De geur van leer en sneeuw

Altijd donker is het hier. Er is een raam, maar door dit raam kan geen zonlicht schijnen. Als de luiken open zijn zie je enkel dat het dag is of nacht. Ik zou mijn hoofd zo graag naar buiten steken, mijn romp tot aan mijn navel ver over de vensterbank gebogen, reiken naar de zon. Het kan niet, hoe mooi de ornamenten ook zijn, hoe fraai de sierlijke rondingen, het blijven stangen, decoratietralies. Ik neem de voordeur, buk me zodat ik mijn hoofd niet stoot, ons verleden bestaat uit kleine mannetjes met grootheidswaan. Ik kijk nog een keer om, mijn poppenhuiscachot in. Hier lag ze gisteren, op mijn bed dat de hele kamer vult. Ik sluit mijn ogen, voel het cliché van overspoelen zo heftig dat mijn knieën ervan knikken. Ze is mooi, zij is het, zo niet van deze stad, dit land. Ze ademt koelte uit, frisse knisperende noordelijke lucht, noorderlicht, haar rode wangen en gesloten ogen, geopend zijn ze korenbloemenblauw, vol verwachting op wat komen gaat, mijn lippen die nu bij haar hals zijn aanbeland. Zij is mijn ijsprinses, ik schaam me voor mijn zolderkamer waar alleen een bed op ons wacht, alsof ik zwijgend zeg dat ik enkel haar vlees begeer. De koele gang door, galmende voetstappen, de gemeenschappelijke voordeur uit.

Het is rustig op dit pleintje. Zo verstild en vredig, een houtduif koert zijn loom- schorre oeoe, een oude man schuifelt voorbij, zijn stok tikt op de kinderkopjes. Als ik de Via dei Magalotti doorloop, de muren dicht om me heen, geel en afgebladderd aan de ene kant, beige en fris aan de andere, alsof het smalle straatje een grens vormt tussen arm en rijk, hoor ik het geroezemoes, het crescendo bij elke stap aanzwellend. Nog even, heel even, dan word ik (fortissimo fortissimo!) opgezogen door die kolkende stroom toeristen. Ik ruik leer, over de geur van te veel mensen ruik ik altijd weer die specifieke lucht, een mengsel van gemalen eikenbast en omgewoelde aarde, als paddenstoelen in de herfst. Deze mensen, waarom lopen zij hier? Wat bezielt hen vrijwillig met het kruis tegen de rug van een onbekende ander aan te lopen, in stugge colonnes van en naar het middelpunt? Waarom neem ik altijd deze weg? Ik laat me meevoeren naar links, zou mijn ogen kunnen sluiten, de massa brengt me toch wel waar ik wezen moet. De Borgo dei Greci is geen straat die ik haat, heel vroeg in de ochtend, als de mensen uit andere landen nog slapen en de mannen van het leer hun winkeltjes openen, hun stoepjes aanvegen, een deuntje fluitend en een sigaret rokend, dan zou ik hier eindeloos willen dolen en dansen, ik zou de ijsprinses mijn stad willen tonen om half zes in de ochtend, zo van: kijk, kijk dan meisje, dit is de echte stad. Nog even en dan vindt dit muziekstuk zijn echte hoogtepunt, dan gaat de rivier op in de zee, dan waaieren wij allen een andere kant op, de een naar Cosimo op zijn paard, de ander naar David volgens Michelangelo, een derde naar de schatten binnenin het paleis, een vierde, laten we zeggen ik, in marstempo naar weer een dag van poloshirts en broeken met een vouw verkopen aan mannen van middelbare leeftijd, maar veel vaker  aan hun verbeten vrouwen met strakgeknipte coupe, en dagdromen van een blond meisje met appelwangen en de geur van sneeuw en fjorden in haar haar in mijn veel te grote bed.

