Pornoking

Toen mijn boek Verloren taal een uitgever had gevonden (eind 2015) heb ik geprobeerd contact te leggen met Antonin Kratochvil, de man met wie mijn vader in 1969 uit Tsjechoslowakije vluchtte (nou ja, ze kwamen elkaar tegen in Traiskirchen, een vluchtelingenkamp in Oostenrijk en van daaruit namen ze samen de benen). Antonin, door mijn vader Pornoking genoemd omdat ie begin jaren 80 voor blootblaadjes vrouwen fotografeerde, bleef niet een paar jaar plakken in Nederland, zoals mijn vader, maar ging vrij snel door naar de Verenigde Staten, waar ook mijn vader in 1981 naartoe verhuisde.

Ik kreeg Antonin niet te pakken, kwam niet verder dan de secretaresses en assistenten van het beroemde VII agentschap, die mij keer op keer van alles toezegden maar nooit in contact met Kratochvil brachten. De man was onbereikbaar, een onneembaar fort. In de 35 jaar die hij als fotograaf aan de weg had getimmerd was hij zó beroemd geworden dat ik, de dochter van zijn vluchtmaatje, hem niet kon benaderen en hem dus niet om toestemming kon vragen voor het plaatsen van een foto van zijn hand in mijn boek Verloren taal. Die foto staat er nu in zónder zijn toestemming. Lekker puh.

Aangezien ik in de opstart van een nieuw boek vaak wat loop te zwabberen (ja ook nu ja), nog niet een echte focus heb gevonden zeg maar, zat ik wat foto’s op internet te bekijken. Ik zag een prachtige foto van David Bowie en eentje van Liv Tyler, allebei door Antonin geschoten en zwabberde zo via klikklikklik door naar een artikel van vorig jaar juli. Mijn pyjamabroek zakte er bijna van af – Antonin had stilletjes ontslag genomen bij het foto-agentschap, VII, dat hij zelf nota bene had opgericht! Een heuse #metoo, een lange lijst beschuldigingen hing als een onverkwikkelijke gifwolk om hem heen. Een vrouw vertelde hoe hij zijn hand van achteren tussen haar billen had gestoken, verder en verder tot hij bij haar vagina was aangekomen. Daar was de hand een paar seconden blijven liggen, tot de vrouw was weggelopen.

Ik denk aan Pornoking, hoe mijn vader en hij elkaar met “ty vole” aanspraken (“jij os”, maar eigenlijk gewoon “dude”), hoe hij seksistische opmerkingen tot het nieuwe normaal had verheven (denk eraan: ik was negen toen ik hem voor het laatst zag, denk ik, en ik herinner me hoe hij over vrouwen sprak én dat hij heel erg van mooie vrouwen hield, en ik herinner mij de zomervakanties in Californië bij mijn vader en stiefmoeder en dat hij dan belde en dat ik mijn vader dan heel raar Tsjechisch hoorde spreken) en kom tot de conclusie dat ik niet verbaasd ben over de aantijgingen en ze zelfs al voor waar aanneem. 

Nostalgie – Never Tear Us Apart

Mijn zoon gaat naar de tweede van de middelbare. Het brengt zoveel herinneringen naar boven, soms voelt het of ik overspoeld word door weemoed en nostalgie – heimwee naar een verleden dat gerijpt is door tijd en na al die jaren extra glans en gloed heeft gekregen. Dan zie ik mijn jeugd in de jaren tachtig van de vorige eeuw alsof het polaroidfoto’s zijn, alsof het de kiekjes uit het album zijn dat mijn stiefmoeder voor me samenstelde van mijn eerste bezoek aan haar en mijn vader in 1981. Beelden die aan de rand gerafeld zijn. Overbelichte en vervaagde beelden. Een oranjegele gloed.

Ik weet dat tijd herinneringen verandert, dat herinneringen niet statisch zijn, dat ze kunnen meeveranderen met omstandigheden, dat iemand je herinneringen kan aanpraten en dat je dan kunt denken dat je het echt zo hebt ervaren. Zo heb ik herinneringen waarvan ik zeker weet dat ik ze heb door de verhalen van anderen. En toch zijn ze nu van mij. Ik weet ook dat de jaren tachtig niet prachtig waren. Mijn vader ging dood in de jaren tachtig en na 1988 is mijn leven nooit meer hetzelfde geworden. Ik werd teruggetrokken, mijn puberteit staakte, ik werd dik en depressief. Niet leuk.

