Twijfel

Sinds anderhalve week is het manuscript waar ik ruim een jaar aan heb gewerkt af. Ik ben het nu aan het doorpluizen, gênante taalfouten verwijder ik stilletjes, ik plaats wat komma’s hier en daar, ik sloop een enkele zin. Wat ik vooral doe is het helemaal lezen. Van voor naar achteren: de hele tekst. Voor het eerst.

Dat wekt een hoop emoties bij me op kan ik je vertellen en helaas niet allemaal plezierige. Zeker, het is wonderlijk om te zien wat mijn geest besloot te doen toen ik mezelf opdracht gaf tot het schrijven van mijn eerste roman, fictie dus – dat was mijn eis; geen waargebeurde verhalen, geen autobiografisch relaas. Ik wilde zien of ik instaat ben tot het schrijven van iets dat van a tot z verzonnen is. Ik blijk dat te kunnen, er ligt een tastbare stapel papier voor me met meer dan 90.000 woorden die ik erop heb getikt het afgelopen jaar. En ja, het heeft een kop en een staart, ik vermoed dat het leesbaar is en misschien zelfs wel meer dan dat. Er valt wat te lachen, wat te huilen, een hoop te verwonderen.

Ik weet alleen niet of hetgeen ik wil overbrengen ook echt zal overkomen op eventuele lezers. Dat zal dan vooral aan mij liggen, ben ik bang. Aan mijn schrijfstijl, aan de manier hoe ik schrijf, al zou het ook heel best voor een deel kunnen liggen aan de lezer, of hij bereid is moeite te doen.

Niet gelijk steigeren. Ik leg het uit.

Vorig jaar werd mijn aanvraag voor een beurs van het Letterenfonds afgewezen: niet literair zou ik zijn, ze hadden er geen fiducie in. En hoewel ik een hoop middelvingers richting de Nieuwe Prinsengracht heb opgestoken en ik vaak dacht: ‘well, that is just your opinion, man,’ moet ik eerlijk toegeven dat ik er blijkbaar ook een fikse knauw van heb gekregen. Zo ben ik, nadenken over alles. Waarom ben ik niet literair. Wat is literair. Wil ik het überhaupt zijn. En dan weer terug naar die opgestoken middelvingers naar de elite aan de grachtengordel, absoluut.

Ik ben dus niet literair, volgens het sanctum sanctorum van de Nederlandse Letteren. Maar wat ben ik dan wel? Ik begon aan een roman en ik voltooide hem. Literair of niet, dat bleek ik in elk gevan te kunnen, de ruwe versie ligt immers voor me. Er was een verhaal dat eruit moest, uit mij, en zo geschiedde. Er kwam een voor mij volkomen onverwacht einde; het verhaal leefde onder mijn vingers zijn eigen leven, ik kan je verzekeren dat dat een wonderlijk iets is. Ik keek naar de woorden die zich tot zinnen vormden op mijn scherm en snapte niet waar ze vandaan kwamen.

Het feit dat je schrijver bent maakt je echter niet automatisch literair. Dat wist ik al, maar door de afwijzing van dat Fonds weet ik het nog meer.

Ik heb het opgezocht, literair: het is als een soort Avalon, een in nevelen verborgen eiland dat alleen voor ingewijden toegankelijk is. Een onneembaar fort vol subjectieve criteria. Te denken valt aan: uitgediepte personages met emoties en complexe  beweegredenen in plaats van platte karakters. Diepere lagen, niet enkel dialoog en actie. Literatuur blijkt niet enkel ter ontspanning te zijn, las ik, het moet je aan het denken zetten. Literatuur is origineel, niet het naschilderen van een bestaand werk, het volgen van een bepaald stramien. Literaire schrijvers zouden zich niet voegen naar trends, grillen, maar hun eigen stem volgen, wars van keurslijven en wat anderen verwachten, willen, wensen en wat nu op dit moment in de mode is. Geen eenheidsworst.

Ik moet zeggen dat ik ietwat in de war ben. Want als je het verhaal dat nu voor me ligt langs bovengenoemde lat legt, zou je het heel best literair kunnen noemen. Maar dat klopt dus niet, heb ik mij laten vertellen door het Fonds. Wars van het hedendaagse telegramstijlfetisjisme, die jip en jannekestijl, de pretentieloze, uitgebeende en onderkoelde teksten die momenteel zo populair zijn, kom ik aanzetten met mijn dramatische taal, mijn uitweidingen en mijn herhalingen, die soms als bezweringen fungeren en soms zijn bedoeld om je iebelig te maken, over-alert, met mijn oeverloze monologen intérieur, met al die beschrijvingen van omgeving en natuur waar op het moment geen hond op lijkt te zitten wachten. Ik gebruik nog net niet drie uitroeptekens waar 1 volstaat, maar…. puntjes zijn mij niet vreemd… Een groot anachronisme ben ik, of in elk geval hetgeen ik schrijf lijkt dat te zijn.