Gedachten

Ik vind het bijzonder hoe mijn gedachten worden beïnvloed door mijn uitzicht. Ten oosten van deze stad kun je bijna voorbij de horizon kijken, oneindig grasland, steppe en prairie met daarboven zoveel lucht dat je je afvraagt of die laatste met armpje drukken heeft gewonnen en tot het einde der dagen meer plek mag innemen. Vroeger leefden hier indianen en bizons, tegenwoordig bijna niemand, op een paar cowboys in enorme ranches na, tussen het grote niks. Deze leegte doet wat met mij, de wind die met straffe hand het graan en het gras geselt en zzzzzzsjjj schreeuwt, dagenlang alleen dat ene woord. Ik zou hier uren kunnen staan, langzaam om mijn as draaiend, al maakt dat voor mijn uitzicht niet uit, die is overal hetzelfde. Mijn gedachten worden voortgestuwd door die ongenadige wind, soms hard een richting op, vaker alle kanten tegelijk. Als je daar controle over wilt uitoefenen ben je hier verloren. De truc is het toe te laten, de wind te voelen en je gedachten te laten gaan. Ga maar, we komen weer thuis. Uiteindelijk komen we allemaal weer thuis. Misschien zou je ze willen bijsturen, als een schaapshond zijn kudde, drijven of hoeden naar een gewenste formatie, maar ik hou van me overgeven aan de weidsheid, geen gedachte is ooit af want de wind duldt geen volmaking.

Ten westen van deze stad zijn de bergen en de bossen in de bergen. Als je daar staat, gaan je gedachten niet met je op de loop. In deze bergen kan ik me juist concentreren. Ingeklemd tussen zoveel oud gesteente voel je je eerst misschien nietig en overrompeld, maar dan word je een jedi die leert zich te focussen op een enkele gedachte, 360 graden oerkrachtgeleiding, als stralen naar een middelpunt. Hier worden gedachten vervolmaakt, je geest getraind. Hier is geen ruimte voor associatie, voor masochistisch geselen. Hier wonen de zuivere gedachten.

Lichaamsherinnering

Ik sta op de Laugarnesvegur op je te wachten. Het is koud, ik stel me voor hoe de kou in mijn botten gaat zitten zoals mama dat vroeger noemde. Het witgele skelet dat ik ook ben dat langzaam verandert door deze winterkou. Wat gebeurt er dan, worden de botten dunner, veranderen ze van kleur, temperatuur? Mama is er niet meer, ik kan het haar niet vragen. Ik denk vaak dat ik slechts in mijn hoofd besta, maar dat is onvolledig. Van wie is dit lichaam dan dat hier langzaam staat te bevriezen? Een mens wordt met bijna 300 botten geboren, maar daarvan zijn er als je volwassen bent nog maar 206 over doordat sommige botten aan elkaar groeien. Het voelt nu alsof mijn skelet een groot bot aan het worden is, lomp en langzaam staat het hier, hoe minder ik beweeg, hoe minder botten ik lijk te hebben.

Je bent laat, ik vraag me af waarom. Je bent nooit laat, niet dat ik me kan herinneren. Misschien haast je je, op een sukkeldrafje door de Sæmundargötu. Ik beeld me in hoe jouw skelet beweegt, soepel en gesmeerd, honderden botjes in samenspel op weg naar mij. Ik ben meer dan een hoofd dat denkt aan jou. Dat moet wel, mijn lichaam, met al die botjes waar dit weer in is gaan zitten, denkt ook aan jou. Herinnert zich jou. Ik ga je straks vragen je ogen dicht te doen. Binnen, bij de kachel, als we samen 412 botten zijn, vraag ik je naar jouw lichaamsherinneringen.

Undateables

Mijn zoon en ik kijken samen naar het programma ‘Undateables’ op uitzending gemist. Vandaag zien we hoe een Turkse dame met autisme, een dove man met een zichtbare beperking en een jongen (geboren als meisje) met een licht verstandelijke beperking op zoek gaan naar iemand om verliefd op te worden. Vanaf de eerste minuut is mijn kind volledig gefascineerd. Ik op mijn beurt ben gefascineerd door zijn fascinatie. Hij is zichtbaar ontroerd, hij leeft erg mee met de naar liefde snakkende mensen op mijn laptop. Ik ben simpelweg verliefd als ik hem zo gadesla.

