Scholenbezoek

Gisteren waren we op de openavond van een christelijke middelbare school in onze stad. Aaron had er weinig zin in en ik kan ook niet zeggen dat ik er veel animo in had. We zijn allemaal moe moe moe, liefst zitten we met oogkleppen op de bank en sluiten we zo de wereld buiten. Die buien hebben wij soms in ons huis, doorgaans als er meer van ons wordt verlangd dan het gangbare en nu waren dat de citotoetsen en een hele trits kwakkeligheden en ziektes, de een met de ander aangestoken en dus ook die scholenbezoeken en voorts beugels die niet goed zitten en elke keer weer een ritje naar de orthodontist vereisen. Ik wist niet dat je neerslachtig van een beugel kon worden maar het kan echt.

En nu was er dus het bezoek aan de christelijke school. Op ons tandvlees sjokten we de grote hal in waar een koor van kinderen ons tegemoet zong. We konden niets van de tekst verstaan maar het was vast het clublied, of hoe noem je een lied dat de ziel van een school zou moeten verbeelden. Veel witte kinderen, een paar bruine en ik zag ook een meisje met een hoofddoek foldertjes aan de mensen die de kou meer naar binnen namen uitdelen. Ik hoorde zelfs Fries in de gangen, een mem en haar zoon die spraken over wat ze in het godsdienst lokaal hadden gezien; een engel, een droomvanger en een menorah, zag ik later zelf. Ik heb namelijk geen idee wat dromenvanger in de taal van de buren is en ik hoef het ook niet per se te weten.

De school bruiste van leven zoveel enthousiaste leraren en leerlingen liepen er rond. Zouden ze in het geniep kinderen die hier naar school gaan en volwassenen die Duits, biologie en natuurkunde doceren hebben gekloond, in de tochtige kelder van dit enorme pand of bij de rector thuis in het bijgebouw dat hij bij de belastingdienst opgeeft als werkruimte? Zouden het hun klonen zijn die hier zo aanstekelijk stonden te zingen en vertellen, niet precies Stepford mannen en vrouwen en kinderen, maar wel uitzonderlijk uitzinnig voor buiten schooltijd en onbetaald.

Aaron vermaakte zich in het natuurkundelokaal met de proefjes, de studieboeken die er ook lagen negeerde hij met verve. Ik stond gefascineerd naar de opgezette beesten in het biologielokaal te kijken, bij ons op school, in een andere tijd, diep in de vorige eeuw, zwommen er koeienogen op sterk water in het biologielokaal en misschien een embryo van het een of ander, maar dit was van een heel ander niveau. ‘Ik zou voor deze school gaan en dan alleen biologie kiezen,’ mompelde ik tegen mezelf. Een meisje van een jaar of 15 hoorde wat ik zei en maakte dat ze weg kwam.

Door de opgezette beesten moest ik aan de jongste zoon denken die voor het eerst langer dan een uur alleen thuis was, gewapend met mobiel van broer en instructies wat te doen in noodgevallen. Het bruggetje is minder luguber dan je misschien denkt: de jongste houdt van opgezette beesten. Ik pakte mijn telefoon en zag dat hij zeven keer had gebeld. Twintig minuten geleden. Mijn hart maakte een sprongetje: wat was daar gebeurd? Mijn man had ook een pagina vol gemiste oproepen van schorrie, van morrie. Terugbellen kon niet, de telefoon stond uit. Met gezwinde spoed hink stap sprongen wij langs de euforische mensen de auto in. Ik was nog niet in paniek maar het had er wel veel van weg.

Thuis was er een ijsberend boos door bang jongetje: zijn vriendinnetje had voor de deur gestaan met de vraag of hij kwam buitenspelen. Maar het kon niet, het mocht niet, hij kon niet zo maar weggaan en papa en mama namen niet op en hij had zo vaak gebeld dat de telefoon zwart was geworden en tot overmaat van ramp was een reanimatie ook niet gelukt. Ik liep naar het tafeltje waar de telefoon lag en zag de levensader doelloos in het stopcontact ernaast hangen.

