Zonneschild II

Het voelt toch elke keer als een nederlaag om hier weer te zijn. De net-niet steriele, onpersoonlijke omgeving, het zou na tien jaar bijna vertrouwd aan moeten voelen, zou je denken, maar ik raak er maar niet aan gewend. Gewend genoeg om weer naadloos in het regime mee te draaien, de dagelijkse gang van bed naar bed kan ik zonder met mijn ogen te knipperen uitvoeren, dat wel. Voor veel van de ‘cliënten’ is de routine van de inrichting minstens zo belangrijk in hun herstel als de vele uren die ze besteden aan therapie. Het terugvinden van een stipte dagbesteding helpt een druk hoofd tot kalmte te komen: mens sana in corpore sano en alles. Elke dag op hetzelfde tijdstip op en van uur tot uur alles afwerken via een overzichtelijke volgorde tot het eten en dan spelletjes samen of tv kijken of alleen met een boek in je kamer tot de nachtklok ingaat en de lichten uit en van je verwacht wordt dat je je ogen sluit voor een nacht vol medicinale dromen.

Ik val niet onder meeste cliënten, sterker nog, ik weet dat ze hier in dit gekkenhuis in het bos geen idee hebben wat ze met mij aan moeten. Dr. Halberstamm heeft het me letterlijk gezegd en ik heb ook zusters met elkaar over mij horen praten, over het Sneeuwwitje dat zo normaal oogt en geen vlieg kwaad doet en dan elk jaar weer wordt binnengebracht, of zichzelf meldt, zoals ook wel een paar keer is gebeurd. Die dan na een week of wat weer normaal is geworden en sans scrupule zonder medicatie of therapie het loofhouten onderdak wordt uitgestuurd en die iedereen dan weer vergeet tot die ene dag en dan blabla.

Ik heb geen behoefte aan hun rigide structuur. Ik heb genoeg van dat alles van mezelf. Ik verwaarloos mezelf niet, ik eet goed, aan mijn corporo mankeert niet zoveel. Nu ja, wel, maar daarover zal ik later vertellen. Aan mijn geest mankeert ook niets, maar daar verschillen de meningen over, zoals je al had begrepen. Tot aan het Prinsesje was ik volledig van willekeurig welke psychiatrische radar dan ook, nog nooit een dag met een psycholoog gepraat, niks. Het is het meisje dat een duidelijk markeerpunt vormt in mijn geestelijke gezondheid, een demarcatielijn, zover wil ik nog wel gaan. Dr. Halberstamm vermoed dat ik altijd al een wat onbevangen kijk op het leven heb gehad (hij bedoelt naïef) en dat dat geloven in sprookjes, goed en kwaad, niet pas is gekomen nadat ze niet geboren werd, maar dat dat op zichzelf niet voor grote problemen hoeft te zorgen. Het is volgens hem de combinatie van de twee die mij over het randje heeft geduwd. Mijn grip op de realiteit nam ook een duik mee de afgrond in.

Ik vermoed dat de dokter gelijk heeft, op een bepaald punt. Toch heb ik niet het idee dat ik gek ben. Maar zeg nou zelf: hoeveel gekken vinden van zichzelf dat ze gek zijn?

Ik ben hier, elke keer weer opnieuw, omdat hetgeen zich in ‘de werkelijkheid’ afspeelt en hetgeen in mijn hoofd werkelijkheid is, soms ietwat uiteen wijken; dan voelt het of er een soundtrack speelt bij een film die totaal niet passend is. Ik zie de wereld om me heen en de mensen die erin acteren maar ze passen niet bij wat ik voel en denk. Het is een slecht passend decor, en alles wat er om me heen wordt gezegd leidt af van hetgeen zich in mij afspeelt, mijn onwrikbare werkelijkheid.

Dat is irritant voor mij, maar na tien jaar ben ik erachter gekomen dat het vooral de anderen zijn die last hebben van mijn alternatieve werkelijkheid. Ik maak ze bang, ze voelen zich onveilig bij mij terwijl ik, in het hier en nu maar ook als ik de andere kant op denk, geen vlieg kwaad doe. Maar mensen houden niet van dat wat afwijkt van henzelf en een schreeuwende of in zichzelf pratende vrouw is eng.

Ik ben hier dus om weer wakker geschud te worden. Een klinkende klap in mijn gezicht om met de frisse morgenlucht de nevel uit mijn harses te verjagen. Het gesticht als de ultieme prins die dit Sneeuwwitje elk jaar weer opnieuw wakker kust. Wake up, you sleepy head. Ik blijf liever slapen meestentijds, maar ben slim genoeg om te weten dat het alternatief op de jaarlijkse institutionele kusscene een permanente opsluiting of een minstens zo permanent gebruik van antipsychotica is, en voor beide bedank ik. Zo ver van wat zich realiteit laat noemen ben ik nou ook niet verwijderd.