Patjepeeër in de polder

Wim van Limpt. Tot vandaag had ik nog nooit van dit manspersoon gehoord, maar vanochtend tijdens mijn koffie- en social mediaritueel nam ik dan toch kennis van hem. Ik kan niet zeggen dat ik het een genoegen vond. Wim is directeur van Buma/Stemra, de toko die voor de belangen van muzikanten cs opkomt, maar vooral in het nieuws komt door het opleggen van kleinzielige boetes aan mensen die eens een muziekje draaien op een schuurfeest en daar dan niet braaf centjes voor afgedragen hebben aan de club van Wim. Centjes die dan door Buma/Stemra weer worden uitbetaald aan al die hongerlijdende en misdeelde artiesten. Uitbetaald zouden moeten worden, kunnen we inmiddels wel stellen, want ome Wim neemt het niet zo nauw met onderscheid maken tussen zijn eigen creditcard en die van zijn werkgever Buma/Stemra. Misschien denkt hij, omdat hij directeur van de club is, dat hij ook eigenaar is van al die pecunia maar ik geloof er niks van. Wim is dan misschien een lul, Wim is niet dom.
Geld dat naar Wims megalomane ikje gaat kan niet naar de hardwerkende artiest gaan en dus is Wim een beetje een stoute jongen, een soortement omgekeerde Robin Hood die van de armen steelt om de rijken te helpen. In dit geval dan toch vooral zichzelf.

Onze grote vriend Wim is nog maar een jaar directeur, maar heeft inmiddels vele genoegzame etentjes genoten en dure buitenlanden en hotelkamers op kosten van Buma bezocht en heeft zich, omdat hij het waard is, een peperduur abonnement op een exclusieve golfclub a raison de 42.500 euro getrakteerd. Ik heb nog nooit zoveel in een jaar verdiend, ook niet in tien jaar trouwens, en vraag me af waarom een beetje tegen een balletje slaan met een harde stok bijna een halve ton moet kosten, maar goed, mijn idee van mezelf ergens op trakteren omdat ik het waard ben is een kroket van de Febo of een gezichtsmasker van de Kruidvat. Verschil moet er wezen, daar doe ik niet moeilijk over. Not all animals are equal. De een is een arme schrijver die eucalyptusolie in bad gooit om toch een beetje dat saunagevoel te hebben, de ander vliegt op kosten van de zaak naar verre oorden omdat hij een belangrijk man is en directeur bovendien. Talent komt immers boven drijven, niet waar?

Wat schetste echter mijn verbazing? Wim zit nog niet zo lang bij Buma/Stemra en ‘kan nog niet zelfstandig functioneren,’ aldus de Volkskrant van vandaag. Hij wordt nog steeds extern ondersteund en dit alles heeft de artiestenclub al vele tonnen euro’s gekost. Ik mag niet oordelen, maar deed het toch maar: wat ben je voor volslagen ongeschikte lul dat je ergens komt werken en geen idee hebt hoe je die klus moet klaren en dan voor tonnen aan hulp nodig hebt om je werk te kunnen uitvoeren, maar meent dat het desalniettemin gepast is om geld dat niet van jou is uit te geven aan een nieuw kantoor en dat fraaie golfabonnement.

Wim van Limpt: weer zo’n ongeschikte patjepeeër die meent dat ie ergens recht op heeft. Dat het hem toekomt. Een van de honderden topbestuurlijke graaiers vol dédain naar de gewone man en vrouw, wie dat zijn weet ik inmiddels ook niet meer maar dat is een ander betoog, lid van die heersende elite in de Gouden koets met een glimlach en een zwaaiend handje van boven en een dikke middelvinger uit het zicht van het plebs waar over wordt geregeerd.

Te oud om na te fluiten

Gisteren op de fiets van Vinkhuizen naar de binnenstad werden mij hitsige woordjes toegesist. Dat gebeurt wel vaker, ja echt, en mijn reactie is meestal doen alsof ik oostindisch doof ben of maar een beetje schaapachtig lachen. Ik kon niet precies verstaan wat deze meneer mompelde, maar hij zag lange bruine haren en dat bleek vast genoeg trigger te zijn. Sommige mensen hebben weinig nodig om opgewonden te raken, niet waar.