Kampnijd

De hitte die je in warme wolken omarmt, verstikt bijna, de rode aarde, de bougainvillea die in zoveel kleuren bloeit, het stof dat overal is: elke keer als ik Ben Gurion uitstap is het deze combinatie van zintuiglijke waarnemingen die mij vertellen dat ik thuis ben gekomen. Vaak moet ik huilen als ik de rit van het vliegveld naar de stad maak, alsof iets in mij heeft geslapen en nu door de klamme deken en de geuren van dit land ontwaakt.
Het is alweer jaren geleden dat ik in Israël was en ik mis het. Zelfs de schreeuwende taxichauffeurs met zwarte vachten op de vingers, rokend in hun stinkende bmw’s, de straatkatten die in elk steegje de vuilnis uit de zakken trekken, schor naar me miauwen, de vlooien zichtbaar springend op de rug, mis ik, maar misschien spreekt nu de vertekenende bril van de nostalgie.

De laatste keer dat ik in Israël was, waren we in Kfar Saba op bezoek bij de aanwaaigrootouders van mijn man die daar in een soort bejaardenkolonie wonen. De verzengende hitte van het land laat je achter bij de elektrische deur waar ze geduldig wacht op je terugkeer, als een hond met riem aan een paal. Binnen is het niet aangenaam, je wilde dat je een vest mee had genomen.

Ik ben dol op Yitzhak, al is hij nu dood. Hij vertelt zo mooi over zijn nieuwe land. Voor zijn oude land Polen heeft hij veel minder woorden en de woorden die hij voor zijn oude land heeft zijn vlak en tweedimensionaal. Hij en zijn vrouw Chava nodigen ons uit voor de lunch in de grote eetzaal in de kelder. Onze kinderen racen hun bestuurbare autootjes over de eetzaalvloer, behendig tussen bejaardebenen, rolstoelen en rollators slalommend. Opa vindt het prachtig, hij gaf ze die speeltjes met als enige doel de medebewoners van dit avondland op de kast te jagen en zo te zien lukt het: boze troebele blikken, reumatische vingers als een slechte imitatie van ET. Yitzhak kakelt, zijn bruingevlekte arm om mijn schouder, een goedkeurende blik op mijn decolleté. Mijn binnenste kakelt ook, fijn dat de oude man nog weet te genieten.

Om twaalf uur gaat een gong en is het buffet geopend. Onze oudjes blijven zitten, maar Yitzhak spoort ons aan erheen te gaan, met tegen onze ruggen de opmerking dat we ons niet moeten laten koeioneren door een stel bejaarden, dat we standvastig moeten zijn. We kijken elkaar aan en halen onze schouders op. Vijf minuten later begrijpen we de woorden van aanwaaiopa: het voelde of we waren aangerand door een horde ouderen, iemand reed expres over mijn tenen met een rolstoel en mijn man werd van achteren in zijn knieholten geraakt, we werden geduwd, onze borden omgegooid, in het Duits en Hebreeuws en weet ik wat voor talen nog meer uitgescholden dat we niet voor mochten dringen, terwijl de wandelstok lustig en preventief als stootwapen werd ingezet. Het was als hamsteren bij de Appie, als de lancering van een nieuwe game: we werden onder de voeten gelopen door een stel senior citizens die zich heel letterlijk niet de kaas van het brood liet eten.

Terug bij de tafel, gehavend en beduusd, weer een kakelende opa: ‘laten we mild zijn in ons oordeel over de oudjes met kampnijd’, zegt hij. ‘Jullie hebben de proef doorstaan.’

Rustig staat hij op en ondersteunt zijn vrouw terwijl ze naar het ontplofte buffet lopen. Liever de restjes van een maaltijd, dan opgegeten worden door een roedel hyenas. Ik geef hem geen ongelijk.

Sterven zul je

Je denkt niet aan de dood tot de dokter zegt dat je kanker hebt en daarna vaker als je je zo ziek als een hond voelt door de chemo. Je had liever gehad dat je niet ziek was, maar daar heb je het: je bent doodziek, zeggen ze. Maar denk je dat je dood gaat? Hoe voelt dat eigenlijk, bijna dood zijn? Iedereen is wel eens ziek, kotsen doen we allemaal, maar hoe voelt het om bijna dood te zijn? Je bent het, bijna dood, en toch wil je niet sterven. Je wilt leven, het is het enige dat je kent.
Je hebt nog zoveel te doen, nu je bijna dood bent realiseer je ineens hoeveel. Als je gezond bent doe je maar wat. Misschien een doel hier of daar, maar grosso modo is er geen groter plan. Je ademt, poept en plast, eet en drinkt, bemint en kijkt naar Netflix, je gaat naar je werk en spreekt af met vrienden. Je leeft. Als je bijna dood bent is de vanzelfsprekendheid weg en nog steeds heb je geen idee wat het precies inhoudt: er straks niet meer zijn.