Ik heb geen idee echter of lezers voorbij de herhalingen kunnen (en willen!) lezen, voorbij de verstilling, de momenten dat er niets gebeurt, zelfs voorbij hetgeen ik overduidelijk schrijf, want er valt meer te lezen dan er staat. Het zou me niet verbazen dat het boek ook alleen door vrouwen gelezen gaat worden omdat het hoofdpersonage een vrouw is en ook nog eens een totaal gestoorde vrouw. Zucht, hoor ik de kerels denken: weer een hysterische vrouw die grandioos van het pad is geraakt: boeien. Wat is er vernieuwend aan dit thema? Misschien toch niet zo literair, dan?

Zucht.

Ik kan van mezelf erg slecht zeggen of ik het goed vind wat ik schrijf, of juist slecht, of iets daartussenin. Dat ligt aan mijn eeuwige twijfel. Twijfel aan mijn eventuele talent, maar ik vermoed dat het ook iets van doen heeft met mijn onzekerheid of wat ik schrijf wel mensen bereikt. Ik kan zelf wel graag iets willen schrijven en het mooi vinden, maar of het anderen boeit? Of het iets toevoegt?Of het mij überhaupt boeit wat anderen ervan vinden, al mag je dat laatste natuurlijk niet hardop zeggen, want dat komt arrogant over en er zijn ook nog eens tientallen gaten in te schieten.

Ja, je zou kunnen zeggen dat ik een literairfixatie heb opgelopen en geloof me als ik zeg dat ik liever zonder had gezeten, want het leidt af van wat ik schrijf en wil schrijven, en met name van het vrijelijk schrijven (wat ik toch wel doe, maar dan nu met nog meer twijfel en onzekerheid).

Ik had wat meer als The Dude willen zijn. ‘Whatever, man.’

Je zou ook kunnen stellen dat ik in een spagaat zit: wat wil ik met mijn schrijven en wie wil ik bereiken? Wil ik stiekem toegankelijk schrijven omdat ik veel lezers wil bereiken? Toegankelijkheid in combinatie met herkenbaarheid en sensatie, daar bereik je de mensen tegenwoordig mee: een waargebeurd verhaal is mateloos populair. Of wil ik schrijven wat ik zelf wil, wat ik zelf belangrijk vind, ongeacht trends of die onstilbare behoefte van lezers naar sensatie en vermaak, opwindende kijkjes in de levens van anderen, met het risico dat zo’n boek maar 200 keer wordt verkocht, als er überhaupt al een uitgever is die er iets in ziet?

En dan de kers op de taart: voel ik me nog wel schrijver als ik altijd subrosa blijf schrijven, als bijna niemand mijn woorden leest? Mijn hemel, bén je wel schrijver als je nauwelijks wordt gelezen? Als je als smoezelige armetierige gribus tegen de klippen op blijft schrijver op je donkere zolderkamer?

Natuurlijk wel, natuurlijk wel, dat wordt  mijn nieuwe mantra, maar waarom dan die onvrede, die enorme onzekerheid? Misschien dan toch overstag gaan en commercieel gaan schrijven, letters voor de massa, waarom ook niet?

Ik heb dan even wilde plannen, zie het helemaal voor me, maar die plannen zijn de volgende dag alweer vervangen door een obscuur idee voor een volgend boek dat niemand zal lezen.
En toch en toch …Ach, welnee. Het antwoord is heel eenvoudig: nee, dat kan ik niet. Ik schrijf alleen over onderwerpen die mij interesseren en ik vermoed dat wat mij raakt en in beroering brengt niet bijster commercieel van aard is.

Ik moet er maar mee leren leven. En een andere vorm van brood op de plank zien te vinden. Zie het als open sollicitatie. Bij dezen, dus. Misschien toch maar iets met letters…

Perry

Er zit al 20 jaar een liedje in mijn kop waarvan ik alleen de titel weet en een paar zinnetjes tekst. Ik hoorde het voor het eerst op de werkkamer van een vriend, het zal 1998 zijn geweest en het internet was nog schattig met websites met gele letters op een witte achtergrond en fluorescerend knipperende balkjes waar je zeker niet op moest klikken want laden duurde 12 uur en dan had je nog niks. Het was de tijd van het inbellen met een 64kb modempje, of daaromtrent, en dat klonk alsof je veel te luid, supra Rosa, je agent in Rusland met adhdmorsecode inlichtte over de verwikkelingen buiten het moederland. Ik heb het altijd gênant gevonden, maar misschien is dat omdat ik daadwerkelijk een geheim agent van de FSB ben. Het was ook de tijd van ICQ, een plek op dat malle internet waar je soort van anoniem kon chatten met onbekenden, maar dat is weer een ander verhaal.