Ik merk op dat we blijkbaar allemaal hetzelfde willen, ik hoor de kandidaten immers zeggen dat ze iemand willen om tegenaan te praten, een arm als troost, knuffelen, dingen samen doen. Ik vermoed dat het voor mensen zonder beperking niet veel anders is. Ook die willen in ultimo iemand om mee op de bank te zitten, hoe suf dat misschien ook klinkt.
Het jongetje knikt instemmend. ‘Ja, natuurlijk hebben ze dat ook nodig. Ze praat misschien wat hard en is een beetje direct [hij heeft het over de dame met autisme], maar dat is ook maar bijzaak. Vanbinnen wil ze hetzelfde. Iemand die haar lief vindt en naar haar luistert.’ Ikzelf vind tegen iemand aan ouwehoeren ook fijner dan tegen een muur praten, dus knik ik instemmend.

We komen erachter dat de dame (ze heet Birsen) een hele lijst vol eisen heeft. De prins op het witte paard moet 1. Turk zijn 2. Weten wat autisme inhoudt 3. 1.80 meter zijn en 4. ‘Luchtverfrisser gebruiken na nummer 2.’ We lachen hard om nummer 4, maar ook hier geven we Birsen gelijk, er valt weinig tegenin te brengen. Ik merk op dat ik zo’n lijst weinig romantisch en wat apart vind maar mijn man, die thee komt brengen, zegt dat het niet zo vreemd is. Op datingsites is het niet veel anders. Hoe hij dat weet vraag ik maar niet. Mijn zoon heeft geen lijst, maar wil wel een blonde, lange vriendin. ‘Ah, precies niet zo als ik,’ zeg ik en hij knikt. ‘Toch ook een soort van lijstje.’ Hij frummelt wat met zijn mond en zegt dat ik stil moet zijn.

De jongen die als meisje werd geboren gaat op date: samen pottenbakken. Heel ongemakkelijk vind ik het eruitzien, maar zijn de meeste eerste dates dat niet? De jongen doet het goed, maakt complimentjes en raakt heel lief de schouder van het meisje aan. Je ziet ze elkaar leuk vinden. Mijn zoon zegt dat hij ze zo lief vindt, dat er een klik is tussen deze twee mensen. Het gaat er allemaal wat onbehouwen aan toe, maar wat maakt het uit? Deze twee gaan elkaar nog een keer zien volgens hem.

En dan de dove man die Bas heet. Een praatjesmaker, een echte charmeur, hij heeft van alledrie nog het grootste verlangen naar een vriendin. Daar komt ze. Ik vraag me af hoe ze dat gaan doen, praten. Zij spreekt geen gebarentaal en hij is nauwelijks te verstaan. Maar het lukt, wat een wonder, ze communiceren! Geen diepe gesprekken over Nietzsche of identiteitspolitiek, maar misschien is dat maar beter ook. De doventolk zit er voor de kat z’n kut bij, benen over elkaar, armen gekruist. Voor niks gekomen.
Ze wisselen nummers uit. ‘We hebben nog contact!’ En weg is ze.

Ik vraag me af of er ook undateablesafleveringen zijn waar de daters zo geil van elkaar werden dat ze gelijk naar het vierde honk doorsjeesden, reden, rolden of strompelden. Vast wel, maar die inspanningen worden vast niet uitgezonden.
Mijn kind onderbreekt mijn gedachten en zegt: ‘Vreemd dat ze het ‘Undateables’ noemen, mama. Deze mensen zijn toch net als wij?’ Even later zien we dat het programma per dit seizoen ‘Dateables’ heet.

En zo is het. Fuck het stigma, fuck die onzin. Met of zonder label, met of zonder spraak en met of zonder rolstoel: we willen allemaal genegenheid.