Het was niet zo erg als die keer lang geleden toen ik bij het Emma viaduct stond te wachten voor het stoplicht en een jongen op een brommer naast me kwam staan en me toefluisterde dat hij graag mijn tampon wilde zijn. Ik weet overigens niet hoe ik op deze ontboezeming reageerde. Achteraf ben ik altijd heel goed van de tongriem gesneden maar ik vermoed dat ik ook deze keer helemaal niets wist te zeggen. Het was dan ook een vreemdsoortig compliment.

Afijn. De geile achteropfietser kwam naast me rijden en keek met glinsterende ogen opzij. Ik keek ook opzij en zag de glimlach op zijn smoelwerk verdwijnen. Hij keek de andere kant op en fietste snel door. Ik wist niet of ik moest lachen of huilen maar besloot dat ik niet iedereen kan plezieren dus barstte ik maar in lachen uit. Nu had ik ook wel mijn lippen naar binnen getrokken en was ik bezig met een soort spookje-zonder-kunstgebit gesprek met mezelf (ja ik ben niet helemaal in orde, dank u), dus ik kan die man theoretisch gezien de stuipen op het lijf hebben gejaagd, maar ik vermoed toch dat de man mij van hoekje a naar hoekje b heeft verplaatst. Om preciezer te zijn: van lekker geil wijf heeft gedegradeerd tot niet-neukbaar vrouwspersoon van de derde helft. Op Saar Magazine las ik gisteren dat iemand voor deze aparte vorm van ghosten een naam heeft bedacht: graniolen. Deze fucker op zijn fiets had mij gegranioold. Het allersneuste was nog dat hijzelf minstens in de winter van zijn leven zat.

Ik weet mij de eerste keer dat ik gewogen en te oud werd bevonden nog goed te herinneren. Ik liep langs een roedel bouwvakkers die opkeken van het stenen leggen en toen allemaal in een beweging weer doorgingen met hun werkzaamheden. Ik ben toen gestopt en heb gevraagd waarom niemand naar me floot of iets zei over bosjes hout voor de deur. Je zag ze wat ongemakkelijk bewegen. Een bouwvakker gaf antwoord: ‘Je bent te oud.’ Daar moest ik even over nadenken. Te oud, ik? Ik was 35, is dat te oud om nagefloten te worden? De man knikte. ‘Als je nou in kort rokje voorbij zou komen of met een strak topje aan, dan zouden we nog een uitzondering maken. Maar we moeten ergens een grens trekken. Anders blijven we fluiten, snap je?’ Hij trok verontschuldigend zijn schouders op. Ik was gegranioold door een stel bouwvakkers met bierbuiken en reetspleten en het enige wat ik kon denken was: ik ben te oud.

Om dit stukje niet op depressieve noot te eindigen kan ik zeggen dat mijn oogleden weliswaar wat zijn gaan hangen, en ook een paar andere delen aan mijn lijf wel, maar dat ik verder toch aardig content met mezelf ben. Ondanks het ouderdomsghosten van sommige mannen in de openbare ruimte.

Omineus

Ik werd vorige week op een ochtend wakker met een onbestendig gevoel. Ik voelde me onbehaaglijk, maar niet gelijk gitzwart en bodemloos. Alsof er iets omineus in de lucht hing dat elk moment kon morfen in iets tastbaars. Ik slikte een paar keer, probeerde het onheilspellende stof uit mijn mond en keel te verwijderen, maar het voorgevoel bleef. Dan maar opstaan en de dag tegemoet treden, er zat niks anders op.
Ik merkte dat ik bij alles wat ik deed oplette of dit dan het moment van openbaring was. Het moment dat ik kon zeggen: ‘Hier ben je dan, jij smerig rotbeest, mij val je niet zo maar van achteren aan!’ Heel relaxt was het allemaal niet, met elke keer vals alarm. Het ontbijtbordjes naar de keuken brengen bleek gewoon dat te zijn: het brengen van borden naar de keuken. De kat zijn verse vis voorschotelen was niet meer dan die handeling en ook het computer opstarten om verder te werken aan mijn manuscript ging niet gepaard met een opensplijtende hemel waar een Griekse God uitkwam om mij te met een bliksemschicht te vernietigen.

