Afstandsmoeder

Ongetrouwd en zwanger, jong en onbezonnen, ongewenst of juist gewild, maar óngetrouwd dus lapje voor je ogen bij de geboorte van het kind.

Jouw kind. Zo’n blinddoek was belangrijk, want je pasgeboren baby zien zou toch alleen maar de onthechting in de weg staan. En onthechten moest je, zei je vader, zei je moeder, zei een groepje oude mannen, wel bekend als ouderlingen.

Misschien wilde je je kindje houden, jij lieve grote meid, nog nat achter je oren. Je meisjeskamer vol posters van een verre prins, je dagboek vol met liefdesbrieven aan een misschien iets dichtbijere prins.

Misschien smeerde je moeder je boterhammetjes nog wel, misschien kwam je ‘s middags thuis voor thee en koekjes met een gat, misschien was je ook nieuwsgierig naar de jongen om de hoek.

En dan ben je zwanger en denk toch aan de mensen, wat zullen ze zeggen, de schande, de schaamte, een meisje zonder man, zwanger van een schim. Er wordt voor je beslist, jij bent geen moeder, jij mag niet zorgen voor dit kind.

Jouw kind. En dan moet je weg, nog voor het zichtbaar is, want wat zullen ze zeggen, over de ouders, over je zeden, je moet weg om te bevallen van een kind.

Jouw kind. Je mag het niet zien, het lapje, je mag het niet voelen, maar wie houden ze voor de gek?

Je hebt het kind negen maanden in je gedragen, wat anderen ook zeggen – het is en blijft jouw kind.

Buitenlanders

De man die twee mensen vermoordde in een bioscoop in mijn woonplaats Groningen is neergeschoten en opgepakt op een plek waar ik vaak langskom tijdens mijn wandelingen, op minder dan een kilometer afstand van mijn huis. Ik was benieuwd, sensatiezucht op afstand zeg maar, vermengd met interesse en angst, en keek op Twitter. Ik wou dat ik dat niet had gedaan.

Ik snap woede, ontzetting, angst. Iemand die andere mensen mishandelt, vermoordt : zulke mensen wil je niet vrij hebben rondlopen. Ik ook niet. Maar tot mijn ontzetting, die blijkbaar nóg groter kon worden en tot intense walging uitgroeide, bleek de moordenaar vooral en bovenal een Buitenlander.

Tien minuten Twitter en déze mens heeft een heel vieze smaak in de mond. Praten mensen écht zo over medemensen? De man is in Nederland geboren maar is nu ontdaan van het laagje vernis en ontmaskerd voor wat hij is: riooltuig, vuilnis. Een Buitenlander. Hij moet terug naar zijn eigen land. De grenzen moeten dicht. Moordenaar en buitenlander lijken in elkander over te vloeien, elkaar te versterken, dezelfde etymologie te hebben. Wie A zegt zegt ook B. Moordenaar. BUITENLANDER.

Deze mens, ineens beseffend dat ze dan in de ogen van deze übermenschen óók buitenlander is, kan dan wel schamperen en zeggen dat ze oud is en langer in Nederland woont dan jij, maar in ultimo zijn het toch weer die foreign objects die het hebben gedaan. Die de technicolorversie van een homogeen Nederland, van vreemde smetten vrij, de Madurodamversie met eeuwenoude tradities hoog in ’t vaandel, komen omvolken, homeopathisch verdunnen tot er niets van het raszuivere volk meer over is.

Ik wist dat het erg was, mensen. Dat de verdeeldheid en de haat welig tieren, dat je niet meer eclectisch shoppend je mening mag vormen. Maar dit virulente vitriool beneemt me de adem. Mijn buitenlandse adem. Ik begrijp dat sommigen van jullie me daarvoor dankbaar zouden zijn. Weer een Buitenlander minder die ademhaalt is goed nieuws, nietwaar?

Enkele voorbeelden van tweets van hoeders van het Volk:

•Moordenaar van schoonmakers bioscoop Groningen is Ergün Senarabaci (33). …weer ’n buitenlander, en zoals gebruikelijk al eerder veroordeeld en toen niet uitgezet naar land van andere paspoort. Dit Kabinet heeft echt bloed aan de handen!

•Moordenaar, 9 van de tien keer zijn het buitenlanders, gepakt op Hoendiep Groningen vlakbij tankstation, had mes en werd neergeschoten door de politie. Dader leeft helaas nog. ….en VVD CDA D66 CU worden bedankt voor ’t niet uitzetten na eerdere veroordeling. Twee Nederlanders dood.

•Gevalletje van INCEST! Ze zetten dit soort zwakzinnigen op de wereld. Familie/neef,oom,tante ze doen het allemaal met elkaar!!

•Had Groningen, had Nederland maar deze Hongaarse burgemeester als bestuurder van deze stad / ons land gehad. Dan hadden deze twee slachtoffers nu nog geleefd. Dus als het om de (BESTUURLIJKE!!) schuldvraag gaat….

•Opmerkelijk dat niet wordt gezegd hoe hij het echtpaar heeft ‘toegetakeld’. Is dit om islamitische karakter van de moorden te verbergen en het allemaal te gooien op ‘geen medicijnen’?

•Precies. Als een autochtoon zoiets zou doen zouden de details en de wreedheid van de daad nog weken te horen zijn op alle linkse media.

