Blaffen

Die keer dat wij de man die zijn hand niet netjes had uitgestoken toen hij op het laatste moment naar links zwabberde en ons zinloos had laten wachten omdat wij dachten dat hij rechtdoor zou rijden, tegelijkertijd en zonder een van te voren afgesproken plan als een hond uitblaften door onze opengedraaide ramen waardoor de warme meiwind blies en mij zoals elk jaar opnieuw het gelukzalige gevoel van krankzinnige dankbaarheid gaf, staat in mijn geheugen gegrift.

Daar was het begonnen. Daar was het allemaal begonnen.

Niet de zwabberende man doet ertoe. De zwabberende man was enkel ons eerste slachtoffer. Een uitstekend slachtoffer, dat wel, want de zwabberende man die zijn hand niet uitstak toen hij linksaf ging, schrok zo van de hondengeluiden uit de auto naast hem dat hij op een haar na de stoeprand miste en zichzelf en zijn fiets daarna in veiligheid probeerde te brengen (met als vermoedelijk doel niet als een parkinsonklant ter aarde storten) door met zijn beide benen zijwaarts van zijn zadel allerlei Jane Fonda-achtige moves te maken. Ik dacht dat er in de jaren 10 van de 21e eeuw niet meer aan fitness werd gedaan, maar ik ben duidelijk niet op de hoogte van de hedendaagse trends.

Deze meneer voerde ingewikkelde balanceeroefeningen uit, een intrigerend lijnenspel tussen het asfalt, de fiets, de beide benen van de man en zijn romp als middelpunt, zeg maar de verkeersregelaar tijdens de spits.

Met opengezakte monden keken we naar deze fraaie gratis voorstelling. Soms werpt het leven je veel moois in de schoot, dan moet je niet te weigerachtig zijn. Dan moet je geen gegeven paarden in bekken kijken en dat deden we dan ook niet. Ik ben voor vrije expressie in de openbare ruimte en genoot met volle teugen.

Na een paar seconden was het helaas voorbij, de benen vonden de trappers weer, de man zwabberde langs de Aldi richting binnenstad.

De man was ons zo goed bevallen dat later in reconstructie duidelijk werd dat hij het startschot moet zijn geweest voor onze blafposse. De narrige buurvrouw op links die buiten op haar stoepje zuur de straat zit te overzien krijgt een grauw, een voordringer met zweetplekken onder de oksels bij de supermarkt, een geliefde die niet je rug wil masseren als je het lief vraagt omdat hij liever wordfeud speelt, ook.

Wij maken de wereld niet mooier, hij en ik, we blaffen ons ongenoegen van ons af.

Ga nooit dichten

Doe niet aan dichten, doe het niet.

Dichten is voor jongens en meisjes met levensangst.

Dichten is voor mensen die taal niet op zinsniveau kunnen beleven.
Voor mensen die woorden kielhalen en vierendelen.

Die je willen laten geloven dat een woord oneindig rekbaar is.
Die denken dat het geheim van perfectie in een paar letters op een petrischaaltje besloten ligt.

Die een woord overrijden van tomaat tot sap en dan diepzinnig en opgewonden het resultaat aanschouwen.
Die zeggen dat de tomaat herrezen is, als een liquide feniks herboren, die zeggen dat de tomaat een lelijk ding is en dat het sap nog steeds een tomaat is.

Word geen dichter! Doe het niet.

Dichten is voor mensen die bang zijn om te leven.
Die circle jerkend elkaar de maat nemen over de essentie van een letter.

Close readen van gedichten is voor de mens die structureel tekortkomt. Die geen geld voor Netflix heeft, of voor een patatje oorlog bij de snackbar om de hoek.

Ik stel me de dichter voor op zijn zolderkamer. Zwoegend op twaalf woorden en waar hij de komma plaatsen moet. De dichter doet een nacht over die ene levensbepalende punt.

Wees geen dichter! Doe het niet.

Maar dan komt de bundel uit en slaapt de dichter dagen slecht: hoe wordt hij ontvangen? Hoe goed wordt hij verkocht?

Het verlossende woord komt maanden later: 31 verkochte exemplaren, de 19 door de dichter zelfgekochte bundeltjes met slappe kaft reeds meegerekend.

De dichter kruipt in bed die nacht en piekert zich een ongeluk: wie waren de 12 mensen die voor zijn eenzaamheid betaalden? Als hij in slaap valt weet hij het: het waren zijn mama en haar dichtersclub.

Ga nooit dichten! Doe het niet!

Joris

Kater Joris vond vorige week woensdag zijn dood op de Diamantlaan. Hij werd overreden door een Opel Astra, zo stel ik me voor, maar het kan ook zo’n lelijk koekblik zijn geweest waar vrouwen die de weekboodschappen halen in rondrijden. Joris de Kater, mijn mooie seminoorseboskat, werd minder dan vier jaren oud en ik kan bijna niet in woorden uitdrukken hoe verdrietig ik ben dat hij er niet meer is. De vrouw die haar voorwielen over zijn slaap reed belde de dierenambulance en met gezwinde spoed en loeiende sirenes, het mannetje was immers midden op de weg doodgereden, togen de vrijwillige dierenvrienden naar deze verkeersader achter mijn huis. Ik heb er niks van gemerkt. Toen hij stierf zat ik onderuitgezakt op bed als een wezenloze met mijn rechterduim op Facebook te scrollen.

