Afstandsmoeder

Ongetrouwd en zwanger, jong en onbezonnen, ongewenst of juist gewild, maar óngetrouwd dus lapje voor je ogen bij de geboorte van het kind.

Jouw kind. Zo’n blinddoek was belangrijk, want je pasgeboren baby zien zou toch alleen maar de onthechting in de weg staan. En onthechten moest je, zei je vader, zei je moeder, zei een groepje oude mannen, wel bekend als ouderlingen.

Misschien wilde je je kindje houden, jij lieve grote meid, nog nat achter je oren. Je meisjeskamer vol posters van een verre prins, je dagboek vol met liefdesbrieven aan een misschien iets dichtbijere prins.

Misschien smeerde je moeder je boterhammetjes nog wel, misschien kwam je ‘s middags thuis voor thee en koekjes met een gat, misschien was je ook nieuwsgierig naar de jongen om de hoek.

En dan ben je zwanger en denk toch aan de mensen, wat zullen ze zeggen, de schande, de schaamte, een meisje zonder man, zwanger van een schim. Er wordt voor je beslist, jij bent geen moeder, jij mag niet zorgen voor dit kind.

Jouw kind. En dan moet je weg, nog voor het zichtbaar is, want wat zullen ze zeggen, over de ouders, over je zeden, je moet weg om te bevallen van een kind.

Jouw kind. Je mag het niet zien, het lapje, je mag het niet voelen, maar wie houden ze voor de gek?

Je hebt het kind negen maanden in je gedragen, wat anderen ook zeggen – het is en blijft jouw kind.