Nieuw lichaam

Gisteren was ik in de stad om mijn lichaam terug te brengen of beter nog: om te ruilen voor een nieuw exemplaar. Na lang wachten stond ik uiteindelijk aan de balie en vroeg of ik een of ander formulier moest invullen of dat het nog in de garantietermijn viel.

De jongedame achter de balie keek me met grote verschrikte ogen aan.
‘U wilt wát retourneren?’
‘Mijn lijf. Hij doet het niet meer zo goed.’ Daar was geen woord aan gelogen: het leek sommige ochtenden of ik uit elkaar aan het vallen was. Alles kraakte en piepte en een keer viel ik zelfs voorover uit bed vanwege stijve gewrichten. Ik moest moeite doen mijn tranen te bedwingen. Nog zo’n kwaaltje dat er zo maar was ingeslopen, samen met hartkloppingen, afbrokkelende nagels, haren op rare plaatsen, een verkeerd afgestelde thermostaat en een biologische klok die volledig van de leg was.

Het meisje knipperde nu een paar keer met haar ogen.
‘U meent het serieus? U wilt uw lichaam niet meer?’
Ik knikte. Voelde een lichte irritatie opkomen. Waarom herhaalde dit wicht alles wat ik zei?
‘Luister, er zit een productiefout in. Hij behoort het nog minstens 30 jaar te doen maar valt nu al van ellende uit elkaar. Hier kan ik niks mee. Ik wil hem inruilen voor een nieuw lijf. Een beter lijf. Misschien kun je achter even kijken of daar nog eentje ligt? Als er keuze is dan graag zonder hangborsten en grijzende haren maar vooral eentje zonder enge hormonen die doen alsof ze in Noord-Ierland ten tijde van the Troubles leven. Ik word er echt gek van. Ze zijn totaal losgeslagen. ‘

Het meisje zei niks. Haar mond was opengevallen. De mensen achter me in de rij roerden zich. Ik stond nog steeds in mijn ouwe aftandse lijf tegen de balie geleund. De lichte irritatie was overgegaan in een hittestuwing tot mijn kruin. Ik wilde brullen dat ik het niet pikte, dat ik graag geholpen wilde worden en wel nu, maar in plaats daarvan droop het zweet over mijn rug mijn bilnaad in en zei ik niks.

‘Mevrouw, ik weet niet hoe ik u dit moet vertellen maar u bent hier niet aan het juiste adres. Dit is de Mediamarkt. Wij verkopen telefoons en computers. Koptelefoons, koffiezetapparaten. Geen jonge lichamen. Het spijt me.’

‘Ik wil ook geen nieuw lichaam kopen,’ zei ik. ‘Ik wil dit uitgewoonde omhulsel alleen inruilen voor iets met meer vlees en minder vel. Voor iets met hormonen die zich niet gedragen alsof ze in een oorlogsgebied wonen en aan ptss lijden. Zo moeilijk is dat toch niet?’

‘Nou, wel bij de Mediamarkt. En even los van het feit dat wij geen lichamen in ons assortiment hebben, wil ik u erop wijzen dat u bij zo’n ruil dan misschien een fraai jong exemplaar krijgt zoals het mijne, maar de winkel blijft zitten met dat afgeleefde overjarige ding waar u al uw hele leven in woont. Niemand ziet daar een businessmodel in, mevrouw.’

‘Maar ik wil een nieuw lijf en wel nu! Deze is in de garantietermijn kapot gegaan!’ Het meisje nam mijn klachten niet serieus en dat maakte me woest.

‘Mevrouw, niemand wil uw lichaam hebben. Dat snapt u toch zelf ook wel? Ga naar huis. Drink wijn. Doe wat nodig is maar gaat u alstublieft weg. Dit is de Mediamarkt. Geen vleesmarkt. Volgende klant graag.’

Er zat niks anders op dan weggaan. Ik had mijn best gedaan en had gefaald. Ik zat voor zolang ik leefde vast aan dit lichaam. Waarom had nooit iemand me hiervoor gewaarschuwd? Waarom had nooit iemand tegen me gezegd dat je in het leven maar één lichaam krijgt?

Het was oneerlijk en dat was het.

Ik stop met fictie

Ik wilde er eerst een heel stuk aan wijden, maar denk nu dat het ook in een paar regels kan. Nou ja, mezelf kennende worden het dan weer een paar alinea’s om vervolgens toch nog een soort van heel stuk te worden, maar dat zien we dan wel weer.

Zoals de titel al zegt: ik stop met fictie schrijven.
Zo. En dan zal ik nu de nuance aanbrengen. Eerst het zwart op het doek kwakken voor het extradramatische effect, dan stipjes wit hier en daar om de grijstinten te realiseren.

Ik heb nu twee boeken geschreven zonder contract op zak. Het zolderkamertjes-ploeteren-in-de-nacht-werk, wat in mijn geval neerkwam op journalistieke werkzaamheden op nul zetten en tussen de luiers en de creche en toen de basisschoolgaande kinderen en alle daarbijbehorende activiteiten, schrijven. Over Verloren taal deed ik, inclusief alle research en interviews en reizen, vijf jaar. Over mijn laatste boek Znežanka (pure fictie) anderhalf jaar. Ik schreef meestal aan de eettafel, tussen de kruimels, omdat ik geen lol aan beleef aan opruimen en andere prioriteiten had. SCHRIJVEN.

Het waren meestal heerlijke dagen. Soms waren het ook zware dagen. Ik denk niet dat ik een uitzondering ben: schrijven is soms gewoon Kut mit Birnen. Ik denk dat je mijn manier van (fictie) schrijven het best zou kunnen omschrijven als method writing. Zoals een acteur zich soms zó inleeft in een rol dat-ie als het ware zijn karakter in die film wórdt, of althans even, tijdens het filmen, zo schrijf ik. Vaak.

En dat hakt erin. Het is heerlijk. En het is verschrikkelijk. Het is heftig. En het is verslavend. En als het dan klaar is, is er dat gat. Dat gat is eigenlijk vooral het grote niks. Afkicken is het. Welnu. Ik kan daar wel mee omgaan.