Het telefoontje kwam om zes uur. Wij deden wat velen voor ons deden en velen na ons zullen doen: ‘Ja maar, hij was nog in leven toen hij om half zes zijn vadsige lichaam (nee NEE! Het was zijn wintervacht! Niet alles is wat het lijkt!) door het kattenluikje perste en muffig weghobbelde omdat het nog geen tijd was voor zijn verse visje.’ Ik antropomorfiseer het leven maar even naar me toe nu Joris de Kat er niet meer is om mijn observatietechnieken op te oefenen. Lopend naar daar waar hij lag, op een kleedje opgebaard en met kaarsjes in een hoekje. In jaren heb ik niet zo gehuild als die dag daar in het kantoortje van de dierenambulance met dat lelijke veel te lage systeemplafond en de dame die discreet de ruimte verliet om mij als een melodramatische donna te laten huilen. Bij vertrek moesten we 39 euro betalen. Sirenes en piepende banden kosten bijna 40 euro, natuurlijk snapten wij dat.

We vormden een zwijgende trein, mijn familie en ik en de dode Joris in zijn rieten mandje, terug naar waar hij minder dan een uur geleden met de chip in zijn nek voor de laatste keer zijn privéluikje had ontsloten. Terug naar huis en een laatste rustplaats onder de azaliastruik die momenteel zo obsceen roze bloeit dat ik er bijna niet naar kan kijken.

Joris, mijn mooie seminoorseboskat, met zijn glimmende vacht omdat we hem zalm voerden (alleen wilde zalm, kweek zalm is voor luizige soortgenoten), Joris die dacht dat mijn oorlel de tiet van zijn moeder was, Joris die nog geen vier jaar oud werd.

Ik mis hem, ons Joortje.

Voor niks gaat de zon op

Gisteravond kwam het gesprek met een vriend via een ex van mij en hoe ik na een eenvoudig rondje googlen er achter was gekomen dat hij zich tegenwoordig directeur van een heuse Academie noemt (vast geen beschermde titel?) waar je via dure trainingen en nog duurdere vervolgmodules beter instaat bent anderen te sturen en motiveren, op de plek waar hij en ik elkaar hadden leren kennen en op hoe beangstigend veel overeenkomsten deze feniks-ex, deze heruitvinder van zichzelf, deze charlatan met zijn prijzige gedragsveranderingworkshops, heeft met de hoofdgeitenbrijer van de Goodfieldtherapie waar wij elkaar dus hadden ontmoet al die jaren geleden. Over die Goodfield zal ik een andere keer schrijven.

Hij had verre van stilgezeten, het fladderexje, ontdekte ik na bestuderen van zijn gelikte website. Dezelfde taal als de Texaanse goeroe Barry Goodfield met zijn cowboylaarzen en veel te luide stem, dezelfde opzet van de cursussen, die verplichte jaarlijkse terugkomdagen organiseert voor mensen die niet alleen beter willen worden, maar de smaak zo te pakken hebben gekregen dat ze alle niveaus willen doorlopen (vele duizenden euro’s armer maar zoveel wijsheid rijker, geestelijke rijkdom valt niet in geld uit te drukken, is het niet, dus daarom zijn dit soort cursussen denk ik zo duur), om vervolgens met licentie zelf aan de slag te kunnen met deze wonderbaarlijke techniek, de duurbetaalde centjes weer terugverdienen, of moet ik zeggen: het nieuwe Gospel te verspreiden. Er waren, zijn en blijven altijd mensen die ergens bij willen horen, goedgelovige mensen, eenzame mensen, mensen die zich schijnbaar volledig vrijwillig knollen voor citroenen laten verkopen.

Het begint allemaal met je eigen hulpvraag, de reden dat je je tot zo’n schimmige voorganger hebt gewend. Als je de cursus, of therapie, soms is de grens groezelig onduidelijk, hebt doorlopen, ben je verlicht. Je bent je probleem te boven gekomen en dus lichter. Jouw enthousiasme is het startpunt voor de volgende stap: anderen overtuigen van het verlichtende effect van de therapie, cursus, godsdienst, wijsheid cs, maar elke stap is alleen met certificaat te voltooien na overhandiging van duizenden euro’s. Voor niks gaat de zon op, moeten ze gedacht hebben, ook voor spiritualiteit en relatief eenvoudige kennis moet grof geld worden betaald. Nergens op de website van de ex een filmpje waarin duidelijk werd hoe dat zit met dat motivational interviewing, nergens een tipje van de sluier. Alleen het resultaat wordt breed uitgemeten. Logisch natuurlijk als je een formule aan de man probeert te brengen, met niet alleen maar charitatieve overwegingen in gedachten. Voor het geheim van de kok moet je diep in je buidel tasten.