Anděl

Samen in de laatste metro naar Anděl. Hij stond erop mij naar huis te vergezellen, ‘andere kant stad of niet.’ Onze achternamen lijken op elkaar, hij vindt mij blijkbaar leuk en ik waardeer zijn aanwezigheid en vasthoudendheid. Hij praat Tsjechisch tegen me, ik struikel over naamvallen en onbekende woorden, antwoord waar ik kan in de langue local, aangevuld met beneveld Engels. Dan een bus die langzaam deze heuvel die uitkijkt over Praag ophobbelt.

‘Můžu jít s tebou?’ vraagt hij als we bij mijn halte aankomen. Ik schud mijn hoofd.
‘Ne, lépe ne.’

Het is twee uur ‘s nachts als ik hem omarm en het laatste stukje berg alleen opklauter. Hij blijft zitten in een bus die de volgende halte zijn eindpunt heeft bereikt. Ik weet niet waar Martin woont, wel dat hij een eind van huis is.

(O)verleden

De kist is gesloten. Gelukkig, denk je. Welk weldenkend mens wil nou dood en opgebaard tussen een paar planken liggen, waar iedereen zich jouw doodsmasker (aangevuld met post-mortale make-up bedoeld om de voyeurs de illusie te geven dat je vredig bent gegaan) herinneren en dit laatste eenzijdige beeld meenemen in een toekomst waar jij geen deel meer van zal uitmaken. Alsof alle gedeelde momenten, jaren van oorlog en vrede, met een knip van een paar vingers, een lange blik op een zielloos lichaam in een wilgentenenkist, uitgewist worden.

Nee, het is beter dat de kist dicht is. Je herinnert je deze vrouw liever zoals ze was bij leven, omringd door de zwarte sluier van verleden, holocaust, Hitler en vervolging. Je weet nog hoe je jaren geleden haar woonkamer voor het eerst binnenstapte en de zware geur van oude boeken rook. Alsof je in een antiquariaat stond, die muskuslucht, die aardse ondertonen van knisperend bederf. Je dacht aan je astmamedicatie, maakte een mentale notitie dat je haar altijd mee moest nemen als je het huis van deze vrouw bezocht.

De vrouw heeft geen vrolijk boek in haar huis, dacht je toen je langs de lange kasten liep en de kaften inspecteerde. Alles betrof oorlog en alles was donker. Je voelde de aandrang de clown uit te hangen, zomeradem in de stilstaande lucht te blazen, zodat iets, wat dan ook, zou stromen, maar dat was ook maar een reflex. Dit is wie ze is, een vrouw die leeft in het verleden. Wie ben jij om dat te willen veranderen. Je weet nog goed dat je dat toen dacht.

En nu is ze dood en ligt ze in haar gesloten kist van wilgentenen, ook nu omringd door haar boeken en sjaaltjes en met bloemen en steentjes op het dak dat haar lichaam afschermt van het heden en van ons, de toekomst. Haar zoon zegt Kaddisj, nog even en dan behoort ook zijzelf tot het verleden.

Overgave

Je bent zo gewend aan het verkeren aan de oppervlakte dat deze ongevraagde duik in je diepe je overvalt. Iemand heeft een opening in je lichaam weten te maken, een gehaaide snee die zo op het blote oog slechts een vaag litteken zal achterlaten, maar van binnen nog lang de boel zal beroeren. Je dacht dat je een gematigd mens was, met zuinige emoties. Je dacht dat je een sterk mens was, niet snel van haar slag bij verdriet of pijn. Het blijkt niet te kloppen, het blijkt allemaal niet te kloppen want hier zit je, met die wond die van buitenaf niets voorstelt maar van binnen als koudvuur om zich heen grijpt. Je weet niet of je dit wilt, of je het aankunt. Je wankelt. Je voelt hoe je ogen trillen en je gedachten worden beheerst. Dat huilen dat je nu zo vaak doet kun je misschien aan, de vraag die je jezelf blijft stellen is of je de blijdschap kunt verdragen, het gevoel groter te zijn dan je eigen ego, het verlangen en het gemis. Het gevoel van niet te weten wat te doen wordt versterkt door een knagend gevoel van onzekerheid, waarom gebeurt Dit, waarom nu, waarom ik. Kan ik nog weglopen van deze godgelijkende tragedie, denk je, of ben ik slechts een toeschouwer in het spel van de ander, die ander die met de handen in de zakken en een deuntje fluitend jouw richting op loopt en niet vatbaar lijkt te zijn voor het vuur dat zich een weg vreet door jouw binnenste. Die onzekerheid, het verlies van controle en de stil ingehouden frustratie omdat de ander wel kan genieten en jij je met hand en tand verzet tegen overgave, een overgave waar je nota bene je hele leven van droomde. De angst dat je alleen bent met dit gevoel. De hoop dat je dat niet bent. Maar boven alles het verlangen naar de nabijheid van de ander.