Ik hoorde het liedje dus op de werkkamer van die vriend, die het op Soulseek had gevonden, ingeklemd tussen een tiental liedjes van onbekende Nederlandse bandjes. Ik denk dat het een of andere sampler was, maar het is een eeuwigheid geleden en ik heb een vrij beroerd geheugen. Ik vond het prachtig, de tekst in klungelig middelbare school Engels en de gitaar soms te stevig aangezet bij de breekbare stukjes over een tragisch verlopen liefde, alsof de gitarist zich niet over de tekst had gebogen of misschien wel maling had aan het verzoek timide te spelen op de momenten dat de mislukte liefde wordt bezongen. Misschien was hij net bedrogen en haatte hij de liefde, dat kan natuurlijk ook.

Vanochtend werd ik wakker en hoorde ik het meisje weer de eerste zinnen zingen. Ik ging rechtop zitten omdat ik, niet anders dan de afgelopen 20 jaar, nu écht meende mij het liedje te herinneren. Op het moment dat ik rechtop zat en mijn mond opende om de woorden te zingen losten de interne noten op in het niets en bleef ik achter met slechts de titel, de begin zin en na heel lang nadenken een deel van de tweede zin.

Ik heb de twee zinnen die ik wel weet tientallen keren gegoogled en dat leverde niks op. Ik weet de bandnaam niet eens. Soms ben ik boos op Google, wat een prut zoekmachine is het toch, maar meestal draagt het niet-mijn-vinger-kunnen-leggen gevoel bij aan mijn toch al hoogontwikkelde melancholie. Alsof je je een liefde uit je vroege jeugd herinnert, de lichamelijke sensatie van het dicht bij elkaar staan, de geur van appelshampoo in zijn haar, de kleine sproetjes op zijn bovenlip, maar zijn naam, zijn naam ben je vergeten.

Ik ben bang dat het er niet beter op gaat worden, met mijn voeten al stevig in de derde helft. Mijn dans rond de jongen die Perry heet is al 20 lange jaren gaande. Nooit kom ik dichterbij. Als hij zou hebben bestaan zou hij een middelbaar jongetje zijn, misschien met een buikje, zeker met borsthaar en God beware me, met rughaar en een kalend hoofd, maar aangezien hij alleen in mijn dromen en binnenwereld leeft, blijft hij voor altijd jong en dromerig. Misschien dat ik hem ooit nog echt leer kennen, al zijn woorden, de naam van zijn bedenkers, zijn hele lied, maar veel hoop heb ik niet.

Dingen die mij ontregelen

Dingen waar ik ontregeld door ben op deze nog behoorlijk jonge woensdag 6 juni:

– Mijn bijna voltooide manuscript totaal naar de filistijnen na een zgn update van iOS. Kan niet meer ‘opslaan als…’, opmaak naar de klote enz. Dit was niet het plan, jongens.

– Word dat niet meer afsluit na deze update en computer die daarom schijnbaar niet meer uit kan. Computers horen af te sluiten na gedane arbeid.

– Snurkende mannen. Moe wordt een mens daarvan.

– Buren die klaarkomen (met openstaande ramen) terwijl ik mijn ochtendkoffie in rust dacht te drinken in de tuin. Andermans seks moet verboden worden, of op zn minst onhoorbaar zijn.

– Tandgruis op mijn tong bij het ontwaken.Tanden horen in je kaak vast te zitten, niet als poeder op je tong te liggen.

– De aanblik van het grafje van de vorige maand overleden kater Joris in de tuin als ik mijn ochtendkoffie drink terwijl ik schrik van een buurman met zaadlozing. Geen uitleg.

– Joris die vandaag vier zou worden maar dus in een grafje in de tuin ligt. Idem.

– Geen kat in huis. Ik mis zijn gesnurk. Als de kat snurkte was het wel lief.

– Blaren en alle ellende die daarbij hoort op mijn hielen. Vanavond op mijn luipaardslippers naar een feestje, paupers unite.

– Iemand missen (die er dus niet is). Dat is nog wel het meest ontregelend van alles.

Verder alles hunky-dory.

