ja, u leest het goed: zonder pakjes. Niet omdat het kindeke Jezus eindelijk afrekende met de eclectische relishoppers die we zijn, maar omdat een webwinkel zo onbeschoft was geen presentjes voor de feestdagen te leveren. Vele mails stuurde ik naar Fortnitekleding.com, maar geen enkele werd beantwoord. En dus kwam en ging kerstavond en keken wij met betraande ogen naar de lege plek onder onze kerstboom.

Eergisteren kwam het pakket; bijna op tijd voor kerst 2019. De truien voor de kinderen waren in maten voor obese volwassen mannen en kinderen van zes: veel te klein en veel groot dus voor een jongen van 10 en een jongen van 12. Niet wat we hadden besteld. Bovendien was het van een bedroevende kwaliteit, ‘vet nep’, aldus een zoon. Fortnite is wat ze ademen, maar deze kerstnageboortes waren zo ‘skeer’ (en dus niet te dragen want verkeerde maten) dat ze, al had het gepast, er nog niet dood in gevonden wilden worden.

Ik vind het stom om te doen maar ik doe het toch: het opportunistische Fortnitekleding.com wordt door mij, hierbij, aan de schandpaal genageld. Off with their heads hoeft niet, stevig pak online rammel zeker wel. Ik keek eens op hun facebookpagina en ontdekte dat vele anderen óók niets geleverd hadden gekregen, uiteraard wél betaald. Geen reacties op mails, niet de telefoon beantwoorden. Klassiek staaltje oplichterij. Nog nooit meegemaakt, een malifide webwinkel. Vaak over gehoord, dat wel. Van mij had het niet gehoeven, maar het zal me leren. Wat precies weet ik nog niet.

Ik zou volgens hun reglement de veel te laat geleverde verkeerde spullen kunnen terugsturen (geen antwoordnummer uiteraard) en zou daarna mijn geld terugkrijgen. Ik geloof daar niet meer in, Fortnitekleding.com Stuurt u mij maar eerst een mail met excuses en een antwoordnummer. O nee: maakt u eerst mijn geld maar over. Maar ik vermoed dat ik naar mijn geld kan fluiten. En mijn kinderen naar hun cadeaus. Goddank vonden ze de hoodies toch al drie keer niks. Dat scheelt. Iets.

Volgend jaar beloof ik plechtig, op alles wat mij lief is én het kindeke Jezus, dat ik alle kerstcadeaus in een echte winkel koop. Niet in een skere webshop als dat achenebbisje Fortnitekleding.com

Een dromend 2019 gewenst

Ik droomde vannacht dat ik verliefd werd op een jongeman. Natuurlijk was ik niet oud maar jong; niet gehinderd door kwalen en kwaaltjes rende ik dartel rond, werd achtervolgd en schuilde opgekruld als een poes op de schoot van de jongeling aan wie ik mijn hart had verloren.

De verliefde gevoelens bleven me bij toen ik eenmaal mijn ogen had geopend, maar met gesloten ogen was het fijner dus ik sloot ze snel weer. Ik voelde weer hoe verrukt ik was geweest als ik naar hem keek. Ik hoorde weer hoe zijn stem klonk als hij mijn naam zei. Ik zag zijn blije jongemannengezicht weer met de grote blauwe ogen. Ik besloot mijn ogen net zolang gesloten te houden tot de werkelijkheid mij zou terugroepen. Alleen dan en niet eerder zou ik mijn ogen pas openen.

Dromen alle oude mensen dat ze jong zijn, kwiek, blij, monter en verliefd, of is het slechts mijn tragische geest die in de nacht beelden oproept van een niet- bestaand verleden, een tijd waar alles onbevangen en ongerept is, mijn zelfgecreëerde Eden, weg van de verlokkingen van het heden, van de aftakeling en de deceptie die naast wijsheid nou eenmaal vaak met de jaren komt?