Op een gegeven moment wist ik niet meer waar mijn unheimische gevoel vandaan kwam: van het stof dat die ochtend in mijn slaapkamer had gedwarreld of van het paranoïde op mijn tenen lopen. Toen ik ’s avonds ging slapen en weer op de rand van mijn bed zat, kon ik niet anders concluderen dan dat dat hele stilte-voor-de-storm gezeik door mijn sprookjeshoofd was bedacht om deze dag nog enige betekenis te geven. Het was immers een dag die elk jaar betekenis moest hebben, zo had ik dat ooit zelf bedacht. Hij mocht niet naamloos in het niet-noemenswaardige-dagen-graf verdwijnen, niet deze dag.
18 september 2017 werd op deze manier toch nog een dag die ik me zou herinneren. De dag dat mijn vader 30 jaar dood was en ik daar mee kon leven, maar waarop mijn hoofd mij terugfloot en zei dat ik net iets beter mijn best moest doen.

Ik glimlachte flauwtjes en fluisterde: ‘Het is goed, Bronja. Ook als je rouwen elk jaar een beetje minder wordt, is het goed. Er wordt geen handleiding meegeleverd bij iemands overlijden. Er is geen juiste manier van omgaan met het verliezen van iemand van wie je houdt.’

Krokovaar

Yaron lag alleen in zijn bed en keek naar het plafond. Daar stond een leeuw klaar om te springen. Of nee, het was een tijger, want als je goed keek zag je de strepen op zijn rug. Hij stond niet stokstijf stil, hij bewoon een klein beetje. Yaron dacht dat het zijn staart was. Hij wist niet wie of wat de leeuw als prooi in gedachten had, maar hij kroop toch maar wat dieper onder zijn deken. Misschien had dat enge beest wel zin in jongetjesvlees.

‘De leeuw is nep, de leeuw is nep, de tijger is nep!’ fluisterde hij tegen zichzelf. Maar de leeuwentijger ging niet weg. Hij stond nog steeds net niet stokstijf stil op het plafond, met zijn stomme wiebelstaart. Hij deed zijn ogen dicht tot het spleetjes waren, maar dat was nog enger want wat nou als de leeuwentijger sprong en hij zag het niet? En dus deed hij ze gauw weer open. Toen voelde hij dat zijn been nog een beetje buiten het dekbed lag. Dat was verschrikkelijk! Hij ging rechtop zitten en duwde het dekbed helemaal over zijn lichaam heen zodat niks meer te zien was behalve zijn hoofd. Hij leek wel een mummie. Hij had het nu heel warm. En hij was erg moe, dat ook. Maar hij mocht natuurlijk niet gaan slapen! Uiteindelijk viel hij toch in slaap en droomde van enge monsters en dat hij door de jungle moest rennen en dat lianen tegen zijn gezicht zwiepten tijdens het rennen.

*

De volgende avond lag Yaron weer naar het plafond te kijken maar dit keer was de leeuwentijger er niet. Er was wel een ander beest. Het leek nog het meest op een krokodil, maar in plaats van de korte pootjes die krokodillen hebben, had dit ding lange dunne poten, een beetje zoals een ooievaar of een reiger. Yaron moest grinniken. ‘Wat een maf beest ben jij, zeg!’ zei hij hardop. Het beest zei niets. Hij stond daar maar, op vier lange poten een beetje te staan. Met zijn stomme bek vol tanden. Yaron vond de krokovaar niet zo eng als de leeuwentijger maar erg gerust was hij er niet op dat hij veilig kon gaan slapen.

‘Mama?’ schreeuwde hij dus maar.

En nog eens.

‘Mama? Mama of papa?’

Toen er geen antwoord kwam brulde hij zo hard als hij kon. ‘MAMA OF PAPA! ER IS EEN BEEST IN MIJN KAMER!’

Gestommel op de trap. Aan de manier van lopen kon hij horen dat het papa was. Die liep anders dan mama of Ruben. Papa sloeg vaak een trede over omdat hij lange benen had. Net als de krokovaar op het plafond, alleen papa’s benen waren niet zo dun en de krokovaar had poten en geen benen.

Papa deed de deur heel hard open. Hij knalde tegen de muur aan.

‘Wat is hier allemaal aan de hand? Waarom brul je zo?’ vroeg papa.

‘Er is een beest in mijn kamer, papa’ zei Yaron.

‘Een mug? Nu al?’ vroeg papa en hij keek om zich heen. ‘Dat is vroeg in het jaar. Maar ik snap niks van deze winter zonder sneeuw. Toen ik klein was lag er elke winter sneeuw. Of misschien denk ik dat nu alleen maar en heb ik dat in mijn ouwe mannetjes hoofd verzonnen. Maar goed. De mug. Waar is de mug?’