Probleemoplossend vermogen

Er was eens een vrouw die zelf vond dat ze vol goede, ja zelfs briljante, oplossingen voor allerhande problemen zat, maar op een dag moest concluderen dat het allemaal wat minder was dan ze had gedacht. Zo besloot zij in haar oneindige wijsheid de trosjes blaren die ze op beide hakken had opgelopen omdat ze heel eigenwijs op blaarsandalen wilde rondparaderen want je weet wel, in te tapen met sporttape omdat de pleisters op waren.

Lekker strak en dubbeldik, ze voelde bijna niet meer dat er blaren op haar hielen zaten! Ze was echt heel goed met dit soort dingen, vond ze zelf, porbleemoplossend vermogen: zij had het. Sneakers aan, weg met de blarensandalen die alleen maar voor de sier waren. Tot ze ’s avonds op de bank een aangespoelde zeekoe nadeed in afgeknipte joggingbroek en 25-jaar oud shirt (The Female Big Lebowski, zij is het!) en het witte tape zag zitten dat ze zo goed als vergeten was.

‘He hallo, tape! Wat doe jij daar? Oh God. Ja. Je bedekt blaren…’

Langzaam drong tot haar door wat er mogelijkerwijs op stapel stond. Even overwoog ze net te doen of het niet zo was, gewoon laten zitten tot het er vanzelf af valt of iets van die strekking, naast probleempplossend vermogen was net doen of het niet zo is een andere zeer goed ontwikkelde persoonlijke eigenschap van deze onfortuinlijke vrouw. Je hebt zelfreflectie of je hebt het niet, niet waar?

Maar goed. De tape. Voorzichtig begon zij eraan te pielen. Goed te doen, die randjes. Naarmate ze dichter bij het midden kwam werd het minder sababa. Sterker nog: ze wist dat de toenemende pijn een voorbode moest zijn van de absolute en complete hel die zich niet veel later zou openbaren.
Ja. Daar zaten de blaren, ze kon ze zien zitten, aan de verkeerde kant van de pijn.
Een was al opengescheurd door de allesvernietigende lijmkracht van die vermaledijde tape, al is een object de schuld geven van je eigen falen natuurlijk behoorlijk sneu.

Wat er toen volgde moet ik helaas censureren, maar ik kan u mededelen dat de vrouw voorlopig geen schoenen meer draagt, niet meer gaat hardlopen en zich omdraait in bed met zoveel moeite en invectieven dat het zelfs voor een totaalongevoelige onmogelijk zal zijn niet iets van medelijden te voelen.

Blaffen

Die keer dat wij de man die zijn hand niet netjes had uitgestoken toen hij op het laatste moment naar links zwabberde en ons zinloos had laten wachten omdat wij dachten dat hij rechtdoor zou rijden, tegelijkertijd en zonder een van te voren afgesproken plan als een hond uitblaften door onze opengedraaide ramen waardoor de warme meiwind blies en mij zoals elk jaar opnieuw het gelukzalige gevoel van krankzinnige dankbaarheid gaf, staat in mijn geheugen gegrift.

Daar was het begonnen. Daar was het allemaal begonnen.

Niet de zwabberende man doet ertoe. De zwabberende man was enkel ons eerste slachtoffer. Een uitstekend slachtoffer, dat wel, want de zwabberende man die zijn hand niet uitstak toen hij linksaf ging, schrok zo van de hondengeluiden uit de auto naast hem dat hij op een haar na de stoeprand miste en zichzelf en zijn fiets daarna in veiligheid probeerde te brengen (met als vermoedelijk doel niet als een parkinsonklant ter aarde storten) door met zijn beide benen zijwaarts van zijn zadel allerlei Jane Fonda-achtige moves te maken. Ik dacht dat er in de jaren 10 van de 21e eeuw niet meer aan fitness werd gedaan, maar ik ben duidelijk niet op de hoogte van de hedendaagse trends.

Deze meneer voerde ingewikkelde balanceeroefeningen uit, een intrigerend lijnenspel tussen het asfalt, de fiets, de beide benen van de man en zijn romp als middelpunt, zeg maar de verkeersregelaar tijdens de spits.

Met opengezakte monden keken we naar deze fraaie gratis voorstelling. Soms werpt het leven je veel moois in de schoot, dan moet je niet te weigerachtig zijn. Dan moet je geen gegeven paarden in bekken kijken en dat deden we dan ook niet. Ik ben voor vrije expressie in de openbare ruimte en genoot met volle teugen.

Na een paar seconden was het helaas voorbij, de benen vonden de trappers weer, de man zwabberde langs de Aldi richting binnenstad.

De man was ons zo goed bevallen dat later in reconstructie duidelijk werd dat hij het startschot moet zijn geweest voor onze blafposse. De narrige buurvrouw op links die buiten op haar stoepje zuur de straat zit te overzien krijgt een grauw, een voordringer met zweetplekken onder de oksels bij de supermarkt, een geliefde die niet je rug wil masseren als je het lief vraagt omdat hij liever wordfeud speelt, ook.

