Terug naar school

Voordat we een gesprek op de school waar mijn zoon volgend jaar naartoe gaat zouden hebben, moesten we eerst zijn broertje afzetten bij de bioscoop op het Hereplein. Natuurlijk waren we te laat, dus iedereen zat al in de zaal instructies aan te horen van een mevrouw van de bioscoop toen wij (het kind fris en fruitig, ik bezweet en hijgend) de grote zware bioscoopdeuren openbeukten. Oeps, ja hallo dag mensen. We kregen nog een staartje verboden/geboden mee. ‘Niet praten tijdens de voorstelling. Niet tegen de stoel voor je schoppen. Niet op de vloer stampen.’ Mijn kind zag een vriendje, holde de donkere zaal in en de mevrouw van de bioscoop hield even op met zeggen wat er allemaal niet mocht om hem welkom te heten. Gauw taaide ik af.

Op de nieuwe middelbare school aangekomen voelde ik de zenuwen door mijn lijf gieren. Ik wist niet waarom we dit gesprek hadden (was hij voorlopig geplaatst en waren we hier om door de ballotage te komen of was het een kennismaking?). Of er ook een andere reden voor mijn zenuwen was wist ik niet zeker. Ik vermoedde dat een en ander lag aan het feit dat dit mijn oude school was. Ik was net hetzelfde gebouw ingestapt dat ik meer dan 27 jaar geleden voor het laatst had verlaten. Ik wist dat er zelfs nog antieke vintage old school leraren rondliepen, van back in the day toen ik nog jong en bekommerd was. Ik verwachtte elk moment zo’n docent de hoek om te zien komen, hippe rollators in reumatische knuisten, ogen door staar aangetast. Het gebouw rook nog hetzelfde: naar puberteit. Ik hoef denk ik niet uit te leggen hoe puberteit ruikt, maar voor die enkeling die het niet meer weet zal ik over mijn hart strijken en toch een poging wagen: penetrante zweetlucht met een boventoon van verwachtingsvolle tot extreem behoeftige hormonen, afgetopt met een stevige vleug angst. Er zat een leuk groen kleurtje op de muren, in de hal was een mini-tentoonstellinkje van de modellen die leerlingen in de bouwkundeperiode hadden gemaakt. Ik herinnerde mij die lessen en voelde nu naast de zenuwen ook weemoed.

Die zenuwen, ik kon ze niet goed verklaren. Was ik bang om daadwerkelijk een oud-leerkracht te treffen die mij dan in nabijheid van man en kind na bijna 30 jaar nog even de les zou lezen? Nee, ik kan dat aan en laat maar komen, ik ben nog steeds fruitiger dan de geriatrische onderwijsposse. Vond ik het eng om nu als ouder hier te staan? Ook niet. Ik vind het weliswaar een wat merkwaardig idee dat ik nu middelbaar ben, u weet nog: jong van geest en alles, maar ik voel mij zeer zeker ouder van dit kind. Het antwoord diende zich aan tijdens het gesprek, toen een van de aanwezige docenten mijn zenuwen wegnam over het doel van deze bijeenkomst. Mijn zoon was gewoon aangenomen, ze wilden alleen alle aanstaande kinderen een keer gezien hebben voor de zomer. Ik moest bijna huilen van opluchting en realiseerde me toen dat het ook die onderliggende laag van angst had weggenomen. Het had niks met mijn schooltijd te maken gehad en alles met het fiasco van een paar jaar geleden, toen beide kinderen naar de basisschool van hetzelfde type wilden, ik gesprek op gesprek had gevoerd met de directeur, de jongens een paar dagen hadden meegelopen en alles in kannen en kruiken leek tot we te horen kregen dat ze werden geweigerd omdat ze er volgens de almachtige directeur ‘niet pasten’.
Mijn andere zoon zou ‘te mateloos’ zijn; daar hadden ze moeite mee. Het betreffende kind is zeker enthousiast, bewegelijk en praat veel, maar mateloos is hij niet. Bovendien vind ik ‘mateloos’ een van de meest curieuze redenen om iemand te weigeren, ‘harteloos’ zou ik het willen noemen. Het was een stevige kater voor ons geweest, niet in de laatste plaats voor het duo schorrie en morrie.