Wat ik niet meer kan is schrijven voor mijn bureaulade.

En dat dreigde te gebeuren met Verloren taal, ware het niet dat ik in de finale van een mooie schrijfwedstrijd voor debutanten kwam. Toen was er wél belangstelling voor Verloren taal. Dat was heel fijn.

En nu heb in Znežanka geschreven en is er weer geen belangstelling. Althans, daar ziet het naar uit. En daar zit hem voor mij de kink in de kabel. Ik kan daar niet heel lekker mee omgaan. Het voelt of ik voor de kat zijn voortplantingsorgaan heb geschreven. Geen pay-off. En ja, ik hoor een enkeling alweer miauwen dat je toch voor jezelf schrijft enzovoorts en voor de voldoening en dat is ook allemaal zo, maar toch doe ik het niet exclusief voor mijn lade. Van mijn bureau, dus.

Ik kan het niet meer, vijf of anderhalf jaar volledige onderdompeling en dat er dan niets mee gebeurt.

Dus.

Ik stop met het schrijven van fictie als er geen belangstelling voor is. Non-fictie werkt vaak met een ideetje naar een uitgever, uitwerken bij interesse en dan kun je met contract op zak aan de slag. Het is mijn werk, mijn beroep. Dus dat ga ik dan maar (weer) doen. Ik heb het nodig; een redacteur, deadlines, belangstelling. Daar mag iedereen het zijne van denken, overigens.

Als ik wist dat er aan het einde van de lijdensweg die boeken schrijven heet (en ja, lijden kan ook fijn zijn!) licht was, belangstelling, publicatie, dan zou ik het zó weer doen. Fictie schrijven is namelijk waarvoor ik ben geboren. Maar ik ga me nu dus richten op het op-een-na leukste: non-fictie. Verhaaltjes zal ik blijven schrijven, als ze eruit moeten. Maar alleen dan en dan inderdaad alleen voor mezelf.

Werd het tóch nog een heel stuk. Verrassend.

Writer’s block

Iemand noemde het een writer’s block. Dat wat zich meester van mij heeft gemaakt zo heet. Een schrijfblokkade. Ik vind het prima dat iemand het zo noemt. Dan heeft het een naam en zit het in een doosje en dan kan zo’n persoon weer verder. Maar ik zit ondertussen nog steeds totaal op slot. Met de gebakken -nee zwartgeblakerde peren.

Ik kan niet meer schrijven en het voelt of ik op een druk plein in Florence ben neergezet en dat de mensen met camera’s en telefoons en birkenstocks en zonnebrillen langs me zoeven om zoveel mogelijk schoonheid vast te leggen en dat ik alleen maar naakt daar kan staan, de kunst zie, de mensen hoor, de opwinding en de drukte voel, al die lijven uit al die landen ruik, kan aanraken maar niet kan deelnemen aan de prachtige jacht.

Er is niks mis met mijn observatietalent; er is iets mis met het doorgeefluik. Er wordt gekookt in deze keuken, mensen, de gerechten bereiken alleen de gasten in het restaurant niet. En soms wordt er niet eens gekookt, soms kan ik alleen maar kijken naar de bedrijvigheid om mij heen en daar waar ik een paar maanden geleden mijn ogen maar hoefde te openen om inspiratie te voelen is er nu vaak verrassend veel leegte. Ik zie dan wel maar voel het niet.

Ik kan me goed voorstellen dat het woordje ‘naakt’ in de paragraaf hierboven je je lippen deed krullen. Ik kan me voorstellen da je een wenkbrauw optrok en dacht: ‘nou nou, overdrijven is ook een vak, mevrouw Prazdny’ en ik geef u geen ongelijk, maar het is zoals het voelt. Ik voel mij naakt nu ik niet kan schrijven. Al die inspiratie die tegen mijn lijf beukt, butsen en blauwe plekken veroorzaakt, maar het ventiel dat voor ontluchting van mijn snelkookpanhoofd zorgt is kapot: het geeft allemaal een nogal onbeschermd gevoel.

Een vol hoofd en een naakt lijf, ik kan er niet aan wennen. Nog minder kan ik wennen aan een naakt lijf en een leeg hoofd; ik ontbeer elk talent voor de pornografie.

En ja, die hele naakt-analogie is natuurlijk volstrekt gekunsteld en slecht uitgewerkt maar dat komt dan weer door mijn writer’s block.

Kerst zonder cadeautjes

Het is altijd een eclectisch feestje geweest bij ons, dat kerst. Een beetje van de Tsjechische oma’s (kindeke Jezus dat de pakjes brengt, niet die dikke engerd met zijn manische vliegbeesten, maar de kerstkarper die in Praag bij mijn moeder in het bad zwom daags voor kerst hebben we niet overgenomen, niet letterlijk en ook niet anderszins, deprimerend opgefokte stichtelijke kerstliederen (vanoční koledy) werden bij mijn ouders thuis nog wel op de platenspeler gelegd, maar hier worden ze na 2 of 3 liedjes afgezet, de kerstkoekjes (rohlicky en die dubbele met jam ertussen) hebben de overlevering ook niet gehaald, maar dat ligt ook aan mijn labbekakkerigheid en mijn algehele afkeer van alles wat met een keuken te maken heeft), af en toe een retourtje sjoel voor wat chanoeka, een kerstboom (met Tsjechische engeltjes erin); vreemde Joden in de bijt blijven we toch.

Dit jaar was een rare kerst. Zonder een oma en zonder onze kat. Die gingen allebei dood in 2018 – de een aan kanker en de ander omdat iemand over hem heen kachelde. En dus ook zonder cadeautjes. Ja, u leest het goed: zonder pakjes. Niet omdat het kindeke Jezus eindelijk afrekende met de eclectische relishoppers die we zijn, maar omdat een webwinkel zo onbeschoft was geen presentjes voor de feestdagen te leveren. Vele mails stuurde ik naar Fortnitekleding.com, maar geen enkele werd beantwoord. En dus kwam en ging kerstavond en keken wij met betraande ogen naar de lege plek onder onze kerstboom.