Wij maken de wereld niet mooier, hij en ik, we blaffen ons ongenoegen van ons af.

Ga nooit dichten

Doe niet aan dichten, doe het niet.

Dichten is voor jongens en meisjes met levensangst.

Dichten is voor mensen die taal niet op zinsniveau kunnen beleven.
Voor mensen die woorden kielhalen en vierendelen.

Die je willen laten geloven dat een woord oneindig rekbaar is.
Die denken dat het geheim van perfectie in een paar letters op een petrischaaltje besloten ligt.

Die een woord overrijden van tomaat tot sap en dan diepzinnig en opgewonden het resultaat aanschouwen.
Die zeggen dat de tomaat herrezen is, als een liquide feniks herboren, die zeggen dat de tomaat een lelijk ding is en dat het sap nog steeds een tomaat is.

Word geen dichter! Doe het niet.

Dichten is voor mensen die bang zijn om te leven.
Die circle jerkend elkaar de maat nemen over de essentie van een letter.

Close readen van gedichten is voor de mens die structureel tekortkomt. Die geen geld voor Netflix heeft, of voor een patatje oorlog bij de snackbar om de hoek.

Ik stel me de dichter voor op zijn zolderkamer. Zwoegend op twaalf woorden en waar hij de komma plaatsen moet. De dichter doet een nacht over die ene levensbepalende punt.

Wees geen dichter! Doe het niet.

Maar dan komt de bundel uit en slaapt de dichter dagen slecht: hoe wordt hij ontvangen? Hoe goed wordt hij verkocht?

Het verlossende woord komt maanden later: 31 verkochte exemplaren, de 19 door de dichter zelfgekochte bundeltjes met slappe kaft reeds meegerekend.

De dichter kruipt in bed die nacht en piekert zich een ongeluk: wie waren de 12 mensen die voor zijn eenzaamheid betaalden? Als hij in slaap valt weet hij het: het waren zijn mama en haar dichtersclub.

Ga nooit dichten! Doe het niet!

Joris

Kater Joris vond vorige week woensdag zijn dood op de Diamantlaan. Hij werd overreden door een Opel Astra, zo stel ik me voor, maar het kan ook zo’n lelijk koekblik zijn geweest waar vrouwen die de weekboodschappen halen in rondrijden. Joris de Kater, mijn mooie seminoorseboskat, werd minder dan vier jaren oud en ik kan bijna niet in woorden uitdrukken hoe verdrietig ik ben dat hij er niet meer is. De vrouw die haar voorwielen over zijn slaap reed belde de dierenambulance en met gezwinde spoed en loeiende sirenes, het mannetje was immers midden op de weg doodgereden, togen de vrijwillige dierenvrienden naar deze verkeersader achter mijn huis. Ik heb er niks van gemerkt. Toen hij stierf zat ik onderuitgezakt op bed als een wezenloze met mijn rechterduim op Facebook te scrollen.

Het telefoontje kwam om zes uur. Wij deden wat velen voor ons deden en velen na ons zullen doen: ‘Ja maar, hij was nog in leven toen hij om half zes zijn vadsige lichaam (nee NEE! Het was zijn wintervacht! Niet alles is wat het lijkt!) door het kattenluikje perste en muffig weghobbelde omdat het nog geen tijd was voor zijn verse visje.’ Ik antropomorfiseer het leven maar even naar me toe nu Joris de Kat er niet meer is om mijn observatietechnieken op te oefenen. Lopend naar daar waar hij lag, op een kleedje opgebaard en met kaarsjes in een hoekje. In jaren heb ik niet zo gehuild als die dag daar in het kantoortje van de dierenambulance met dat lelijke veel te lage systeemplafond en de dame die discreet de ruimte verliet om mij als een melodramatische donna te laten huilen. Bij vertrek moesten we 39 euro betalen. Sirenes en piepende banden kosten bijna 40 euro, natuurlijk snapten wij dat.

We vormden een zwijgende trein, mijn familie en ik en de dode Joris in zijn rieten mandje, terug naar waar hij minder dan een uur geleden met de chip in zijn nek voor de laatste keer zijn privéluikje had ontsloten. Terug naar huis en een laatste rustplaats onder de azaliastruik die momenteel zo obsceen roze bloeit dat ik er bijna niet naar kan kijken.

Joris, mijn mooie seminoorseboskat, met zijn glimmende vacht omdat we hem zalm voerden (alleen wilde zalm, kweek zalm is voor luizige soortgenoten), Joris die dacht dat mijn oorlel de tiet van zijn moeder was, Joris die nog geen vier jaar oud werd.