Ik keek mijn vriend met opengesperde ogen en opengezakte mond aan.
‘Er is feitelijk niets nieuws onder de zon, Baghwan zei al dat spiritualiteit heel best samen kon gaan met materialisme (hij gaf zelf het beste voorbeeld met zijn exorbitante levensstijl en zijn liefde voor glimmende dingetjes, Indiase ekster dat hij was), deze meneren borduren daar op voort, hebben een businessmodel van verlichting gemaakt. Een piramidesysteem, een trickle-down plan voor innerlijke (en monetaire) rijkdom. Net als Scientology en Herbalife en vele anderen. ’

We keken elkaar nog steeds verbluft aan, daarna wendde ik mijn blik af en dronk ik mijn (en ook zijn) glas bier leeg.

‘Ik weet nog dat hij soms iets te dikke, onzekere vrouwen van middelbare leeftijd, die hij in de natuurwinkel of de sportschool had leren kennen, uitnodigde bij ons thuis en ze dan een uur lang voedingsadvies gaf, dure olie aansmeerde die ze voor elke maaltijd moesten innemen, want daar zou hun spijsvertering door versneld worden en zo zouden ze sneller afvallen en opdroeg de worteltjes van prei toch echt te eten, want vochtafdrijvend en dus goed voor de lijn. De tips die hij ze gaf sloegen nergens op, totaal niet wetenschappelijk onderbouwd, allemaal ergens gehoord en als een frisse eclectische salade opgediend, of waren zo door te prikken of dermate beschamend dat mijn broek er van af zakte, maar die arme vrouwen bleven maar komen en bleven ook hun geld gul geven. Hij had me toen verteld dat hij deze hapsnap zwarte verdienmomentjes wilde uitbouwen tot een goedlopende geoliede machine “want hier met dit soort vrouwtjes viel veel geld te verdienen.”’

En nu is het hem dus gelukt en verdient hij bakken met geld, vermoed ik zo maar, niet met zijn zogenaamde ‘lifestyle advies’ aan vrouwen die onzeker zijn over hun lichaam en dan elk kul advies aangrijpen, maar met paramedici leren hoe ze mensen kunnen sturen. Zelfde shit, ander jasje.

Waar het om gaat is dat er achter die keukentafelgesprekjes en de motivational interviewing onzin èn achter de Barry Goodfield therapie hetzelfde verdienmodel schuilgaat. Het zit goed in elkaar en legt de vinger heel precies op de zere en gevoelige plek van mensen die daarvoor openstaan. Deze mensen zijn bereid flink te dokken voor de belofte van beter communiceren, slanker zijn, een verlichte geest, succesvoller zijn of een minder zwaar hart en daarom laat je ze daar niet een beetje, maar veel voor betalen. Niet een keer, maar elke keer, met elk beetje kennis en wijsheid en verlichting, opnieuw.

En als ze slanker, verlichter en groter zijn volgt de volgende fase, niet geheel stomtoevallig wederom een fase waar stevig gecasht kan worden: de stap van patiënt of client naar trainer-in-opleiding, in elk geval bij Goodfield, hoe het met het imperium van de ex zit weet ik niet precies. Niets werkt zo goed als iets zelf meemaken en laaiend enthousiast zijn omdat de formule blijkbaar werkt. Het is een systeem van gratis reclame dat zichzelf blijft bedruipen. Het duurt niet lang eer de hulpzoekers veranderd zijn van ongelukkige stakkers in blije volgers om zich tenslotte te ontpoppen tot verspreiders van het Gospel dat hen ooit heeft gered.

Een keer raden wie tot en met de laatste stap blijft profiteren van deze fantastische scam. Terugkomdagen (die geld kosten! Duh!) zorgen ervoor dat de goeroe, het Opperhoofd, de Schepper, voor altijd blijft profiteren van de kunstjes die hij, voor geld, ooit aan zijn discipelen leerde. Zonder terugkomdag geen licentie om de vrolijke religie der inhaligheid te verspreiden natuurlijk, maar dat begrijpt u.

De geur van zonnebrandcrème

Je verzint het niet maar ik ging op de warmste 19 april ooit gemeten naar de sauna. Het was al afgesproken, dag vrij genomen, niet lullen maar poetsen enz. Ik baalde een beetje, want koude dompelbaden zijn wat mij betreft voor rare kwiebussen die het enge ijsmannetje Wim Hof een warm hart toedragen, van die wannabe Echte Mannen die denken dat door koud af te douchen al hun problemen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Die denken dat ze nooit gegrepen zullen worden door kanker of de griep omdat ze elke dag 2 minuten koude trotseren in hun marmeren badkamertje. Wim Hof is gewoon weer de zoveelste charlataneuze nepgoeroe, en over Echte Mannen heb ik ook nog wel het een en ander te zeggen, maar dat is weer een ander verhaal.