Papa ging in het midden van de kamer staan en deed net of hij een zwaard in zijn handen hield.

‘Ik ga die mug een kopje kleiner maken, zoon, let maar eens op!’ zei hij en hij zwiepte hard met het nepzwaard in het rond.

‘Papa! Hou op! Er is geen mug! zei Yaron. Hij ging rechtop in zijn bed zitten en keek naar het plafond. De krokovaar was verdwenen.

Papa keek ook naar het plafond. ‘Geen mug? Wat voor beest was er dan in je kamer, kereltje?’

Papa liep naar de deur en deed hem dicht. Gelukkig niet zo hard. Ineens was de krokovaar er weer. Yaron wees naar boven.

‘Daar papa, daar is-ie. Het is…het is een krokovaar.’

Papa keek ook naar boven. Toen keek hij weer naar Yaron. Toen keek hij weer naar het plafond. Hij krabde aan zijn baard. Toen knikte hij zijn hoofd.

‘ Ja. Je hebt gelijk. Het is een krokovaar. Heeft hij je bang gemaakt?’

Yaron knikte ook. ‘Maar niet zo erg als de leeuwentijger gisteren. Papa, de leeuwentijger was echt heel eng en ik heb mezelf als een mummie ingestopt en mijn ogen helemaal dichtgedaan maar toch was ik bang. En toen ik sliep kreeg ik allemaal lianen in mijn gezicht omdat ik heel hard door de jungle moest rennen om voor de leeuwen tijger en andere enge monsters te vluchten!’

Yaron was helemaal buiten adem van het vertellen. Papa zat nog steeds te knikken. Toen stak hij zijn vinger op.

‘Wacht! Ik weet iets!’  zei hij en pakte weer zijn neppe zwaard. ‘Weldra, vilein beest!’, zei hij en duwde het zwaard tegen het plafond.

Yaron schaterde het uit. ‘Ga je de krokovaar een kopje kleiner maken, papa?’

‘Uh huh, zo is dat. Ik hak ‘m in de pan!’, zei papa.

Maar Yaron had een beter idee. ‘Ik wil dat de krokovaar denkt dat we hem gaan opeten. Net zoals hij mij wilde eten. We roosteren hem op een vuurtje als een marshmallow, papa!’

‘Ja!’ zei papa. ‘We rijgen hem aan het spit als een varkentje! Branden in de hel zal-ie!’

En dus hakte papa erop los en wapperde met het gordijn en deed een extra nachtlampje aan en regen ze het beest aan een nepstok en aten ze hem met smaak op. Behalve zijn pootjes. Die waren te dun.

Toen papa Yaron had ingestopt en goedenacht had gewenst, zei hij: ‘Je weet toch dat het een nepbeest is he? Net als mijn zwaard. Dat het een schaduw was en dat hij nu weg is omdat ik een lampje heb aangedaan. Dat weet je he?’

Yaron knikte. ‘Dat weet ik papa. Maar toch was ik even bang.’

 

 

 

Leuk man, vakantie

Soms vraag ik me af waar ik het in godsnaam allemaal voor doe: op vakantie met mijn kinderen. In chronologische volgorde hier een hapsnap opsomming van momenten dat ik dacht: beam me up, Scotty, ik wil overal zijn behalve hier.

Op de boot naar Vlieland gemekker over de slechte WiFi en te lam om de vlieger even op te pakken, ook al vraag ik het 700 keer, zodat een argeloze voorbijganger eroverheen lazert en de vlieger al voor we op het eiland aankomen naar de eeuwige vliegervelden is gevlogen.
Van de boot af begint het gemiemel wie wat draagt, of eigenlijk vooral wie wat niet wil dragen. Uiteindelijk dragen papa en mama alles en lopen de twee knapen met een plastic zandemmertje en een plastic kleuterschepje het hele eind naar de camping. Vet zwaar, man.

‘Sjeesus, wat is het heet hier, zeg! Ik zweet me de tandjes!’, zegt nummer een van onder een gevoerd vest met dito capuchon ver over het voorhoofd getrokken.

‘Er zit overal zand, gatver.’

‘Er is niet genoeg wind om te vliegeren.’

‘Er is te veel wind om te vliegeren.’

‘Mama! Doe eens iets anders aan! Wat je nu aan hebt kan echt niet! Ik zie je tieten!’