Nu stond dit gesprek gepland en ik was onbewust bang geweest voor weer zo’n ‘afwijzing’. Ik realiseer mij dat u nu wellicht zult roepen wat mijn nageslacht überhaupt nog op zo’n dedaigneuze school te zoeken heeft, maar dat is een ander stukje en ik leg het u graag uit, alleen niet nu.

Toen we buiten stonden voelde ik de spanning in mijn nekspieren.Toen ik thuiskwam voelde ik hoe mijn oogleden op mijn knieën hingen. Ik was hondsmoe, maar blij dat het nu klaar was en ook dat ik, soort van laat maar beter laat dan nooit, niet waar, wist waarom ik al die tijd zo strakgespannen had gestaan. Ik viel in slaap en droomde van vroeger, van de school waar het naar puberhormonen had geroken en waar ik voor het eerst verliefd was geworden.

Overgang

Ik vind zelf niet dat het kan maar het schijnt desalniettemin toch te kunnen: in de overgang geraken als je je jong van geest voelt. De overgang is voor middelbare tot oude vrouwen. Besjes. Vrouwen die voor kort pittig kiezen, samen naar de Libelle Zomerweken reizen met de trein en veel te hard samen veel te veel lol hebben en klagen over de afwezigheid van een plee, want ze moeten allemaal de hele tijd plassen, ook ’s nachts. De overgang is voor vrouwen die opgedroogd zijn, op weg naar totale verschraling. Vrouwen in de derde helft van hun leven met ruim uitzicht op de laatste fase. De overgang is voor andere vrouwen.

De dokter moest lachen om mijn opsomming. Zei dat ik het over lichamelijke aftakeling had, wat niks zei over hoe je geest zich voelde. De overgang zei iets over een levensfase, zei de dokter, wat gewoon inhoudt dat je lijf zijn functie heeft gehad en zich nu aan het voorbereiden is op het naderende einde, voegde Ik er binnensmonds aan toe. Wat zijn de klachten waar je mee kampt, Bronja? Al een flinke tijd (wat lul ik: al minstens een decennium) slaap ik uiterst beroerd, dus de overgang kan het niet zijn. Bij de jeuk krabde ik even achter mijn oor, want ook ik zag het verband toen ik vertelde dat ik de jeuk op mijn ledematen en borsten ook had gehad toen ik zwanger was. Hormonen zijn de satan. Ik dacht aan de ochtenden dat ik wakker werd en alles kraakte en piepte en ik uit bed kwam als een lijk dat nog opgewarmd moest worden. Daarover hield ik maar mijn mond. Ik dacht aan het constant moeten plassen en voelde de hitte door mijn blouse stuwen. Nee! Dit kon niet kloppen! Ik was ernstig ziek, dat moest wel, dat kon niet anders, dit was niet die vreselijke overgang van vruchtbare jonge vrouw naar onvruchtbaar permanentje met paarse kleurspoeling! Ik dacht aan het deel van mijn leven dat achter mij lag en toen aan de dorre winter in mijn verschiet en werd overmand door een lethargische spleen. Ik was zo’n vrouw geworden, zonder dat ik het aan had zien komen, mijn jonge geest had net gedaan of het niet zo was en zat nu opgesloten in het lijf van een middelbare vrouw. Ik stond op, liep naar de deur met gebogen hoofd en dacht toen fuck it.
Ik draaide me om mijn as en greep in mijn kruis, onderwijl ‘oeh’ schreeuwend. De dokter schoot in de lach en mijn spleen was voorbij. Moonwalkend verliet ik het pand.

Dan maar over the hill, mensen. Ik word de schrik van het bejaardentehuis later maar eerst geniet ik nog even van deze derde helft. Laat de opvliegers, de klotsoksels, de hangtieten en de rimpels maar komen. Deze jonge geest krijgen ze niet zo snel te pakken.