Oké, ik ben slechts middelbaar, maar hoe zit het met de bejaarden en diepbejaarden onder ons, dromen die ook dat ze sappige jonge blaadjes zijn waar iedereen zijn tanden wel in wel zetten, ongehinderd door incontinentie en constipatie, eenzaamheid of wandelstok? Ik droom in elk geval nooit over de blaasklachten waar ik mee kamp, de horrormenstruaties waar ik ook nu u niet mee zal vermoeien. Geen wonder dan dat ik (en misschien met mij alle mensen ‘met een jaartje meer’, de depressievelingen, de door akelige ziektes en diabetes type 2 aangetaste stakkers, ik weet het niet) heel graag slaap – dromen over jongelingen die mijn haren aaien en mijn wangen strelen is oneindig maal prettiger dan weer een grauwe dag buiten, de biobak die door de buurttokkies in de fik is gestoken, de buurvrouw op rechts die om elf uur ’s avonds haar slijptol ter hand neemt, de buurman op links die rochelend zijn blaas leegt of een chagerijnige medemiddelbare echtgenoot die mij wegkijkt uit de woonkamer omdat hij de drie (vier?) wijzen uit het oosten op maandag en vrijdag op de televisie hun oude mannetjes voetbalkletskoek wil horen spuien.

Slapen wil ik. Slapen om te dromen over een niet-bestaande jongeling in een niet-bestaande wereld. Soms ben ik nieuwsgierig naar wat zo’n brabbeldroomduidwebsite over mijn nocturnale belevenissen te zeggen heeft. En soms ook niet. Zoals nu. Laat mij maar dromen, mensen; daar lijkt mij 2019 een uitermate geschikt jaar voor.

Een goed 2019 voor jullie. Dat je dromen maar mogen uitkomen – tenzij je liever, net als ik, voor altijd wilt blijven dromen.

Mijden als overlevingsstrategie in het internettijdperk

Op het moment dat ik besluit om het nieuws (tijdelijk) te mijden vanwege een overvol gemoed, (een wiebelig en wankel evenwicht in mijn hoofd, een onrustige hormoonhuishouding, een winterdepressie, mijn tere eigenwaarde die als een stuk smeltend ijs op een van de polen op alarmerende wijze afbrokkelt door een manuscript dat stof ligt te verzamelen, you name it, I’ve got it), lees ik dat nieuwsmijden een privilege is. Mensen in crisisgebieden, mensen bungelend aan de onderkant van de maatschappij, mensen die woke zijn en zien dat je ogen sluiten voor structurele ongelijkheid en racisme (vrij naar Seada Nourhussen) geen optie is, al die mensen hebben niet de luxe om net te doen of het niet zo is. Die mensen kunnen niet als ik hun bubble heel klein maken, die mensen zitten met hun poten in de giftige modder – een weinig begerenswaardige positie, dat snapt zelfs een blind paard.

Ik denk daar even over na, heel gechargeerd gezegd: of mijn neerslachtige gevoel als luxe voelt, als privilege. Het antwoord is natuurlijk nee; het sluiten van mijn ogen is een overlevingstrategie. Nieuwsmijden betekent mijn wereld klein houden, omdat ik het gevoel heb van de wereld af te vallen als en wanneer ik dat niet doe. Het lot van anderen trek ik me nog steeds aan, ik wil alleen niet de woede voelen van de gele hesjes, om maar iets te noemen. Ik kies er tevens voor om de zwartepietendiscussie dit jaar aan me voorbij te laten gaan en realiseer me meteen dat dit het privilege is waar mevrouw Nourhussen het over heeft, een zwart iemand in Nederland heeft in haar ogen niet die luxe.

Maar ik sluit me momenteel ook af voor feministische retoriek, antisemitisme en luchtvervuiling en dat terwijl ik vrouw ben, halve jood en astmalijer. Als ik dus bij de bushalte naast een rokende tokkie sta te wachten ga ik ergens anders staan en als me weer eens wordt toegeschreeuwd dat ik moet oprotten naar mijn eigen land doe ik net of ik het niet heb gehoord. Maar dat heeft natuurlijk meer met mijden dan met nieuws te maken. Ik heb gewoon een lage tolerantiegraad voor gezeik momenteel, dat is veel dichter bij de waarheid.