Jongste is boos op oudste omdat hij de tentakels van de zandoctopus niet netjes genoeg afwerkt. Oudste is boos dat hij de twee van zijn zakgeld gekochte donuts niet als avondeten mag opeten, en dit dan elke dag opnieuw. Oudste klaagt over buikpijn en als wij hem dan uitleggen dat er wellicht enig verband bestaat tussen de donuts en de pijn is het weer hommeles. Jongste is het niet eens met elke dag tandenpoetsen. ‘Zoiets is toch onzin als je op vakantie bent?’ vindt hij. Jongste wil niet dat zijn broer even zijn slippers leent , ‘met zijn vieze voeten’, oudste wordt hysterisch als jongste per ongeluk zijn pyjama krijgt.

Elke dag oeverloos gejeremieer over hoe goor het eten is op de camping, soms maak je de ene blij met macaroni en is de ander in zak en as, de andere dag is de ander blij met pannenkoeken en krijgt de ander een sikkepit omdat hij ‘pannenkoeken haat.’ Gelukkig groeit het geld ons op de rug en eten we weer patat en pizza in de campingvreetschuur.

Net op het moment dat ik door de grond wil zakken, de aarde smeek om me te verzwelgen, zie ik het overbuurjongetje compleet uit zijn plaat gaan omdat hij de voetbal niet mag. Hij loopt rood aan en staat met al zijn 100 centimeter te trappelen en schoppen alsof zijn leven ervan afhangt. Ik zie de wanhopige ouders ernaast staan, en kan alleen maar denken ‘oh God ja, de terrible twos! Ik was bijna vergeten hoe rampzalig die leeftijd kon zijn.’ Een soort opgeluchte weemoed maakt zich van mij meester.

Ik kijk om me heen om te zien wat mijn nageslacht aan het uitvreten is en zie ze op het bankje voor de tent zitten. Heel dicht tegen elkaar aan, de ene met zijn arm om de schouder van de ander geslagen. Dan denk ik aan gisteren, hoe ze zij aan zij aan het vliegeren waren, een gelukzalige blik in hun ogen en aan hoe ze samen met een vriendje elkaar op het strand aan het ingraven waren, compleet met piemels en tieten en een boze strandbuurvrouw die het ‘absoluut niet vond kunnen’ en ik die de slappe lach kreeg toen ze pinnig wegliep om tien meter verderop in rust verder te kunnen wegrimpelen in de zon.
Ik denk aan hoe ik ze ’s avonds in hun slaapzak stop en hoe heerlijk en voldaan ze in slaap vallen en aan de jongste die elk jaar opnieuw zo blij is als hij de meeuwen weer hoort krijsen.

Dan weet ik waar ik het allemaal voor doe, vakantie vieren met mijn kinderen.

Piano

Er staat sinds gisteren een piano in mijn woonkamer. Ik heb hem zelf hierheen verhuisd. Af en toe kijk ik op van de eettafel en zie ik hem staan. Hij is erg lelijk. Ik denk dat ik nog nooit zo’n lelijke piano heb gezien. Lichtbruin, gebutst en gedeukt, stukken hout die de verkeerde kant op staan. Als kers op de taart de naam ‘Yasmijn’ met bezinestift op de bovenkant. Ik kan me niet voorstellen dat ze bang was dat iemand hem zou stelen, maar toch heeft Yasmijn voor de zekerheid haar naam vereeuwigd op de lelijke piano.

De lelijkheid van de piano is niet de reden dat ik de klep niet opensla en mijn vingers laat kennismaken met de toetsen. Wat de reden precies is kan ik niet zeggen, ik ben daar nog over aan het nadenken. Ik zat vroeger op pianoles en het was geen succes. De leraar had het beter als weekdier in de oceaan gedaan dan als pianoleraar. Ik moest klassiek spelen en ik wilde ragtime en jazz en blues. Dat mocht pas als ik klassiek had gedaan en dus deed ik nooit mijn best. Aan vingerzettingen deed ik niet. Ik trok gewoon mijn handen op als ik een paar toetsen verderop moest zijn. Het maakte de pianoleraar niet boos maar moedeloos. Dan schudde hij zijn kalende hoofd met van die eenzame plukjes haar aan de zijkant en liet hij een verdrietige zucht aan zijn bloedeloze lippen ontsnappen.