Maar als ik aan de jaren 80 denk dan denk ik niet aan mijn pijn en het bodemloze en hulpeloze gevoel dat ik toen had. Ik denk aan mijn vriendinnetje T en hoe we als Cyndi Lauper en Madonna uitgedost de straat opgingen en te maken kregen met een potloodventer. Ik kom nog regelmatig in die buurt en er hangt daar helemaal geen oranje waas en toch zie ik die kleur als ik aan dat voorval denk. Ik vond het ook niet leuk om de stijve piemel van de man te zien. En toch word ik nostalgisch als ik er 34 jaar later aan denk.

Ik weet nog dat ik in Praag was, toen het nog duister en grauw daar was en toen de mensen alleen achter de voordeuren uitbundig durfden te leven. Ik was hevig verliefd op een klasgenoot en zwolg in dat gevoel van verbondenheid en missen. In gedachten is die week daar omgeven door witte mist. Ik zie mezelf aan de Moldau waar een drietal violisten op leeftijd in de vroege ochtend een droef en melancholisch wijsje spelen, ik zie mezelf op de Karelsbrug, een waterig zonnetje hoog in de hemel. Mijn donkere lange haren dramatisch wapperend in de wind. De kenner herkent het liedje dat vervlochten is met mijn werkelijkheid, eclectisch shoppen tussen feit en fictie. De clip kwam een paar maanden later uit. Ik heb het opgezocht.

Ik voel een saudade voor die vervlogen tijden die niet rijmt met de werkelijkheid van toen. Ik weet dat het betekent dat ik niet meer jong ben en het voelt goed. Het is goed zo.

Mijn zoon zegt dat hij ook weemoed voelt naar vroeger als ik hem naar zijn herinneringen vraag. Waar word je dan weemoedig van, vraag ik. Naar de tweede game van Harry Potter, zegt hij. Ik mis die game zo. Ik voel nog hoe de gameplay was, hoe mijn vingers over het toetsenbord raasden. Ik mis het gevoel van het vliegen op Scheurbek, het vechten met de Dementors.

Ik moet gniffelen. Zijn jaren 0 zijn nu al als mijn jaren 80. Omgeven door een gouden (of oranjegele) morgengloed.

Bijna 13

Het oudste kind is bijna 13.
Ik zie hem zitten, met zijn geblondeerde lange lok en zijn beugel en zijn gemopper op de campingwifi. Bij de receptie zag ik gisteren een grote tros jeugd hangen, allen op zoek naar de beste straal internet, als die foto van vluchtelingen op een onbekend strand met mobiel in de lucht. Ik heb wifi dus ik besta. Ik heb geen wifi dus ik ben zoekende. Wij staan naast de verspreider van de levensadem, dus mijn zoon moppert gratuit vanaf zijn stapelbed. Zijn ontvangst is beter dan dat van alle anderen op dit kampeerterrein. Hij is koning op deze bestaansrots.
13 jaar geleden was ik 42 weken zwanger. Een aangespoelde potvis, ik tik-je-omver topzwaar, met een baby in de buik die van geen wijken wist. Hij had zwarte haren toen hij werd geboren en lange nageltjes omdat hij zolang in mij had gewoond. Ik kijk naar hem, mijn zoon met zijn slungelige-bijna-dertienjarige lijf, een en al lengte en botten, niet meer zulke gladde benen en het begin van een vlasje op zijn bovenlip. Nog even en hij heeft meer snor dan ik.
Ik denk aan mezelf en hoe het voelde om 13 te zijn. Ik voelde me afwisselend een vreemde in mijn eigen lichaam en op deze wereld en dan ineens volkomen op mijn plek. Ik was geen meisje en geen vrouw, een ietsje tussenin – en zo ook mijn zoon, alleen dan met het y-tje van zijn vader. Ik kijk naar mijn zoon en glunder. Ik glim.

SARAH

Geen mannen. Geen mannen meer, dacht Sarah. Nooit meer mannen. Ze voelde zich nog steeds eenzaam, sterker nog: ze had zich nog niet eerder zo ver van de maatschappij en anderen verwijderd gevoeld als nu op dit terras, omringd door al deze bedrijvigheid, al deze mensen die allemaal totaal niet op zoek leken naar zingeving. Het voelde of iedereen, behalve zijzelf, een soort natuurlijk ingebouwd kraantje had dat hen vulde met diepgang, voldoening, fucking joie de vivre, als het reservoir vanbinnen leeg leek te geraken. Was haar kraantje kapot? Had zij geen reservoir? Voelde zij zich daarom zo permanent zinloos en futiel?