Je valt anderen lastig met je monomane behoefte gehoord te worden. Anderen luisteren naar je, zonder weerwoord laten ze je uren oreren. Je gaat immers dood, dat weegt zwaar. Je wilt een stempel drukken, iets achterlaten. Je wilt dat je leven betekenis had, dat mensen je hebben gekend. Niet vergeten worden, dat wil je.

Je neemt geen rust. Geen afscheid. Je stopt pas met praten en gehoord worden als je echt dood bent. Je hebt geen keuze, sterven ga je, zeggen ze, maar waar het op neerkomt is dat je liever was blijven leven. Lees verder

Lege vlakte

Daar is het weer, die borrelende inspiratie die ik temper en terugduw tot het luikje zich weer sluit. De zelfcensuur waar ik een hekel aan heb, maar waar ik me aan vasthoud omdat ik de mensen om me heen niet wil kwetsen of in verlegenheid wil brengen. Ik gebruik geen namen van bekenden in mijn fictie, want ook al is alles bedacht, ik schijn daar mensen mee tegen het zere been te (kunnen) schoppen en ook al weet ik dat die reactie niet mijn ‘probleem’ is, trek ik het mij aan en zal geen personage in mijn verhalen ooit nog de naam van een bekende dragen tenzij ik weet dat het oké is. Ik kan je verzekeren dat ik de raarste namen verzon, Klaas-Douwe, Wilbert, Znežanka nog slechts de minst absurde, zolang ze voor mij maar niet bestaan. Ik schrijf niet over mijn moeder, mijn stiefvader, de vriend van mijn moeder, mijn broer, mijn schoonouders, de kinderen van de vriend van mijn moeder, de vriendin van mijn stiefvader, de ex die zich altijd in al mijn stukken herkent. Zoveel inspiratie en ik die en het luikje weer sluit. Misschien dat ik daarom zo vaak over mijn vader schrijf..Die is veilig weg en opgeborgen. Die kan niet meer reageren, zich niet meer beledigd voelen. Misschien zou hij bij leven nu wel tegen mij zeggen dat ik moet ophouden met mijn pathetische gedweep met hem, maar hij is dood dus het is hem niet gegeven.
Ik schrijf ook niet over mijn seksleven. Niet in het heden, in het verleden ook niet. Mijn moeder leest mee. Mijn broer. Mijn stiefvader. De vriend van mijn moeder. De kinderen van de vriend van mijn moeder. De vriendin van mijn stiefvader. De schoonzus van mijn stiefvader, de vriendin van mijn broer, de ex die zich altijd in mijn stukken herkent. Dat ik in de ogen van deze mensen het verhaal van mijn Italiaanse ex kan lezen, dat mijn kaken schaamrood zullen kleuren zonder dat ze een woord hebben doorgelaten. Dat wil ik hen besparen, maar ik vrees ook vooral mezelf. Ik wil niet dat iemand zich schaamt, geneert, ik wil niet dat ik met iemand afspreek en ik de olifant in de kamer voel rondbanjeren.

Wat is er voor nodig om dat los te laten?
Er is een leeg landschap dat ligt te wachten om bewerkt te worden, te worden geëegd, geploegd, gezaaid en geoogst; met wat bio-dynamische en creatieve landbouw ligt er inspiratie voor vele jaren die ik oversla om conflict te mijden, mensen te sparen, mensen niet te kwetsen of voor het hoofd te stoten en zonder kleerscheuren door het leven te hink stap springen.
Hoelang nog tot mijn veilige aarde uitgeput en bar is, opgebruikt?
Een maagdelijke vlakte. Wachtend op mijn komst. Grond die roept: kom kom, kom oud meisje: kom.

Meisjes die vrouwen zijn (vrouwen die meisjes zijn)

Een vriendin noemde me ooit ‘meisje‘ op Twitter. Een warme gloed gleed door de telefoon mijn vingers in, zoveel genegenheid lag er in dat woord. Ik werd er kiezel van. Een paar minuten later reageerde een oudere vrouw, duidelijk geen meisje, op het woordgebruik van mijn vriendin. Volgens haar kon het niet, een vrouw van rond de 40 die een andere vrouw van rond de 40 ‘meisje’ noemde en dat de ontvanger dan in plaats van beledigd te zijn met hartjes of dankbaarheid reageerde. ‘Jullie ondermijnen het werk van de feministen die al die jaren hebben gestreden om als gelijke behandeld te worden. Jullie zouden er fier op moeten zijn vrouw te zijn in plaats van jezelf ‘meisje’ te noemen, een woord dat aangeeft dat je niet volwassen, sterk en gelijk bent aan een man.’