Ik mis hem, ons Joortje.

Voor niks gaat de zon op

Gisteravond kwam het gesprek met een vriend via een ex van mij en hoe ik na een eenvoudig rondje googlen er achter was gekomen dat hij zich tegenwoordig directeur van een heuse Academie noemt (vast geen beschermde titel?) waar je via dure trainingen en nog duurdere vervolgmodules beter instaat bent anderen te sturen en motiveren, op de plek waar hij en ik elkaar hadden leren kennen en op hoe beangstigend veel overeenkomsten deze feniks-ex, deze heruitvinder van zichzelf, deze charlatan met zijn prijzige gedragsveranderingworkshops, heeft met de hoofdgeitenbrijer van de Goodfieldtherapie waar wij elkaar dus hadden ontmoet al die jaren geleden. Over die Goodfield zal ik een andere keer schrijven.

Hij had verre van stilgezeten, het fladderexje, ontdekte ik na bestuderen van zijn gelikte website. Dezelfde taal als de Texaanse goeroe Barry Goodfield met zijn cowboylaarzen en veel te luide stem, dezelfde opzet van de cursussen, die verplichte jaarlijkse terugkomdagen organiseert voor mensen die niet alleen beter willen worden, maar de smaak zo te pakken hebben gekregen dat ze alle niveaus willen doorlopen (vele duizenden euro’s armer maar zoveel wijsheid rijker, geestelijke rijkdom valt niet in geld uit te drukken, is het niet, dus daarom zijn dit soort cursussen denk ik zo duur), om vervolgens met licentie zelf aan de slag te kunnen met deze wonderbaarlijke techniek, de duurbetaalde centjes weer terugverdienen, of moet ik zeggen: het nieuwe Gospel te verspreiden. Er waren, zijn en blijven altijd mensen die ergens bij willen horen, goedgelovige mensen, eenzame mensen, mensen die zich schijnbaar volledig vrijwillig knollen voor citroenen laten verkopen.

Het begint allemaal met je eigen hulpvraag, de reden dat je je tot zo’n schimmige voorganger hebt gewend. Als je de cursus, of therapie, soms is de grens groezelig onduidelijk, hebt doorlopen, ben je verlicht. Je bent je probleem te boven gekomen en dus lichter. Jouw enthousiasme is het startpunt voor de volgende stap: anderen overtuigen van het verlichtende effect van de therapie, cursus, godsdienst, wijsheid cs, maar elke stap is alleen met certificaat te voltooien na overhandiging van duizenden euro’s. Voor niks gaat de zon op, moeten ze gedacht hebben, ook voor spiritualiteit en relatief eenvoudige kennis moet grof geld worden betaald. Nergens op de website van de ex een filmpje waarin duidelijk werd hoe dat zit met dat motivational interviewing, nergens een tipje van de sluier. Alleen het resultaat wordt breed uitgemeten. Logisch natuurlijk als je een formule aan de man probeert te brengen, met niet alleen maar charitatieve overwegingen in gedachten. Voor het geheim van de kok moet je diep in je buidel tasten.

Ik keek mijn vriend met opengesperde ogen en opengezakte mond aan.
‘Er is feitelijk niets nieuws onder de zon, Baghwan zei al dat spiritualiteit heel best samen kon gaan met materialisme (hij gaf zelf het beste voorbeeld met zijn exorbitante levensstijl en zijn liefde voor glimmende dingetjes, Indiase ekster dat hij was), deze meneren borduren daar op voort, hebben een businessmodel van verlichting gemaakt. Een piramidesysteem, een trickle-down plan voor innerlijke (en monetaire) rijkdom. Net als Scientology en Herbalife en vele anderen. ’

We keken elkaar nog steeds verbluft aan, daarna wendde ik mijn blik af en dronk ik mijn (en ook zijn) glas bier leeg.

‘Ik weet nog dat hij soms iets te dikke, onzekere vrouwen van middelbare leeftijd, die hij in de natuurwinkel of de sportschool had leren kennen, uitnodigde bij ons thuis en ze dan een uur lang voedingsadvies gaf, dure olie aansmeerde die ze voor elke maaltijd moesten innemen, want daar zou hun spijsvertering door versneld worden en zo zouden ze sneller afvallen en opdroeg de worteltjes van prei toch echt te eten, want vochtafdrijvend en dus goed voor de lijn. De tips die hij ze gaf sloegen nergens op, totaal niet wetenschappelijk onderbouwd, allemaal ergens gehoord en als een frisse eclectische salade opgediend, of waren zo door te prikken of dermate beschamend dat mijn broek er van af zakte, maar die arme vrouwen bleven maar komen en bleven ook hun geld gul geven. Hij had me toen verteld dat hij deze hapsnap zwarte verdienmomentjes wilde uitbouwen tot een goedlopende geoliede machine “want hier met dit soort vrouwtjes viel veel geld te verdienen.”’