‘Nee, Bronja. Zo speel je geen piano. Je moet eerst doen wat je hoort te doen voor je je eigen plan mag trekken.’

Dat heb ik na de verdrietige pianolessen nog heel vaak gehoord. De hoogleraar aan de UvA die mijn onderzoeksvoorstel afkeurde omdat ik te veel van mezelf en te weinig van de belangrijke mensen die er toe deden had laten zien. Mijn hele studie had ik dat gehoord, en zelfs toen ik klaar was stopte het niet. De man van het radioprogramma waar ik werkte die vond dat ik eigenwijs was en me niet aan de regels hield door anderen mijn items te laten monteren (dit is 12 eeuwen geleden) om me zo volledig op de interviews te kunnen concentreren. Door te lange items te maken.

‘Je bent Hanneke Groenteman niet, Bronja,’ zei hij dan. ‘Als je later groot en beroemd bent en je sporen hebt verdiend, mag je vast je eigen programma, maar hier heb je vijf minuten en monteer je je eigen items.’

Thuis op de piano oefenen was ook geen succes. Aan het einde van de dag was mijn vader moe en prikkelbaar en had hij geen zin in mijn geploeter op de piano. Ik kan niet zeggen dat ik hem niet begrijp, maar al met al maakte het van het piano-avontuur een debacle.

En nu zit ik dus aan de eettafel naar het lelijke kreng te kijken en voel ik weerstand. Ik wil spelen maar ik vertik het. Ik ben boos op de piano en heb het spelen ook gemist. Ik weet niet hoelang ik deze stand down volhoud.

Ik ben geen James Worthy

Waar dit stukje heengaat weet ik niet. Ik heb wel iets in mijn hoofd of op mijn lever en wil daarover schrijven, maar welke vorm, hoe het eindigt: ik laat het maar gebeuren, en als het af is ben ikzelf nog het meest verrast over wat ik heb geschreven.
Zo gaat het immers vaker en het is iets waar ik langzaam in ben gaan geloven: dat ik dat kan. De teugels (een beetje) loslaten. Me niet verliezen in de aankleding die een tekst aantrekkelijk maakt, maar juist in de woorden zelf. Ik vind het fijn om zo te schrijven, je zou zelfs kunnen stellen dat ik het als bevrijdend ervaar.

Ik, het journalistje, ben gewend aan kapstokken, stramien, structuren, schema’s, research en kaders. Schrijven in een dagboek heb ik nauwelijks gedaan, associatief schrijven was iets dat mij slechts met echo’s van verre kusten bereikte, en veel ging dan over verwerken, loslaten en andere, soms nuttige, zweefkoek. Soms ving ik iets op dat meer mijn interesse had: schrijven zonder plan om meters te maken, om te groeien in de schrijfkunst. Ik besloot het een kans te geven: zonder al te veel nadenken mijn observaties, ideeën en gevoelens aan een scherm of pen toevertrouwen en dan anderen lastig vallen met deze woordsoep. Fuck voorbereiding, fuck structuur. Alleen ik en de oneindige reeks mogelijkheden die 27 letters te bieden hebben. 27 letters, ja. En dit dan uitproberen op jullie.

Dat voelde zo goed dat ik een brutale beslissing nam, je zou hier ook van overmoed kunnen spreken. Ik besloot dat ik een roman wilde schrijven (nieuw, onontgonnen gebied, maar een kniesoor die daarop let) en dan dezelfde manier van schrijven toepassen op dit verhaal: ik had een idee en ik zou dat idee uitwerken, vormgeven terwijl ik schreef. Organisch schrijven, zeg maar. Opgaan in de woorden, research doen als ik ergens tegenaan liep, zien waar ik zou uitkomen.

Welnu, lieve mensen: het experiment is mislukt.

Het lukt me niet in die godvergeten flow te blijven, het leven haalt me in. Zit ik net heerlijk te schrijven over abortus en gekte en dan zie ik dat er nog vijf minuten zijn om te douchen en aan te kleden. Het kindergespuis doet niet aan vrij schrijven en andersoortig decadent geneuzel. Met mijn hoofd vol dialoog en monoloog fiets ik vervolgens als een bezetene naar de school van mijn kinderen, de woorden stromen uit en over mijn hersenpan en op school aangekomen borrelt het verhaal lustig in mij door. De volgende dag sta ik allang niet meer op scherp en ben ik de helft van de fantastische kooksessie vergeten. Of nou ja, niet vergeten: de woorden klonken mooier in mijn hoofd. Wat uit mijn vingers komt is slap aftreksel van de meestersoep van de dag ervoor.