Wij keken elkaar virtueel in de ogen en barstten in lachen uit. Mijn vriendin vroeg voor de zekerheid of ik het echt niet erg had gevonden, ze wist heus wel dat ik al lang geen meisje meer was. Ik kon haar verzekeren dat ik het juist fijn had gevonden, het heeft iets intiems, zo’n verkleinwoordje, net zoals het een mate van nabijheid uitstraalt als een man zijn object van affectie liefkozend ‘meisje’ noemt. Ik hou ervan, niet altijd en van iedereen, en dat zei ik ook tegen de oudere dame op Twitter, maar zij wees alles wat ik zei af. Meisjes waren kinderen, wij waren vrouwen. Geen verkleinwoorden, geen woorden die onze gelijkheid op het spel konden zetten. We deden er maar het zwijgen toe, daar op Twitter.

Maar ik ben natuurlijk gewoon een meisje, wat de vrouw op Twitter ook zei. Ik ga nauwelijks naar de kapper, ik slaap met sokken in bed als ik koude voeten heb, ik stamp in plassen, ik praat te hard, ik huppel, ik vloek, ik maak ongepaste opmerkingen, ik hou niet van lippenstift, ik lach om foute moppen en ik denk dat ik in de anale fase ben blijven steken want als mijn kinderen ‘piemel piemel piemel’ roepen of iets hardop zeggen over een kakkende hond en hoe ze zijn kont kunnen zien moet ik meestal lachen in plaats van dat ik het ongepast vind. Ik word dan wel grijs en mijn borsten gaan hangen, van binnen ben en blijf ik bljkbaar een meisje, een oud meisje, dat dan weer wel.
Sorry feministen. Sorry gelijkheid.

Thuis

Ze heeft een euthanasieverklaring laten opstellen, zorgvuldig nagelezen en getekend. Ze wil dat wij hem ook lezen en weten wanneer het moment van handelen daar is. Ze is manisch door de medicijnen, praat aan een stuk door over haar leven, drinkt water met ijs om haar slijmvliezen te sparen. Ze is 20 kilo afgevallen, weegt net zoveel als toen ze 18 was, we maken grapjes over dat ze nu eindelijk slank is, ze draagt jurken uit lang vervlogen tijden omdat al het andere te groot is. Ze is thuis. Eindelijk is ze thuis, weg uit het ziekenhuis, geen slangen meer, geen chemo, geen immunostherapie, geen levensverlengende zaken die haar alleen maar zieker maken.

Ze is thuis om te sterven en zegt dat we positief moeten zijn en we knikken over onze tranen heen.

Eigenheid

Van de week scrolde ik door de teksten die ik het afgelopen jaar heb geschreven. Het viel mij op dat mijn vader een grote inspiratiebron bleek te zijn geweest en nog steeds is, want de bron is nog steeds niet opgedroogd. Ik was me daar niet per se van bewust. Een ander valt het vast sneller op dat bepaalde onderwerpen vaker terugkomen bij mij of willekeurig welke andere schrijver. Iemand vond het bijvoorbeeld nodig om mij nadat mijn boek Verloren taal uitkwam te laten weten dat ‘het vermarkten van mijn afkomst om geld te verdienen’ zeer onsmakelijk en treurig was. Ik vond het ook verdrietig, met name vanwege het feit dat ik er nul komma nul geld mee verdien, maar alle gekheid op een stokje, zo raar is het toch niet, dat een schrijver schrijft over hetgeen hij aanschouwt, beschouwt, voelt en hoort? Dat hij oeverloos dooremmert over zijn verlangens, over hetgeen hij mist, wenst en begeert? Niet gek dat mijn vader veel langskomt op mijn scherm, ik mis hem en hou hem een beetje levend door over hem te schrijven.

Nog zo eentje: dat je misschien ook aan de tekst zelf kan zien wie hem geschreven heeft, omdat bepaalde woorden en woordcombinaties de schrijver in kwestie als het ware verraden. Net als bij blind proeven zou je dan zonder de naam van de schrijver te zien zijn tekst uit een stapel kunnen plukken omdat hij bijvoorbeeld vaak ‘slappe lach’ schrijft, of ‘dedaigneus’, of een bepaalde stijl hanteert.