De pedofiel van Pieterburen

De man van Lenie ’t Hart (u weet wel, de vrouw die tientallen jaren baas was van Zeehondencrèche Pieterburen voor ze op een zijspoor werd gezet), zo stond een paar maanden geleden in de krant, heeft een duister verleden vol kindermisbruik. Hij is daarvoor in 1990 gestraft met zeven maanden voorwaardelijk, met andere woorden geen dag boeten tenzij hij weer iets onverkwikkelijks met minderjarigen uitvreet. Gek genoeg kwam dit alles toen nauwelijks in het nieuws en dat wat er in de krant stond was geanonimiseerd. Dat is fijn voor deze man, maar minder voor zijn slachtoffers. Pas een paar maanden geleden ‘outte’ een verslaggever van Privé hem alsnog. De voormalig kinderfilm- en tv-regisseur Karst van der Meulen kreeg de voorwaardelijke straf opgelegd op basis van de getuigenissen van drie dappere kinderen die niet zwegen. Hiermee zeg ik niet dat al die tientallen, wellicht honderden, kinderen die zwegen niet dapper zijn, maar een mens kan nou eenmaal alleen een straf krijgen als door hem misdeelde mensen naar de rechter stappen. Het is jammer dat er maar drie kinderen waren die het aandurfden te verklaren hoe de voormalig film- en tv-regisseur traumatiserende handelingen bij hen verrichtte tijdens en na producties als de Zevensprong, Kunst en Vliegwerk en Martijn de Magiër, want als alles aan het licht zou zijn gekomen wat het daglicht niet kan verdragen, dan zou deze meneer in 1990 niet met een waarschuwend opgestoken vinger weggewandeld zijn.

Op de set ging hij nooit over de schreef, tenzij je de natte zoenen die alle kinderen verplicht aan hem moesten geven bij aankomst op en vertrek van de set als ongewenst aanmerkt. Eenmaal van de set maakte hij wel veel werk van zijn slachtoffertjes, plande hij alles tot in de puntjes. Zo nam hij de jonge kinderen mee op tripjes in zijn camper, uitjes naar de dierentuin en organiseerde hij gezellige sleep-overs bij hem thuis. Aanraken hoorde daar volgens hem blijkbaar bij, maar ach, het waren de jaren 70 en 80, weet u nog wel, toen waren we over het algemeen wat milder over lichamelijkheden tussen volwassenen en kinderen. ‘Kinderen hebben ook behoefte aan aanraking, affectie’ en ‘kinderen hebben ook seksuele gevoelens’, ik herinner me deze uitspraken nog wel en ze zullen zeker waar zijn, maar dat is dan een ontdekkingstocht die kinderen samen dienen te ondernemen. Een volwassene die met zijn volwassen lust kinderen seksuele handelingen laat verrichten op hemzelf of andersom (want daar draaien de getuigenissen tegen Karst van der Meulen grotendeels om, seksuele bevrediging van onder andere tienjarige – en zelfs jongere- kinderen), gaat daarbij ernstig voorbij aan het ontwikkelingsproces van een kind, confronteert het daarnaast met zijn eigen monomane behoeftes en zorgt ervoor dat de veiligheid die hij het kind had moeten bieden als volwassene voor altijd is geschaad.