Ik hou dus niet van hartstilstandbaden, maar die zon zou me mijn saunagangen niet afnemen dus volle frisse tegenzin stapte ik het complex binnen. Half-grappend had ik in de auto nog gezegd dat het me een echte bejaarden-gaan-naar-de-sauna dag leek en ik kan u vertellen dat ik serieus overweeg om me als paragnost te laten registeren want mijn voorspelling bleek volledig te kloppen. Ik voelde me een jonge godin tussen de winterbloempjes en dat is soms best fijn als je van de derde helft bent en last hebt van opvliegers en ander onaantrekkelijk vrouwelijk ongemak dat hoort bij de overgang van jong en fruitig en niet-zo-jong en niet-zo-fruitig. Pas tegen mijn vertrek arriveerde een jong stelletje dat net de puberteit had verlaten, blond en gebruind, nergens lichaamshaar en zo strak in het vel dat ik er van schrok en alle pensionado’s verrekten hun kalkoenenhalsjes om een blik te werpen op het gouden koningspaar dat alleen maar oog had voor elkaar en stiekem allerlei illegale intieme handelingen verrichtte. Gauw pakte ik mijn handdoek, trok mijn panterbadjas aan en smeerde hem. In dit land van blinden was eenoog eindelijk koningin geworden maar dat gevoel was verpest door de usurpators die net mochten stemmen. Nee hoor, grapje, ik weet wanneer het tijd is om te gaan en de jongelingen waren beeldig.

De dag had als een vakantie aangevoeld en ik had pas door hoe nodig ik dit had gehad toen ik echt ontspannen met mijn armen over de rand van het zwembad mijn ogen sloot en de zon me liet beschijnen. Loom met mijn benen achter me wapperend, de geur van zonnebrandcrème die in de lucht hing, God wat was dit gevoel welkom. Ik dacht aan de zomervakanties bij mijn vader in Californië, aan het surf-en waterskikamp waar ik voor het eerst ook echt in de zon had gelegen, als 11-jarig meisje tussen de andere meisjes uit het land waar mijn vader naar toe was verhuisd, meisjes die veel volwassener leken met hun geschoren oksels en sieraden en bikini’s, maar waar ik me desalniettemin bij op mijn gemak voelde. Ze roken naar watermeloen en kokos en zonnebrandcrème, die meisjes, en tot op de dag van vandaag associeer ik de geur van watermeloen en kokos en zonnebrandcrème met trage zomerdagen die zich eindeloos uitstrekken, dagen vol belofte en een verlangen naar iets ongrijpbaars, een verwachtingsvol gevoel dat ik alleen heb als de zon zo schijnt en ik die geuren ruik, de clichétsunami ten spijt.

Met het afkoelen viel het reuze mee, beetje zwemmen was voldoende. In mijn blootje slapen in de tuin, afgewisseld met luisteren naar geile kikkers in de vijver, rondjes in de houtgestookte sauna en glimlachen als een puber op een surfplank was dit toch wel het hoogtepunt van mijn week. Die nacht droomde ik dat ik weer 14 was en voor het eerst verliefd.

Ongezellig

Het meest curieuze vind ik nog wel de opmerking dat mijn schrijven zo zwaar op de hand is. Gloomy, ongezellig. Niet vrolijk, naargeestig. ‘Waarom schrijf je niet eens een leuk luchtig stukje, Bronja?’ Je zou zoveel leuker zijn, meer mensen blij maken, als je niet zo donker deed’, krijg ik dan op Facebook of een enkele keer in de mail of privébericht te horen. Soms zegt iemand het in mijn gezicht, afwachtende blik erachteraan, alsof ik een antwoord kan of ga geven dat past bij de gestelde vraag. De laatste keer deelde iemand het mij mee, dat ik wel ‘wat ongezellige en zwaarmoedige teksten’ schreef, niet eens een vraag dus. Grote vragende ogen, dat dan weer wel. Wat moet ik ermee, wat moet ik met een opmerking dat ik eens wat gezelliger moet doen? Denken die mensen dan dat ik ineens over haken en kruissteken en winkelen en inrichten en lenteschoonmaak ga schrijven omdat zij vinden dat schrijven over de dood en eenzaamheid en gemis en spleen niet ‘leuk’ is?

Weet je wat nou zo bijzonder is? Het zijn allemaal mannen die het zo jammer vinden dat ik niet gewoon eens wat leuks schrijf. Die vinden dat ik met mijn talent beter lekker weglezende tekstjes zou kunnen schrijven, lekker over koken en de kat en de kinderen en die rare kaasboer op de markt, dat het ook beter voor mij zou zijn om daarover te schrijven, ongetwijfeld. Ik vermoed dat die mensen denken dat ik fulminerend en schuimbekkend achter mijn laptopje zit, een oog spastisch trekkend terwijl ik ‘sterf sterf’ schreeuw en weer iets droefs of agressiefs schrijf. Die denken dat mijn leven wel ongelooflijk naar en verdrietig is, zonder warmte en liefde, anders zou ik me wel wat gezelliger opstellen.