Een margedag, twee margedagen, ziekte, een huis dat schoon moet, een lijf dat in beweging moet als ik niet wil atrofiëren, o ja, waar was ik ook alweer gebleven met het laat-maar-zichzelf-schrijven experiment. Wie geen lijn uitzet kan maar beter non-stop schrijven zodat de lijn zichzelf stuurt. Elke dag jezelf weer moeten onderdompelen in een verhaal dat pas gaat leven als je de pen oppakt is niet te doen, althans niet voor mij.

Wel godverdomme! Dit gaat mij lukken! Dit kan ik!

Maar ik ben geen James Worthy die zichzelf twee maanden vrijwillig laat opsluiten tussen de baardhipsters op het Noord-Groningse Hogeland om zijn roman (af) te schrijven. En waarom ben ik geen fucking James Worthy? Omdat ik niet wil dat mijn familie last ondervindt van mijn geschrijf? Omdat ik schrijf in de tijd van school en werk en o ja, de bibliotheekboeken moeten ook terug worden gebracht en de oudste moet naar de orthodontist vandaag? En waarom schrijf je dan niet als je kinderen slapen, ’s nachts, in het weekend? Omdat ik dan mijn hoofd moet uitschakelen, omdat ik wil slapen, omdat ik naar het bos wil met mijn familie, omdat?
Ja. Daarom.

En daarom zit ik vast. Geen writersblock, wel een koppige ezel die iets heeft bedacht en vertikt te accepteren dat een roman schrijven niet hetzelfde is als luchtkussen blazen. Volgende keer een plan, een plot, elke godvergeten dialoog tot de laatste punt bedacht voor ik begin met schrijven, alle vreugde tot de laatste druppel eruit geknepen. En dan de stukjes methodisch aan en in elkaar leggen tot het past, zei de non-fictie schrijver.

En voor u denkt dat ik de handdoek in de ring heb gegooid: nee.

Sjiva/Sjivve

Ik heb niks met zijn geboortedag en ik heb ook niks met vaderdag. Eigenlijk vind ik rationeel dat ik ook niks moet hebben met de dag dat hij stierf, maar rationaliteit wordt wel vaker overruled door emoties. De man die mijn vader was ging dood op 18 september, maar heel zeker weten doen we dat niet. Zijn lichaam werd pas vele uren nadat hij vermist werd gevonden, in de bergen bij nacht kan een helikopter immers niet naar vermisten zoeken, dus in mijn hoofd stierf hij al op 17 september. Volgens mijn moeder klopt dit niet, hij werd op de 19e gevonden en die datum staat op het certificaat van overlijden. Ik heb het niet in me om dit uit te zoeken, het kan niet worden uitgezocht. Hij is dood. Ik doe het er maar mee.

En dan is het dus toch weer september geworden. Al 30 jaar werd het september zonder mijn vader en elke keer word ik er door overvallen. Wanneer leert een mens? Wanneer stopt de weemoed, de leegte, het stille verdriet? Het stopt niet en ik leer ook niet. Hoe vaak gebeurde het niet dat ik door deze maand galoppeerde en met een lasso snoeihard van het paard werd getrokken? Down to the ground, down to the ground. Ik ben geen mens van grote wisselstemmingen. Behalve in september. Ook als ik niet in galop de herfst betreed, overvalt de verandering in mijn stemming me. Een grauwsluier. Een laag zuurstofarme aarde om mijn schedel. Niet de woorden om te duiden, enkel dat holle, volmaakt onvolmaakte gevoel van gemis. En dan de realisatie: ik treur om mijn vader, die ik nauwelijks heb gekend maar elk jaar toch weer mis. Soms volgen dan tranen maar meestal niet. Meestal laat ik het donker mij omkapselen en vertrouw op een opening in het zwart als de jaarlijkse sjiva in mijn hart en hoofd er weer opzit.

Stoppen met schrijven

Dat een kennis stopt met schrijven omdat zijn boeken niet verkopen. Zijn artikelen niet aanslaan. Er geen doorbraak is waar hij op hoopte. Dat niemand op hem zit te wachten, in zijn woorden. Dat het voelt of hij onzichtbaar is. Dat hij zijn huur niet meer kan betalen met zijn pen en daarom maar in een tent woont op een wei. Het raakt me. Het zet me aan het denken. Want waarom schrijf je, waarom schrijven wij schrijvers?