Je kunt het je bijna niet meer voorstellen, maar in de jaren 70 en 80, in die wilde nadagen van de seksuele revolutie die had gepleit voor jezelf mogen zijn, werd er anders gedacht over seksualiteit en had ook de pedofiel (soort van) een plek in de maatschappij, althans volgens een grote groep vrijzinnige lieden. Helaas gold dit ‘jezelf mogen zijn’ vooral voor egocentrische volwassenen die hun plek opeisten en hadden kinderen de pech dat hun belang niet werd meegewogen. In die nagalm van opengebroken heilige huisjes was de behoefte van de seksueel bevrijde volwassene belangrijker dan die van het misbruikte kind. Het wrange is natuurlijk dat de mores van die tijd dan misschien anders waren dan de huidige, het effect dat misbruik heeft op kinderen is in al die jaren hetzelfde gebleven.

Het verschil met nu zit hem misschien in het feit dat kinderen in die tijd minder snel aan de bel trokken omdat ‘aanrakingen’ door volwassenen minder in de taboesfeer zaten dan tegenwoordig. Ook lieten ouders hun kinderen makkelijker bij die leuke overbuurman spelen, hij was zo goed met hun zoon, vriendschap tussen een volwassen man en een kind, hoe mooi is dat? Ze lieten hun kroost met liefde een weekend op pad gaan met een Karst van der Meulen, die grote kindervriend en zo betrouwbaar, want regisseur van kinderseries waarin hun kinderen mee hadden gespeeld. Je zou kunnen stellen dat je 30 jaar geleden meer vertrouwen had in mensen. Ook liet je je kinderen meer vrij. Ikzelf was uren alleen op pad als tienjarige en mijn ouders hadden geen idee waar ik uithing, als ik om half zes maar thuis was voor het avondeten. Maar een pedofiel is van alle tijden en als hij slecht in de zin heeft dan grijpt hij heus zijn kans, zowel toen als nu. De impact die dat op een kind heeft was 30 jaar geleden net zo groot al nu.

Er gaan verhalen over de pedoseksueel Karst van der Meulen van ver voor zijn tijd als tv-regisseur. We hebben het dan over midden jaren zestig, toen hij net meerderjarig was. Er doen ook hardnekkige geruchten (lees: anonieme verklaringen) de ronde over de periode na 1990, toen hij die armzalige voorwaardelijke straf kreeg en dit anoniem in de krant kwam. Die geruchten gaan over seksueel misbruik op de zeehondencrèche, waar jonge kinderen dagen aaneen kwamen helpen met de verzorging van de robbenwezen en ’s avonds gezellig met z’n allen bleven slapen. Karst van der Meulen gaf de kinderen (met leeftijden tussen de 7 en 15 jaar) die bij hem overnachtten ‘seksles’, ze kregen vieze boekjes te lezen en hij bevredigde ze dan seksueel voor het slapen gaan. Het zijn verhalen uit anonieme bronnen, verhalen die volgens meneer van der Meulen niet waar zijn aangezien hij na 1990 is gestopt met zijn pedofiele behoeftes om te zetten in seksueel misbruik van kinderen. Hij was een veranderd man, zijn huwelijk met Lenie ’t Hart (rond dezelfde tijd als zijn veroordeling) en de therapie die hij had gevolgd hadden hem doen laten inzien dat het niet door de beugel kon, het aanraken van kinderen. Hij had oprechte spijt.