Bronja de narrige vergelijkkleuter

Dat narrige, ontevreden vergelijken met anderen wat ik stiekem nog wel eens placht te doen op onbewaakte momenten: ik wou dat ik daar eens mee ophield. Ik doel nu op schrijven en dan vergelijken met mensen die meer hebben bereikt, beter verkopen, boekcontracten aangeboden krijgen, maar toch vooral vergelijken met die schrijfbeesten die wel goed op een podium staan, om zodoende ergens opnieuw gevraagd te worden in plaats van nooit meer uitgenodigd worden omdat de mensen nou eenmaal liever luisteren naar de entertainer met een goed verhaal dan naar de misplaatste teksten van een vreemdsoortig type als ik. O ja, ook vergelijken met die schrijvers die allerhande literaire veren in hun reet gestoken krijgen (en niet nog immer lijden onder de deprimerende woorden van de Letterenfondsgoden dat het van bedroevend literair niveau is wat ik neerkalk hier en daar).

Je bent het zo zat, dat vergelijken. Aan het eind van zo’n sessie kom je er ook nooit blijer uit, hè, dus waarom stop je er dan al die tijd in? Wat is het nut in lezen dat iemand gortdroog en heerlijk onverbloemd schrijft en dat jij dan als een sikkeneurige mokkende peuter dit gelijk weer op jezelf betrekt? Je weet heel goed dat je je eigen pad te bewandelen hebt. Dat je beter kunt nadenken wat je wilt, waar je heen wilt, wat je eventueel kan verbeteren en hoe je dat zou moeten aanpakken. Terwijl jij hierover nadenkt komt er weer een bericht voorbij van een leuk literair evenementje waar jij niet wordt uitgenodigd en voor je het doorhebt zit je alweer mijlenver van het constructieve spoor. Je zen is gevlogen, je chakra’s jeuken en je weet niet of je moet stoppen met schrijven of gewoon maar moet ophouden van jezelf een natural born performer te willen maken terwijl iedereen inmiddels wel weet dat je vooral leuk bent als je thuis zit en je teksten schrijft en niemand je voor de honderdste keer ziet struikelen, en minder als je onbedoeld grappig de mist in gaat achter zo’n predikerscatheder. Als je de microfoon weer eens opeet, je bier omflikkert, de hele tijd kut roept omdat iets misgaat en de verkeerde teksten van een veel te klein scherm voorleest, onderwijl niet de zaal inkijken natuurlijk, omdat je printer op zolder staat en je te lam bent die paar stappen naar boven te zetten.

Bovenstaande alinea gaat natuurlijk over mijzelf, dan kan ik wel de tweede persoon enkelvoud aanwenden, maar geen hond die daar intrapt. Ik moet maar accepteren dat ik ben wie ik ben. Doorgaans gaat dat ook prima, soms gaat het even ronduit kut. Ik ben daar maar eerlijk over. Ik ben geen netwerker. Ik ben geen kroegtijger. Ik ben geen burleske kitten die zwoel een microfoon hanteert. Ik ben überhaupt niet iemand die je uit haar natuurlijke habitat moet halen, uitzonderingen daargelaten (paaien met gratis massages en drank en lange diepzinnige gesprekken helpt).

Ik schrijf wel, oké?, en daar houd ik het verder bij. Ik blijf schrijven ook al haakt iedereen af. Ik ga niet met mezelf leuren. Mijn podiumact bewaar ik voortaan voor mijn spiegel.

