SARAH

Geen mannen. Geen mannen meer, dacht Sarah. Nooit meer mannen. Ze voelde zich nog steeds eenzaam, sterker nog: ze had zich nog niet eerder zo ver van de maatschappij en anderen verwijderd gevoeld als nu op dit terras, omringd door al deze bedrijvigheid, al deze mensen die allemaal totaal niet op zoek leken naar zingeving. Het voelde of iedereen, behalve zijzelf, een soort natuurlijk ingebouwd kraantje had dat hen vulde met diepgang, voldoening, fucking joie de vivre, als het reservoir vanbinnen leeg leek te geraken. Was haar kraantje kapot? Had zij geen reservoir? Voelde zij zich daarom zo permanent zinloos en futiel?

Haar beste vriendin naast haar, aan wie ze zojuist over haar vruchteloze, intreurige escapades had verteld, boog zich voorover en pakte het glas witte wijn voor haar op het wankele tafeltje. Voor ze een slok nam aaide ze Sarah over haar been met haar vrije hand.

‘Saartje, kop op. Je ziet eruit alsof je een dinosaurusei moet uitpoepen. Je hebt twee mislukte dates gehad, nou ja, wat het dan ook waren, maar dat is toch niet het einde van de wereld? Er is zoveel meer dan mannen!’ Carolien maakte een theatrale beweging met haar armen waardoor de wijn over Sarahs jurk klotste. Sarah zuchtte. Terwijl ze met een servetje de wijn opdepte, probeerde ze haar vriendin aan het verstand te peuteren dat zij makkelijk praten had.
‘Nou ja, eigenlijk bedoel ik: er zijn zoveel meer mannen’. Carolien zette het lege glas met een knal terug en wenkte vervolgens met een vloeiend gebaar een ober om meer drank voor haar en haar vriendin te bestellen, ook al was Sarahs glas nog half vol.
‘Jij bent slank, Caro. Je ogen twinkelen. Je tanden zijn wit. En je hebt geen grijze haren op je spleet.’

Carolien barstte in lachen uit. ‘Je zei het echt. Je hebt het echt gezegd! Spleet! Daarom hou ik van jou, jij aartspessimist, met je onzin! Denk je dat alles mij vanzelf komt aanwaaien?’
Sarah dacht eerlijk gezegd van wel, maar haalde haar schouders op. ‘Ik weet het niet Caro. Alles lijkt vanzelf bij jou te gaan. Ik zie je nooit struikelen, en als je dan hapert, lijk je er altijd sterker uit te komen. Ik, daarentegen, krimp met elke tegenslag een beetje meer en lijk niet instaat mijn plekje op deze aarde te claimen. Het lijkt er verdomd op alsof er geen plekje voor mij is hier!’
‘Wat een pathos! En wat een larie, Fuller! Op alle fronten heb je ongelijk. Jij hebt een plek, alleen ben jij de enige die dat maar niet lijkt door te hebben.’ Carolien rechtte haar rug en stak haar borsten vooruit. De push up bh liet de blanke kipfiletjes deinen. Sarah keek er gefascineerd naar. Carolien zag Sarahs ogen, pakte hoofdschuddend de hand van haar beste vriendin en legde die op de blote huid.‘Waarom draag jij dit niet, Saar? Jij hebt ook mooie tietjes. Waarom koop je geen leuke push-up bh die alleen je tepels bedekt en die ze laat klossen bij elke stap?’

Sarah schudde haar hoofd en trok haar hand terug. Dit was Carolien ten top. Shockeren, plagen. Maar dat lukte haar al tien jaar niet meer. En toch zette het Sarah aan het denken. Ze wist heel best dat het niet allemaal vanzelf voor Carolien kwam. Zo was daar de bh, de maandelijkse gang naar de schoonheidsspecialiste en de kapper, de nepnagels- en wimpers, de bindweefselmassagesessies, de ontharingskliniek en de tandarts die haar tanden liet blinken. Ze wist heel goed dat het niet allemaal door god gegeven was en dat de andere vrouw er hard voor moest werken om er zo uit te zien en toch…ze gedroeg zich alsof het van haar was, like she owned it. En dat maakte haar onweerstaanbaar.