Het zijn ook alleen maar mannen overigens die foto’s van hun geslachtsdelen sturen, ongevraagd natuurlijk!, of trots hun naakte torso op de foto zetten met een telefoonnummer erbij zodat ik, als ik compleet overrompeld en opgewonden van de hangtietjes en pratende navels, gelijk kan appen voor een leuke sekschat. Nee, de mannen die zich zorgen maken over mijn mentale gezondheid (lees: die mijn schrijven verontrustend vinden) zijn niet dezelfde mannen als de mannen die hun geiligheid aan mij opdringen, dus ik maak hier gekke bokkenprongetjes, een hint naar iets van een vergelijking met alleen het geslacht als gemene deler, maar het leek me leuk dat te doen, heel oneigenlijk mannen met mannen vergelijken.

Ik hoop dat ik er niemand mee heb gekwetst en mocht ik toch iemand ermee hebben gekwetst: voor deze week zijn al mijn fucks helaas al op.

De Harland Awards en mijn concentratiesoa

Vanmorgen. Koffie, virtueel nieuws lezen, wat blogs langswandelen, Twitter en Facebook doorscrollen: routine, blabla. Een enkele keer lees ik dan een mooi verhaal, een goed artikel, een stuk waar ik van slag van raak, maar, toegegeven, dat is niet zo uitzonderlijk voor mij. Vanochtend las ik dat een bepaalde Prijs in het fantasygenre morgen niet wordt uitgereikt omdat geen van de shortlistboeken (door een andere jury geselecteerd) volgens de eindjury goed genoeg is. Het ambitieniveau van de auteurs is niet wat verwacht mag worden van shortlisters voor een dergelijke prijs en dus kon er geen winnaar worden geselecteerd.

Ik kan u vertellen dat mijn ronddwarrelende aandacht, een teken en product van deze tijd, ik zeg het U, alles is vluchtig en efemeer en daar waar ik me vroeger uren op een stipje op de muur kon concentreren verlies ik nu na 5 seconden al mijn interesse als het stipje niet minimaal knippert en een aangename geur verspreid. Ik zou eigenlijk gewoon mijn laptop moeten openen en dat koleremanuscript moeten afschrijven, een goed boek moeten openslaan of een lange wandeling moeten maken om mijn geatrofieerde reet eens wat beweging te gunnen, maar door de duivels van Facebook cs ben ik een socialmediajunk geworden terwijl ik dacht eindelijk verlost te zijn van al mijn verslavingen. Ik heb een knoeter van een concentratiesoa en het is een schande. Gelukkig kijk ik geen filmpjes op youtube van jongetjes die aan het gamen zijn en dan met hun hoofd in beeld de hele tijd profaniteiten exclameren of live gaan en nog jongere jongetjes zakgeld aftroggelen voor een seconde naam in beeld. Daar heb ik kinderen voor, dus alle totaal geschifte kanten van de willekeur van het nu leven worden ten volste gedekt in mijn huis. Ik was bijna mijn man vergeten te noemen die soms niet aanspreekbaar is als hij volstrekt opgaat in een potje van het een of ander op zijn goede vriend de iPad. Ik zie dan een kalende man van middelbare leeftijd op onze bank zitten die er een satanisch genoegen in schept een knul van waarschijnlijk prepuberale leeftijd naar mij onbekende virtuele jachtvelden te schieten. De kat lijkt de enige normale in dit huis te zijn, die slaapt zijn slaap der onschuldigen en no fucks were given, maar de waarheid gebied me te zeggen dat we hem zijn ballen hebben ontnomen dus helemaal eerlijk is het ook niet. Een echte kater zou nu buiten de boel op stelten zetten. Onze Joris ligt op de vensterbank en aanschouwt de andere katten die de nasty doen en gaat dan weer slapen. Het is eigenlijk om te janken zo treurig.

Afijn. Waarover had Ik het. Juist: de Prijs die niet zal worden uitgereikt omdat de boeken niet voldoen aan een minimaal niveau dat de jury blijkbaar hanteert. Ik zie nu ook dat ik de eerste zin in de alinea hierboven niet heb afgemaakt; qed wat betreft producten van deze tijd. Ik ben een schrijver geworden die zo vluchtig is dat vanaf nu minimaal 7 zinnen per column en 56 per boek niet worden voltooid zodat u door middel van zelfbedachte antwoorden a la multiple choice uw eigen einde aan alles wat ik vanaf heden produceer kunt creëren. Is mijn verslappingsziekte toch nog ergens goed voor; het houdt u scherp. Of u haakt af, ik geef u geen ongelijk.

Ik vind het nogal wat, mensen. Voor zover ik kan nagaan (niet veel, dat begrijpt U, na 8 seconden zoeken op Google ben ik natuurlijk alweer vergeten waarom ik überhaupt aan het zoeken was) zijn er geen (literaire) kwaliteitscriteria bij deze genreprijs. Natuurlijk moet een boek goed leesbaar zijn, maar het is geen literáire prijs, voor zover ik weet, en ja inderdaad, dan komt die vraag weer wat dan literair is, maar daar zal ik u dit keer niet mee vermoeien want als ik eenmaal op dat stokpaardje zit gaan we door tot we de Bosporus zijn overgestoken en u zeker bent afgetaaid en ik geen enkele lezer meer overhoud.