De geur van leer en sneeuw

Altijd donker is het hier. Er is een raam, maar door dit raam kan geen zonlicht schijnen. Als de luiken open zijn zie je enkel dat het dag is of nacht. Ik zou mijn hoofd zo graag naar buiten steken, mijn romp tot aan mijn navel ver over de vensterbank gebogen, reiken naar de zon. Het kan niet, hoe mooi de ornamenten ook zijn, hoe fraai de sierlijke rondingen, het blijven stangen, decoratietralies. Ik neem de voordeur, buk me zodat ik mijn hoofd niet stoot, ons verleden bestaat uit kleine mannetjes met grootheidswaan. Ik kijk nog een keer om, mijn poppenhuiscachot in. Hier lag ze gisteren, op mijn bed dat de hele kamer vult. Ik sluit mijn ogen, voel het cliché van overspoelen zo heftig dat mijn knieën ervan knikken. Ze is mooi, zij is het, zo niet van deze stad, dit land. Ze ademt koelte uit, frisse knisperende noordelijke lucht, noorderlicht, haar rode wangen en gesloten ogen, geopend zijn ze korenbloemenblauw, vol verwachting op wat komen gaat, mijn lippen die nu bij haar hals zijn aanbeland. Zij is mijn ijsprinses, ik schaam me voor mijn zolderkamer waar alleen een bed op ons wacht, alsof ik zwijgend zeg dat ik enkel haar vlees begeer. De koele gang door, galmende voetstappen, de gemeenschappelijke voordeur uit.

Het is rustig op dit pleintje. Zo verstild en vredig, een houtduif koert zijn loom- schorre oeoe, een oude man schuifelt voorbij, zijn stok tikt op de kinderkopjes. Als ik de Via dei Magalotti doorloop, de muren dicht om me heen, geel en afgebladderd aan de ene kant, beige en fris aan de andere, alsof het smalle straatje een grens vormt tussen arm en rijk, hoor ik het geroezemoes, het crescendo bij elke stap aanzwellend. Nog even, heel even, dan word ik (fortissimo fortissimo!) opgezogen door die kolkende stroom toeristen. Ik ruik leer, over de geur van te veel mensen ruik ik altijd weer die specifieke lucht, een mengsel van gemalen eikenbast en omgewoelde aarde, als paddenstoelen in de herfst. Deze mensen, waarom lopen zij hier? Wat bezielt hen vrijwillig met het kruis tegen de rug van een onbekende ander aan te lopen, in stugge colonnes van en naar het middelpunt? Waarom neem ik altijd deze weg? Ik laat me meevoeren naar links, zou mijn ogen kunnen sluiten, de massa brengt me toch wel waar ik wezen moet. De Borgo dei Greci is geen straat die ik haat, heel vroeg in de ochtend, als de mensen uit andere landen nog slapen en de mannen van het leer hun winkeltjes openen, hun stoepjes aanvegen, een deuntje fluitend en een sigaret rokend, dan zou ik hier eindeloos willen dolen en dansen, ik zou de ijsprinses mijn stad willen tonen om half zes in de ochtend, zo van: kijk, kijk dan meisje, dit is de echte stad. Nog even en dan vindt dit muziekstuk zijn echte hoogtepunt, dan gaat de rivier op in de zee, dan waaieren wij allen een andere kant op, de een naar Cosimo op zijn paard, de ander naar David volgens Michelangelo, een derde naar de schatten binnenin het paleis, een vierde, laten we zeggen ik, in marstempo naar weer een dag van poloshirts en broeken met een vouw verkopen aan mannen van middelbare leeftijd, maar veel vaker  aan hun verbeten vrouwen met strakgeknipte coupe, en dagdromen van een blond meisje met appelwangen en de geur van sneeuw en fjorden in haar haar in mijn veel te grote bed.

Gedachten

Ik vind het bijzonder hoe mijn gedachten worden beïnvloed door mijn uitzicht. Ten oosten van deze stad kun je bijna voorbij de horizon kijken, oneindig grasland, steppe en prairie met daarboven zoveel lucht dat je je afvraagt of die laatste met armpje drukken heeft gewonnen en tot het einde der dagen meer plek mag innemen. Vroeger leefden hier indianen en bizons, tegenwoordig bijna niemand, op een paar cowboys in enorme ranches na, tussen het grote niks. Deze leegte doet wat met mij, de wind die met straffe hand het graan en het gras geselt en zzzzzzsjjj schreeuwt, dagenlang alleen dat ene woord. Ik zou hier uren kunnen staan, langzaam om mijn as draaiend, al maakt dat voor mijn uitzicht niet uit, die is overal hetzelfde. Mijn gedachten worden voortgestuwd door die ongenadige wind, soms hard een richting op, vaker alle kanten tegelijk. Als je daar controle over wilt uitoefenen ben je hier verloren. De truc is het toe te laten, de wind te voelen en je gedachten te laten gaan. Ga maar, we komen weer thuis. Uiteindelijk komen we allemaal weer thuis. Misschien zou je ze willen bijsturen, als een schaapshond zijn kudde, drijven of hoeden naar een gewenste formatie, maar ik hou van me overgeven aan de weidsheid, geen gedachte is ooit af want de wind duldt geen volmaking.