Haar beste vriendin naast haar, aan wie ze zojuist over haar vruchteloze, intreurige escapades had verteld, boog zich voorover en pakte het glas witte wijn voor haar op het wankele tafeltje. Voor ze een slok nam aaide ze Sarah over haar been met haar vrije hand.

‘Saartje, kop op. Je ziet eruit alsof je een dinosaurusei moet uitpoepen. Je hebt twee mislukte dates gehad, nou ja, wat het dan ook waren, maar dat is toch niet het einde van de wereld? Er is zoveel meer dan mannen!’ Carolien maakte een theatrale beweging met haar armen waardoor de wijn over Sarahs jurk klotste. Sarah zuchtte. Terwijl ze met een servetje de wijn opdepte, probeerde ze haar vriendin aan het verstand te peuteren dat zij makkelijk praten had.
‘Nou ja, eigenlijk bedoel ik: er zijn zoveel meer mannen’. Carolien zette het lege glas met een knal terug en wenkte vervolgens met een vloeiend gebaar een ober om meer drank voor haar en haar vriendin te bestellen, ook al was Sarahs glas nog half vol.
‘Jij bent slank, Caro. Je ogen twinkelen. Je tanden zijn wit. En je hebt geen grijze haren op je spleet.’

Carolien barstte in lachen uit. ‘Je zei het echt. Je hebt het echt gezegd! Spleet! Daarom hou ik van jou, jij aartspessimist, met je onzin! Denk je dat alles mij vanzelf komt aanwaaien?’
Sarah dacht eerlijk gezegd van wel, maar haalde haar schouders op. ‘Ik weet het niet Caro. Alles lijkt vanzelf bij jou te gaan. Ik zie je nooit struikelen, en als je dan hapert, lijk je er altijd sterker uit te komen. Ik, daarentegen, krimp met elke tegenslag een beetje meer en lijk niet instaat mijn plekje op deze aarde te claimen. Het lijkt er verdomd op alsof er geen plekje voor mij is hier!’
‘Wat een pathos! En wat een larie, Fuller! Op alle fronten heb je ongelijk. Jij hebt een plek, alleen ben jij de enige die dat maar niet lijkt door te hebben.’ Carolien rechtte haar rug en stak haar borsten vooruit. De push up bh liet de blanke kipfiletjes deinen. Sarah keek er gefascineerd naar. Carolien zag Sarahs ogen, pakte hoofdschuddend de hand van haar beste vriendin en legde die op de blote huid.‘Waarom draag jij dit niet, Saar? Jij hebt ook mooie tietjes. Waarom koop je geen leuke push-up bh die alleen je tepels bedekt en die ze laat klossen bij elke stap?’

Sarah schudde haar hoofd en trok haar hand terug. Dit was Carolien ten top. Shockeren, plagen. Maar dat lukte haar al tien jaar niet meer. En toch zette het Sarah aan het denken. Ze wist heel best dat het niet allemaal vanzelf voor Carolien kwam. Zo was daar de bh, de maandelijkse gang naar de schoonheidsspecialiste en de kapper, de nepnagels- en wimpers, de bindweefselmassagesessies, de ontharingskliniek en de tandarts die haar tanden liet blinken. Ze wist heel goed dat het niet allemaal door god gegeven was en dat de andere vrouw er hard voor moest werken om er zo uit te zien en toch…ze gedroeg zich alsof het van haar was, like she owned it. En dat maakte haar onweerstaanbaar.

Carolien leek Sarahs gedachten te raden. ‘En vergeet de biologisch-dynamische groenten niet he, en de eitjes van de boer en al die superfoods die ik elke ochtend naar binnenwerk alsof ik een of andere marmot ben. Het komt niet vanzelf, Saartje, echt niet. Het is hard werken om mooi te zijn.’
‘Ik wil helemaal niet mooi zijn, Caro! Alleen maar gelukkig!’, zei Sarah naar waarheid. ‘Jezus nog an toen, ik wil iets van voldoening ervaren, wakker worden ’s ochtends en dan mezelf in de spiegel zien en niet schrikken van dat afgeleefde hoofd en denken, another day, another fucking dollar, again, maar ergens naar uit kijken!’.
‘Ja, dat zeg ik toch juist? Daar moet je zelf iets voor doen! Zo’n kerel komt niet met de pizza meebezorgd. Jij begeeft je op de vleesmarkt zonder enige vorm van eigenwaarde. Volgens mij heb je je al in geen maanden geschoren daaronder, heb ik gelijk of niet? Je straalt het uit, dat je jezelf onbelangrijk vindt. Mannen ruiken dat. Pak jezelf van buiten aan en hou een grote schoonmaak van binnen en je zult zien dat je ze van je moet afslaan. Ze zijn zo makkelijk.’