Het nieuws an sich kan ik nog wel velen. Dan lees ik alleen een headline en denk ik ‘Het zal wel, Rutte is en blijft een linkmiegelende kuttekop’, het lezen van dit stuk tekst zal niks aan die mening veranderen, de pot op met z’n vaasjes en dat is dan dat. Of ik lees het wel en voel maagzuur opkomen maar weet de schade te beperken door de krant door de kamer te smijten of snel de pagina weg te klikken. Net doen of het niet zo is, zoals ik reeds zei. Of het een privilege of een gave is laat ik maar in het midden.

Nee, het zijn de verdomde comments onder die teksten die me over het randje dreigen te duwen. Wat een idioten zijn er op deze aardkloot, zeg, allemaggies. Ik hoor u denken, als u al zo wiebelig van gemoed bent, waarom léést u die onzin dan, niemand verplicht u immers? Ik ben meningenmoe en toch knipper ik soms met mijn ogen en zit dan wederom snoevend en snuivend middenin het opiniebraaksel van deze onfrisse toetsenbordhelden. Waarom voelt tegenwoordig iedereen maar de behoefte zijn of haar mening hardop (lees: online onder elk nieuwsbericht, column, artikel of post) te spuien ook al is de logica van hetgeen wordt gespuid ver te zoeken, ontbeert het elke vorm van eloquentie (louter tirades en fulminaties en een totale afwezigheid van interpunctie) en heeft de boodschap (als er al een was) enkel tot doel nog meer olie op het vuur te gooien? En als je dan oppert dat het best wel een onsje minder mag, dat géén mening of gepaste stilte soms beter werkt dan al dat onverbindende geblaat, krijg je te horen dat je een weekdier bent en dat je af bent omdat je het woord ‘verbinden’ hebt gebruikt, een woord dat tegenwoordig net zo vies is als ‘monogamie’ in de jaren 70. Tegenwoordig heeft iedereen een mening, al is die mening doorgaans net zo zacht als een achtergelaten puddingbroodje in de motregen. En toch knipper ik dus wel eens met mijn ogen en zit ik weer middenin deze drek. Soms ben je zelf je grootste vijand, nietwaar.

Ik ga u nu een geheim verklappen: Ik weet stiekem wel waarom ik de verbale diarree blijf lezen. Op de spaarzame momenten dat het ‘helemaal lekker’ met me gaat, is ramptoerist spelen best een vermakelijke vorm van tijdverdrijf. Niet te lang, want zelfs op goede dagen is te lange blootstelling aan volidiotende reaguurders (tegenwoordig niet meer exclusief op GeenStijl, elke lul met internet kan zich ertoe verlagen) gevaarlijk voor mijn gezondheid. Voor je het weet zit je weer met een spastisch trekkend oog allerlei ongefundeerde randdebielen aan beide zijden van een zogenaamd spectrum op een voetbalveldje in Tsjernobyl te wensen, al zie ik steeds minder een demarcatielijn tussen deze kanten als ik eerlijk ben. Laat ze elkaar maar kapotschelden daar op dat door godverlaten radioactieve veld en de groeten verder. De truc is jezelf op tijd terug te trekken uit de peilloze diepten van de openbare levensvisies van deze genetisch gehandicapte medemensen. Liefst nog voor het bloed begint te koken: het moet wel vermaak blijven.

Helaas worden zaken die ik vaker doe bij mij snel gewoontes. Routines. En dus stiefel ik in zo’n sombere bui nog steeds regelmatig nietsvermoedend zo’n uit de hand gelopen kleuterfittie binnen en ontdek ik dat mijn bloed al bij de derde woordenbrij van een of andere gedegenereerde josti beangstigend dicht tegen het kookpunt aanzit. Niet op tijd mezelf weggeplukt, te laat de aftocht geblazen, amai. Ik word er overigens wel beter in, een routine kun je ook onroutineren, zolang je maar bewust bent van wat je aan het doen bent. Laat ik het er maar op houden dat het een leerproces is.

En als dat negeren, dat ogen sluiten, dat heel hard wensen dat het niet bestaat (en desondanks weten dat het er wel is en er alleen voor kiezen het niet te veel gewicht toe te kennen omdat het leven al groots en meeslepend genoeg is zonder alle trollen en roeptoeters, globalisering en degeneraten) dan een privilege is – dan is dat maar zo.

Wat mij betreft een privilege waar meer mensen aanspraak op zouden moeten (en kunnen en mogen) doen.