Ten westen van deze stad zijn de bergen en de bossen in de bergen. Als je daar staat, gaan je gedachten niet met je op de loop. In deze bergen kan ik me juist concentreren. Ingeklemd tussen zoveel oud gesteente voel je je eerst misschien nietig en overrompeld, maar dan word je een jedi die leert zich te focussen op een enkele gedachte, 360 graden oerkrachtgeleiding, als stralen naar een middelpunt. Hier worden gedachten vervolmaakt, je geest getraind. Hier is geen ruimte voor associatie, voor masochistisch geselen. Hier wonen de zuivere gedachten.

Lichaamsherinnering

Ik sta op de Laugarnesvegur op je te wachten. Het is koud, ik stel me voor hoe de kou in mijn botten gaat zitten zoals mama dat vroeger noemde. Het witgele skelet dat ik ook ben dat langzaam verandert door deze winterkou. Wat gebeurt er dan, worden de botten dunner, veranderen ze van kleur, temperatuur? Mama is er niet meer, ik kan het haar niet vragen. Ik denk vaak dat ik slechts in mijn hoofd besta, maar dat is onvolledig. Van wie is dit lichaam dan dat hier langzaam staat te bevriezen? Een mens wordt met bijna 300 botten geboren, maar daarvan zijn er als je volwassen bent nog maar 206 over doordat sommige botten aan elkaar groeien. Het voelt nu alsof mijn skelet een groot bot aan het worden is, lomp en langzaam staat het hier, hoe minder ik beweeg, hoe minder botten ik lijk te hebben.

Je bent laat, ik vraag me af waarom. Je bent nooit laat, niet dat ik me kan herinneren. Misschien haast je je, op een sukkeldrafje door de Sæmundargötu. Ik beeld me in hoe jouw skelet beweegt, soepel en gesmeerd, honderden botjes in samenspel op weg naar mij. Ik ben meer dan een hoofd dat denkt aan jou. Dat moet wel, mijn lichaam, met al die botjes waar dit weer in is gaan zitten, denkt ook aan jou. Herinnert zich jou. Ik ga je straks vragen je ogen dicht te doen. Binnen, bij de kachel, als we samen 412 botten zijn, vraag ik je naar jouw lichaamsherinneringen.

Undateables

Mijn zoon en ik kijken samen naar het programma ‘Undateables’ op uitzending gemist. Vandaag zien we hoe een Turkse dame met autisme, een dove man met een zichtbare beperking en een jongen (geboren als meisje) met een licht verstandelijke beperking op zoek gaan naar iemand om verliefd op te worden. Vanaf de eerste minuut is mijn kind volledig gefascineerd. Ik op mijn beurt ben gefascineerd door zijn fascinatie. Hij is zichtbaar ontroerd, hij leeft erg mee met de naar liefde snakkende mensen op mijn laptop. Ik ben simpelweg verliefd als ik hem zo gadesla.

Ik merk op dat we blijkbaar allemaal hetzelfde willen, ik hoor de kandidaten immers zeggen dat ze iemand willen om tegenaan te praten, een arm als troost, knuffelen, dingen samen doen. Ik vermoed dat het voor mensen zonder beperking niet veel anders is. Ook die willen in ultimo iemand om mee op de bank te zitten, hoe suf dat misschien ook klinkt.
Het jongetje knikt instemmend. ‘Ja, natuurlijk hebben ze dat ook nodig. Ze praat misschien wat hard en is een beetje direct [hij heeft het over de dame met autisme], maar dat is ook maar bijzaak. Vanbinnen wil ze hetzelfde. Iemand die haar lief vindt en naar haar luistert.’ Ikzelf vind tegen iemand aan ouwehoeren ook fijner dan tegen een muur praten, dus knik ik instemmend.