•Altijd weer die kutbuitenlanders! #grenzendicht

•En alweer een gezin kapot gemaakt. 2 hard werkende mensen vermoord, waarschijnlijk voor geld. Slechts een voorbode van de lange reeks overvallen en moorden die ons nog te wachten staat. #grenzendicht

•Nu punt nl heeft het over ” geschokt door de doding…” ze zijn afgeslacht door een gelukszoekende moslim met een strafblad.#noislam

•Dat je vermoord wordt is al erg maar door een moslim dan maakt het nog een stuk erger wat haat ik dat KUTVOLK.

•Onthoofden is nogal in de mode bij dat afval van IS.

•Waneer nemen we het recht in eigen handen om al die vieze vuile buitenlanders het land uit te schieten.
Dit soort ‘ongeleide projectielen’?

•Het mag best specifieker hoor. Ik zal je even helpen met een foto van de dader. Wat valt je op? Jaja durf je het te zeggen?

En dan.. een baken van redelijkheid. Het kan nog, er is nog hoop. Goddank:

‘ blijft bizar Joost…dat een Verwarde Nederlander gewoon verward is maar zodra het een Niet Nederlandse dader is, er direct allerlei religieuze aspecten meespelen en het een aanslag is. Ik ben blij dat ik mensen nog gewoon als mensen zie zonder waarde te hechten aan afkomst.’

Over een barre tocht, lang geleden

Heel lang geleden, diep in de vorige eeuw, toen er nog geen mobiele telefoons bestonden en zelfs geen draagbare telefoons, alleen maar van die grijze T65 van de PTT (die ook heus draagbaar waren met een snoer van 12 meter), toen de winters nog lang en genadeloos waren, iedereen leerde schaatsen op houtjes en van doorbijten wist, toen er nog geen rubberentegels waren en we allemaal door schade en schande ouder en wijzer werden, zonder google en youtube; toen dus, toen was er een meisje dat samen met haar vader en het neefje van haar stiefmoeder een Homerische tocht maakte op een huifkar door de Belgische Ardennen.

In haar beleving, in de onvolmaaktheid van de overerving van de herinnering, had die tocht geen begin en eind -net zoals een nachtmerrie begon ie zo maar op een bepaald punt (vaak plompverloren er middenin geworpen) en valt ie, achteraf!, uit te zetten op een moment dat de angst van je onderbuik naar je keel borrelt en de paniek het begint over te nemen. Of op een strategisch moment vooraf gekozen, wanneer je hem probeert te vangen in een verhaal, zoals nu.

Het was een barre tocht, zonder enig vertier, zonder enig lichtpunt. Er was een huifkar. Er was een paard. Er was een vader die slechts één keer per jaar aanwezig was. Er was een leeftijdsgenoot en er waren hotels. Er waren bossen en een vreemde taal. Het was vakantie, vermoedelijk was er betaald voor een en ander, dus op papier denk je: vertier, maar de herinnering zegt: donker, regen, boze mensen, achtervolging en horzels. Heel veel, heel grote horzels. Tot op de dag van vandaag hoeft zij maar een horzel te zien of zij denkt aan de Belgische Ardennen en de barre tocht die zij er maakte. Samen met haar vader en haar nepneefje.

We kunnen zo maar, op een zelfverkozen moment, in het verhaal vallen, er is geen begin en geen eind zoals gezegd, die waren er alleen op het moment zelf. Laten we in de huifkar plaatsnemen. Naast de vader die de teugels vasthoudt. Aan weerzijde van hem de beide kinderen. Een zwerm horzels bestookt het arme paard, met als bijvangst de arme mensenkinderen op de bok. Er is gegil, er is gesteek en er zijn twee mensenkinderen die het hazenpad kiezen en de arme Odysseus eenzaam met het belaagde paardebeest achterlaten, zich verschansen in de relatieve veiligheid achter de flappen, achter de bok. De vader kan niks anders dan blijven zitten, de kar moet immers verder, er is een weg af te leggen waar de kinderen niks om geven.

Zij zitten achterin en horen de arme man tieren en vloeken, eerst op de horzels en later op henzelf, als ze de slappe lach krijgen van zijn woede naar de lelijke steekbeesten. In de beleving van de vrouw is dit het leukste (of enige leuke, of minst erge) gedeelte van de marteling in de Ardennen: het uitlachen van de vader die wordt aangevallen door een zwerm horzels, al zullen het vermoedelijk geen horzels maar hornaars of dazen zijn geweest, want geloof me: deze tweevleugeligen staken echt.

Ze moeten zo hard lachen dat ze bijna via de achterflap van de kar lazeren en hoe harder ze lachen hoe bozer de vader wordt. Er zou nooit meer op vakantie worden gegaan met de kinderen, daar kwam het zo’n beetje op neer. Maar de vader hield geen woord want een paar jaar later zat ie weer met zijn dochter opgescheept, dit keer voor een week samen op een kajakcursus, waar hij met de punt van de boot in een draaikolk komt terwijl er net was uitgelegd dat dát vermeden diende te worden en nadat hij proestend boven water komt na een mislukte eskimorol en zijn dochter (wederom!) met de slappe lach in haar kajak aantreft, als een echo van zijn eigen stem schreeuwt nooit meer met haar op vakantie te gaan en vervolgens een dag niks zegt en alleen maar naar de winnende Ronald Reagan op zijn draadloze minitv’tje kijkt in de tent die hij deelt met zijn dochter, die vol verbazing naar het stukje elektronische vernuft kijkt dat haar vader nu weer in zijn bezit heeft.