Eergisteren kwam het pakket; bijna op tijd voor kerst 2019. De truien voor de kinderen waren in maten voor obese volwassen mannen en kinderen van zes: veel te klein en veel groot dus voor een jongen van 10 en een jongen van 12. Niet wat we hadden besteld. Bovendien was het van een bedroevende kwaliteit, ‘vet nep’, aldus een zoon. Fortnite is wat ze ademen, maar deze kerstnageboortes waren zo ‘skeer’ (en dus niet te dragen want verkeerde maten) dat ze, al had het gepast, er nog niet dood in gevonden wilden worden.

Ik vind het stom om te doen maar ik doe het toch: het opportunistische Fortnitekleding.com wordt door mij, hierbij, aan de schandpaal genageld. Off with their heads hoeft niet, stevig pak online rammel zeker wel. Ik keek eens op hun facebookpagina en ontdekte dat vele anderen óók niets geleverd hadden gekregen, uiteraard wél betaald. Geen reacties op mails, niet de telefoon beantwoorden. Klassiek staaltje oplichterij. Nog nooit meegemaakt, een malifide webwinkel. Vaak over gehoord, dat wel. Van mij had het niet gehoeven, maar het zal me leren. Wat precies weet ik nog niet.

Ik zou volgens hun reglement de veel te laat geleverde verkeerde spullen kunnen terugsturen (geen antwoordnummer uiteraard) en zou daarna mijn geld terugkrijgen. Ik geloof daar niet meer in, Fortnitekleding.com Stuurt u mij maar eerst een mail met excuses en een antwoordnummer. O nee: maakt u eerst mijn geld maar over. Maar ik vermoed dat ik naar mijn geld kan fluiten. En mijn kinderen naar hun cadeaus. Goddank vonden ze de hoodies toch al drie keer niks. Dat scheelt. Iets.

Volgend jaar beloof ik plechtig, op alles wat mij lief is én het kindeke Jezus, dat ik alle kerstcadeaus in een echte winkel koop. Niet in een skere webshop als dat achenebbisje Fortnitekleding.com

Een dromend 2019 gewenst

Ik droomde vannacht dat ik verliefd werd op een jongeman. Natuurlijk was ik niet oud maar jong; niet gehinderd door kwalen en kwaaltjes rende ik dartel rond, werd achtervolgd en schuilde opgekruld als een poes op de schoot van de jongeling aan wie ik mijn hart had verloren.

De verliefde gevoelens bleven me bij toen ik eenmaal mijn ogen had geopend, maar met gesloten ogen was het fijner dus ik sloot ze snel weer. Ik voelde weer hoe verrukt ik was geweest als ik naar hem keek. Ik hoorde weer hoe zijn stem klonk als hij mijn naam zei. Ik zag zijn blije jongemannengezicht weer met de grote blauwe ogen. Ik besloot mijn ogen net zolang gesloten te houden tot de werkelijkheid mij zou terugroepen. Alleen dan en niet eerder zou ik mijn ogen pas openen.

Dromen alle oude mensen dat ze jong zijn, kwiek, blij, monter en verliefd, of is het slechts mijn tragische geest die in de nacht beelden oproept van een niet- bestaand verleden, een tijd waar alles onbevangen en ongerept is, mijn zelfgecreëerde Eden, weg van de verlokkingen van het heden, van de aftakeling en de deceptie die naast wijsheid nou eenmaal vaak met de jaren komt?

Oké, ik ben slechts middelbaar, maar hoe zit het met de bejaarden en diepbejaarden onder ons, dromen die ook dat ze sappige jonge blaadjes zijn waar iedereen zijn tanden wel in wel zetten, ongehinderd door incontinentie en constipatie, eenzaamheid of wandelstok? Ik droom in elk geval nooit over de blaasklachten waar ik mee kamp, de horrormenstruaties waar ik ook nu u niet mee zal vermoeien. Geen wonder dan dat ik (en misschien met mij alle mensen ‘met een jaartje meer’, de depressievelingen, de door akelige ziektes en diabetes type 2 aangetaste stakkers, ik weet het niet) heel graag slaap – dromen over jongelingen die mijn haren aaien en mijn wangen strelen is oneindig maal prettiger dan weer een grauwe dag buiten, de biobak die door de buurttokkies in de fik is gestoken, de buurvrouw op rechts die om elf uur ’s avonds haar slijptol ter hand neemt, de buurman op links die rochelend zijn blaas leegt of een chagerijnige medemiddelbare echtgenoot die mij wegkijkt uit de woonkamer omdat hij de drie (vier?) wijzen uit het oosten op maandag en vrijdag op de televisie hun oude mannetjes voetbalkletskoek wil horen spuien.

Slapen wil ik. Slapen om te dromen over een niet-bestaande jongeling in een niet-bestaande wereld. Soms ben ik nieuwsgierig naar wat zo’n brabbeldroomduidwebsite over mijn nocturnale belevenissen te zeggen heeft. En soms ook niet. Zoals nu. Laat mij maar dromen, mensen; daar lijkt mij 2019 een uitermate geschikt jaar voor.

Een goed 2019 voor jullie. Dat je dromen maar mogen uitkomen – tenzij je liever, net als ik, voor altijd wilt blijven dromen.

Mijden als overlevingsstrategie in het internettijdperk

Op het moment dat ik besluit om het nieuws (tijdelijk) te mijden vanwege een overvol gemoed, (een wiebelig en wankel evenwicht in mijn hoofd, een onrustige hormoonhuishouding, een winterdepressie, mijn tere eigenwaarde die als een stuk smeltend ijs op een van de polen op alarmerende wijze afbrokkelt door een manuscript dat stof ligt te verzamelen, you name it, I’ve got it), lees ik dat nieuwsmijden een privilege is. Mensen in crisisgebieden, mensen bungelend aan de onderkant van de maatschappij, mensen die woke zijn en zien dat je ogen sluiten voor structurele ongelijkheid en racisme (vrij naar Seada Nourhussen) geen optie is, al die mensen hebben niet de luxe om net te doen of het niet zo is. Die mensen kunnen niet als ik hun bubble heel klein maken, die mensen zitten met hun poten in de giftige modder – een weinig begerenswaardige positie, dat snapt zelfs een blind paard.