We komen erachter dat de dame (ze heet Birsen) een hele lijst vol eisen heeft. De prins op het witte paard moet 1. Turk zijn 2. Weten wat autisme inhoudt 3. 1.80 meter zijn en 4. ‘Luchtverfrisser gebruiken na nummer 2.’ We lachen hard om nummer 4, maar ook hier geven we Birsen gelijk, er valt weinig tegenin te brengen. Ik merk op dat ik zo’n lijst weinig romantisch en wat apart vind maar mijn man, die thee komt brengen, zegt dat het niet zo vreemd is. Op datingsites is het niet veel anders. Hoe hij dat weet vraag ik maar niet. Mijn zoon heeft geen lijst, maar wil wel een blonde, lange vriendin. ‘Ah, precies niet zo als ik,’ zeg ik en hij knikt. ‘Toch ook een soort van lijstje.’ Hij frummelt wat met zijn mond en zegt dat ik stil moet zijn.

De jongen die als meisje werd geboren gaat op date: samen pottenbakken. Heel ongemakkelijk vind ik het eruitzien, maar zijn de meeste eerste dates dat niet? De jongen doet het goed, maakt complimentjes en raakt heel lief de schouder van het meisje aan. Je ziet ze elkaar leuk vinden. Mijn zoon zegt dat hij ze zo lief vindt, dat er een klik is tussen deze twee mensen. Het gaat er allemaal wat onbehouwen aan toe, maar wat maakt het uit? Deze twee gaan elkaar nog een keer zien volgens hem.

En dan de dove man die Bas heet. Een praatjesmaker, een echte charmeur, hij heeft van alledrie nog het grootste verlangen naar een vriendin. Daar komt ze. Ik vraag me af hoe ze dat gaan doen, praten. Zij spreekt geen gebarentaal en hij is nauwelijks te verstaan. Maar het lukt, wat een wonder, ze communiceren! Geen diepe gesprekken over Nietzsche of identiteitspolitiek, maar misschien is dat maar beter ook. De doventolk zit er voor de kat z’n kut bij, benen over elkaar, armen gekruist. Voor niks gekomen.
Ze wisselen nummers uit. ‘We hebben nog contact!’ En weg is ze.

Ik vraag me af of er ook undateablesafleveringen zijn waar de daters zo geil van elkaar werden dat ze gelijk naar het vierde honk doorsjeesden, reden, rolden of strompelden. Vast wel, maar die inspanningen worden vast niet uitgezonden.
Mijn kind onderbreekt mijn gedachten en zegt: ‘Vreemd dat ze het ‘Undateables’ noemen, mama. Deze mensen zijn toch net als wij?’ Even later zien we dat het programma per dit seizoen ‘Dateables’ heet.

En zo is het. Fuck het stigma, fuck die onzin. Met of zonder label, met of zonder spraak en met of zonder rolstoel: we willen allemaal genegenheid.

Anděl

Samen in de laatste metro naar Anděl. Hij stond erop mij naar huis te vergezellen, ‘andere kant stad of niet.’ Onze achternamen lijken op elkaar, hij vindt mij blijkbaar leuk en ik waardeer zijn aanwezigheid en vasthoudendheid. Hij praat Tsjechisch tegen me, ik struikel over naamvallen en onbekende woorden, antwoord waar ik kan in de langue local, aangevuld met beneveld Engels. Dan een bus die langzaam deze heuvel die uitkijkt over Praag ophobbelt.

‘Můžu jít s tebou?’ vraagt hij als we bij mijn halte aankomen. Ik schud mijn hoofd.
‘Ne, lépe ne.’

Het is twee uur ‘s nachts als ik hem omarm en het laatste stukje berg alleen opklauter. Hij blijft zitten in een bus die de volgende halte zijn eindpunt heeft bereikt. Ik weet niet waar Martin woont, wel dat hij een eind van huis is.