Ze worden nu achtervolgd. Door de politie. Door hoteleigenaren. De vader is boos en zegt weer nooit met het ondankbare schorriemorrie op vakantie te gaan. De contouren zijn troebel, de herinnering als een filmrolletje dat van de haspel is geschoten. Het lijkt erop dat de knaap een asbak voor zijn ouders heeft gestolen uit de hotelkamer en het meisje een handdoek heeft ontvreemd voor haar moeder. Bedenk andermaal dat er geen mobiele telefoons zijn en eenmaal op de bok de buitenwereld precies dat is.

In de herinnering van de kinderen zijn de hoteleigenaren achter de diefstallen gekomen en hebben zij een Belgische flic op hen afgestuurd, die nu natuurlijk op zijn brommer, of met twee paarden sterk (lelijk eendje, of geitje op zijn Vlaams) uren, misschien wel dagen, achter de dieven uit Nederland aanzit.
De hele reis wordt verder achter flappen voortgezet, met de boze vader en oom op de bok. De kinderen, doodsbang voor een naderende gevangenneming, gooien asbak en handdoek uit voorzorg via de achterflap de Waalse natuur in.

Op de bok foetert de vader dat hij niet alleen nooit meer met dit ontaarde zooitje ongeregeld op vakantie zal gaan, het meisje leek ook nog eens op haar moeder en de jongen is een kleine communist, net als zijn ouders. Geen respect voor andermans bezit.

Terugkijkend valt op de accuratesse van dit verhaal wel het een en ander af te dingen. Helaas valt de vader niet meer om zijn inbreng te vragen. De vader is reeds lange tijd dood. En de jongen? De jongen is getrouwd met het meisje en, zoals dat nou eenmaal gaat in lange huwelijken, heeft nu precies dezelfde herinnering aan de barre tocht als het meisje, dat nu zijn vrouw is. Ze dragen gelukkig nog niet elkaars kleren en praten ook nog niet met één mond. Als zijn sommige herinneringen dus wel merkwaardig eender.

Het zwarte gat dat puberteit heet

Bestaat er een fonds of anderszins een plek waar ik spontaan verdwenen, magisch in het grote niets opgeloste, door zwaartekracht ontvreemde, door anderen gestolen, maar nooit zelf (door puberende zonen) achtergelaten ‘omdat ik mij als een soort halfzombie van plek naar plek begeef’, spullen kan declareren of vergoed kan krijgen? Dan hoop ik bij dezen op jullie terugkoppeling. Mijn dank is immens. Ik meld mij dan met grote graagte aan. Liefst met terugwerkende kracht.

Als zoiets niet bestaat stel ik het bij dezen voor: als wij, ouders van deze eerdergenoemde puberende zonen, waar niet veel meer dan een brak ‘ja’, ‘nee’, ‘omg, wil je dat ik ga vrágen of de conciërge mijn telefoon heeft gevonden? Dat is té crinch’, die jongens die doorgaans niet meer dan acht woorden met jou wisselen op een dag (met grote moeite en onder begeleiding van veel zuchten, maar dan apart genoeg niét met dat oogrolding waar ik zelf heel bedreven in was), maar met hun maten online uren lopen te schreeuwen, schunnige taal uitslaan en zelfs giebelaanvallen heb ik volgens mij gehoord, als wij ouders van die gassies nou eens drie euro p/m in zo’n fonds stopten? Dat dan uitkeert aan die ouders wier zoon weer eens zonder sokken (wel met schoenen!!), zonder jas (in de regen!!), zonder tas (!!), zonder wiskundeboek (snap ik stiekem ook nog wel, ergens!!), zonder telefoon (echt, en dan tijdens het ‘maar waar kan ie toch zijn?’ gesprek over de nieuwste Samsung beginnen), met twaalf missende potloden (‘Ja maar jezus, ik kan toch ook niet voorkomen dat als ik ff niet oplet ze mijn etui raiden?’) en drie (op rij) verdwenen puntenslijpers thuiskomen?
Of vinden jullie dat die zonen dan maar zonder jas, tas, boek, sokken, potloden, telefoon, enz. o ja 48 geodriehoeken (het kunnen er ook 97 zijn, ik noemde maar een hoog getal) ook nog, naar school moeten?

Zoals wij vroeger, weet je nog, zo van: zal ze leren, worden ze hard van? Zo liep ik lang voor lul met een (fluorescerend gele) bril met paperclips en plakband, vette mishandeling vond ik dat toen, maar ja, ik was te ijdel voor het kreng en deed hem altijd in mijn jaszak, waar ik in de pauze dan steevast met mijn dikke kont op ging zitten, dus wie niet leren wil moet maar voelen, enzo ofzo. Ik liet altijd de woonkamerdeur openstaan, tot grote ergernis van mijn ouders en nu hoor ik mezelf elke dag 800 keer zeggen: ‘deur dicht’.
Volgens mij leren ze daar helemaal niks van, zonder wiskundeboek en telefoon naar school gaan, tenzij je daar echt heel consequent in bent en gewoon helemaal niks aanvult wat er automagisch verdwijnt. Dan maar naakt en onvoorbereid de wiskundeles in.