De afgelopen twee jaar won Auke Hulst de prijs, en daarvoor niemand want dit jaar zou de prijs voor de derde keer worden uitgereikt. Meneer Hulst is een literaire schrijver, wat dat ook moge betekenen, maar wat het in ieder geval betekent is dat de lat qua stijl en gelaagdheid hoog ligt. Voor zover ik weet schrijft de heer Hulst vooral literatuur, soms met een ‘fantastisch’ tintje en ligt de nadruk van het overgrote deel van de boeken in dit genre minder op literaire stijl en veel meer op het ‘fantastische’ element. Ik vermoed dat de meeste fans sf en fantasy lezen vanwege de verzonnen werelden en de bovennatuurlijke elementen, de fantasie van de schrijver en minder vanwege diepere betekenissen en ronde uitgediepte karakters, wat niet betekent dat een schrijver in dit genre niet op zijn minst een beetje een goede schrijver zou moeten zijn, anders leest geen hond zijn of haar boeken; tenminste, dat denkt een simpele ziel als ik. Maar als mensen als Auke Hulst meedingen naar zo’n prijs is het inderdaad niet zo vreemd dat juryleden zwijmelend vallen voor zijn literaire hoogstandjes. Als Murakami had meegedaan had ook geen andere schrijver een schijn van kans gemaakt. Iedereen erkent het literaire talent van een literair talent.

De vraag is of zo’n Prijs zich moet richten op het literaire niveau van de ingezonden boeken of juist zou moeten kijken naar de originaliteit en uitwerking. Of een combinatie hiervan, dat is wat mij betreft ook prima, maar dan moet duidelijk worden vastgelegd wat het minimale (literaire) niveau is zodat genreschrijvers die niets in die hoek ambiëren hun werk niet voor de kater z’n fantoomballen hoeven in te sturen. Dat ook fantasyauteurs niet zo maar wat mogen aanklooien en dan verwachten een Prijs binnen te slepen vinden we allemaal, vermoed ik. Ik bedoel: het moet toch op zijn minst léésbaar zijn  Dat er literaire eisen, kwaliteitseisen, ambitieniveaus, zijn waar vooraf geen gewag van is gemaakt: ik vind daar genoeg van om er een uur van mijn leven aan te wijden, om nog maar te zwijgen van concentratie en aandacht, die zoals u weet steeds minder makkelijk op te brengen zijn voor een tijdgeestjunk als ik.

 

TOEVOEGING:

Ik heb inmiddels van iemand vernomen dat veel van wat wordt ingezonden wel degelijk van lage kwaliteit is. Dan nog is er een shortlist waarvan je mag verwachten dat ie zorgvuldig tot stand is gekomen; ook al zou zo’n lijst ‘the best of the worst’ zijn, dan nog is daar een winnaar uit te kiezen door de eindjury. Dat deze winnaar niet ‘goed genoeg’ is voor een jury is een ander verhaal. Daar zou ik me dan op gaan richten, als Harland Awards. Duidelijke richtlijnen voor niveau, kwaliteit enz. En dus niet op allerlaatste moment, als de uitreiking voor overmorgen staat gepland aankomen met ‘Ja sorry we vonden het allemaal slecht geschreven boeken.’ Leuk voor de shortlisters, meh.

Terug naar school

Voordat we een gesprek op de school waar mijn zoon volgend jaar naartoe gaat zouden hebben, moesten we eerst zijn broertje afzetten bij de bioscoop op het Hereplein. Natuurlijk waren we te laat, dus iedereen zat al in de zaal instructies aan te horen van een mevrouw van de bioscoop toen wij (het kind fris en fruitig, ik bezweet en hijgend) de grote zware bioscoopdeuren openbeukten. Oeps, ja hallo dag mensen. We kregen nog een staartje verboden/geboden mee. ‘Niet praten tijdens de voorstelling. Niet tegen de stoel voor je schoppen. Niet op de vloer stampen.’ Mijn kind zag een vriendje, holde de donkere zaal in en de mevrouw van de bioscoop hield even op met zeggen wat er allemaal niet mocht om hem welkom te heten. Gauw taaide ik af.

