Nieuw lichaam

Gisteren was ik in de stad om mijn lichaam terug te brengen of beter nog: om te ruilen voor een nieuw exemplaar. Na lang wachten stond ik uiteindelijk aan de balie en vroeg of ik een of ander formulier moest invullen of dat het nog in de garantietermijn viel.

De jongedame achter de balie keek me met grote verschrikte ogen aan.
‘U wilt wát retourneren?’
‘Mijn lijf. Hij doet het niet meer zo goed.’ Daar was geen woord aan gelogen: het leek sommige ochtenden of ik uit elkaar aan het vallen was. Alles kraakte en piepte en een keer viel ik zelfs voorover uit bed vanwege stijve gewrichten. Ik moest moeite doen mijn tranen te bedwingen. Nog zo’n kwaaltje dat er zo maar was ingeslopen, samen met hartkloppingen, afbrokkelende nagels, haren op rare plaatsen, een verkeerd afgestelde thermostaat en een biologische klok die volledig van de leg was.

Het meisje knipperde nu een paar keer met haar ogen.
‘U meent het serieus? U wilt uw lichaam niet meer?’
Ik knikte. Voelde een lichte irritatie opkomen. Waarom herhaalde dit wicht alles wat ik zei?
‘Luister, er zit een productiefout in. Hij behoort het nog minstens 30 jaar te doen maar valt nu al van ellende uit elkaar. Hier kan ik niks mee. Ik wil hem inruilen voor een nieuw lijf. Een beter lijf. Misschien kun je achter even kijken of daar nog eentje ligt? Als er keuze is dan graag zonder hangborsten en grijzende haren maar vooral eentje zonder enge hormonen die doen alsof ze in Noord-Ierland ten tijde van the Troubles leven. Ik word er echt gek van. Ze zijn totaal losgeslagen. ‘

Het meisje zei niks. Haar mond was opengevallen. De mensen achter me in de rij roerden zich. Ik stond nog steeds in mijn ouwe aftandse lijf tegen de balie geleund. De lichte irritatie was overgegaan in een hittestuwing tot mijn kruin. Ik wilde brullen dat ik het niet pikte, dat ik graag geholpen wilde worden en wel nu, maar in plaats daarvan droop het zweet over mijn rug mijn bilnaad in en zei ik niks.

‘Mevrouw, ik weet niet hoe ik u dit moet vertellen maar u bent hier niet aan het juiste adres. Dit is de Mediamarkt. Wij verkopen telefoons en computers. Koptelefoons, koffiezetapparaten. Geen jonge lichamen. Het spijt me.’

‘Ik wil ook geen nieuw lichaam kopen,’ zei ik. ‘Ik wil dit uitgewoonde omhulsel alleen inruilen voor iets met meer vlees en minder vel. Voor iets met hormonen die zich niet gedragen alsof ze in een oorlogsgebied wonen en aan ptss lijden. Zo moeilijk is dat toch niet?’

‘Nou, wel bij de Mediamarkt. En even los van het feit dat wij geen lichamen in ons assortiment hebben, wil ik u erop wijzen dat u bij zo’n ruil dan misschien een fraai jong exemplaar krijgt zoals het mijne, maar de winkel blijft zitten met dat afgeleefde overjarige ding waar u al uw hele leven in woont. Niemand ziet daar een businessmodel in, mevrouw.’

‘Maar ik wil een nieuw lijf en wel nu! Deze is in de garantietermijn kapot gegaan!’ Het meisje nam mijn klachten niet serieus en dat maakte me woest.

‘Mevrouw, niemand wil uw lichaam hebben. Dat snapt u toch zelf ook wel? Ga naar huis. Drink wijn. Doe wat nodig is maar gaat u alstublieft weg. Dit is de Mediamarkt. Geen vleesmarkt. Volgende klant graag.’

Er zat niks anders op dan weggaan. Ik had mijn best gedaan en had gefaald. Ik zat voor zolang ik leefde vast aan dit lichaam. Waarom had nooit iemand me hiervoor gewaarschuwd? Waarom had nooit iemand tegen me gezegd dat je in het leven maar één lichaam krijgt?

Het was oneerlijk en dat was het.