Ik vermoed eerder dat het een tijdelijk iets is. Het gaat wel over. Hoop ik. Als de hormonenmist is opgetrokken komen ze er doorgaans groter, sterker en vooral: wakkerder uit. Hoop ik. Van jochie naar man met een drijfzandfase ertussenin. Lees: het zwarte gat der puberteit. Waar de dingen nou eenmaal onverklaarbaar in verdwijnen. Omdat de jochies er niet helemaal bij zijn.Verdwaasd. Moe. Apathisch. Lethargisch. Behalve als ze met hun vriendjes gamen of voetballen.

Oké oké, een beetje verantwoordelijkheid is belangrijk. Een beetje meer mag ook. Ik weet het. Ze alles maar uit handen nemen is te curling en creëert rubbertegelmensen, daar zit niemand op te wachten. Ik weet het.

Maar godnondeju. Ik word er bijkans moedeloos van. En arm. Dat ook.

Kanarie in de kolenmijn

Mijn naam is Felix.
Felix komt van het Latijnse woord ‘felix’, wat gelukbrengend’ betekent. Ik kwam dus op deze wereld met de opdracht om geluk te verspreiden. Ik vind dat me dat tot nu toe niet heel goed is gelukt. Het lijkt er soms juist op of ik ongeluk breng, of nou ja, ongemakkelijkheid. Dat doe ik niet expres, ik doe dat niet expres. Ik doe dat niet expres. Je vraagt je misschien af waarom ik dat drie keer herhaal. Ik herhaal dat drie keer om het kracht bij te zetten en ook als bezwering. Ik doe het namelijk echt niet expres, ik wil helemaal niemand ongemakkelijk maken. Ik neem de opdracht die ik bij mijn geboorte meekreeg uiterst serieus. Mijn naam is Felix en ik ben geboren om mensen gelukkig te maken. Althans, ik dacht altijd dat dat mijn taak was.
Ik ben daar nu niet zo zeker meer van.

Misschien is een naam wel alleen dat: iets waarmee je iemand van een ander onderscheidt. Iets om iemand mee te kunnen roepen. Misschien zit er geen boodschap verscholen in mijn naam. Dat zegt iedereen, iedereen die ik in vertrouwen heb genomen zegt dat, behalve oma. Oma zegt dat ik een gave heb, en dat mijn naam wonderwel goed gekozen is. Ze zegt dat de mensen meer zouden moeten luisteren naar wat mensen als ik te zeggen hebben en minder naar de wanen van de dag. Minder naar hun onderbuik en meer naar feiten. En naar mensen zoals ik dus.

Nu denk je vast: waarom denkt die Felix dat hij speciaal is? Maar dat vind ik dus niet. Dat vindt oma, de mama van papa. Het enige wat ik zie is dat de meeste mensen mij raar vinden. Brutaal. Ongemanierd. Arrogant. Die Felix, die heeft te veel noten op zijn zang, die moeten we maar eens een toontje lager laten zingen en dan zeg ik dat ik geen vogel ben en dan duwen ze me in een plas met modder. En dan zijn ze ook nog boos op mij. Of ik vertel ze dat ik met sommige dieren kan praten en dan zeggen ze dat ik lieg maar waarom zou ik daarover liegen? Ik zou daar nooit over liegen want wat de dieren zeggen is heus niet altijd leuk. De mensen zeggen dat ik probeer aandacht te zoeken maar ik hoef geen aandacht. Ik ben juist liever alleen.

Niemand lijkt te willen begrijpen hoe ik werkelijk in elkaar steek. Of niemand is echt geïnteresseerd. Ik ben gewoon anders dan de mensen. Ik denk anders. Ik zie anders. Misschien voel ik niet anders, ik denk dat ik net zo voel als jij. Maar ik vind wel andere dingen belangrijk. De mensen vinden het belangrijk om ergens bij te horen. Ze passen zich aan zodat ze hetzelfde zijn als anderen. Dan voelen ze zich veilig.

Ik voel me veilig in mezelf. Als ik alleen ben. Juist als ik bij anderen ben voelt het of Felix verdwijnt. Dat voelt helemaal niet fijn. Ik besteed veel tijd met het proberen te begrijpen van de mensen. Ik probeer hun gedrag te plaatsen, waarom ze zeggen wat ze zeggen. Ik kan er niks aan doen maar hoe meer ik de mensen observeer hoe minder ik van ze snap. Veel mensen zeggen het ene maar aan hun hoofd en lichaam en wat ze voelen kan ik zien dat ze het andere denken of willen. Ik snap dat niet. Waarom doen de mensen zo ingewikkeld? Waarom is het zo moeilijk te zeggen wat je wilt of denkt of voelt? Want dan zeggen de mensen dat ze de jurk van Maria mooi vinden en dan zie je aan alles dat dat niet klopt, sterker nog: de jurk stáát Maria helemaal niet, en dan denkt Maria dat de jurk leuk is en dan koopt ze de jurk in nog zes kleuren. Als iemand haar had verteld dat het een lelijke jurk voor haar was, was het allemaal veel simpeler geweest.

Hoe meer ik probeer het gedrag van de mensen te snappen hoe meer ik zie dat ze helemaal niet lijken te wíllen communiceren wat ze écht denken en willen en voelen. En dan zijn ze boos en teleurgesteld als iemand ze niet begrijpt. Maar ze hadden gewoon kunnen zeggen dat ze iets nodig hadden of wat dan ook. Ik snap de mensen niet. En dan vinden ze mijn manier van communiceren bot en ben ik ongemanierd. Omdat ik zeg dat ik naar huis wil omdat de muziek te hard staat. Omdat ik zeg dat ik het eten niet lekker vind en het niet ga opeten. Dan vinden ze mij raar omdat ik om mijn eigen grapjes lach en als zij een grapje maken dat ik niet leuk vind ik dat ook hardop zeg.