Carolien leek Sarahs gedachten te raden. ‘En vergeet de biologisch-dynamische groenten niet he, en de eitjes van de boer en al die superfoods die ik elke ochtend naar binnenwerk alsof ik een of andere marmot ben. Het komt niet vanzelf, Saartje, echt niet. Het is hard werken om mooi te zijn.’
‘Ik wil helemaal niet mooi zijn, Caro! Alleen maar gelukkig!’, zei Sarah naar waarheid. ‘Jezus nog an toen, ik wil iets van voldoening ervaren, wakker worden ’s ochtends en dan mezelf in de spiegel zien en niet schrikken van dat afgeleefde hoofd en denken, another day, another fucking dollar, again, maar ergens naar uit kijken!’.
‘Ja, dat zeg ik toch juist? Daar moet je zelf iets voor doen! Zo’n kerel komt niet met de pizza meebezorgd. Jij begeeft je op de vleesmarkt zonder enige vorm van eigenwaarde. Volgens mij heb je je al in geen maanden geschoren daaronder, heb ik gelijk of niet? Je straalt het uit, dat je jezelf onbelangrijk vindt. Mannen ruiken dat. Pak jezelf van buiten aan en hou een grote schoonmaak van binnen en je zult zien dat je ze van je moet afslaan. Ze zijn zo makkelijk.’

Sarah wilde haar vingers in haar oren steken om de woorden niet te horen. Alles draaide bij Carolien om mannen, om gezien worden door mannen. En hoewel Sarahs pogingen tot het vinden van geluk de afgelopen maanden bijna exclusief betrekking hadden gehad op de andere sekse, was zij van mening dat een man, zeker gesublimeerd tot piemel, niet de heilige graal was. Ze wist het nu zeker, empirisch ondervonden en al. Ze zou heel ver bij mannen vandaan blijven. Nog steeds knaagde dat stemmetje ergens in haar hersenpan, knabbelde het aan de wanden van haar amygdala dat ze wel degelijk behoefte had aan liefde van een ander mens en dat de liefde die zij bliefde volledig losstond van geslachtsorganen en vleselijk genot, maar ze wilde er niet meer naar luisteren. Hoewel ze rationeel heel best wist dat haar pogingen geluk te vinden door niemand anders dan haarzelf waren mislukt, zij had alle vormen van succes getorpedeerd, misschien niet bewust maar dan toch zeker onbewust. Je zou bijna denken dat ze bang was voor de liefde, dacht Sarah wrang. Het zou komisch zijn als de waarheid niet zichtbaar door het flinterdunne oppervlak had geschenen.

Maar ze sprak haar gedachten niet uit en dronk van de nieuwe wijn die de jonge ober haar bracht, nadat ze in een teug het oude glas had leeggedronken. Ze deed haar best niet de schoonheid van de jongen te zien. Niet haar fantasie op de loop te laten. God, wat was hij mooi, de armen ontbloot en bruin en de ogen groot, blauw en nieuwsgierig. Je zag aan die ogen en aan de manier waarop hij zich voortbewoog, onbevangen en behendig laverend tussen de strak op elkaar geplaatste stoeltjes van dit populaire terras, dat hij niet alleen vol levenslust zat, maar vooral die natuurlijke arrogantie van de jager had waar Carolien ook over leek te beschikken, al probeerde zij Sarah wijs te maken dat het niets dan een loopje met de waarheid nemen was, het aandikken van feiten, de optische illusie van een bh die je borsten tien centimeter dichter richting oksels parkeert.

Sarah geloofde niet in Caroliens sussende woorden, haar aansporingen om haar vriendin wat van zichzelf te doen laten maken. Je had het –of je had het niet, en het was de blik en de tred die je verraadde. Mensen als de wijnbrenger en haar vriendin kregen wat ze wilden, ze hoefden hun aandacht maar te richten op iets, hun materiële of immateriële prooi, en het kwam ze vroeger of later toe. Zij waren de jagende elite waar Sarah zo jaloers op was. Er waren geen trap, geen tredes, geen mogelijkheid omhoog te klimmen. Je werd ermee geboren, met het jagersgen, met die vanzelfsprekende zelfingenomenheid, het was niet door middel van een opwaartse verplaatsing van klierweefsel en vel te verkrijgen.

Sarah sloot haar ogen en genoot van de zon. Gelukkig bleef die schijnen en haar verwarmen, hoe beroerd ze zich ook voelde. Nee, de leegte die zij voelde kon niet met man of pik gevuld worden en ook niet met zaden en kiemen en biologisch-dynamisch gekweekte groenten en vrije uitloop eieren. Ze moest iets anders vinden dat haar dagen kleur en invulling kon geven. Haar koude en oude meisjeslijf met warmte zou vullen.