Emmaviaduct

Soms herken ik een plek in mijn geboortestad omdat ik er slapende de mooiste avonturen en niet zelden vooral de grootste nachtmerries heb beleefd. Er zijn weinig hoekjes in deze stad die ik als rechtoplopend mens niet ken, maar in je dromen zijn de dingen niet zelden toch akelig of verwonderlijk anders dan hoe je ze in wakkere toestand waarneemt. Dan zie je zo’n plek en denk je: ‘ik kén jou, maar toch ook weer niet. Zoals ik me jou herinner zie je er nu helemaal niet uit!’

Al zolang ik mij kan herinneren heb ik af en toe een droom over het Emmaviaduct, bij Groningers wel bekend. De droom is met kleine variaties al meer dan 40 jaar hetzelfde: ik móet, ik weet even niet meer waarom, maar ik móet die brug op. God. Wat. Is. Die. Brug. Hoog. Als ik naar het hoogste punt kijk moet ik mijn hoofd helemaal in mijn nek frommelen, zoals ik dat moest toen ik tien jaar was en Manhattan bezocht. Mijn nek deed pijn van het proberen het hoogste punt van al die wolkenkrabbers te zien. Daar hoor je nooit iemand over hè, zo’n wolkenkrabbernek.

Met ‘die brug op moeten’ doel ik overigens niet op het je het schompes fietsen om er overheen te komen, nee ik doel op het daadwerkelijk die brug óp klimmen.

In mijn hoofd, nee droom, is hij dus enorm. Een en al ontoegankelijkheid, een onbedwingbaar, onoverbrugbaar stuk staal. Maar ik móet. Ik móet die brug op. Dus ik klim. Ik klauter. Ik hou me stevig vast. De wind wappert door mijn haren, huilt en giert om mijn oren, de lucht wordt ijler, ik moet door. Hoger. Ik mag niet naar beneden kijken, wat er ook gebeurt moet ik dat niet doen. Het zweet dat op mijn lichaam plakt en kriebelt is angstzweet, zelfs in mijn droom weet ik nog een zekere mate van rationaliteit te behouden- ik ben bang. Voor de hoogte, de diepte, de meeuwen die me uitlachen. De auto’s die als knikkers onder me rollen. Niet kijken! Ik zei het toch: naar voren kijken, niet omlaag.
Gek genoeg val ik er nooit van af. Ik heb ook geen idee of er een vervolg is, ik herinner mij alleen de verlammende angst van het móeten klimmen met daarop gevolgd het daadwerkelijke klimmen wat zo mogelijk nog enger is. Het zou kunnen dat ik móet klimmen omdat ik word achtervolgd.

Laatst fietste ik weer eens over het viaduct. Ik verbaasde mij voor de honderdste keer over het feit dat de brug er in het echt uitzag als een Madurodamse brug, niet eens een papieren tijger. Totaal niet imposant of onbedwingbaar, eerder gedienstig en treurig. Ik vertelde mijn oudste zoon over de droom (‘jezus, mama, alwéér dit verhaal? Elke keer als we hier overheen rijden kom je weer aanzetten met dit lame verhaal!’) en schudde mijn hoofd. De brug klopte niet, in het echt was-ie eng, niet een zielig hoopje jaren zeventig staal. Met gevaar voor eigen leven had ik hem bedwongen, die brug. Dit was gewoon niet de echte werkelijkheid.