Ik vind het niet belangrijk om erbij te horen. Ik vind macht en geld ook niet belangrijk. Ik zie wat het met de mensen doet. Ze worden er hard en gemeen van een in plaats van er iets mee bereiken dat wezenlijk is, willen ze alleen maar meer en meer en meer en doen ze dingen waarvan ze zeggen dat anderen dat niet mogen doen. Ik wantrouw alle mensen met heel veel macht. Die mensen spreken nog minder de waarheid dan de andere mensen. Ik vind het belangrijk om te staan voor wie je bent.

Ik sta voor wie ik ben – en dat betekent ook dat ik niet veel vrienden heb. Ik weet dat ik anders ben, dat weet ik al heel lang. Ik weet dat al mijn hele leven. Ik wil er niet bij horen maar heb altijd wel erg mijn best gedaan de mensen te begrijpen. Ik accepteer dat de mensen liegen, dat ze schaamte voelen en niet de waarheid spreken. Ik weet dat de mensen pijn hebben van onbegrepen zijn of zich onbegrepen voelen (dat is niet hetzelfde! Als iedereen op mensen als Felix na zo is, zou je toch verwachten dat de mensen weten dat iedereen het een zegt en het ander voelt en dat je daar dan naar kan handelen? Maar nee..), maar ik zie ook dat de mensen niet écht vertellen wat ze nodig hebben. Ik zie al die tekortkomingen en ik accepteer die.

Waarom is het dan zo moeilijk voor de mensen om te accepteren dat ik, Felix, niet zo ben? Waarom doen de mensen niet ook hun best mij te begrijpen? Ik kan daar niet bij, hoe erg ik mijn best ook doe. Maar ach, ze doen niet eens hun best elkaar te begrijpen. Ze kiezen er steeds voor om elkaars woorden verkeerd uit te leggen of ze leggen ladingen achter en in hun woorden die ervoor zorgen dat de ander ze verkeerd begrijpt of gelijk boos reageert vanwege die lading. Waarom zouden ze dan hun best doen voor mensen als Felix als ze elkaar al niet lijken te willen en kunnen snappen?

Oma zegt dat ik een gave heb, maar volgens de mensen heb ik een beperking. Een beperking betekent dat je iets niet hebt of niet zo goed kunt als de andere mensen. Ik hoor ook wel dat ik gestoord ben of een stoornis heb, dan is er ergens een afwijking op wat normaal is. Ik vind dat niet heel vriendelijk. Ik heb met mijn eigen ogen en andere zintuigen kunnen waarnemen dat de mensen vol zitten van leed en verdriet en pijn die allemaal zouden kunnen worden opgelost als ze maar met andere mensen erover zouden praten. Maar ze kiezen ervoor het voor zich te houden en boos te zijn en drugs te nemen of medicijnen om om te kunnen gaan met hun gebrekkige manier van communiceren. En dan heb ik een gebrek? Een beperking? Maar wat kan ik dan niet, volgens de mensen? De psycholoog zei tegen mama dat Felix problemen had in de sociale omgang met de mensen en dat hij gebreken vertoonde in de communicatie met anderen.

Snap jij het nog? Omdat de mensen liegen en draaien en verliefd zijn op seks en macht en geld in plaats van zich bezig te houden met wezenlijke zaken als hun kinderen, welzijn van de aarde en eerlijkere verdeling van welvaart of noem maar iets, en zich stevig en sterk en geaard en geestelijk gevoed voelen, zijn mensen als ik, die proberen zo dicht als mogelijk bij zichzelf te blijven, die zo min mogelijk mens, dier en aarde proberen te schaden door hun acties, die niet konkelen en draaien, die dingen voelen vóór de mensen ze voelen (omdat de mensen te veel met andere triviale dingen bezig zijn en daardoor veel te weinig aandacht overhouden om stemmingen te voelen of verbanden te zien, ja heus!) dus gek en beperkt en gestoord en bovenal: niet de moeite van het begrijpen waard. Felix heeft een beperking en Felix is irritant en brutaal en Felix is bot en vertoont gestoord gedrag. Recht door zee (zie je me gaan op mijn speedboot, recht door zee ga ik!) is voor er mensen beperkt en gestoord.

Oma zegt dat mijn gave is dat ik een kanarie in de kolenmijn ben. De kanaries gingen vroeger in kooitjes mee de mijnen in en als ze stierven dan wisten de mijnwerkers dat ze heel hard moesten hollen voor het gif dat was vrijgekomen. De vogels waren veel gevoeliger voor de vluchtige gassen dan de mensen. Ik weet, omdat ik weet dat ik geen vogel ben en oma me heeft verteld dat veel communicatie overdrachtelijk is en er met veel woorden iets anders wordt bedoeld, soort van net zoals met alle communicatie van de mensen, dat ze bedoelt dat ik door mijn andere blik dingen waarneem die anderen niet of minder waarnemen.