Ik denk daar even over na, heel gechargeerd gezegd: of mijn neerslachtige gevoel als luxe voelt, als privilege. Het antwoord is natuurlijk nee; het sluiten van mijn ogen is een overlevingstrategie. Nieuwsmijden betekent mijn wereld klein houden, omdat ik het gevoel heb van de wereld af te vallen als en wanneer ik dat niet doe. Het lot van anderen trek ik me nog steeds aan, ik wil alleen niet de woede voelen van de gele hesjes, om maar iets te noemen. Ik kies er tevens voor om de zwartepietendiscussie dit jaar aan me voorbij te laten gaan en realiseer me meteen dat dit het privilege is waar mevrouw Nourhussen het over heeft, een zwart iemand in Nederland heeft in haar ogen niet die luxe.

Maar ik sluit me momenteel ook af voor feministische retoriek, antisemitisme en luchtvervuiling en dat terwijl ik vrouw ben, halve jood en astmalijer. Als ik dus bij de bushalte naast een rokende tokkie sta te wachten ga ik ergens anders staan en als me weer eens wordt toegeschreeuwd dat ik moet oprotten naar mijn eigen land doe ik net of ik het niet heb gehoord. Maar dat heeft natuurlijk meer met mijden dan met nieuws te maken. Ik heb gewoon een lage tolerantiegraad voor gezeik momenteel, dat is veel dichter bij de waarheid.

Het nieuws an sich kan ik nog wel velen. Dan lees ik alleen een headline en denk ik ‘Het zal wel, Rutte is en blijft een linkmiegelende kuttekop’, het lezen van dit stuk tekst zal niks aan die mening veranderen, de pot op met z’n vaasjes en dat is dan dat. Of ik lees het wel en voel maagzuur opkomen maar weet de schade te beperken door de krant door de kamer te smijten of snel de pagina weg te klikken. Net doen of het niet zo is, zoals ik reeds zei. Of het een privilege of een gave is laat ik maar in het midden.

Nee, het zijn de verdomde comments onder die teksten die me over het randje dreigen te duwen. Wat een idioten zijn er op deze aardkloot, zeg, allemaggies. Ik hoor u denken, als u al zo wiebelig van gemoed bent, waarom léést u die onzin dan, niemand verplicht u immers? Ik ben meningenmoe en toch knipper ik soms met mijn ogen en zit dan wederom snoevend en snuivend middenin het opiniebraaksel van deze onfrisse toetsenbordhelden. Waarom voelt tegenwoordig iedereen maar de behoefte zijn of haar mening hardop (lees: online onder elk nieuwsbericht, column, artikel of post) te spuien ook al is de logica van hetgeen wordt gespuid ver te zoeken, ontbeert het elke vorm van eloquentie (louter tirades en fulminaties en een totale afwezigheid van interpunctie) en heeft de boodschap (als er al een was) enkel tot doel nog meer olie op het vuur te gooien? En als je dan oppert dat het best wel een onsje minder mag, dat géén mening of gepaste stilte soms beter werkt dan al dat onverbindende geblaat, krijg je te horen dat je een weekdier bent en dat je af bent omdat je het woord ‘verbinden’ hebt gebruikt, een woord dat tegenwoordig net zo vies is als ‘monogamie’ in de jaren 70. Tegenwoordig heeft iedereen een mening, al is die mening doorgaans net zo zacht als een achtergelaten puddingbroodje in de motregen. En toch knipper ik dus wel eens met mijn ogen en zit ik weer middenin deze drek. Soms ben je zelf je grootste vijand, nietwaar.

Ik ga u nu een geheim verklappen: Ik weet stiekem wel waarom ik de verbale diarree blijf lezen. Op de spaarzame momenten dat het ‘helemaal lekker’ met me gaat, is ramptoerist spelen best een vermakelijke vorm van tijdverdrijf. Niet te lang, want zelfs op goede dagen is te lange blootstelling aan volidiotende reaguurders (tegenwoordig niet meer exclusief op GeenStijl, elke lul met internet kan zich ertoe verlagen) gevaarlijk voor mijn gezondheid. Voor je het weet zit je weer met een spastisch trekkend oog allerlei ongefundeerde randdebielen aan beide zijden van een zogenaamd spectrum op een voetbalveldje in Tsjernobyl te wensen, al zie ik steeds minder een demarcatielijn tussen deze kanten als ik eerlijk ben. Laat ze elkaar maar kapotschelden daar op dat door godverlaten radioactieve veld en de groeten verder. De truc is jezelf op tijd terug te trekken uit de peilloze diepten van de openbare levensvisies van deze genetisch gehandicapte medemensen. Liefst nog voor het bloed begint te koken: het moet wel vermaak blijven.

Helaas worden zaken die ik vaker doe bij mij snel gewoontes. Routines. En dus stiefel ik in zo’n sombere bui nog steeds regelmatig nietsvermoedend zo’n uit de hand gelopen kleuterfittie binnen en ontdek ik dat mijn bloed al bij de derde woordenbrij van een of andere gedegenereerde josti beangstigend dicht tegen het kookpunt aanzit. Niet op tijd mezelf weggeplukt, te laat de aftocht geblazen, amai. Ik word er overigens wel beter in, een routine kun je ook onroutineren, zolang je maar bewust bent van wat je aan het doen bent. Laat ik het er maar op houden dat het een leerproces is.

En als dat negeren, dat ogen sluiten, dat heel hard wensen dat het niet bestaat (en desondanks weten dat het er wel is en er alleen voor kiezen het niet te veel gewicht toe te kennen omdat het leven al groots en meeslepend genoeg is zonder alle trollen en roeptoeters, globalisering en degeneraten) dan een privilege is – dan is dat maar zo.