Sarah wilde haar vingers in haar oren steken om de woorden niet te horen. Alles draaide bij Carolien om mannen, om gezien worden door mannen. En hoewel Sarahs pogingen tot het vinden van geluk de afgelopen maanden bijna exclusief betrekking hadden gehad op de andere sekse, was zij van mening dat een man, zeker gesublimeerd tot piemel, niet de heilige graal was. Ze wist het nu zeker, empirisch ondervonden en al. Ze zou heel ver bij mannen vandaan blijven. Nog steeds knaagde dat stemmetje ergens in haar hersenpan, knabbelde het aan de wanden van haar amygdala dat ze wel degelijk behoefte had aan liefde van een ander mens en dat de liefde die zij bliefde volledig losstond van geslachtsorganen en vleselijk genot, maar ze wilde er niet meer naar luisteren. Hoewel ze rationeel heel best wist dat haar pogingen geluk te vinden door niemand anders dan haarzelf waren mislukt, zij had alle vormen van succes getorpedeerd, misschien niet bewust maar dan toch zeker onbewust. Je zou bijna denken dat ze bang was voor de liefde, dacht Sarah wrang. Het zou komisch zijn als de waarheid niet zichtbaar door het flinterdunne oppervlak had geschenen.

Maar ze sprak haar gedachten niet uit en dronk van de nieuwe wijn die de jonge ober haar bracht, nadat ze in een teug het oude glas had leeggedronken. Ze deed haar best niet de schoonheid van de jongen te zien. Niet haar fantasie op de loop te laten. God, wat was hij mooi, de armen ontbloot en bruin en de ogen groot, blauw en nieuwsgierig. Je zag aan die ogen en aan de manier waarop hij zich voortbewoog, onbevangen en behendig laverend tussen de strak op elkaar geplaatste stoeltjes van dit populaire terras, dat hij niet alleen vol levenslust zat, maar vooral die natuurlijke arrogantie van de jager had waar Carolien ook over leek te beschikken, al probeerde zij Sarah wijs te maken dat het niets dan een loopje met de waarheid nemen was, het aandikken van feiten, de optische illusie van een bh die je borsten tien centimeter dichter richting oksels parkeert.

Sarah geloofde niet in Caroliens sussende woorden, haar aansporingen om haar vriendin wat van zichzelf te doen laten maken. Je had het –of je had het niet, en het was de blik en de tred die je verraadde. Mensen als de wijnbrenger en haar vriendin kregen wat ze wilden, ze hoefden hun aandacht maar te richten op iets, hun materiële of immateriële prooi, en het kwam ze vroeger of later toe. Zij waren de jagende elite waar Sarah zo jaloers op was. Er waren geen trap, geen tredes, geen mogelijkheid omhoog te klimmen. Je werd ermee geboren, met het jagersgen, met die vanzelfsprekende zelfingenomenheid, het was niet door middel van een opwaartse verplaatsing van klierweefsel en vel te verkrijgen.

Sarah sloot haar ogen en genoot van de zon. Gelukkig bleef die schijnen en haar verwarmen, hoe beroerd ze zich ook voelde. Nee, de leegte die zij voelde kon niet met man of pik gevuld worden en ook niet met zaden en kiemen en biologisch-dynamisch gekweekte groenten en vrije uitloop eieren. Ze moest iets anders vinden dat haar dagen kleur en invulling kon geven. Haar koude en oude meisjeslijf met warmte zou vullen.

Neus

Ik voel een groot verwantschap met die rat uit de film Ratatouille. Een aardbei links en een stuk kaas rechts, het beest weet de smaken aan elkaar te knopen in zijn hoofd. Proeft voor in zijn hersenen, voelt hoe texturen zich mengen op zijn tong zonder te eten. Ik kan dat en het is een groot voorrecht om in staat te zijn te ervaren dat de som der smaken soms meer is dan 1 plus 1.

Ik voel ook een groot verwantschap met Jean-Baptiste Grenouille. Zijn neus weet moeiteloos geuren uit elkaar te trekken in losse componenten, tot de allersimpelste stof. De meisjesmoordenaar op zoek naar het perfecte parfum, de gebochelde die werd geboren op een berg vis onder een marktstal, geuren lieten hem leven in een donkere grot en surfen op golven van lust en genot. Mijn neus heeft mij liefde laten ervaren en braakneigingen gegeven. Mijn neus is nooit stil en teruggetrokken, opererend op de achtergrond. Mijn neus is luid en cholerisch en lives a life of its own.