Ik zie dat niet als gave. Jij kan dat ook. Luister naar anderen. Luister écht. Vraag door. Vraag wat ze écht voelen en denken en willen. Praat niet in tongen (die is leuk, vind ik, net als Harry Potter deed, weet je nog?), zeg wat je denkt. Wat je wilt. En kijk eens wat meer, roep wat minder. Je zult zien dat je dan tijd en (vooral) aandacht overhoudt om de wereld beter te begrijpen. Niet de wereld van blabla. Wel de wereld die je alleen kunt waarnemen als je stil bent.

Maar ik vermoed dat niemand graag de kanarie in de kolenmijn wil zijn. Niemand wil opgeofferd worden om zelf verrijkende, ruziemakende, vingerwijzende, schreeuwende anderen met te grote onderbuiken te redden.

Maar iemand moet het doen. Iemand moet het doen. Laat mij die verdomde kanarie dan maar zijn.

Lozgezongen

De eerste keer dat ik merkte dat ik niet meer jong was bracht me van slag. Ik had een herinnering, een zoete, en probeerde haar te plaatsen. Hoe doe jij dat, hoe gaat dat bij jou? Ik moet nadenken hoe dat bij mij gaat – het is een haast onbewust proces, is het niet.

Ik stel me zo voor dat ik met geloken ogen me heb laten omvatten door de herinnering, het gevoel, de geur die iets oproept en die vervolgens sterker wordt omdat ik hem of haar voed, zoals dat doorgaans gaat bij iets wat je aandacht geeft. Ik stel me zo voor dat ik wachtte op een omslagpunt, op het moment dat de losse flard die me vulde met een warmte die hintte naar een plezant beleefd moment ergens, ooit, overdrachtelijk zou terugreizen in de tijd, een connectie zou maken met de bron om vervolgens naar mij terug te reizen met de goede mare.

Ik stel me zoiets voor omdat ik niet heel zeker weet hoe het werkt, hoe hard ik ook mijn ogen sluit of mijn voelsprieten uitrol. Ik weet alleen dat het opgaan in zo’n moment altijd werd gevolgd door duiding. Ontlading, catharsis.

Maar het gebeurde niet. Ik zat daar maar, raakte gefrustreerd omdat ik wel werd omkapseld door de warmte van de herinnering, maar mijn pogingen de oorsprong van dat blije je ne sais quoi gevoel te vinden mislukten allemaal. Ik zat opgezadeld met een ontaarde herinnering, niet in de zin van gedegenereerd, wel in de zin van zonder vaste grond. De herinnering was los komen te staan van het moment waaraan zij tot nu toe gekoppeld was, dat ene punt in mijn verleden dat mij blijkbaar zo had weten te bekoren dat ik er een heuse herinnering van had gemaakt. Ik was dat moment kwijt, de verbinding tussen vroeger en nu was weg, verloren. De herinnering die mij vroeger, met een beetje aandacht, zou hebben teruggebracht naar toen, was niet meer dan een efemeer gevoel, zonder duidelijke basis. Een losgezongen herinnering.

Dit is ouderdom, dacht ik, hier heb ik je beet. Stukje bij beetje stapelen de jaren zich op en zakt het gebouw door zijn voegen. Te veel gewicht om mee te torsen, niet gek dat er gaten en kieren ontstaan. Ingezakte delen. Sommige huizen zijn steviger dan anderen, sommige huizen zakken eenzijdig door, anderen onzichtbaar voor het blote oog terwijl van binnen het fundament langzaam instort. Soms kun je wat stutten, hersenkrakers als planken en palen, aromatherapie voor de grijze massa. Maar we storten allemaal in, nietwaar. Uiteindelijk storten we allemaal genadeloos in.

Ik voelde me gefragmenteerd, alsof ik was opgedeeld in een vroegere ik en een huidige ik, alsof ik was los komen te staan van mezelf. Heel prettig vond ik dat niet, ik wilde de oorsprong van het zoete gevoel weer ervaren, zoals ik altijd had gekund, maar hoe hard ik ook probeerde, ik was ervan afgesneden. Voor altijd. De herinnering was nu alleen.

De zoete geur van verlangen en nostalgie die het gevoel van herinneren kenmerken waren echter onverminderd sterk. Het was een geur geweest die de herinnering had getriggerd, heel gebruikelijk bij mij. Die geur bracht beelden, flarden, een fijn gevoel. Ik weet niet meer waar, waarom en wanneer maar het fijne gevoel is er nog steeds als ik die geur ruik.

Zal het later zo gaan en voelen met nog veel meer herinneringen? Laat het zo zijn, laat het mij niet bevrezen, laat het zoete overheersen. Laat mij als mijn tijd komt wegzinken in losgezongen, plezante herinneringen die als feeërieke melodieën in mijn hoofd dansen, zonder oorsprong, zonder bron maar met precies de juiste dosis weemoed.

Emmaviaduct

Soms herken ik een plek in mijn geboortestad omdat ik er slapende de mooiste avonturen en niet zelden vooral de grootste nachtmerries heb beleefd. Er zijn weinig hoekjes in deze stad die ik als rechtoplopend mens niet ken, maar in je dromen zijn de dingen niet zelden toch akelig of verwonderlijk anders dan hoe je ze in wakkere toestand waarneemt. Dan zie je zo’n plek en denk je: ‘ik kén jou, maar toch ook weer niet. Zoals ik me jou herinner zie je er nu helemaal niet uit!’