Wat mij betreft een privilege waar meer mensen aanspraak op zouden moeten (en kunnen en mogen) doen.

Anti-autoritaire kresj

Voor mij staan twee kratten met multomappen in verschillende kleuren en staten van ontbinding. Het zijn verslagen, aantekeningen en notulen van de crèche waar ik vroeger op zat, een crèche die werd opgeheven en waar moeten dan deze, voor andere mensen totaal oninteressante, notities heen? Weggooien is zonde, geef maar aan mij, dacht ik. En zodoende zit ik nu hier met een paar kilo plastic en vergeeld papier. Uit de kratjes stijgt een muffe lucht op: oud papier, dood hout en als ik er een willekeurige map uithaal is daar de niesbui die je kon verwachten.

Nieuwsgierig begin ik erin te grasduinen. Namen van kinderen (en ja! Bingo! Gelijk al bekende namen!) en hun ouders, contactgegevens met telefoonnummers die niet voorbij de vijf cijfers komen achter het vertrouwde 050. Lang vervlogen tijden, kortom. Ik moet de impuls om de namen van de kinderen te googlen onderdrukken. Eerst maar eens wat lezen.

‘Fedde en Bronja rennen door het gebouw en maken motorgeluiden. Fedde heeft geen broek aan, alleen een onderbroek en Bronja is bloot. Ik moet er smakelijk om lachen. Twee naakte voertuigen. Broek broem geen broek.’

God ja. Het was zo’n crèche. Niet de échte anti-autoritaire; daar zat ik óók op voor ik op deze terechtkwam en ja daar waren helemaal geen regels, behalve dan geen barbies en pistooltjes want sexisties en militaristies, maar wel eentje waar de jaren 70 papa’s en mama’s mee mochten praten, waar eindeloos werd geouwehoerd (inspraak! Weg met het gezag en de wortel van al het kwaad: het paternalisme) en waar de vrije ontwikkeling van de kinderen centraal stond (en de jonge ouders verder konden met de zo wenselijke zelfontplooiing). Geen keurslijf, geen mal, geen standaardkindjes van dertien in een dozijn: iedereen moest de ruimte krijgen zichzelf te zijn om zijn creativiteit zo optimaal mogelijk te benutten. Dat kan niet als het kind door volwassenen wordt begrensd, door regels wordt beknot: er moet onbegrensde vrijheid zijn om tot maximale zelfontplooiing te komen. Laissez faire, niet bemoeien, zelf laten ontdekken.

Ik doe mijn ogen dicht en denk na over deze tijd, ongeveer halverwege de jaren 70. Mijn generatie misschien sowieso, maar deze groep met (jonge, studerende, kritiese) hippieouders specifiek, heeft een opvoeding genoten die in veel opzichten bijna het tegenovergestelde lijkt van hoe er nu met kinderen wordt omgegaan: voor ons toen geen rubberen tegels, geen labels en diagnoses, geen begrenzende, burgerlijke en benauwende regels en protocollen die met de wijsheid van achteraf voor sommigen van ons helemaal niet zo slecht zouden zijn geweest want structuur en rust hebben ook zo hun functie en nut. Voor ons geen preutse bedoeningen: blootlopen in de zomer in de grote tuin was eerder regel dan uitzondering en aan elkaar zitten moest ook allemaal kunnen, van seksueel experimenteren en ontdekken werd een kind een onafhankelijk en weerbaarder mens, het kon zelf prima zijn grenzen leren aangeven. Ook daar vallen in retrospect meer dan een paar kanttekeningen bij te plaatsen.

Niet dat ik het verstikkende, bedillerige, geen enkele ruimte laten voor zelf op je bek gaan van vandaag de dag omarm. Verre van. Iemand die geen fouten mag of kan maken en een ouder heeft die hem het liefst in een luchtdicht skipak van eerdergenoemde rubberen tegels wil metselen, groeit doorgaans niet op tot een evenwichtig, autonoom, zelfdenkend individu.
Net als ik niet opgroeide tot een gezagsgetrouwe onderdaan, een burger die alles altijd aanneemt van iemand, ook niet als die ervoor heeft doorgeleerd – wat me meer dan eens in netelige, minder plezante situaties heeft gebracht. En altijd dat vragen naar het waarom, dat doorvragen: ik heb een hoop niet-vrienden gemaakt, op stageplekken, de universiteit, werk, overal waar autoritaire mensen mij meenden te moeten sturen. Waar mensen meenden dat hun natuurlijke, mannelijke of ervoor-doorgeleerde gezag genoeg moest zijn mij de mond te snoeren. Autonomie heeft zo zijn prijs.

Ik lees in de multomap dat Bronja op een middag verdwenen was en dat de leidster pas doorhad dat ze weg was toen ze weer terugkwam. Ik was de binnenstad in gelopen omdat ik naar de kermis wilde kijken, klaarblijkelijk. Nadat ik dat had gedaan was ik weer teruggelopen. Leeftijd? 3 jaar. Als ik dit zo lees voel ik me een beetje ongemakkelijk, waarom weet ik niet precies.

Er komen twee herinneringen boven: hoe we in de grote boom in de tuin klommen en elkaar probeerden eruit te duwen en hoe we gebroederlijk en gezusterlijk poepten in de bosjes, maar na even denken zijn dit herinneringen die horen bij de tijd dat ik op de anti-autoritaire kresj zat. Veel ouder dan drie kan ik niet geweest zijn, waarschijnlijk eerder twee. Ik denk aan mijn zonen en hoe zij verontwaardigd waren dat ze op hun crèche altijd eerst een hartige boterham moesten eten voor ze er eentje met hagelslag mochten en niemand ze kon vertellen wat de reden voor deze onzin was. Ik grinnik. Wij eten zand en geen hond vond dat een probleem. Wij speelden doktertje waar de juf naast zat en niemand die hier raar van op keek.