Deze neus, mijn neus, viert geen vakantie dit jaar: straten vol dampend asfalt, zwetende lijven en verhitte hoofden met plakkerige haren, en broeiende kruizen zorgen voor een continue toevoer pep. Een zomer vol hitte en hormonen, zompige oksels vol verbloemende deodorant in honderden geuren, sommigen oksels juist onverbloemd en overdonderend en genadeloos, gelukkig ook bloemen en gras en de ziltigheid van de zee, helaas ook natte honden en oude mensen en rotte schelpdieren en smoezelige kinderknuistjes die ruiken naar muffe aarde en ijzerpillen en zaken die een mens nou eenmaal liever niet benoemt. Ze houden mijn neus in constante staat van alertheid. No rest for the wicked, maar mijn neus is zo moe. Mijn neus is aan vakantie toe.

In de boekwinkel

Ik liep de boekenwinkel in het centrum in op zoek naar boeken van vriendjes en vriendinnetjes en andersoortig volk dat ik, al dan niet vaag of helemaal niet, ken. Ik wilde een statement maken, maar welk statement dat precies was leek bij het openen van de deur nog danig in nevelen gehuld. Er was geen actieplan of PowerPoint presentatie aan voorafgegaan, slechts een halfbakken idee had zich gevormd in mijn hoofd toen ik meer dan een kwartier in de rij had gestaan bij de H&M om een joggingbroek terug te brengen. Ik moest zo lang wachten dat er osmose tussen mij en mijn voorgangster had plaatsgevonden. Tot semipermeabele wanden zullen wij allen wederkeren, de een blijkbaar wat sneller dan de ander.

Iedereen die een boekhandel binnenkomt, dus ook ik in dit exemplaar, moet zich een weg banen door potig opgestelde tafels vol top tienen, thrillers, bn-ellende, hippe leeskost, stellages met cadeaus die niks met lezen te maken lijken te hebben, of misschien zie ik het verband niet tussen letters en hangertjes met zeesterren en kaarten met d’olle grieze van de overkant van het plein, griezelig thematerreur, veel te vrolijke puzzelboeken, kookboeken met omslagen als tropische regenwouden en vergeet vooral de lifestylesectie vol smaakvolle koffietafelwerkjes met op de voorkant slanke goedlachse blondinemillennials met groene smoothies in hun jeugdige klauwtjes.
Er is ook altijd een tafel met literaire Nederlandse boeken die leuk voor in de boekenkast zijn, maar die geen hond leest omdat ze of onleesbaar zijn of saai of zo postmodern dat je spontaan lilalevensmoe wordt als je meer dan 1.7 pagina tot je neemt.

Als je al deze obstakels en plagen hebt weten te trotseren beland je bij de kassa, die in een cirkel het halve middenveld van de vloer bestrijkt, waar ook nog leuke lastminuteboekskes staan, nog meer cadeautjes, pennen, dagboeken met slotjes, en alle bn-er boeken die je net niet was tegengekomen.

Ik was bijna veilig, nog even rechtsom, langs nog meer tafels vol boeken bekend van tv, winnaars van man bookerprijzen, gezien op dwdd. Mij maken ze niet gek, dacht ik nog: ik ben uitermate bestand tegen verkooppraatjes, charmant opgestelde wegversperringen en zelfs de kunstmatige lucht van boeken en inkt die in de zaak hing deed me niet tot kopen overgaan. Ik houd stand, ik zal zegevieren.

Boeken van vrienden was ik tot nu toe niet tegengekomen, wel een paar semi-bekende namen had ik tussen al het gekwetter ontdekt. Kijk, daar lag het dikke boek van een kennis maar daar hield het wel mee op. Gauw schoof ik haar stapeltje naar voren en draaide haar woordburen met hun achterkanten naar boven.

Het idee had zich tijdens mijn tocht door de winkel wat meer uitgekristalliseerd. Ik zou vragen waar de boeken van twee van mijn vriendjes stonden en dan enorm geshockeerd reageren als de boekenverkoopmevrouw zou zeggen dat ze hun boeken helaas niet op voorraad had. Ik zou haar proberen te overtuigen van de literaire waarde van die werken, van het talent van de vriendjes. Ik zou niet van wijken weten, pas weggaan als zij beloofde de boeken in meervoud te bestellen voor de goede zaak. Niet voor mij, ik had ze natuurlijk al gelezen, voor de goede zaak en dat waren zij. Ik zou geen schaamte voelen, geen moedeloosheid. Mijn enthousiasme brandend als olympisch vuur.