Ik heb wel eens geprobeerd te schrijven ‘als een ander’. Ik zag bij iemand een klein, breekbaar tekstje, minimaal en ongelooflijk lief. Ik sloot mijn ogen en probeerde een gevoel bij mezelf op te roepen dat zulke fragiliteit kon uitlokken in mijn hoofd, hart en vingertoppen. De tekst die ik vervolgens produceerde was zo diametraal tegenovergesteld aan hetgeen ik in gedachten had gehad dat het lachwekkend was. Toen ik het teruglas kreeg ik inderdaad de slappe lach. Ik ben blijkbaar niet te sturen, in mijn woont een onstuimige Ronja de Roversdochter die gewoon doet wat ze zelf wil, een Pippi die haar schrijfwereld in richt naar haar eigen zin. Ik zeg blijkbaar, want ik had mijn zelfopgelegde schrijfopdracht heel serieus genomen. Maar stiekem misschien toch niet; opstandigheid valt niet heel makkelijk uit te roeien. De tekst die ik had geschreven nadat ik mij intern klaar had gemaakt om broos en minimaal te schrijven, was moddervet, cynisch, met lange zinnen en bijzinnen, in niets de hippe uitgebeende tekst met gemiddeld 4,9 woorden per zin die zo schitterde in al zijn eenvoud waar ik van had gedacht: dit wil ik ook eens proberen.

Ach. Mijn dikke, emotionele drab komt vast nog wel eens in de mode (en voor de mensen die nu denken dat ik zielig ben: ga weg, u herkent toch wel een gebbetje!) en tot die tijd schrijf ik kwistig door over mijn vader, mijn liefdes, mijn onzekerheid, mijn woede en de wereld om mij heen. Hier in de samizdat, in de veiligheid van mijn sub rosa, zwaai ik welgemeend en liefdevol naar de puntige onderkoelde tekstjes van de literaire collega’s en wens ik iedereen, literair of niet, jong en oud, lelijk en bloedmooi en alles ertussenin een heerlijk 2018.

In de Jumbo

We stonden in de rij voor de service- annex sigaretten/medicijnen/condooms/scheermesjes/alles-wat-duur-is-en-gejat-wordt-uit-de-winkelbalie omdat de ‘tweede voor de helft van de prijs’ niet was gepakt op het bier. Ik kreeg een geel vlaggetje in mijn handen geduwd door een meisje van een jaar of zeven, acht. Ze had lange blonde haartjes die aan een kant ruig met een klemmetje opzij waren gedaan. Ze zei dat op de achterkant een kleurplaat stond, kon ik straks thuis gaan kleuren. Ik mompelde iets van dat ik hier al wel kon beginnen zo lang als het duurde en nog duurde het voort en bedankte haar vriendelijk. De vader, of wat het dan ook was van het meisje, probeerde een gesprek aan te knopen met de moeder van de baby in ouderwetse kinderwagen achter ons, maar helemaal lukte dit niet. Zijn tong deed niet wat hij wilde en de woorden kwamen en raar verdraaid en dik uit. Hij stond onvast, bewoog zijn gewicht regelmatig van het linker naar het rechterbeen en terug. De moeder knikte veel en keek nog meer haar kinderwagen in. Het enige wat ik kon denken was ‘arm meisje’.

Achter de rij, tegen het raam op een stoel naast de dozen, zat een dikke zwarte meneer iets dat op een puddingbroodje leek te eten. Hij smakte zo hard dat ik het in de rij een paar meter verderop kon horen, de gele flubberbrij kwam bij zijn mondhoeken naar buiten. Ook ik verplaatste mijn gewicht van de ene naar de andere voet. Ik had geen hakken moeten aandoen, dacht ik. Mijn onderrug gaat kapot hier. Ondertussen stonden een jongen met blond strohaar en een oudere dame met bruin bobkapsel nog steeds bij de balie. Er was iets met een pakketje. Ik zei tegen de persoon met wie ik daar wachtte dat ik de jongen kende. Dat hij vroeger bij mijn zoon in de klas had gezeten maar niet sprak en alleen met zijn handen flapperde en kreten uitstootte. Dat ik hem een keer op schoolreis in mijn groepje had en de juf enkel had gezegd dat hij Teun heette en dat hij anders was. Ik had geen idee gehad wat ze bedoelde tot ik begreep wat ze bedoelde. Het jongetje was duidelijk niet op zijn plaats in de chaos van de speeltuinhel, het gegil en geduw en rende als een kip zonder kop tussen de speeltoestellen en de andere kinderen door. Ik begon op hem te letten en besloot hem niet uit het oog te verliezen, bleef de hele dag bij hem. Niet aanraken, dat wilde hij niet, maar praten, ik dan, uitleggen wat er ging gebeuren. Hij leek rustig te worden van mijn stem en de uitleg. Op de terugreis viel hij tegen mij aan in slaap. Na de vakantie was Teun verdwenen. Naar een andere school, had de juf gezegd. En nu stond hij hier, in dezelfde rij, in een gesprek met het meisje achter de balie.