En nu is het hem dus gelukt en verdient hij bakken met geld, vermoed ik zo maar, niet met zijn zogenaamde ‘lifestyle advies’ aan vrouwen die onzeker zijn over hun lichaam en dan elk kul advies aangrijpen, maar met paramedici leren hoe ze mensen kunnen sturen. Zelfde shit, ander jasje.

Waar het om gaat is dat er achter die keukentafelgesprekjes en de motivational interviewing onzin èn achter de Barry Goodfield therapie hetzelfde verdienmodel schuilgaat. Het zit goed in elkaar en legt de vinger heel precies op de zere en gevoelige plek van mensen die daarvoor openstaan. Deze mensen zijn bereid flink te dokken voor de belofte van beter communiceren, slanker zijn, een verlichte geest, succesvoller zijn of een minder zwaar hart en daarom laat je ze daar niet een beetje, maar veel voor betalen. Niet een keer, maar elke keer, met elk beetje kennis en wijsheid en verlichting, opnieuw.

En als ze slanker, verlichter en groter zijn volgt de volgende fase, niet geheel stomtoevallig wederom een fase waar stevig gecasht kan worden: de stap van patiënt of client naar trainer-in-opleiding, in elk geval bij Goodfield, hoe het met het imperium van de ex zit weet ik niet precies. Niets werkt zo goed als iets zelf meemaken en laaiend enthousiast zijn omdat de formule blijkbaar werkt. Het is een systeem van gratis reclame dat zichzelf blijft bedruipen. Het duurt niet lang eer de hulpzoekers veranderd zijn van ongelukkige stakkers in blije volgers om zich tenslotte te ontpoppen tot verspreiders van het Gospel dat hen ooit heeft gered.

Een keer raden wie tot en met de laatste stap blijft profiteren van deze fantastische scam. Terugkomdagen (die geld kosten! Duh!) zorgen ervoor dat de goeroe, het Opperhoofd, de Schepper, voor altijd blijft profiteren van de kunstjes die hij, voor geld, ooit aan zijn discipelen leerde. Zonder terugkomdag geen licentie om de vrolijke religie der inhaligheid te verspreiden natuurlijk, maar dat begrijpt u.

De geur van zonnebrandcrème

Je verzint het niet maar ik ging op de warmste 19 april ooit gemeten naar de sauna. Het was al afgesproken, dag vrij genomen, niet lullen maar poetsen enz. Ik baalde een beetje, want koude dompelbaden zijn wat mij betreft voor rare kwiebussen die het enge ijsmannetje Wim Hof een warm hart toedragen, van die wannabe Echte Mannen die denken dat door koud af te douchen al hun problemen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Die denken dat ze nooit gegrepen zullen worden door kanker of de griep omdat ze elke dag 2 minuten koude trotseren in hun marmeren badkamertje. Wim Hof is gewoon weer de zoveelste charlataneuze nepgoeroe, en over Echte Mannen heb ik ook nog wel het een en ander te zeggen, maar dat is weer een ander verhaal.

Ik hou dus niet van hartstilstandbaden, maar die zon zou me mijn saunagangen niet afnemen dus volle frisse tegenzin stapte ik het complex binnen. Half-grappend had ik in de auto nog gezegd dat het me een echte bejaarden-gaan-naar-de-sauna dag leek en ik kan u vertellen dat ik serieus overweeg om me als paragnost te laten registeren want mijn voorspelling bleek volledig te kloppen. Ik voelde me een jonge godin tussen de winterbloempjes en dat is soms best fijn als je van de derde helft bent en last hebt van opvliegers en ander onaantrekkelijk vrouwelijk ongemak dat hoort bij de overgang van jong en fruitig en niet-zo-jong en niet-zo-fruitig. Pas tegen mijn vertrek arriveerde een jong stelletje dat net de puberteit had verlaten, blond en gebruind, nergens lichaamshaar en zo strak in het vel dat ik er van schrok en alle pensionado’s verrekten hun kalkoenenhalsjes om een blik te werpen op het gouden koningspaar dat alleen maar oog had voor elkaar en stiekem allerlei illegale intieme handelingen verrichtte. Gauw pakte ik mijn handdoek, trok mijn panterbadjas aan en smeerde hem. In dit land van blinden was eenoog eindelijk koningin geworden maar dat gevoel was verpest door de usurpators die net mochten stemmen. Nee hoor, grapje, ik weet wanneer het tijd is om te gaan en de jongelingen waren beeldig.