Een laatste tafel vol opdringerige boeken, Engelse literatuur en derivaten daarvan dit keer. Ik voelde mijn voeten haperen, mijn blik gleed naar rechts, over de voorplatten. In stilte maande ik mezelf voorwaarts, naar de andere kant van de balie, naar de goede zaak, maar een steeds dikker wordende draad trok mij naar die vermaledijde Engelse uitstalling. Niet veel beter dan al die andere tafels, aanbevolen door Oprah, gezien op BBC. 948e druk.

Helaas wordt alles wat onduidelijk, vaag, troebel vanaf dit punt. Ik herinner me alleen dat ik 12.50 moest afrekenen en dat de woorden die ik sprak tegen de boekverkoopmevrouw in de verste verte niks van de monoloog hadden die ik in mijn hoofd had geoefend voor ik die rottige Engelse boekentafel had bereikt. Ik hoorde mezelf mompelen dat het geen cadeau was. En iets van dank je wel.

Buiten kwam ik weer tot mezelf en aanschouwde mijn zwakte; op de cover een sticker met ‘Book of the Year’ en een andere met ‘2 million copies sold’.

Hormonenhel

Aan de reactie op mijn eigen spiegelbeeld kan ik afleiden waar ongeveer in mijn maandelijkse cyclus ik mij bevind.
Als ik vol afgrijzen naar mezelf staar, en dan bedoel ik niet een béétje afgrijzen maar zoveel dat het voelt of er een ton zwarte nare beestjes uit mijn mond zal ontsnappen als ik zo stom ben mijn lippen van elkaar te doen, dan weet ik dat ik aan de vooravond van mijn menstruatie sta. Alles is dan wanstaltig aan mezelf, opgeblazen, dik en lelijk. Met geen mogelijkheid kan en zal ik de echte ik zien, het is een vertekend beeld, daar ben ik (erg handig, vlak voor de overgang) wel achter inmiddels. Ik kijk ook helemaal niet naar het geheel, mijn lijf bestaat uit rampgebieden waar ik op inzoom en waar ik vervolgens mezelf mee kwel. Ik walg dan van mij. Ik kan er niet naar kijken en toch doe ik dat wel. Ik zie kraters en putten, bubbels en lubbers. Hompen doelloos en nutteloos vlees en bedenk plannen om het aan te pakken zodat ik aan de andere kant mooi en slank en als herboren tevoorschijn zal komen. Hele trainingsschema verzin ik in deze fase van het hormonale lijfeigenschap, een enkele keer vind ik mezelf zelfs terug op een of andere pagina van een menselijke slager (of kunstenaar, ze maken per slot van rekening menselijke sculpturen in die cosmetische Houses of Horror). Ik ben dan aan het bedenken wat ik allemaal zou laten wegsnijden en kneden en toveren als ik vijf wensen mocht doen van de liposuctiefee. Het is een vreselijke mentale gevangenis en in plaats van mezelf zo kwellen zou ik er beter aan doen alle spiegels in mijn huis in deze fase te bedekken – ter zelfbescherming maar ook omdat ik gewoon in diepe rouw gedompeld ben en nee, ik overdrijf niet.

Dan word ik op een ochtend wakker en zie mijn spiegelbeeld in het voorbijgaan en denk: waar was al die boosaardige zelfhaat nou weer voor nodig? Waarom is het zo moeilijk om een beetje liefdevolle vriendelijkheid voor je eigen vlees te cultiveren? Je kunt er prima mee door en bovendien: zo belangrijk vínd je al dat uiterlijke geobsedeer helemaal niet. Evenredig aan deze gedachten lopen de trainingsschema’s met hangende worstepootjes de deur uit en sluit ik alle pagina’s die mijn tijdelijke zelfhaat mij liet bezoeken. Ik wil nog steeds het hardlopen weer oppakken maar die manische onzin is goddank weg. De endocriene duivel voor een gelukzalige maand uitgedreven.

Waargebeurd. Invoelbaar. Enz.

Stel. Je schrijft een boek. Of jij dan de schrijver bent of niet is even onbelangrijk. Dat boek vindt een potentiële uitgever. Je hebt een gesprek.