Al zolang ik mij kan herinneren heb ik af en toe een droom over het Emmaviaduct, bij Groningers wel bekend. De droom is met kleine variaties al meer dan 40 jaar hetzelfde: ik móet, ik weet even niet meer waarom, maar ik móet die brug op. God. Wat. Is. Die. Brug. Hoog. Als ik naar het hoogste punt kijk moet ik mijn hoofd helemaal in mijn nek frommelen, zoals ik dat moest toen ik tien jaar was en Manhattan bezocht. Mijn nek deed pijn van het proberen het hoogste punt van al die wolkenkrabbers te zien. Daar hoor je nooit iemand over hè, zo’n wolkenkrabbernek.

Met ‘die brug op moeten’ doel ik overigens niet op het je het schompes fietsen om er overheen te komen, nee ik doel op het daadwerkelijk die brug óp klimmen.

In mijn hoofd, nee droom, is hij dus enorm. Een en al ontoegankelijkheid, een onbedwingbaar, onoverbrugbaar stuk staal. Maar ik móet. Ik móet die brug op. Dus ik klim. Ik klauter. Ik hou me stevig vast. De wind wappert door mijn haren, huilt en giert om mijn oren, de lucht wordt ijler, ik moet door. Hoger. Ik mag niet naar beneden kijken, wat er ook gebeurt moet ik dat niet doen. Het zweet dat op mijn lichaam plakt en kriebelt is angstzweet, zelfs in mijn droom weet ik nog een zekere mate van rationaliteit te behouden- ik ben bang. Voor de hoogte, de diepte, de meeuwen die me uitlachen. De auto’s die als knikkers onder me rollen. Niet kijken! Ik zei het toch: naar voren kijken, niet omlaag.
Gek genoeg val ik er nooit van af. Ik heb ook geen idee of er een vervolg is, ik herinner mij alleen de verlammende angst van het móeten klimmen met daarop gevolgd het daadwerkelijke klimmen wat zo mogelijk nog enger is. Het zou kunnen dat ik móet klimmen omdat ik word achtervolgd.

Laatst fietste ik weer eens over het viaduct. Ik verbaasde mij voor de honderdste keer over het feit dat de brug er in het echt uitzag als een Madurodamse brug, niet eens een papieren tijger. Totaal niet imposant of onbedwingbaar, eerder gedienstig en treurig. Ik vertelde mijn oudste zoon over de droom (‘jezus, mama, alwéér dit verhaal? Elke keer als we hier overheen rijden kom je weer aanzetten met dit lame verhaal!’) en schudde mijn hoofd. De brug klopte niet, in het echt was-ie eng, niet een zielig hoopje jaren zeventig staal. Met gevaar voor eigen leven had ik hem bedwongen, die brug. Dit was gewoon niet de echte werkelijkheid.

Pornoking

Toen mijn boek Verloren taal een uitgever had gevonden (eind 2015) heb ik geprobeerd contact te leggen met Antonin Kratochvil, de man met wie mijn vader in 1969 uit Tsjechoslowakije vluchtte (nou ja, ze kwamen elkaar tegen in Traiskirchen, een vluchtelingenkamp in Oostenrijk en van daaruit namen ze samen de benen). Antonin, door mijn vader Pornoking genoemd omdat ie begin jaren 80 voor blootblaadjes vrouwen fotografeerde, bleef niet een paar jaar plakken in Nederland, zoals mijn vader, maar ging vrij snel door naar de Verenigde Staten, waar ook mijn vader in 1981 naartoe verhuisde.

Ik kreeg Antonin niet te pakken, kwam niet verder dan de secretaresses en assistenten van het beroemde VII agentschap, die mij keer op keer van alles toezegden maar nooit in contact met Kratochvil brachten. De man was onbereikbaar, een onneembaar fort. In de 35 jaar die hij als fotograaf aan de weg had getimmerd was hij zó beroemd geworden dat ik, de dochter van zijn vluchtmaatje, hem niet kon benaderen en hem dus niet om toestemming kon vragen voor het plaatsen van een foto van zijn hand in mijn boek Verloren taal. Die foto staat er nu in zónder zijn toestemming. Lekker puh.

Aangezien ik in de opstart van een nieuw boek vaak wat loop te zwabberen (ja ook nu ja), nog niet een echte focus heb gevonden zeg maar, zat ik wat foto’s op internet te bekijken. Ik zag een prachtige foto van David Bowie en eentje van Liv Tyler, allebei door Antonin geschoten en zwabberde zo via klikklikklik door naar een artikel van vorig jaar juli. Mijn pyjamabroek zakte er bijna van af – Antonin had stilletjes ontslag genomen bij het foto-agentschap, VII, dat hij zelf nota bene had opgericht! Een heuse #metoo, een lange lijst beschuldigingen hing als een onverkwikkelijke gifwolk om hem heen. Een vrouw vertelde hoe hij zijn hand van achteren tussen haar billen had gestoken, verder en verder tot hij bij haar vagina was aangekomen. Daar was de hand een paar seconden blijven liggen, tot de vrouw was weggelopen.

Ik denk aan Pornoking, hoe mijn vader en hij elkaar met “ty vole” aanspraken (“jij os”, maar eigenlijk gewoon “dude”), hoe hij seksistische opmerkingen tot het nieuwe normaal had verheven (denk eraan: ik was negen toen ik hem voor het laatst zag, denk ik, en ik herinner me hoe hij over vrouwen sprak én dat hij heel erg van mooie vrouwen hield, en ik herinner mij de zomervakanties in Californië bij mijn vader en stiefmoeder en dat hij dan belde en dat ik mijn vader dan heel raar Tsjechisch hoorde spreken) en kom tot de conclusie dat ik niet verbaasd ben over de aantijgingen en ze zelfs al voor waar aanneem. 