De dag had als een vakantie aangevoeld en ik had pas door hoe nodig ik dit had gehad toen ik echt ontspannen met mijn armen over de rand van het zwembad mijn ogen sloot en de zon me liet beschijnen. Loom met mijn benen achter me wapperend, de geur van zonnebrandcrème die in de lucht hing, God wat was dit gevoel welkom. Ik dacht aan de zomervakanties bij mijn vader in Californië, aan het surf-en waterskikamp waar ik voor het eerst ook echt in de zon had gelegen, als 11-jarig meisje tussen de andere meisjes uit het land waar mijn vader naar toe was verhuisd, meisjes die veel volwassener leken met hun geschoren oksels en sieraden en bikini’s, maar waar ik me desalniettemin bij op mijn gemak voelde. Ze roken naar watermeloen en kokos en zonnebrandcrème, die meisjes, en tot op de dag van vandaag associeer ik de geur van watermeloen en kokos en zonnebrandcrème met trage zomerdagen die zich eindeloos uitstrekken, dagen vol belofte en een verlangen naar iets ongrijpbaars, een verwachtingsvol gevoel dat ik alleen heb als de zon zo schijnt en ik die geuren ruik, de clichétsunami ten spijt.

Met het afkoelen viel het reuze mee, beetje zwemmen was voldoende. In mijn blootje slapen in de tuin, afgewisseld met luisteren naar geile kikkers in de vijver, rondjes in de houtgestookte sauna en glimlachen als een puber op een surfplank was dit toch wel het hoogtepunt van mijn week. Die nacht droomde ik dat ik weer 14 was en voor het eerst verliefd.

Ongezellig

Het meest curieuze vind ik nog wel de opmerking dat mijn schrijven zo zwaar op de hand is. Gloomy, ongezellig. Niet vrolijk, naargeestig. ‘Waarom schrijf je niet eens een leuk luchtig stukje, Bronja?’ Je zou zoveel leuker zijn, meer mensen blij maken, als je niet zo donker deed’, krijg ik dan op Facebook of een enkele keer in de mail of privébericht te horen. Soms zegt iemand het in mijn gezicht, afwachtende blik erachteraan, alsof ik een antwoord kan of ga geven dat past bij de gestelde vraag. De laatste keer deelde iemand het mij mee, dat ik wel ‘wat ongezellige en zwaarmoedige teksten’ schreef, niet eens een vraag dus. Grote vragende ogen, dat dan weer wel. Wat moet ik ermee, wat moet ik met een opmerking dat ik eens wat gezelliger moet doen? Denken die mensen dan dat ik ineens over haken en kruissteken en winkelen en inrichten en lenteschoonmaak ga schrijven omdat zij vinden dat schrijven over de dood en eenzaamheid en gemis en spleen niet ‘leuk’ is?

Weet je wat nou zo bijzonder is? Het zijn allemaal mannen die het zo jammer vinden dat ik niet gewoon eens wat leuks schrijf. Die vinden dat ik met mijn talent beter lekker weglezende tekstjes zou kunnen schrijven, lekker over koken en de kat en de kinderen en die rare kaasboer op de markt, dat het ook beter voor mij zou zijn om daarover te schrijven, ongetwijfeld. Ik vermoed dat die mensen denken dat ik fulminerend en schuimbekkend achter mijn laptopje zit, een oog spastisch trekkend terwijl ik ‘sterf sterf’ schreeuw en weer iets droefs of agressiefs schrijf. Die denken dat mijn leven wel ongelooflijk naar en verdrietig is, zonder warmte en liefde, anders zou ik me wel wat gezelliger opstellen.

Het zijn ook alleen maar mannen overigens die foto’s van hun geslachtsdelen sturen, ongevraagd natuurlijk!, of trots hun naakte torso op de foto zetten met een telefoonnummer erbij zodat ik, als ik compleet overrompeld en opgewonden van de hangtietjes en pratende navels, gelijk kan appen voor een leuke sekschat. Nee, de mannen die zich zorgen maken over mijn mentale gezondheid (lees: die mijn schrijven verontrustend vinden) zijn niet dezelfde mannen als de mannen die hun geiligheid aan mij opdringen, dus ik maak hier gekke bokkenprongetjes, een hint naar iets van een vergelijking met alleen het geslacht als gemene deler, maar het leek me leuk dat te doen, heel oneigenlijk mannen met mannen vergelijken.

Ik hoop dat ik er niemand mee heb gekwetst en mocht ik toch iemand ermee hebben gekwetst: voor deze week zijn al mijn fucks helaas al op.