Uit: Znežanka

Stampertjes

Wat later rijden we Sharon Springs binnen. Oma woont aan N Boeke Street, een straat parallel aan de straat waar wij vannacht slapen. Het schemert al als we uit de auto stappen en naar de voordeur wandelen, stramme ledematen strekkend, bloedsomloop op gang brengend. Sharon Springs is een vies dorpje, arm, met grote lappen tuin naast de woningen die dienstdoen als opslag van roestige oude spullen. Een schrootwerf vol afgedankte herinneren die het verhaal van de familie vertellen die op het erf woont. Weinig decorum, weinig verse verf. Weinig luxe, zo aan de buitenkant te zien.

En daar staan we dan voor de deur waarachter al die kinderen wonen die nooit geboren hadden mogen worden, maar desondanks heel gewone kinderen zijn. Ik hoor ze vanaf de veranda en mijn maag draait om. Ik zoek Arends hand en sluit mijn ogen, probeer rustig in-en uit te ademen. Ik kan niet zeggen dat ik me erg relaxt voel.

‘Het doet je toch meer dan je hoopte, zie ik,’ fluistert Arend in mijn oor en ik knik.
‘Ik weet niet of ik dit aankan, Arend.’
‘Blijf maar aan mijn zijde, Znežanka. Ik ben niet vergeten dat ik met jou op pad ben. Als je dit hier niet trekt, hoef je maar in mijn hand te knijpen en we zijn weer op weg. Samen. Ik denk dat je het kunt. Dat je er klaar voor bent. Het laatste stukje voor de finale in Californië.’

Ik haal diep adem. ‘Laten we dit dan maar doen. Laten we Penelope goed afleveren en dan maken dat we wegkomen.’

De deur gaat open en door de kiertjes van mijn wimpers zie ik een vrouw van een jaar of zestig. Heel goed kan ik haar leeftijd niet schatten, omdat haar tanden eerder afwezig dan aanwezig zijn en haar wangen daardoor invallen en haar lippen lijken te verdwijnen in het gat dat haar mond is. Los van dit onsierlijke en nogal prominente detail en het gênante feit dat ik blijf steken op iets als de afwezigheid van iemands tanden, zie ik dat Penelope familie van de vrouw moet zijn.

‘Penny! Daar ben je dan eindelijk! Wat fijn dat je weer een tijdje bij me komt logeren.’ Ondanks de afwezigheid van (een aantal) tanden is de oma van het meisje te verstaan. Ze kijkt naar ons, naar Arend en naar mij en fronst haar wenkbrauwen. Ik vind het niet zo gek, want zij ziet een mollige kale man met een ingevlochten sik die hand in hand staat met een vrouw zo oud als haar eigen dochter in een groene rok met daarboven een vestje met eenhoorns en regenbogen, een vrouw die ook nog eens haar ogen gesloten houdt, haar lichaam roerloos en met haar hoofd heen en weer bewegend alsof ze een vrome jood is. Twee veel oudere onbekenden die met haar hoogzwangere kleindochter voor haar deur staan.

‘Wie zijn dit, Penelope?’

Penelope omhelst haar oma, de ongeboren baby tussen hen in. Ik ruik hoe Penelope’s zoete lucht opgaat in de geur van dit huis. Een kinderhuis, een huis waar kinderen wonen. Een huis waar niet heel goed wordt schoongemaakt, of gelucht en waar die weeïg zoetigheid een symbiose vormt met de geur van gefrituurd eten, vieze sokken en natte honden. Voorzichtig open ik mijn ogen en zie de twee vrouwen staan, de lange blondine met haar roze wangen en neuspiercing en de oudere vrouw die zich heeft ontfermd over al die kinderen die haar kleinkinderen baarden. Ik voel hoe mijn ademhaling hoger komt te zitten, hoe meer ik denk aan wat dit huis symboliseert, aan wat hier gebeurt, wat onder de pet wordt gehouden, aan de baby die zo dichtbij is, alleen een wandje vlees en huid dat ons scheidt, als ik mijn hand op Penelopes buik zou leggen voelt de baby mijn aanwezigheid, haar baby, niet mijn baby, mijn baby is dood en ligt in mijn vriezer in Nederland, tussen de doperwtjes en cold packs.

‘Dit zijn Znežanka en Arend, oma. Ik mocht met ze meerijden vanuit Kansas City. Znežanka en Arend komen uit Nederland en zijn op weg naar San Francisco.’

En daar komen de kleintjes, een stoet kindervoetjes op de trap, zoveel lawaai dat het klinkt alsof een regiment kinderen aanstonds zal aantreden, maar het zijn er maar vijf als het geluid eenmaal is verstomd en ze met grote ogen voor ons staan. Vijf kinderen, variërend in de leeftijd van ongeveer negen tot twee jaar. Honingblonde kinderen, grote blauwe ogen, neefjes en nichtjes, halfbroertjes- en zusjes, een kluwen genetisch verwant materiaal. De haren van de jongetjes staan alle kanten op, het lijken net kleine Stampertjes. Het kleinste kind rent op Penelope af die moeizaam door haar knieën zakt en hem stevig omhelst.

‘Mama, mama, je bent er weer! Ik heb je zo gemist!’

Penelope aait zijn wilde haartjes, maakt haar vingers nat en probeert een weerbarstige pluk recht te strijken. Heel even gaan de dwarse haren liggen, om dan vervolgens weer omhoog te veren.
Mijn adem zit inmiddels in mijn keel. Mijn ogen zijn weer gesloten. Ik zou willen schreeuwen, oneindig willen schreeuwen, waarom krijgen sommige mensen constant kinderen, aan de lopende band, aan een stuk door en ligt mijn kind dood in mijn vriezer voor altijd en eeuwig twee centimeter groot te wezen, nog kleiner dan een halve visstick? Ik schreeuw heel hard in mezelf, knijp mezelf in mijn bovenbeen, trek denkbeeldige haren uit mijn hoofd.

Dan voel ik Arends hand om mijn bovenarm. Hij houdt me heel stevig vast en mijn ogen schieten open. Ik kijk eerst naar mijn arm, dan naar Arend en vervolgens de kamer in. Het is stil in die kamer, de grote blauwe ogen van de mensen om mij heen zijn schoteltjes, de monden open, de kinderen achter de oma en hun tante, moeder, zus verstopt. Niemand zegt iets, iedereen kijkt naar mij. Ik kan niet zeggen dat ik dit nooit eerder heb meegemaakt, ik heb het meegemaakt, ik heb het vaker dan eens meegemaakt, het is een vertrouwde scene: bange mensen en ik heb dat veroorzaakt, maar hoe dan hoe dan: ik doe toch niemand kwaad?

Een kind begint te gillen en alsof het besmettelijk is volgt al snel de rest. Ik schreeuw nog steeds in mijn hoofd, al ben ik er niet zo zeker van dat het allemaal in mijn hoofd plaatsvindt. Sterker nog: als ik mijn best doe en luister, meen ik mijn eigen stem te ontwaren tussen alle andere geluiden. Ik zet een tandje bij en dan wordt het donker. Ik zak door mijn knieën, voel een spuit mijn nek binnendringen, alles in dit leven is een herhaling van een herhaling van een herhaling en dan is het niet alleen donker maar ook een groot zwart gat waarin ik word gezogen misschien is het dan nu eindelijk voorbij laat het alsjeblieft voorbij zijn het is voorbij en nu kan ik eindelijk bij Smilla zijn en zijn we eindelijk van hetzelfde sterrenstof.