Wat is dat toch met deze lui? Ik had ooit een vriend die een carrierespoor van bewijzen had achtergelaten op het gebied van zijn seksverslaving. Saunamedewerker, masseur, fysiotherapeut, uitsmijter in een hoerenkast, zweminstructeur: met de terugkijkbril is alles zo duidelijk. Karst van der Meulen trouwde met een vrouw die naar eigen zeggen meer op heeft met dieren dan met mensen, dieren zijn tenminste eerlijk. Lenie wist van het seksuele misbruik door haar nieuwe man, maar verklaarde onlangs dat dit stopte na hun huwelijk. De anonieme bronnen beweren anders, het misbruik ging gewoon door onder haar neus, op de plek die zij voor haar geliefde dieren had gecreëerd en waar kinderen dolgraag kwamen. Het is psychologie van de koude grond als ik een verband vermoed tussen Lenie haar behoeften en die van Karst, maar de anonieme verhalen over seksueel misbruik, waar zelfs de dieren van de Zeehondencrèche bij zouden zijn ingezet, doen mij echter het ergste vrezen. Iets met eens een pedo altijd een pedo.

Nu is Lenie op een zijspoor gezet door het nieuwe bestuur van de opvang. Ze is er niet meer welkom. Geen dieren meer voor Lenie, geen kinderen meer voor Karst hoop ik dan heel hard. Ik vraag me af wat Karst nu doet. Ik hoop dat hij elke dag om vergiffenis smeekt. Het zou zo fijn zijn als mensen als hij echt het licht zagen en beseften dat kinderen ernstig beschadigd raken van grote mensen die met hun piemel (m/v) aan hen zitten. Ik vind het oprecht naar dat de pedofiel in een maatschappij leeft waar zijn geaardheid niet wordt geaccepteerd, je bent wie je bent niet waar, maar van kinderen blijf je af. Met terugwerkende kracht ook voor de jaren 70 en 80 en ver daarvoor. En zit je dan toch aan een kind, of je nou een priester, kardinaal, kinderactivist, zwemleraar, verzorger, regisseur, begeleider of man van een dierenweldoenster bent: vertel me dan niet dat je de grens niet weet tussen het houden van kinderen en het beschadigen van kinderen. Want die ken je. Geloof me, die ken je maar al te goed, want je bent een mens.

Een heel slecht mens, dat wel.

 

Nagalm

Soms ontmoet je iemand die op je lijkt. Iemand die dezelfde paden volgt in zijn hoofd. Iemand die naar je luistert en ondertussen ideeën krijgt door jouw woorden, je ziet het lampje aangaan, en daarnaast ook schaamteloos jouw gezicht bestudeert zodat je moet blozen. Je zou geïrriteerd kunnen zijn maar bent dat niet; herkenning heeft zo haar voordelen. Je weet dat de woorden die je sprak aankwamen, dat iemand kan luisteren en denken en schaamteloos staren, allemaal tegelijk, ook al schreeuw je altijd dat je maar een ding per keer kan. Dat klopt niet: je ziet het aan de herkenning die je voelt, zo gaat het ook bij jou.
Praten met zo’n mens is simpel en verfrissend, een vergelijking met de lenteregen dringt zich op. Praten met zo’n mens is misschien ook overbodig, wat dan weer verwarrend werkt: waarom zwijgen als je oog in oog staat met herkenning? Je zou dan kunnen zeggen dat woorden bedoeld zijn om te overtuigen, om een mening kracht bij te zetten. Júllie kunnen praten in stilte, via draadjes in jullie hoofden, dat zou moeten kunnen met zo’n spiegelpersoon. Of misschien valt er niks te zeggen als je zo eender denkt als jullie.
Nee, natuurlijk ben je niet stil. Je praat tot je schor bent en de ander praat mee. Jullie praten samen, alleen, soms als blauwe noten, soms als echo’s en altijd die nagalm die de verbinding versterkt.
Waarom zwijgen als je samen woorden hebt? Er moet gepraat worden, oneindig veel gepraat, zodat de nagalm van de woorden zich in de herinnering van jullie lichamen weet te nestelen. Pas dan zwijg je, zullen jullie zwijgen. Doen jullie het zwijgen ertoe.

Eenzaamheid

Zonder te veel in navelstaarderij te willen vervallen -wat een godsgeschenk is dat ouder worden, hoe ouder ik word hoe minder ik die deprimerende behoefte voel- wil ik toch in navelstaarderij vervallen en met jullie delen tot welke realisatie ik onlangs kwam.