Op de nieuwe middelbare school aangekomen voelde ik de zenuwen door mijn lijf gieren. Ik wist niet waarom we dit gesprek hadden (was hij voorlopig geplaatst en waren we hier om door de ballotage te komen of was het een kennismaking?). Of er ook een andere reden voor mijn zenuwen was wist ik niet zeker. Ik vermoedde dat een en ander lag aan het feit dat dit mijn oude school was. Ik was net hetzelfde gebouw ingestapt dat ik meer dan 27 jaar geleden voor het laatst had verlaten. Ik wist dat er zelfs nog antieke vintage old school leraren rondliepen, van back in the day toen ik nog jong en bekommerd was. Ik verwachtte elk moment zo’n docent de hoek om te zien komen, hippe rollators in reumatische knuisten, ogen door staar aangetast. Het gebouw rook nog hetzelfde: naar puberteit. Ik hoef denk ik niet uit te leggen hoe puberteit ruikt, maar voor die enkeling die het niet meer weet zal ik over mijn hart strijken en toch een poging wagen: penetrante zweetlucht met een boventoon van verwachtingsvolle tot extreem behoeftige hormonen, afgetopt met een stevige vleug angst. Er zat een leuk groen kleurtje op de muren, in de hal was een mini-tentoonstellinkje van de modellen die leerlingen in de bouwkundeperiode hadden gemaakt. Ik herinnerde mij die lessen en voelde nu naast de zenuwen ook weemoed.

Die zenuwen, ik kon ze niet goed verklaren. Was ik bang om daadwerkelijk een oud-leerkracht te treffen die mij dan in nabijheid van man en kind na bijna 30 jaar nog even de les zou lezen? Nee, ik kan dat aan en laat maar komen, ik ben nog steeds fruitiger dan de geriatrische onderwijsposse. Vond ik het eng om nu als ouder hier te staan? Ook niet. Ik vind het weliswaar een wat merkwaardig idee dat ik nu middelbaar ben, u weet nog: jong van geest en alles, maar ik voel mij zeer zeker ouder van dit kind. Het antwoord diende zich aan tijdens het gesprek, toen een van de aanwezige docenten mijn zenuwen wegnam over het doel van deze bijeenkomst. Mijn zoon was gewoon aangenomen, ze wilden alleen alle aanstaande kinderen een keer gezien hebben voor de zomer. Ik moest bijna huilen van opluchting en realiseerde me toen dat het ook die onderliggende laag van angst had weggenomen. Het had niks met mijn schooltijd te maken gehad en alles met het fiasco van een paar jaar geleden, toen beide kinderen naar de basisschool van hetzelfde type wilden, ik gesprek op gesprek had gevoerd met de directeur, de jongens een paar dagen hadden meegelopen en alles in kannen en kruiken leek tot we te horen kregen dat ze werden geweigerd omdat ze er volgens de almachtige directeur ‘niet pasten’.
Mijn andere zoon zou ‘te mateloos’ zijn; daar hadden ze moeite mee. Het betreffende kind is zeker enthousiast, bewegelijk en praat veel, maar mateloos is hij niet. Bovendien vind ik ‘mateloos’ een van de meest curieuze redenen om iemand te weigeren, ‘harteloos’ zou ik het willen noemen. Het was een stevige kater voor ons geweest, niet in de laatste plaats voor het duo schorrie en morrie.

Nu stond dit gesprek gepland en ik was onbewust bang geweest voor weer zo’n ‘afwijzing’. Ik realiseer mij dat u nu wellicht zult roepen wat mijn nageslacht überhaupt nog op zo’n dedaigneuze school te zoeken heeft, maar dat is een ander stukje en ik leg het u graag uit, alleen niet nu.

Toen we buiten stonden voelde ik de spanning in mijn nekspieren.Toen ik thuiskwam voelde ik hoe mijn oogleden op mijn knieën hingen. Ik was hondsmoe, maar blij dat het nu klaar was en ook dat ik, soort van laat maar beter laat dan nooit, niet waar, wist waarom ik al die tijd zo strakgespannen had gestaan. Ik viel in slaap en droomde van vroeger, van de school waar het naar puberhormonen had geroken en waar ik voor het eerst verliefd was geworden.

Overgang

Ik vind zelf niet dat het kan maar het schijnt desalniettemin toch te kunnen: in de overgang geraken als je je jong van geest voelt. De overgang is voor middelbare tot oude vrouwen. Besjes. Vrouwen die voor kort pittig kiezen, samen naar de Libelle Zomerweken reizen met de trein en veel te hard samen veel te veel lol hebben en klagen over de afwezigheid van een plee, want ze moeten allemaal de hele tijd plassen, ook ’s nachts. De overgang is voor vrouwen die opgedroogd zijn, op weg naar totale verschraling. Vrouwen in de derde helft van hun leven met ruim uitzicht op de laatste fase. De overgang is voor andere vrouwen.

