Over een barre tocht, lang geleden

Heel lang geleden, diep in de vorige eeuw, toen er nog geen mobiele telefoons bestonden en zelfs geen draagbare telefoons, alleen maar van die grijze T65 van de PTT (die ook heus draagbaar waren met een snoer van 12 meter), toen de winters nog lang en genadeloos waren, iedereen leerde schaatsen op houtjes en van doorbijten wist, toen er nog geen rubberentegels waren en we allemaal door schade en schande ouder en wijzer werden, zonder google en youtube; toen dus, toen was er een meisje dat samen met haar vader en het neefje van haar stiefmoeder een Homerische tocht maakte op een huifkar door de Belgische Ardennen.

In haar beleving, in de onvolmaaktheid van de overerving van de herinnering, had die tocht geen begin en eind -net zoals een nachtmerrie begon ie zo maar op een bepaald punt (vaak plompverloren er middenin geworpen) en valt ie, achteraf!, uit te zetten op een moment dat de angst van je onderbuik naar je keel borrelt en de paniek het begint over te nemen. Of op een strategisch moment vooraf gekozen, wanneer je hem probeert te vangen in een verhaal, zoals nu.

Het was een barre tocht, zonder enig vertier, zonder enig lichtpunt. Er was een huifkar. Er was een paard. Er was een vader die slechts één keer per jaar aanwezig was. Er was een leeftijdsgenoot en er waren hotels. Er waren bossen en een vreemde taal. Het was vakantie, vermoedelijk was er betaald voor een en ander, dus op papier denk je: vertier, maar de herinnering zegt: donker, regen, boze mensen, achtervolging en horzels. Heel veel, heel grote horzels. Tot op de dag van vandaag hoeft zij maar een horzel te zien of zij denkt aan de Belgische Ardennen en de barre tocht die zij er maakte. Samen met haar vader en haar nepneefje.

We kunnen zo maar, op een zelfverkozen moment, in het verhaal vallen, er is geen begin en geen eind zoals gezegd, die waren er alleen op het moment zelf. Laten we in de huifkar plaatsnemen. Naast de vader die de teugels vasthoudt. Aan weerzijde van hem de beide kinderen. Een zwerm horzels bestookt het arme paard, met als bijvangst de arme mensenkinderen op de bok. Er is gegil, er is gesteek en er zijn twee mensenkinderen die het hazenpad kiezen en de arme Odysseus eenzaam met het belaagde paardebeest achterlaten, zich verschansen in de relatieve veiligheid achter de flappen, achter de bok. De vader kan niks anders dan blijven zitten, de kar moet immers verder, er is een weg af te leggen waar de kinderen niks om geven.

Zij zitten achterin en horen de arme man tieren en vloeken, eerst op de horzels en later op henzelf, als ze de slappe lach krijgen van zijn woede naar de lelijke steekbeesten. In de beleving van de vrouw is dit het leukste (of enige leuke, of minst erge) gedeelte van de marteling in de Ardennen: het uitlachen van de vader die wordt aangevallen door een zwerm horzels, al zullen het vermoedelijk geen horzels maar hornaars of dazen zijn geweest, want geloof me: deze tweevleugeligen staken echt.

Ze moeten zo hard lachen dat ze bijna via de achterflap van de kar lazeren en hoe harder ze lachen hoe bozer de vader wordt. Er zou nooit meer op vakantie worden gegaan met de kinderen, daar kwam het zo’n beetje op neer. Maar de vader hield geen woord want een paar jaar later zat ie weer met zijn dochter opgescheept, dit keer voor een week samen op een kajakcursus, waar hij met de punt van de boot in een draaikolk komt terwijl er net was uitgelegd dat dát vermeden diende te worden en nadat hij proestend boven water komt na een mislukte eskimorol en zijn dochter (wederom!) met de slappe lach in haar kajak aantreft, als een echo van zijn eigen stem schreeuwt nooit meer met haar op vakantie te gaan en vervolgens een dag niks zegt en alleen maar naar de winnende Ronald Reagan op zijn draadloze minitv’tje kijkt in de tent die hij deelt met zijn dochter, die vol verbazing naar het stukje elektronische vernuft kijkt dat haar vader nu weer in zijn bezit heeft.

Ze worden nu achtervolgd. Door de politie. Door hoteleigenaren. De vader is boos en zegt weer nooit met het ondankbare schorriemorrie op vakantie te gaan. De contouren zijn troebel, de herinnering als een filmrolletje dat van de haspel is geschoten. Het lijkt erop dat de knaap een asbak voor zijn ouders heeft gestolen uit de hotelkamer en het meisje een handdoek heeft ontvreemd voor haar moeder. Bedenk andermaal dat er geen mobiele telefoons zijn en eenmaal op de bok de buitenwereld precies dat is.

In de herinnering van de kinderen zijn de hoteleigenaren achter de diefstallen gekomen en hebben zij een Belgische flic op hen afgestuurd, die nu natuurlijk op zijn brommer, of met twee paarden sterk (lelijk eendje, of geitje op zijn Vlaams) uren, misschien wel dagen, achter de dieven uit Nederland aanzit.
De hele reis wordt verder achter flappen voortgezet, met de boze vader en oom op de bok. De kinderen, doodsbang voor een naderende gevangenneming, gooien asbak en handdoek uit voorzorg via de achterflap de Waalse natuur in.

Op de bok foetert de vader dat hij niet alleen nooit meer met dit ontaarde zooitje ongeregeld op vakantie zal gaan, het meisje leek ook nog eens op haar moeder en de jongen is een kleine communist, net als zijn ouders. Geen respect voor andermans bezit.

Terugkijkend valt op de accuratesse van dit verhaal wel het een en ander af te dingen. Helaas valt de vader niet meer om zijn inbreng te vragen. De vader is reeds lange tijd dood. En de jongen? De jongen is getrouwd met het meisje en, zoals dat nou eenmaal gaat in lange huwelijken, heeft nu precies dezelfde herinnering aan de barre tocht als het meisje, dat nu zijn vrouw is. Ze dragen gelukkig nog niet elkaars kleren en praten ook nog niet met één mond. Als zijn sommige herinneringen dus wel merkwaardig eender.