Niet plots, het was een geleidelijk proces, ik voelde de tandwielen langzaam voortbewegen in mijn hoofd, van tand naar tand naar tand, maar ineens was daar het even simpele als wonderbaarlijke en logische eindpunt: het gevoel van eenzaamheid dat ik al mijn hele leven heb, zit in mij besloten. Het is van mij, het is niet de schuld van anderen en het is ook geen gebrek aan liefde, contact, uitdaging en intimiteit, want deze zijn allemaal in wisselende hoeveelheden in mijn leven aanwezig geweest. Ik word geliefd, er zijn mensen die om mij geven, die het fijn vinden in mijn buurt te zijn. Mijn existentiële eenzaamheid is er altijd, maar is dragelijker als ik mij openstel voor sommige anderen, iets dat niet zomaar gaat in mijn geval, maar ik leer nog steeds.

Eenzaamheid ligt op het nachtkastje op mij te wachten, als een oude vriendin waar je welkom bent met je rothumeur en boeren bij mag laten en de slappe lach mee kan hebben tot je ervan moet kotsen. Zij kent mij, en ik haar en ik geniet altijd van haar nabijheid, maar ik kende Eenzaamheid nooit goed genoeg omdat ik haar afhield, bang voor een bodemloze diepte, een zwart gat en dat ik dan niet meer mijn weg omhoog wist te vinden. Ik was bang dat het zwart me zou omvatten.

In mijn puberteit was de eenzaamheid sterk, maar ook erna voelde het of de dark side me voor zich wilde winnen. Ik weet nu dat het zinloos is me ertegen te verzetten, dat die eenzaamheid oké is en bij mij hoort.
Ik wilde er zo graag bij horen, mijn hele leven wilde ik bij mensen horen waar ik me niet op mijn gemak bij voelde en dat verergerde die eenzaamheid weer. Dan stond ik op een feestje en kon ik alleen maar denken dat ik weg wilde, onder de mensen was ik, maar zo eenzaam dat het pijn deed. Dan keek ik om me heen en dacht: jullie zijn mensen, waarom voel ik geen nabijheid? Dat sommige mensen je eenzaamheid kunnen vergroten ondervond ik aan den lijve, maar het bewustzijn was er nog niet.

Vroeger op school: huilen als ik niet werd uitgenodigd op feestjes, omdat ik blijkbaar niet de goede kleren droeg of werd uitgelachen om mijn veel te korte haar. Hoe harder ik leed onder de kloof tussen mij en de mensen waar ik geen verbinding mee kreeg, hoe eenzamer ik werd, maar ik wilde zo graag bij die mensen horen die mijn eenzaamheid versterkten. Een wijze vrouw zei ooit: I guess you go too far when pianos try to be guitars en gelukkig ben ik in het bezit van een sterk karakter en iets dat op zelfliefde lijkt en voelde ik zodoende nooit de behoefte te veranderen om erbij te horen. Het maakte me verdrietig dat ik aan de zijlijn stond, maar blijkbaar niet genoeg om mezelf te verloochenen.

Ik was wel ziende blind voor mensen die misschien veel beter bij mij pasten: de andere Eenzamen, niet die mensen die hun lege binnenkant met mensen, spullen of spiritualiteit proberen te vullen, maar juist degenen die van zichzelf weten dat die eenzaamheid een kleed is dat nou eenmaal bij hen hoort, en die soort van losstaat van liefde lust verliefdheid en intimiteit. Die mensen met ook een oude bekende op hun nachtkastje. Die anderen die ook met een mantel zijn geboren.

Wat een openbaring! En wat een luxe, wat een genot dat ik ontdekt heb dat ik een radar blijk te hebben, een geheim oog die de Eenzamen spot, die anderen met hun kleed geweven uit eenzaamheidsdraad. Ik voel mij niet meer alleen, we zijn samen een eenzaamheidstapijt, een patchworkkleed van prachtige randfiguren.