Ik zei tegen mijn biercompaan dat hij voorheen echt niet had gesproken. Hij zei dat het nog steeds niet heel soepel ging. Dat hij sprak was echter niet te ontkennen. Hij keek het meisje zelfs aan, af en toe. Wat een verschil met zes jaar geleden! De kleine oudere vrouw met het bruine haar, ik noemde haar zijn oma in mijn hoofd want ik wist hoe zijn ouders eruit zagen en die waren heel lang en blond, zei helemaal niks. Na nog vijf minuten wachten, de zatlap achter mij en het blonde meisje waren vertrokken en de pijn in mijn rug had een nieuw hoogte- dan wel dieptepunt bereikt, liepen de jongen en zijn oma eindelijk weg. Ik probeerde te luisteren naar wat ze zeiden, benieuwd naar zijn stem, maar ik kon het niet goed verstaan. Als je hersenen het ene verwachten en het andere voorgeschoteld krijgen is daar altijd zo’n ‘bevroren tijd’- momentje, of althans bij mij, maar dat kan ook aan mij met mijn rare hersens liggen. Ik hoorde hem praten maar het klopte niet. Ik keek opzij en keek mijn vriend aan: ‘spreekt hij nou Pools?’ De vriend wist het niet, maar dat hij het niet verstond was duidelijk. Ik keek om mij heen, geen idee naar wat ik op zoek was. Steun? Begrip? Een zoete redder die uit het systeeemplafond zou komen flikkeren aan een touwtje, een por in mijn zij met een banaan van wijlen Ralph Inbar?

Er gebeurde echter helemaal niks en de jongen en zijn oma liepen langs ons, in het Pools pratend en wij waren aan de beurt. We kregen geld en een gratis bosje rozen en toen we naar buiten liepen zat de dikke zwarte meneer er nog steeds. Zijn gezicht zat vol poedersuiker. Hij was aan een nieuw puddingbroodje begonnen.

Alice in Wonderland en de graaiende bankmannetjes

Soms is het leuk om een Alice te zijn, observeren, verwonderen, over je heen laten komen van vele soorten malligheid, soms is het ook een last.

Deze moderne Alice In Wonderland heeft zich onlangs (met migraine als gevolg) allereerst verwonderd en vervolgens gevaarlijk druk gemaakt over economisch-financiële crises die ontstaan door banken die niet doen wat ze in mijn ogen behoren te doen: op onze centjes passen, door onverantwoordelijk gedrag in de financiële sector en de huizenmarkt, door mensen uit deze geldsector die zichzelf schaamteloos verrijken en daarmee het leven van het plebs (iedereen die niet met z’n vinger in de geldpap kan roeren) behoorlijk onder druk heeft gezet. Sans scrupule, zonder met de oogjes te knipperen, miljoenen aan bonussen toucheren, goochelen met cijfers, extreem risicovol beleggen en hoppa, daar is weer een bank omgevallen, een hedgefonds, zeg maar dag tegen je spaar-en beleggingsgeld (of de overheid komt je redden en houdt de bank in leven ten koste van vele vele goudstukken), een pensioenfonds dat op het randje van omvallen staat met een zeer lage dekkingsgraad en tegen zijn bejaarden en aankomend bejaarden moet zeggen dat ook dit jaar niet wordt geïndexeerd, maar dat ze op een aow ook heel leuk oud kunnen worden.

Als ik alles nattevingerachtig optel en aftrek komen ook mijn familie en ik er niet beter uit, met enkele honderden euro’s per maand bij elkaar opgeteld in de min. Minder rente (ok, bijna niks meer), minder bijslagen, minder loon, enz. Dan maar niet op vakantie, niet waar. De bankenman heeft ook recht op zijn miljoenenbonus.