Jullie praten over het boek en je vraagt je af wanneer de olifantindekamervraag gesteld gaat worden. Dat blijkt na 6.5 minuut. Na zes en een halve minuut vraagt de uitgever of het autobiografisch is, je boek. Waargebeurd. Je vraagt hem op jouw beurt of dat ertoe doet. Of het uitmaakt voor het verhaal. De uitgever denkt even na en schudt zijn hoofd. Antwoordt nee. Maar, zegt hij, het is wel wat verkoopt. Waargebeurd en kloppend. Dat je je als lezer in kunt leven, meeleven met de hoofdpersoon en zodoende mee wordt gesleept en verder wilt lezen. Dat het geloofwaardig is. Of dat je kunt gruwelen om het leed wat beschreven wordt, lekker veilig vanaf je klippanbankje of je jan des Bouvrieleunstoel. Over Holleeder, een bn’er met een cokeverslaving. Seksverslaving. Jouw gesublimeerde ellende. Iets. Ramptoerisme maar dan in de literatuur. Gluren bij de buren met letters.

Dus, wil de uitgever weten, wat is waargebeurd? Je kent me net, zeg je, het is nogal wat om te vragen of ik een abortus heb gehad of een psychose. Doe je dat normaal ook tijdens een eerste kennismaking? Het is maar goed dat dit geen date is, grap je maar je lacht er niet bij.

Geloofwaardig, dat moet het tegenwoordig zijn. Of het moet zo overthetop zijn dat zelfs een blind paard ziet dat het absurdistisch of bovennatuurlijk is, maar dan wordt het doorgaans geen literatuur genoemd. Dan verdwijn je in het genrehoekje en moet je concurreren met boeken over elfen en hobbits.

Wat is dat voor larie dat een hoofdpersonage invoelbaar moet zijn, waarom moet je altijd maar meeleven? Wat is er mis met een beetje moeite doen voor een boek? Waarom kun je niet op dat vieze bankje of glimmende leunstoeltje zitten schelden op de hoofdpersoon, zo van: hysterisch wijf, kouwe kikker, waarom doe je toch zo stom? Als je een film kijkt en een karakter is onaangenaam dan druk je toch ook niet meteen op stop? Ik snap dat je op den duur iets wilt begrijpen, snappen van de gedachtes en acties van een hoofdpersoon, maar dat zo’n persoon nooit je beste vriend zal worden en dat je hem zelfs wilt slaan is toch geen probleem? Dat maakt een boek toch niet slecht?

Onderkoeld en tussen de regels, daar veeg jij je gat mee af. Je vindt dat nieuweklerenvandekeizerschrijven.

Nee, van jou mag het best vlammen en hoog opspatten en je houdt ook van bijvoegelijke naamwoorden en lange zinnen en bijzinnen en meanderende spanningsbogen en vindt ook dat literatuur niet enkel ter vermaak hoeft te dienen en wat je ook kunt waarderen is dat er, zeg halverwege, een kuub spreeuwen uit de lucht lazert en dat dat dan normaal is en geen haan er naar kraait. Nee nu niet gelijk wegzetten als genreschrijven of barok of wat dan ook. Niet alles geloven wat de heersende opinie voorschrijft. Ook ongeloofwaardige woorden kunnen mooi zijn en tot de verbeelding spreken. Juist, zelfs, vind jij, maar je lijkt een roepende in de woestijn.

De uitgever heeft al een poosje niks meer gezegd. Als je de spreeuwen als voorbeeld noemt zie je hem friemelen aan zijn trouwring. Arme man, die zit nu opgezadeld met een weerbarstige schrijfster die verhalen schrijft die misschien waar zijn maar misschien ook niet. Een verhaal aflevert waarin veel feiten kloppen maar ineens niet een maar zelfs twee mensen niet-bestaande mensen zien!

Hij zou haar zo graag willen vertellen dat het loont om waarheidsgetrouw te schrijven, dicht bij jezelf te blijven, klein en ingetogen. Meeslepend maar met geen woord te veel. Niet dat exuberante stapelen van emoties waar jij zo bedreven in bent. Vooral geen dooie spreeuwen! Niet praten met niet bestaande personen, zeker niet als het verzonnen is. Misschien de hoofdpersoon iets minder raar en wat meer invoelbaar maken. Nee, bij jou is alles flauw gedoe – wat de lezer maar verward en geïrriteerd achterlaat. Zo wordt het nooit wat met jou.

Je hoort hem denken: wat zonde dat je dit met je schrijftalent doet. Doe toch eens normaal. Ga een reeks schrijven, misschien moet je weer terug naar non-fictie, je bent toch journalist? En je moet grinniken. Je gaat nog heel lang door met je onzin, ook al verkoop je maar 28 boeken en word je nooit beroemd.