Als ik denk aan deze tijd en ook de tijd nog lang erna moet ik concluderen dat ik me vaak eenzaam voelde; veel te volwassen voor mijn leeftijd; zelf afwegingen maken, inschattingen – en geen ouder in de buurt om mij te begeleiden of corrigeren. Dit is geen aanklacht, het is enkel een constatering. Ouders waren met hun eigen zaken bezig – die zelfontplooiing waar ik eerder aan refereerde, het afwerpen van hun jaren 50 juk, dat verstikkende elke-vrije-gedachte-om-zeep- helpende gedachtengoed van hun ouders. Ik geef ze geen ongelijk.

Maar of zo’n levenshouding nou zo geschikt is voor kinderen: (geen enkele) begrenzing of begeleiding? Ik heb heel lang gedacht dat ik ondanks die opvoeding en niet dankzij die opvoeding ben geworden wie ik ben, maar dat is niet helemaal waar. Ja, ik ben op eigen kracht overal (niet) gekomen, maakte zelf mijn keuzes, stippelde mijn eigen koers uit, deelde een enkele beuk uit, huilde in mijn eentje om groot en klein verdriet. En toch hebben die malle jaren zeventig mij meer gevormd dan ik misschien wil toegeven. Zelfstandig ben ik al sinds ik me kan herinneren. Verantwoordelijk ook. Wars van kuddegedrag en groepsdruk. Vrij snel leerde ik dat schaamteloosheid niet erg handig was in deze maatschappij en dat overal een weerwoord op hebben ook niet overal als positief wordt gezien. Soms hield ik dus mijn mond. Een eigenwijs, gezagsmijdend alles bevragend stuk vreten ben ik echter nog steeds. Het kleinste zweempje autoritair gedrag in een ander (meestal bij een kerel) maakt van mij een opstandig vrouwmens.

Uiteindelijk stop ik de mappen terug in de kist. Het is genoeg zo. Het is goed zoals het is. Voorwaarts.

Golden Girl

Lang geleden, ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw, had ik een vriendin waar de slogan ‘Beetje vreemd maar wel lekker’ voor gemaakt leek. Het drankje waar die tekst op sloeg was natuurlijk Rivella, een misselijkmakend goudgeel drankje bij de eerste slok, agressieopwekkend vies feitelijk, maar als je dan door dronk bleek er een vreemdsoortig verlangen te groeien dat hele glas te legen. Ze hadden het beter contradictio in terminis kunnen noemen. Een beetje als Dr. Pepper, ook een zeldzaam smerig drankje, dat je desalniettemin maar door blijft drinken om erachter te komen waarom het zo vies is of, op z’n kop geredeneerd: waarom het lekker en vies tegelijkertijd kan zijn.

Deze vriendin was ook raar, maar aangezien ik ook niet helemaal normaal lijk te zijn was het een prima match. We deden niet voor elkaar onder, daarover zometeen meer, en deelden een paar jaar lief en leed, ook heel letterlijk, als in dat we naar het schijnt een aantal mannen hebben gedeeld, al wist ik dat toentertijd niet. Heel lekker vond ik haar niet, maar ze was in elk geval zo raar dat ik lang ben blijven plakken.

Op een dag, nog steeds ergens in de jaren 90, kreeg ik een pakketje. Nieuwsgierig maakte ik het open. Het bleken incontinentie-inlegkruisjes te zijn. Nou ben ik tegenwoordig misschien langzaam toe aan iets Tena-achtigs met de overgang die haar lokroep zo af en toe laat horen, heel verdrietig natuurlijk, dank voor uw medeleven, maar in de jaren 90 van de vorige eeuw was ik nog half nat achter de oren. Of wacht, beter iets anders formuleren, ach te lui voor, u begrijpt mij.

Ik trok mijn wenkbrauwen op en pijnigde mijn hersenen over het wie en waarom. Het leek mij stug dat de firma Tena mij uit zichzelf die rommel zou opsturen en het leek mij ook stug dat de firma Tena dan zou denken dat ik ineens incontinent zou worden bij het aanschouwen van dit ongevraagde non-cadeau. Het was een proefpakket, stond er. ‘Bedankt voor het aanvragen van dit proefpakket. U ontvangt hierbij Tenalady in drie formaten, light (voor die enkele druppel ongewenste urine), medium (voor als u bij het niezen niet helemaal droog de overkant haalt) en heavy (voor als u eigenlijk een luier nodig heeft maar nog in de ontkennende fase zit), zodat u op uw gemak de Tenalady kunt selecteren die voor u het geschiktst is.’

Iemand had dit aangevraagd, had zich waarschijnlijk bescheurd tijdens het invullen van mijn adres en misschien zelfs wel ondergepiest ook, en ik loog toen ik net zei dat ik mijn hersenen had gepijnigd want ik had een donkerbruin vermoeden wie het was. Ik zou dit varkentje wel eens wassen, dacht ik. Ik toog naar de tafel en bladerde door de krant op zoek naar geschikte proefpakketten. Mijn vriendin zou binnenkort verblijd worden met een miniatuur aambeienzalf.

De oorlog was aan. Als we bij elkaar waren repten we met geen woord over de koude oorlog, al lagen de hints her en der door onze huizen. Pakjes Knorr Wereldsmaken, tampons, drie weken Story, lidmaatschap van een of andere obscure kerk (inclusief bezoek aan de deur), meer incontinentieonzin, luiers, babydoekjes en billencreme, potjes olvarit, Telegraafproefabo, staaltjes hout en verf: er kwam maar geen einde aan dit bombardement. Ik denk dat we maanden verder pas over gingen op een wat rustiger regime, ongetwijfeld ingegeven door een gebrek aan opties. Zes proefabonnementen op de Telegraaf achterelkaar schijnt niet te mogen en ook niet te kunnen. Af en toe kwam er nog een pakje kauwgom of een zakje Whiskasbrokjes, maar grosso modo was dit vijvertje wel leeggevist.