Echt jongens, ik voel mij vandaag even heel erg Alice, de minder leuke versie, als ik denk aan deze mensen, die net als ik mensen zijn, van hetzelfde ras, met hetzelfde vlees en bloed, dezelfde organen en hersenen. In niets verschillen deze geldjongens- en meisjes van mij, jou en je vrienden van de voetbalclub. Waarom zijn ze dan zo kil en op het oog gewetenloos, hoe is het mogelijk dat zij moedwillig een economie in recessie helpen alleen om er zelf nog heel veel rijker van te worden?
Deze mensen leerden ook lopen en kregen luiers verschoond door hun mammies en pappies, zaten op school en veegden hun snotneuzen af aan hun mouw. Ze speelden ook met knikkers en keken Disneyfilms. Waar ging het fout? Waar verloren ze hun empathie, hun menselijkheid? Het zijn geen arme cocaboeren die een industrie in stand houden omdat ze proberen te overleven, verwerpelijk maar ergens toch begrijpelijk. Het zijn personen die van zoveel geld dat ze het niet eens in dit leven kunnen opmaken, zichzelf verrijkten tot een niveau waar ze met stevig stapelen van de bankbiljetten misschien wel tot de maan kunnen komen. Je eigen kapla-torens in geld gebouwd, kijk eens mama, hoe knap van mij.

Communisme werkt niet omdat mensen spullen willen hebben, zei Frank Zappa ooit en ik ben het daar wel mee eens. Wij zijn als mens van nature geen egalitaire wezens, wij willen in principe niet hetzelfde voor een ander als voor onszelf, het draait toch in eerste instantie om jouw overleving en die van je naasten. Op individueel niveau is dit misschien af en toe wel anders, maar als groep zeker niet en het blijft toch altijd eerst je eigen schaapjes op het droge voor je een ander de kade op helpt. Heel weinig mensen vertonen volkomen altruïstisch gedrag als ze daar zelf of hun omgeving of nabestaanden, direct of indirect, monetair of anderszins, niet beter van zouden worden. Ik vermoed dat de voorbeelden van onbaatzuchtigheid nog schaarser zijn als de persoon in kwestie er slecht voor stond en van zijn altruïstisch gedrag nog slechter zou worden. Eerst jijzelf, dan (misschien) een ander.

Ik snap de dynamiek van machtsvergaring, graaien, jezelf een groter stuk taart geven dan je broer in theorie dus best wel. Wat ik niet snap is waarom het moet ontaarden in een duivels bacchanaal van meer geld verzamelen dan je tellen kunt en dan ten koste van niet een persoon maar een hele wereld. Hoever ben je dan losgezogen van je menselijkheid? Van zedelijkheid, van fatsoen? Lach je samen met je groepje in je kapla-toren de mensen uit over en op wiens rug je jezelf hebt verrijkt, je je toren hebt gebouwd? Of denk je niet eens na over de gevolgen van je onethische daden?

Ik kijk naar zo’n meneer in zo’n pak en zie dat hij net als ik handen met vingers heeft en tanden en ogen maar ik vraag me af of hij zijn ziel, niet eens zo heel stiekem, niet heeft afgegeven aan een of andere als monnik verklede duivel ergens op een achterafplekje. Ik speur en ik speur op zoek naar tekenen hiervan op de grijnzende bankier, een verschroeide pluk haar, een illuminatie teken in zijn hals, maar ik zie niks bijzonders. Het enige dat ik zie is een uitzonderlijk slecht gelukt exemplaar mens. Hopelijk wordt bij de volgende evolutieronde deze schandvlek weggemaakt, gewoon, omdat dat beter is voor ons soort.

Let’s talk about…lichaamsbeharing

Laten we het hebben over lichaamsbeharing. Je weet wel: beharing van het lichaam. We hebben het allemaal, haren op ons lijf, de een wat meer dan de ander, dat wel. Ik zou hier een ‘helaas’ achteraan kunnen mieteren, omdat ik tot de individuen van het menselijk ras van het vrouwelijk soort behoor die door een wrede speling van het lot, of genen, daar wil ik van af zijn, ben bedeeld met een bovengemiddelde hoeveelheid van het spul, maar het hele idee van dit stukje is niet in stereotypische ellende te vervallen en het haar op het lichaam van een vrouw te verguizen en af te doen als ‘beestachtig’ of ‘smerig’. Het gaat per slot van rekening wel over mezelf en ik ben de tijd voorbij dat ik over mezelf sprak in termen van ‘smerig’ of ‘vies’. Het zou eerder een ode aan het vrouwelijke lichaamshaar moeten worden, maar ik moet zeggen dat ik niet weet of ik dat in de vingers heb. Of ik durf op te schrijven dat haar op een vrouw mooi is, behalve dan natuurlijk op het hoofd, want op het hoofd is veel haar goed en een miezerig bosje deerniswekkend.