(O)verleden

De kist is gesloten. Gelukkig, denk je. Welk weldenkend mens wil nou dood en opgebaard tussen een paar planken liggen, waar iedereen zich jouw doodsmasker (aangevuld met post-mortale make-up bedoeld om de voyeurs de illusie te geven dat je vredig bent gegaan) herinneren en dit laatste eenzijdige beeld meenemen in een toekomst waar jij geen deel meer van zal uitmaken. Alsof alle gedeelde momenten, jaren van oorlog en vrede, met een knip van een paar vingers, een lange blik op een zielloos lichaam in een wilgentenenkist, uitgewist worden.

Nee, het is beter dat de kist dicht is. Je herinnert je deze vrouw liever zoals ze was bij leven, omringd door de zwarte sluier van verleden, holocaust, Hitler en vervolging. Je weet nog hoe je jaren geleden haar woonkamer voor het eerst binnenstapte en de zware geur van oude boeken rook. Alsof je in een antiquariaat stond, die muskuslucht, die aardse ondertonen van knisperend bederf. Je dacht aan je astmamedicatie, maakte een mentale notitie dat je haar altijd mee moest nemen als je het huis van deze vrouw bezocht.

De vrouw heeft geen vrolijk boek in haar huis, dacht je toen je langs de lange kasten liep en de kaften inspecteerde. Alles betrof oorlog en alles was donker. Je voelde de aandrang de clown uit te hangen, zomeradem in de stilstaande lucht te blazen, zodat iets, wat dan ook, zou stromen, maar dat was ook maar een reflex. Dit is wie ze is, een vrouw die leeft in het verleden. Wie ben jij om dat te willen veranderen. Je weet nog goed dat je dat toen dacht.

En nu is ze dood en ligt ze in haar gesloten kist van wilgentenen, ook nu omringd door haar boeken en sjaaltjes en met bloemen en steentjes op het dak dat haar lichaam afschermt van het heden en van ons, de toekomst. Haar zoon zegt Kaddisj, nog even en dan behoort ook zijzelf tot het verleden.

Overgave

Je bent zo gewend aan het verkeren aan de oppervlakte dat deze ongevraagde duik in je diepe je overvalt. Iemand heeft een opening in je lichaam weten te maken, een gehaaide snee die zo op het blote oog slechts een vaag litteken zal achterlaten, maar van binnen nog lang de boel zal beroeren. Je dacht dat je een gematigd mens was, met zuinige emoties. Je dacht dat je een sterk mens was, niet snel van haar slag bij verdriet of pijn. Het blijkt niet te kloppen, het blijkt allemaal niet te kloppen want hier zit je, met die wond die van buitenaf niets voorstelt maar van binnen als koudvuur om zich heen grijpt. Je weet niet of je dit wilt, of je het aankunt. Je wankelt. Je voelt hoe je ogen trillen en je gedachten worden beheerst. Dat huilen dat je nu zo vaak doet kun je misschien aan, de vraag die je jezelf blijft stellen is of je de blijdschap kunt verdragen, het gevoel groter te zijn dan je eigen ego, het verlangen en het gemis. Het gevoel van niet te weten wat te doen wordt versterkt door een knagend gevoel van onzekerheid, waarom gebeurt Dit, waarom nu, waarom ik. Kan ik nog weglopen van deze godgelijkende tragedie, denk je, of ben ik slechts een toeschouwer in het spel van de ander, die ander die met de handen in de zakken en een deuntje fluitend jouw richting op loopt en niet vatbaar lijkt te zijn voor het vuur dat zich een weg vreet door jouw binnenste. Die onzekerheid, het verlies van controle en de stil ingehouden frustratie omdat de ander wel kan genieten en jij je met hand en tand verzet tegen overgave, een overgave waar je nota bene je hele leven van droomde. De angst dat je alleen bent met dit gevoel. De hoop dat je dat niet bent. Maar boven alles het verlangen naar de nabijheid van de ander.