Meneer de Walrus belt aan

Als je de deur van je eigen woning opendoet omdat er wordt aangebeld verwacht je soms iemand maar ook als je niemand verwacht is er blijkbaar een verwachtingspatroon. Daar denk je doorgaans niet over na, maar als je de deur opent en er staat een odobenus rosmarus, oftewel een walrus, voor je neus dan kan ik je verzekeren dat je vreemd opkijkt. Of niet, maar dan ben je gewoon een beetje een aparteling die te vaak en te veel van de paddenstoel, de flesjes en de cake heeft lopen snoepen. Dat geeft overigens helemaal niks: het leven heeft geen enkele zin dus kun je net zo goed maar de hele dag theedrinken met een gekke hoedenmaker of een nerveus konijn. Veel verschil met de rattenrace van pakkenjongens- en meisjes rond het WTC is er niet, ik heb althans de logica van die dagelijkse bezigheid nog niet ontdekt.

Maar de walrus dus.

‘Dag mevrouw,’ zei hij. ‘Mijn naam is Ben Ros en ik kom namens het Verbond van doe-maar-normaal-dan -doe-je-al-gek-genoeg. Kom ik gelegen?’

Ik keek de walrus aan maar wist niks te zeggen. Ik weet dat ik niet over hem moet blijven spreken als ‘de walrus’, hij had zich netjes voorgesteld immers, Ben Ros was zijn naam, maar de dissonantie woekerde als klimop door mijn hele lijf. Ik zag alleen een walrus, nat en glibberig, in een te klein, slecht zittend pak.

‘Mevrouw?’ De walrus keek me door zijn monocle aan. Zijn andere oog, het linkeroog, dreef gemoedelijk in een soort oogwitsoep, dobberde soms even hier heen en dan weer daar.

‘Mevrouw, u doet een beetje raar, als ik zo vrij mag zijn. U kijkt en kijkt maar naar mij. Alsof u nog nooit een walrus hebt gezien! Weet u, het is best grievend om elke dag, week in week uit, aangestaard te worden alsof ik een aap in het circus ben. Jullie mensen hebben geen idee hoezeer een walrus lijdt onder die bulderende stilte.’

Het werd almaar raarderder en raarderder. Een aanbellende walrus was een ding, een gedeprimeerde walrus die zelf niet zag hoe bizar hij en zijn slechtzittende pak en dat rare ding dat tussen zijn oogkassen zat geklemd, waren was echt kantje boord.

Met moeite hervond ik mijn stem. ‘Nou, voor iemand (u bent toch een iemand? Is een walrus een iemand? Weet u dat?) die namens iets komt dat gewoonheid predikt, vind ik u maar een potsierlijk ventje. Eh..mannetjeswalrus? Beer? Hengst? Hoe heten mannetjeswalrussen eigenlijk?’

Meneer Ros liet zijn hoofd hangen. Ik zag nu pas dat op een van zijn slagtanden regenbogen en eenhoorns waren getekend. De andere was helemaal tot zijn lippen afgebroken en goud beschilderd.

‘Ook die goude tand en die regenboogpoepende eenhoorns vind ik niet echt getuigen van doe maar normaal dan doe je al gek genoeg.’

De walrus keek op. Een traan biggelde uit het oogsoepoog.

‘Kijk, daar gaat u al. Doet u ook zo onvriendelijk tegen uw medemens? Alleen omdat ik een walrus ben meent u dat u het zich kunt permitteren zo onaardig tegen mij te zijn, zo is het hè? Waarom mag ik geen pak dragen, geen monocle? En wat betreft die tekeningen op mijn tanden: dat heeft een nare tatoeëerder ooit gedaan toen ik dronken was. Een mens. Een walrus zou zoiets nooit doen. Ziet u hoe zwaar mijn leven is? Het is al zwaar genoeg om een walrus te zijn, maar nee hoor: jullie moeten mijn lijden ook nog eens ondragelijk maken. Ik vraag me soms af waar ik het allemaal voor doe.’

De walrus liet zijn tranen nu zonder gene lopen. Al gauw stond hij in een plas van zijn eigen tranen.
Ik begon medelijden met hem te krijgen. Als het waar was wat hij zei dan had hij inderdaad een zwaar leven en dat alleen door mijn soort. Omdat wij niet konden omgaan met onaangekondigde bezoeken van walrussen. Ik besloot het over een andere boeg te gooien.

‘Nou, kom aan, meneer Ros. Waarmee kan ik u helpen? Want u belt vast niet zo maar aan- u lijkt me niet van het masochistische soort.’ Ik had geen idee hoe een masochistische walrus eruitzag maar ja, we kunnen niet allemaal te allen tijde alleen maar precies de juiste, zorgvuldige woorden kiezen.

De walrus veerde op. Een twinkeling in zijn ene oog. ‘Kijk, u leert snel! Daar houd ik van! Welnu: ik ben hier dus namens het Verbond van doe-maar-normaal-dan-doe-je-al-gek-genoeg. Mijn vraag aan u is of u donateur wilt worden.’

Voor de tweede keer in korte tijd wist ik niet wat ik moest zeggen. Aan de ene kant werd ik nooit lid van wat dan ook, normaal smeet ik de deur al dicht als iemand ook maar naar colporteren rook, maar aan de andere kant vond ik het ook zielig voor deze door het leven getekende walrus. Weer die wrijving in mijn binnenste en weer die bek vol tanden.

De walrus keek mij met een scheve kop aan, de monocle keurig op zijn plek en de glitters in de eenhoornstaarten schitterend in de zon. ‘U moet geen donateur worden alleen omdat u mij een zielig schepsel vindt. U moet mij beloven dat u DAT in elk geval niet doet!’

Ik keek naar de glinsterende spikkels op zijn slagtand en het jasje van de Wibra. Ik zag de tranen om hem heen op mijn stoepje en dacht aan die gemene tatoeëerder en nam een besluit.

‘Nee, dat zou ik nooit doen. Maar ik zal uw Verbond steunen. Is 50 euro genoeg?’

‘Wilt u niet eerst weten wat wij allemaal doen voor onze leden? Daarzijn we nog niet aan toe gekomen namelijk. Ik zal u alleree…’

Ik onderbrak hem. ‘Nee nee, dat zit wel goed. Ik vertrouw u. U ziet eruit als een eerlijk eh…als een eerlijke walrus. Is 50 euro voldoende?’

Ben Ros schudde zijn hoofd. ‘We werken helaas niet met eenmalige donaties. Enkel met maandelijkse bedragen. Maar 50 euro per maand is uitstekend. Als u hier maar wilt tekenen?’

Uit een van de zakken van het lelijke pak trok hij een pen en een groezelig velletje papier. Ik had ineens enorme haast hier weg te komen, de walrus niet meer te zien en in de veiligheid van mijn eigen huis een paar stengels bleekselderij in een vaas te rangschikken.

De walrus hield mij de pen voor en ik zette mijn handtekening bij het kruisje. Het papiertje rook naar overjarige mosselen. Snel stapte ik achteruit, stak mijn hand op ten teken van afscheid en sloot de deur. Toen ik mij omdraaide om de selderij uit de koelkast te halen hoorde ik de heer Ros tegen iemand praten.

‘Zo, dat was nummer 11. Hoeveel heb jij er al, Henkie?’

Eigenlijk had ik de deur nu open moeten trekken om hem een rotschop onder zijn blubberige kont te geven maar nog steeds had ik last van dat gespleten gevoel: hij was zielig en dan doe je zoiets niet.