Nog jaren later werd ik geteisterd door kilo’s reclamefolders en geadresseerde rommel op mijn deurmat en gebeld door een keur aan randdebielen die met mij tegen het vallen van de avond over hun producten en diensten wensten te spreken. Blijkbaar had ze ook mijn telefoonnummer doorgegeven. Goddank nam het af na 17 keer verhuizen. Ik kon eindelijk weer in de anonimiteit.

Tot ik begin deze maand werd benaderd door iemand die mij vertelde dat ik was genomineerd voor een award. Een FEMALE LEADERSHIP AWARD. De naam van de prijs had de mij onbekende dame verkeerd gespeld; ze had als onderwerp GolderGirlTrofee geschreven wat naar bleek de Golden Girl Trofee moest zijn. Alle alarmbellen gingen tegelijk af in mijn hoofd. Mijn Rivellavriendin, was ze weer actief? Had ze weer in haar broekje gepiest tijdens het schrijven van deze mail, of bestond deze award echt en had ze mij genomineerd omdat de naam van de trofee haar nou eenmaal aan mij had doen laten denken? Dit was de koude oorlog van twintig jaar terug, next level.
Ik was onder de indruk: echt een tandje erbij ten opzichte van een ongevraagde envelop met inlegkruisjes of aambeienzalf.

Ik las de mail en kon alleen maar concluderen dat iemand (ik noem geen namen), ergens, waar dan ook, zich ongans zat te verkneukelen om het idee dat Bronja straks misschien de trotse eigenaar zou zijn van een heuse Golden Girl Trofee. Bij gebrek aan de Tenalady Award was dit vast the next best thing.

Ik heb gelijk ingegrepen, dat lijkt me evident. Ik heb vriendelijk bedankt voor de nominatie maar gezegd dat ik er helaas ongeschikt voor was. Ten eerste ben ik geen boegbeeld van ‘FEMALE LEADERSHIP’ en ten tweede: Golden Girl my ass. Beter gelijk afkappen, voor ik, god verhoede, overal ineens voor genomineerd word.

Happinez

Ik kreeg het blad Happinez vorige week ongevraagd toegestuurd. Het was bij een bestelling van groene thee met earl greysmaak meegeleverd, dus ik moet toegeven dat ik het een klein beetje zelf had uitgelokt. Ik was niet blij dat de Happinez mijn huiskamer had weten te bereiken. Ik lees sowieso geen papieren tijdschriften, ik vind dat net zo zinloos als het eten van pennywafels, maar van alle tijdschriften wil ik de Happinez waarschijnlijk het minst graag in mijn privédomein. Wat een kutblad is dat, zeg.

Ik hou ook niet van bladen als woman’s health of Cosmopolitan of Linda of Wendy of hoe die vrouwenbladen die als wekelijkse of maandelijkse missie schijnen te hebben mij inadequaat, incompetent, vadsig en slonzig te laten voelen ook maar moge heten.

Tien tips om weer snel lekker in je vel te zitten. Bij de tweede tip (altijd eerst je rechterbeen afdrogen en onderaan beginnen!) voel ik me al schuldig omdat ik mij blijkbaar al mijn hele leven verkeerd heb afgedroogd en ben ik bang dat ik nu mijn lichaam zo verwaarloosd heb dat het nooit meer goed komt met mij en mijn bloedsomloop. Stop met koffie drinken want daar krijg je kanker van, of een of andere nare willekeurig in te vullen rotaandoening en probeer in plaats daarvan carob- of eikeltjeskoffie en je zult shinen als nooit te voor! Nou geloof me, ik heb in mijn jaren 70 jeugd het genoegen van de vermalen johannesbroodboompeul mogen smaken die zogenaamd een goede vervanger van cacaopoeder zou zijn en ook dat van de koffie gemaakt van eikels en ik kan je verzekeren dat het genoegen niet wederzijds was. Zelden zoiets smerigs als carob gegeten of gedronken (het moment dat je een hap van die ‘chocolade’ nam en erachter kwam dat het helemaal niet naar chocola smaakte en wel naar koeienvlaai, horen dat Sinterklaas niet bestond was minder erg, geloof me) om over mijn trauma door eikeltjeskoffie maar te zwijgen. Een prachtige poncho in mosterdgeel voor…475 euro? Serieus? Eerst mij lekker maken met onnodige kleding en dan doodleuk zo’n prijs erbij vermelden? Dat jullie redactrices elkaar de tent uitvechten voor freebies van trappelende bedrijven is prima (misschien kunnen ze beter ‘influencer’ op Instagram worden, dan weet je als argeloze lezer in elk geval zeker dat je naar reclame zit te kijken), maar iemand als ik mag al blij zijn dat de H&M in de uitverkoop een poncho in afzichtelijk geel verkoopt. Word bikiniproof in 30 dagen met deze eenvoudige oefeningen! Zat ik net lekker op de bank met twee repen cote d’or en moet ik nu opstaan van jullie om te scrubben scrubben scrubben op een dieet van wortels en groene smoothie zeker. En natuurlijk weer schuldig voelen, altijd maar weer dat verdomde schuldgevoel. Heb jij ook last van cellulitis? Doe dan zoals wij en word strak in no time! Weer iets met gratis producten voor redactrices die even zijn vergeten dat ze journalist zijn en geen advertorial zouden moeten schrijven. Emily ging naar Nepal voor de zen maar kwam terug met een Echte Man. Het geheime leven van Kim – overdag juf op een basisschool, s nachts dure escort! Mijn leven met boulimia! Jongens, al die Vriendin-verhalen, die hele trend van tranentrekkende human interest (hoe voelt dat nou? Geen feiten! Gevoel!) wordt nog eens onze ondergang. Die zucht naar horen over andermans leed, die intense behoefte te lezen dat een ander het nog slechter heeft, ga weg.