De dokter moest lachen om mijn opsomming. Zei dat ik het over lichamelijke aftakeling had, wat niks zei over hoe je geest zich voelde. De overgang zei iets over een levensfase, zei de dokter, wat gewoon inhoudt dat je lijf zijn functie heeft gehad en zich nu aan het voorbereiden is op het naderende einde, voegde Ik er binnensmonds aan toe. Wat zijn de klachten waar je mee kampt, Bronja? Al een flinke tijd (wat lul ik: al minstens een decennium) slaap ik uiterst beroerd, dus de overgang kan het niet zijn. Bij de jeuk krabde ik even achter mijn oor, want ook ik zag het verband toen ik vertelde dat ik de jeuk op mijn ledematen en borsten ook had gehad toen ik zwanger was. Hormonen zijn de satan. Ik dacht aan de ochtenden dat ik wakker werd en alles kraakte en piepte en ik uit bed kwam als een lijk dat nog opgewarmd moest worden. Daarover hield ik maar mijn mond. Ik dacht aan het constant moeten plassen en voelde de hitte door mijn blouse stuwen. Nee! Dit kon niet kloppen! Ik was ernstig ziek, dat moest wel, dat kon niet anders, dit was niet die vreselijke overgang van vruchtbare jonge vrouw naar onvruchtbaar permanentje met paarse kleurspoeling! Ik dacht aan het deel van mijn leven dat achter mij lag en toen aan de dorre winter in mijn verschiet en werd overmand door een lethargische spleen. Ik was zo’n vrouw geworden, zonder dat ik het aan had zien komen, mijn jonge geest had net gedaan of het niet zo was en zat nu opgesloten in het lijf van een middelbare vrouw. Ik stond op, liep naar de deur met gebogen hoofd en dacht toen fuck it.
Ik draaide me om mijn as en greep in mijn kruis, onderwijl ‘oeh’ schreeuwend. De dokter schoot in de lach en mijn spleen was voorbij. Moonwalkend verliet ik het pand.

Dan maar over the hill, mensen. Ik word de schrik van het bejaardentehuis later maar eerst geniet ik nog even van deze derde helft. Laat de opvliegers, de klotsoksels, de hangtieten en de rimpels maar komen. Deze jonge geest krijgen ze niet zo snel te pakken.

Bronja de narrige vergelijkkleuter

Dat narrige, ontevreden vergelijken met anderen wat ik stiekem nog wel eens placht te doen op onbewaakte momenten: ik wou dat ik daar eens mee ophield. Ik doel nu op schrijven en dan vergelijken met mensen die meer hebben bereikt, beter verkopen, boekcontracten aangeboden krijgen, maar toch vooral vergelijken met die schrijfbeesten die wel goed op een podium staan, om zodoende ergens opnieuw gevraagd te worden in plaats van nooit meer uitgenodigd worden omdat de mensen nou eenmaal liever luisteren naar de entertainer met een goed verhaal dan naar de misplaatste teksten van een vreemdsoortig type als ik. O ja, ook vergelijken met die schrijvers die allerhande literaire veren in hun reet gestoken krijgen (en niet nog immer lijden onder de deprimerende woorden van de Letterenfondsgoden dat het van bedroevend literair niveau is wat ik neerkalk hier en daar).

Je bent het zo zat, dat vergelijken. Aan het eind van zo’n sessie kom je er ook nooit blijer uit, hè, dus waarom stop je er dan al die tijd in? Wat is het nut in lezen dat iemand gortdroog en heerlijk onverbloemd schrijft en dat jij dan als een sikkeneurige mokkende peuter dit gelijk weer op jezelf betrekt? Je weet heel goed dat je je eigen pad te bewandelen hebt. Dat je beter kunt nadenken wat je wilt, waar je heen wilt, wat je eventueel kan verbeteren en hoe je dat zou moeten aanpakken. Terwijl jij hierover nadenkt komt er weer een bericht voorbij van een leuk literair evenementje waar jij niet wordt uitgenodigd en voor je het doorhebt zit je alweer mijlenver van het constructieve spoor. Je zen is gevlogen, je chakra’s jeuken en je weet niet of je moet stoppen met schrijven of gewoon maar moet ophouden van jezelf een natural born performer te willen maken terwijl iedereen inmiddels wel weet dat je vooral leuk bent als je thuis zit en je teksten schrijft en niemand je voor de honderdste keer ziet struikelen, en minder als je onbedoeld grappig de mist in gaat achter zo’n predikerscatheder. Als je de microfoon weer eens opeet, je bier omflikkert, de hele tijd kut roept omdat iets misgaat en de verkeerde teksten van een veel te klein scherm voorleest, onderwijl niet de zaal inkijken natuurlijk, omdat je printer op zolder staat en je te lam bent die paar stappen naar boven te zetten.

Bovenstaande alinea gaat natuurlijk over mijzelf, dan kan ik wel de tweede persoon enkelvoud aanwenden, maar geen hond die daar intrapt. Ik moet maar accepteren dat ik ben wie ik ben. Doorgaans gaat dat ook prima, soms gaat het even ronduit kut. Ik ben daar maar eerlijk over. Ik ben geen netwerker. Ik ben geen kroegtijger. Ik ben geen burleske kitten die zwoel een microfoon hanteert. Ik ben überhaupt niet iemand die je uit haar natuurlijke habitat moet halen, uitzonderingen daargelaten (paaien met gratis massages en drank en lange diepzinnige gesprekken helpt).

Ik schrijf wel, oké?, en daar houd ik het verder bij. Ik blijf schrijven ook al haakt iedereen af. Ik ga niet met mezelf leuren. Mijn podiumact bewaar ik voortaan voor mijn spiegel.