Ik kan er lang en breed over en omheen lullen, verbloemen en net doen of het allemaal totalgeil is, maar ik vind die haren op mijn bovenlip (wenkbrauwen, neus, tenen enz) gewoon kut. Een enkele keer, in een beschouwende bui, probeer ik te achterhalen of ik het kut vind omdat ik het ding onder mijn neus cs echt lelijk vind of dat er van mij verwacht wordt dat ik hem lelijk vind en ik hem daardoor ook echt lelijk ben gaan vinden. Ik ben er nog niet helemaal uit, maar ik neig naar het laatste. Het probleem is dat zo’n mening al heel vroeg wordt gevormd en je hierdoor erg moeilijk kunt bepalen of iets aangeleerd is of niet. Het verwordt dan zo’n beetje tot je eigen mening, met een volle doos argumenten waarom het lelijk is en alles. Ik herinner mij die judolessen van vroeger, ik in een houdgreep door jongen X en jongen X die dan door de dojo schreeuwt dat Bronja eigenlijk Brezjnev heet (ja, zo oud ben ik) omdat ook mijn wenkbrauwen Brooke Shields/Leonid Brezjnev-achtige kwaliteiten hebben. Ik schaamde me kapot. Veel ouder dan tien kan ik niet geweest zijn en het was me duidelijk dat lichaamsbeharing geen goed ding was om te hebben. Geen asset, zeg maar. Of die keer dat jongen Y mij in een andere houdgreep hield en de slappe lach kreeg om de haartjes op mijn grote teen. Achteraf zou ik ook willen lachen, en zou ik hem tevens een ferme schop in zijn ongetwijfeld onbehaarde zak willen geven, want dit soort voorvallen hebben mij mede geleerd dat het vies is om haren te hebben als vrouw op andere plekken dan het hoofd.

Hebben jullie enig idee hoeveel tijd een mens (lees: ik) kwijt is met het verwijderen of blonderen, epileren of weet ik veel wat van al die ontsierende lichaamsbeharing? Nee hè. Dat dacht ik al. Ik fantaseer er wel eens over dat ik word aangereden en overal botten breek en dan weken in het ziekenhuis moet blijven en niks aan al dat monsterlijke haar kan doen. Ik moet dan bijna huilen van blijdschap. Het lijkt me zo bevrijdend! Zo’n opluchting! Geen gedoe meer, geen gepriegel. Geen pijn meer, geen tranen omdat het uittrekken van sommige haartjes zelfs na 4669 jaar uiterst onprettig voelt. Ik zou daar dan liggen, in al mijn harige glorie en zeeën van tijd over hebben om te besteden aan het lezen van een boek, slapen, mindless scrollen op facebook of mijn lievelingshobby: eten en drinken. De mogelijkheden die zich aandienen als je zou zeggen: sterf maar met je scheren, epileren, conformeren, zijn schier eindeloos.

Waarom doe ik het dan niet? Dat is een retorische vraag. Naarmate ik ouder word, bemerk ik wel een zekere laksheid bij mezelf. Die snor gaat alleen in de verf of anderszins dood als mijn oudste zoon naast me ligt op een zonnige dag en dan lang naar me kijkt, zo lang dat ik inmiddels al weet wat gaat komen en hij dan inderdaad zegt: ‘Oh mama, je hebt een snor!’, op een toon alsof hij het wiel heeft uitgevonden. Elke keer opnieuw vormt deze wonderbaarlijke constatering het startschot voor weer een martelrondje in de badkamer. Tot gisteren. Gisteren vroeg ik hem waarom hij steeds zei dat hij mijn snor weer zag en het antwoord was even verbazend als verfrissend: ‘Gewoon, geen reden. Ik zie hem. En dan zeg ik het hardop. De meeste vrouwen hebben geen snorharen en als ik ze dan zie bij jou, nou, dan vallen ze me op.’

Ik aaide even over mijn snor, met duim en wijsvinger streek ik de haren de juiste kant op, zoals de gesoigneerde heren een eeuw geleden hadden gedaan. De hoed en de monocle dacht ik er zelf bij. Werd dit dan het moment dat ik mij als trendsettster zou profileren, als Bushy Bronja door het leven durfde te gaan? De millennialmeisjes schijnen al begonnen te zijn met het laten staan van hun okselhaar, maar of de wereld klaar is voor de overtreffende trap van haar bij haar waag ik te betwijfelen.