Levenloze voorwerpen

Ik had het hele schaaltje op een na leeggegeten; behoorlijk gedachteloos moet ik er tot mijn schaamte aan toevoegen, niet elke hap koesterend zoals ik op de cursus mindful eten had geleerd. Bij de laatste framboos werd ik me pas bewust dat er nog maar eentje was. Het was toen dat ik hardop het gesprek aanging. Met de framboos, dus.

‘Ik ga jou oppeuzelen en ik hoop dat je me niet gaat teleurstellen, vriend.’
Framboos zei niks. Lag daar maar wat te liggen.
‘Ik ga het doen, hoor. Je hebt nu nog een kans me ervan te overtuigen dat ik je moet laten liggen. Zeg het maar.’
Hij zei nog steeds niks. Ik nam hem niks kwalijk. Een framboos kan immers doorgaans niet praten.
‘Zeg, joehoe, ik heb het tegen jou, meg je rode bolletjestrui. Ben jij een sappig framboosje of ben je zo’n zure hap? Waag het niet zo’n zure hap te zijn. Niemand wil een vieze framboos, zeker niet als het ook nog de laatste is.’

Het kreng hield nog steeds zijn mond. Ik begon er het mijne van te vinden, ondanks het feit dat frambozen doorgaans niet praten. Met veel misbaar stopte ik hem in mijn mond. Het moment dat framboos mijn tong raakte wist ik dat hij, had hij gekund, in lachen was uitgebarsten. Het was geen sappig framboosje. Ook geen zuur framboosje. Ik had een verrot framboosje in mijn mond en ik wist niet hoe snel ik hem moest uitspugen.

‘Lekker dan, had je dat niet even kunnen zegg….’ Het was hier dat ik doorkreeg dat ik met een levenloos voorwerp sprak. ‘Sprak’, want die krengen zeggen nooit wat terug. Ze zijn nog stiller dan huisdieren, je hebt er niks aan. Ik dacht aan mijn psychiater die jaren terug eens aan me had gevraagd of ik met dingen sprak en ik had hem aangekeken en mijn hoofd geschud. Misschien had ik gelachen- welke gek spreekt er nou met spullen die niet terug kunnen spreken. Waarschijnlijk had ik toen ook al met de levenloze broertjes en zusjes van framboos gesproken maar nog volledig onbewust.

Ik vroeg me af of ik nu gekker dan eerst was, maar besloot dat dat onzin was. Ik was nog net zo gek, alleen nu wat bewuster van de rafelrandjes en dode hoeken van mijn karakter. Boeien.

Greta

Het klimaatmeisje kan CO2 zien, lees je ergens op het internet. Je stopt met lezen en leest het nog een keer. Het staat er echt: Greta Thunberg is in staat CO2 in de lucht te zien. Je bent te lui om even de context te googlen alhoewel je weet dat smeuïge headlines doorgaans helemaal niet de zuivere waarheid weergeven. Bovendien las je het elders op het internet ook dus moet er wel iets van kloppen. Nu lees je dat de moeder van Greta, een boezemige blondine van de derde helft die iets met acteren of opera of zoiets deed of doet en je vaag doet denken aan die blonde stoot met de letter A van de band ABBA, die leuke, niet die saaie fletse brunette met die hangtietjes, een boek ‘samen met haar gezin’ heeft geschreven en ben je helemaal overtuigd dat het geen zuivere koffie is wat er door deze klimaatgefetisjeerde Zweden wordt geschonken.
Niets wat er uit die Scandinavische mok komt is nog oke, je hoeft de naam Greta maar te horen of het schuim staat alweer in je mondhoeken.

Je leest dus dat ze gas kan zien en vraagt je even gekscherend af of ze een thermische gopro in haar hersenpan heeft laten solderen maar weet nu genoeg. Ze heeft Asperger en dat zegt alles. Je neemt niet even de moeite je te informeren over Asperger. Waarom zou je, je weet alles al, of eigenlijk weet je genoeg. Je kunt ook te veel weten, immers. Je hebt je conclusies getrokken; gas zien, het einde der tijden zien en laten we die del van een moeder niet vergeten, om over dat watje van een vader van Greta maar te zwijgen. Jij hebt het allang uitgevogeld en een grote jongen (m/v/x) die je nog van je standpunt kan halen. Greta is een charlatan – niets kan je nog overtuigen van het tegendeel.

Je laat je niet gek maken. Jij weet immers dingen.