Nostalgie – Never Tear Us Apart

Mijn zoon gaat naar de tweede van de middelbare. Het brengt zoveel herinneringen naar boven, soms voelt het of ik overspoeld word door weemoed en nostalgie – heimwee naar een verleden dat gerijpt is door tijd en na al die jaren extra glans en gloed heeft gekregen. Dan zie ik mijn jeugd in de jaren tachtig van de vorige eeuw alsof het polaroidfoto’s zijn, alsof het de kiekjes uit het album zijn dat mijn stiefmoeder voor me samenstelde van mijn eerste bezoek aan haar en mijn vader in 1981. Beelden die aan de rand gerafeld zijn. Overbelichte en vervaagde beelden. Een oranjegele gloed.

Ik weet dat tijd herinneringen verandert, dat herinneringen niet statisch zijn, dat ze kunnen meeveranderen met omstandigheden, dat iemand je herinneringen kan aanpraten en dat je dan kunt denken dat je het echt zo hebt ervaren. Zo heb ik herinneringen waarvan ik zeker weet dat ik ze heb door de verhalen van anderen. En toch zijn ze nu van mij. Ik weet ook dat de jaren tachtig niet prachtig waren. Mijn vader ging dood in de jaren tachtig en na 1988 is mijn leven nooit meer hetzelfde geworden. Ik werd teruggetrokken, mijn puberteit staakte, ik werd dik en depressief. Niet leuk.

Maar als ik aan de jaren 80 denk dan denk ik niet aan mijn pijn en het bodemloze en hulpeloze gevoel dat ik toen had. Ik denk aan mijn vriendinnetje T en hoe we als Cyndi Lauper en Madonna uitgedost de straat opgingen en te maken kregen met een potloodventer. Ik kom nog regelmatig in die buurt en er hangt daar helemaal geen oranje waas en toch zie ik die kleur als ik aan dat voorval denk. Ik vond het ook niet leuk om de stijve piemel van de man te zien. En toch word ik nostalgisch als ik er 34 jaar later aan denk.

Ik weet nog dat ik in Praag was, toen het nog duister en grauw daar was en toen de mensen alleen achter de voordeuren uitbundig durfden te leven. Ik was hevig verliefd op een klasgenoot en zwolg in dat gevoel van verbondenheid en missen. In gedachten is die week daar omgeven door witte mist. Ik zie mezelf aan de Moldau waar een drietal violisten op leeftijd in de vroege ochtend een droef en melancholisch wijsje spelen, ik zie mezelf op de Karelsbrug, een waterig zonnetje hoog in de hemel. Mijn donkere lange haren dramatisch wapperend in de wind. De kenner herkent het liedje dat vervlochten is met mijn werkelijkheid, eclectisch shoppen tussen feit en fictie. De clip kwam een paar maanden later uit. Ik heb het opgezocht.

Ik voel een saudade voor die vervlogen tijden die niet rijmt met de werkelijkheid van toen. Ik weet dat het betekent dat ik niet meer jong ben en het voelt goed. Het is goed zo.

Mijn zoon zegt dat hij ook weemoed voelt naar vroeger als ik hem naar zijn herinneringen vraag. Waar word je dan weemoedig van, vraag ik. Naar de tweede game van Harry Potter, zegt hij. Ik mis die game zo. Ik voel nog hoe de gameplay was, hoe mijn vingers over het toetsenbord raasden. Ik mis het gevoel van het vliegen op Scheurbek, het vechten met de Dementors.

Ik moet gniffelen. Zijn jaren 0 zijn nu al als mijn jaren 80. Omgeven door een gouden (of oranjegele) morgengloed.

Bijna 13

Het oudste kind is bijna 13.
Ik zie hem zitten, met zijn geblondeerde lange lok en zijn beugel en zijn gemopper op de campingwifi. Bij de receptie zag ik gisteren een grote tros jeugd hangen, allen op zoek naar de beste straal internet, als die foto van vluchtelingen op een onbekend strand met mobiel in de lucht. Ik heb wifi dus ik besta. Ik heb geen wifi dus ik ben zoekende. Wij staan naast de verspreider van de levensadem, dus mijn zoon moppert gratuit vanaf zijn stapelbed. Zijn ontvangst is beter dan dat van alle anderen op dit kampeerterrein. Hij is koning op deze bestaansrots.
13 jaar geleden was ik 42 weken zwanger. Een aangespoelde potvis, ik tik-je-omver topzwaar, met een baby in de buik die van geen wijken wist. Hij had zwarte haren toen hij werd geboren en lange nageltjes omdat hij zolang in mij had gewoond. Ik kijk naar hem, mijn zoon met zijn slungelige-bijna-dertienjarige lijf, een en al lengte en botten, niet meer zulke gladde benen en het begin van een vlasje op zijn bovenlip. Nog even en hij heeft meer snor dan ik.
Ik denk aan mezelf en hoe het voelde om 13 te zijn. Ik voelde me afwisselend een vreemde in mijn eigen lichaam en op deze wereld en dan ineens volkomen op mijn plek. Ik was geen meisje en geen vrouw, een ietsje tussenin – en zo ook mijn zoon, alleen dan met het y-tje van zijn vader. Ik kijk naar mijn zoon en glunder. Ik glim.