Ga weg. Ga gewoon weg.
Kijk, ik weet heus dat het ook aan mij ligt dat ik me ontoereikend voel na het doorbladeren van zo’n prul. Dat ik erom zou moeten lachen, heel hard en lang en dat ik medelijden zou moeten hebben met de dames die zo’n blad (waarschijnlijk met uitgestreken smoel, misschien wel hard lachend) vullen, ik weet dat allemaal heus wel. Ik heb zelf voor een mannenblad gewerkt waar ik de horoscopen verzon, dus ik zou moeten weten wat voor een onzin die papieren vodjes verkopen. (Ik maakte het op een gegeven moment zo gortig dat iemand anders de horoscopen weer overnam. De geïrriteerde eindredacteur zei dat iedereen wist dat de maandelijkse horoscopen onzin waren maar mijn freubelwerkjes waren zo overduidelijk fictie dat er klachten over waren gekomen op de redactie.) Maar nee: ik lig daar maar te atrofiëren op mijn verlepte krent en me steeds kleiner te voelen als ik zo’n blad lees, net of de onzin tegen mijn zin mijn poriën insijpelt, als een onverkwikkelijke horrorosmose. Hoe je slanker en succesvoller kunt zijn, welke spullen je allemaal moet hebben en kopen (in hun webwinkel!, ze hebben allemaal een webwinkel en minstens 4 pagina’s in de papieren editie met goederen die je status verhogen, je lichaam verbeteren, usw., allemaal gratis ter beschikking van de geheel onafhankelijke redactie gesteld die er vervolgens geheel onpartijdig een kritisch stukje over schrijft), dieettips, eindeloze oeverloze onzin en dat elke maand opnieuw.

Ik lees die bladen gewoon niet meer, ik ben niet bestand tegen zoveel perfectieterreur. Mijn leven is oneindig veel beter sinds ik die rommel niet meer lees.

En toen kwam de Happinez dus ongevraagd tot mij en moest ik concluderen dat dit blad nóg erger is dan alle roddelbladen én fitnessbladen én modebladen bij elkaar. Ik zei het al: wat een kutblad. De Happinez is een sneaky blad dat volgens de ondertitel een ‘positive, wise & loving life’ propageert (in het Engels, natuurlijk) en dat je waarschijnlijk met een grote mok dampende thee in beide knuisten tot je moet nemen voor een ‘momentje voor jezelf’. Ik kan het blad alleen tot me nemen met een dienblad vol sarcasme, ben ik bang. Het idee dat er vrouwen zijn die elke keer reikhalzend uitkijken naar dit momentje voor zichzelf stemt mij droef.

Toegegeven; er staan misschien een of twee redelijk interessante verhalen in het blad, maar dat komt dan vooral door de foto’s en het feit dat het een reisverslag betreft en geschreven is door een serieuze freelancer die hard moet werken voor zuurdesembrood op haar plank. Het gros van de pagina’s wordt echter gevuld met quasi-spirituele mumbo jumbo, van een stuk over ‘leven vanuit je intuïtie’ en hoe je kunt leren los te laten tot de geheime krachten van je bekkenbodem en een overbodige column van de Eindhovense Henk van Straten.

Ik voel mij tijdens het ‘lezen’ van de Happinez niet zo inadequaat, dik, slonzig en vies als tijdens het lezen van die andere bladen, dat is een voordeel in de categorie Johan Cruijff, maar als ik langs artikelen als ‘Runen leggen: antwoord op je vragen’ en weer tientallen pagina’s met shoptips (soul journals, toilettas tree of life, horloge let it grow, krachtkettingen en bergkristallen met zuiverende werking) blader, voel ik me toch een partij verdrietig en gedeprimeerd. Hebben wij dit nodig, mompel ik dan, hebben we echt zo’n blad nodig dat ons in plaats van lichaamsplained nu mindsplained. Dat ons in soundbites en loze kreten zogenaamde spirituele voeding voert, arme schrale hongerige zwevende zingevingszoekertjes die wij zijn, hunkerende lege dolende oude meisjes die hopen dat een zon en maan-ketting van de Happinez of een brok celestien à 35,= die de negatieve energie van anderen neutraliseert, ons vervult en opvult en richting in ons leven geeft. Na het lezen van de Happinez kunnen wij er weer anderhalve maand tegenaan, lijkt de boodschap. Zonder de Happinez is deze planeet onbarmhartig en kil.

Je zou bijna willen dat onzelieveheer weer bestond. Toen onzelieveheer nog bestond hadden we al deze onzin namelijk niet nodig. Toen maakte je maar zin, ook al leek alles zinloos en had je nul zin.

Licht

Ik was bang dat het nooit meer licht zou worden. Dat de dagen op nachten zouden blijven lijken en dat de chaos in mijn hoofd nooit meer zou verdwijnen. Het was beangstigend maar ik wist ook dat door net te doen of het niet zo was het niet vanzelf zou verdwijnen dus ik liet het maar gebeuren, min of min.
Door alle donkerte heen probeerde ik af en toe van boven te kijken alsof ik in een helikopter hing, stationair draaiende motor hoog genoeg boven mijn somberte om alle randen mee te nemen in een screenshot. Dat gaf rust, dat ik dat nog kon. Een momentopname maken. Als ik echt gek was geweest had ik dat niet gekund, zei ik dan tegen mezelf.

Ondertussen zat ik hele dagen op bed en deed niks anders dan slapen, lezen, door berichten van mensen die wel buiten kwamen scrollen en bieden op virtuele veilingen op mijn telefoon. Maar ik was nog niet van de aarde gegleden – ik had immers mijn helikopter nog.

Oh, wat verlangde ik naar warmte op mijn huid. Zon tussen mijn wimpers. Liefde op mijn kussen. Maar er kwam niks en ik wist dat er niks anders op zat dan het uitzitten en het ondergaan.

Op een dag werd ik wakker en zag dat er twee witte strepen door mijn verduisteringsgordijnen waren gebroken. Ik mocht van mezelf niet te veel lezen in de verschijning van het licht in mijn kamer. Zo had ik de gordijnen misschien niet goed gesloten toen ik de avond ervoor naar bed was gegaan. Toch voelde ik hoe mijn lichaam reageerde op de molenwieken; een glimlach, een sneller kloppend hart, een jubel die niet te stuiten was.

Er was weer licht. Er was weer licht en ik kon het zien.