In den beginne waren daar de dagboeken, optekenboekjes vol gedichten, toneelstukken en verhalen. Die schreef ik alleen voor mezelf, geen hond hoeft te lezen hoe mijn kapotte plaat ad nauseam overslaat. Later, toen ik me nog journalist noemde, schreef ik ook, maar werd ik betaald voor mijn woorden. Ik verzamelde en organiseerde ze, stapelde ze zodat er een woordberg ontstond die ik afleverde bij een opdrachtgever die erom had gevraagd. Of iemand het las en of erover werd gepraat boeide me niet. Ik kreeg het geld, zij het stuk, het was een transactie en iedereen was tevreden. Het waren mijn woorden, soms was ik tevreden of zelfs trots op iets wat ik had afgeleverd, maar mijn ideeën waren het niet. Er knaagde iets.

Ik besloot dat ik niet meer in opdracht wilde schrijven. Ik wilde zelf bedenken, zelf scheppen, zelf puzzelen en ja, ook delen. Ik voelde een oerbehoefte om te schrijven over de dingen die mij raakten, die uit mijzelf waren ontsproten en die behoefte was zo groot dat ik bereid was mijn inkomsten op te geven en helemaal opnieuw te beginnen met niks. Toegegeven: zoiets valt alleen vol te houden als er een spaarpot is, een erfenis, een partner of sugardaddy/mommy. Een mens heeft iets nodig om op te kauwen anders valt ie om. In mijn geval was er een partner die bereid was alleen voor inkomsten te zorgen, maar het was hoe dan ook een keuze met heel wat consequenties. Het voordeel woog vele malen zwaarder dan de nadelen: ik ben mijn eigen schepper. Kleren kun je ook bij de kringloopwinkel kopen en als ik mijn haar in een vlecht doe is het prima zelf te knippen. Eten van de Aldi is ook eten. Scrub van het Kruidvat werkt net zo goed als een behandeling door een schoonheidsspecialist.
Geld faciliteert, maar geldloos maakt soms ook creatief. Ik ben hier, ik schrijf en dit is wat ik wil. Ik ben gelukkiger en armer dan ik ooit was. Ik zou graag mijn brood willen verdienen met schrijven, mijn schrijven dan dit keer, maar ik besef dat ik daar niet of nog niet ben en dat ik dat zo erg niet vind.
De erkenning die het betaald krijgen, het groots verkopen, met zich meebrengt of kan brengen: kijk nu praten we ergens over. Maar erkenning kan ook zonder geld. Ook daar ben ik (nog) niet. Als ik zou moeten kiezen tussen geld of erkenning dan koos ik voor die laatste, zonder enige twijfel. Het zijn mijn woorden, ik gun ze vleugels en gewicht. Ik vind dat ze het waard zijn, maar daar zal ik eerst u van moeten overtuigen.

Zou ik zo ook praten als mijn huis me werd afgepakt, als ik in een tochtige tent tussen de koeienstront stond? Ik denk het wel, maar heel realistisch is het niet. Zie je, ik móet schrijven. Dat gaat niet weg, ook niet als ik in een tent woon. De aard van het geschreve zal wel veranderen tussen de koeien, beeld ik me zo in. Ook is er is geen keuze tussen goedkope peeling of een luxe behandeling als er helemaal geen cent te makken is. Het is simpel: er moet brood op de plank. Scheppen en bedenken zijn allemaal mooi en wel maar zonder geld verdwijnen zij naar de achtergrond. Dan moet er eerst geld in het laadje. Schoonmaken, boeken verplaatsen in de lokale bieb, kinderen verschonen op het kinderdagverblijf, misschien zit er iemand op nog een journalist te wachten, het lijkt me stug maar je weet het niet, als het maar geen vast bureau op een kantoor is, want dat zou ik niet meer overleven.

Maar altijd, altijd zou die drang om de wereld te aanschouwen blijven, de beelden en woorden te internaliseren en er dan over te schrijven. Dan maar een pen mee naar de wc, een uur later slapen, dichtslibben op de bank omdat ik mijn woorden belangrijker vind dan de sportschool. Ik stop niet meer. Nooit meer.

(En ik zou willen dat mijn kennis ook bleef schrijven, maar dat weet hij.)