Link

Met zijn vier poten een kant op, op zijn zij, lag de kat dood te zijn aan het einde van het tuinpad. Zijn bek een beetje open en zijn tong half door de kleine opening geperst, alsof hij in zijn doodsnijd nog een laatste likje van hetgeen buiten hem was wilde proeven. Heel even ervoor was de kat nog in leven geweest, noemde we hem juffertje in het groen, kleine spring-in-het-veld tussen het veel te lange, inmiddels bloeiende gras en de dunne weegbree die elk jaar steeds uitbundiger tevoorschijn komt in onze voortuin in deze volkswijk met het hofje vol schreeuwende kinderen en veel te hard voorbij scheurende scooters. Heel even ervoor was hij nog in leven geweest, onze kat Link, maar nu was hij dus dood. Geen idee waarom, er was niets raars aan hem te zien. Behalve dus dat hij niet meer leefde.

Hij was nog maar een jaar bij ons, kwam als aanloopkitten en ging als anderhalfjarige jeweetwelkater, het ene voorjaar erin en het volgende voorjaar eruit. DAG LIEVE LINK.

Een jaar dáárvoor nog maar hadden we onze eerste kat begraven. Ook in het voorjaar. De dierenambulance-mevrouw had ons gebeld, dat hij opgebaard lag en opgehaald kon worden en dat de dame die hem had aangereden met ons wilde praten en haar excuses wilde aanbieden dat ze hem had doodgereden, perongeluk dat moesten we weten. We bedankten vriendelijk en togen naar waar hij lag. En daar lag hij: met ontstoken waxinelichten om zijn ontzielde lijfje, op een kunstig gedrapeerd kleedje. Ik waardeerde het sentiment maar dacht aan al die kattenlijkjes die daar voor Joris onze boskat hadden gelegen. Bij vertrek moest ik 64 euro pinnen en kreeg ik brochures mee die ik niet heb gelezen en ongezien in de papierbak terechtkwamen.

En nu stonden we met zijn vieren rondom het levenloze lijf van de kat Link. Hij zag er niet dood uit, al stonden zijn ogen niet zoals ik gewend was. Ik realiseerde me dat ik dat elke keer dacht als ik iets of iemand zag die dood was. De mond die ging hangen en de ogen die betekenisloos staarden. Ik kijk wel maar ik zie nooit meer. Zoiets. Hij was dood, zei ik tegen mezelf, hoor je dat, hij is dood, wen er maar aan.

Toen mijn vader overleed was zijn lichaam een dag zoek. Hij was als Ikarus te hoog gevlogen en had z’n vleugels gebrand aan de zon. In het donker is het slecht zoeken, dus pas een dag later vonden ze zijn lijk. Ik mocht hem niet zien- dat zou maar trauma opleveren. Dertig jaar later moest ik alsnog leren zijn dood te verwerken.

Ik was dus van plan de stadia van rouw dit keer netjes te doorlopen.

Ik stond daar naar de kat te kijken en slikte me een ongeluk. Uit het niets kwam een golf opzetten die me omvatte. Geen plezante golf, geen warmte. Het was er eentje die van onderen kwam en via mijn buik zich razendsnel een weg baande naar boven, stuwende gal, brandende, vretende lava. Verdomme, ik wil dit niet voelen, dacht ik, want ik herkende het gevoel maar al te goed. Het was onversneden pijn. Pijn en rauw verdriet, samengebald in een uiterst onplezante cocktail. Het katje was nog maar een jaar bij ons geweest maar blijkbaar had ik me zo sterk aan hem gehecht dat ik nu hier de keerzijde van de liefde en die hechting voelde: na de golf kolkende ellende kwamen de klauwen die het op mijn hart hadden gemunt, de lappen rauw vlees die rücksichtslos werden losgetrokken van mijn weerloze lichaam. God, wat had ik van dit kleine mannetje gehouden en nu deed mijn hele lichaam zeer, alsof ik verzuurd was na een marathon, kapotgeslagen na een bokswedstrijd en twaalf uur had gekotst en alles op was en er desondanks geen einde kwam aan het overgeven. De kat was dood en de rouw was begonnen.

Maar vlak na deze eerste golf kwam de woede opzetten en ik moest alle zeilen bijzetten om niet deze woede de plek van de rouw te laten innemen. Ik voelde dat dat ging gebeuren als ik alles zou loslaten. Dan zou ik verteerd worden door boosheid en wraakgevoelens en hoeveel plek is er dan nog in een lijf en een hoofd voor rouw? Niks ervan, daar zou ik niet intrappen. Mooi niet.

Maar de woede ging niet weg. Niet helemaal. Op de meest onfortuinlijke momenten schoten de tranen me in de ogen, werd ik overvallen door stekend verdriet, rouwen deed ik dus wel en toch zat het me niet lekker. Waarom was deze gezonde kat overleden en vooral waaraan? Hij had heerlijk in de tuin gelegen toen de jongen van thuisbezorgd ons eten kwam brengen. Een half uur later keek ik naar buiten en lag hij daar aan het einde van het tuinpad en was hij dus dood.

Had hij een schop gekregen? Was hij door de scooter geraakt? Ik werd half gek van het niet weten. Van de zinloosheid van alles. Van het idee dat de kat dood was en ik wist niet waarom. Waaraan. Waarmee. Waardoor.

’s Nachts droomde ik dat ik speurwerk verrichtte, de naam en gegevens van de jongen te weten kwam en molotovcocktails door zijn slaapkamerraam naar binnen gooide. Branden in de hel kon hij, moordenaar van mijn kat. Dat hij maar mocht stikken in een lamsshoarma, dat de duivel hem anaal zou spiesen met een gloeiende staak. Sterven moest hij.

De volgende ochtend moest ik mezelf weer tot de orde roepen. Rouwen moet je, niet haten. Weet je nog? Ja maar…ja maar, nee, niks maar. Hij is dood en de tijdlijn kennen, de oorzaak van zijn dood weten, gaat je niks helpen. Althans, dat werd me verteld maar zo voelde het helemaal niet. Het voelde of ik iets van rust zou ervaren als ik zou weten wat er was gebeurd. Toch knikte ik en slikte ik en wist ik stiekem wel dat ze gelijk hadden.

De kat was dood, met of zonder reden. En er was helemaal niets dat ik hieraan kon doen. Behalve huilen en hem voor altijd bij me dragen.

Dag lieve Link. Ik hou van jou.