Ik stop met fictie

Ik wilde er eerst een heel stuk aan wijden, maar denk nu dat het ook in een paar regels kan. Nou ja, mezelf kennende worden het dan weer een paar alinea’s om vervolgens toch nog een soort van heel stuk te worden, maar dat zien we dan wel weer.

Zoals de titel al zegt: ik stop met fictie schrijven.
Zo. En dan zal ik nu de nuance aanbrengen. Eerst het zwart op het doek kwakken voor het extradramatische effect, dan stipjes wit hier en daar om de grijstinten te realiseren.

Ik heb nu twee boeken geschreven zonder contract op zak. Het zolderkamertjes-ploeteren-in-de-nacht-werk, wat in mijn geval neerkwam op journalistieke werkzaamheden op nul zetten en tussen de luiers en de creche en toen de basisschoolgaande kinderen en alle daarbijbehorende activiteiten, schrijven. Over Verloren taal deed ik, inclusief alle research en interviews en reizen, vijf jaar. Over mijn laatste boek Znežanka (pure fictie) anderhalf jaar. Ik schreef meestal aan de eettafel, tussen de kruimels, omdat ik geen lol aan beleef aan opruimen en andere prioriteiten had. SCHRIJVEN.

Het waren meestal heerlijke dagen. Soms waren het ook zware dagen. Ik denk niet dat ik een uitzondering ben: schrijven is soms gewoon Kut mit Birnen. Ik denk dat je mijn manier van (fictie) schrijven het best zou kunnen omschrijven als method writing. Zoals een acteur zich soms zó inleeft in een rol dat-ie als het ware zijn karakter in die film wórdt, of althans even, tijdens het filmen, zo schrijf ik. Vaak.

En dat hakt erin. Het is heerlijk. En het is verschrikkelijk. Het is heftig. En het is verslavend. En als het dan klaar is, is er dat gat. Dat gat is eigenlijk vooral het grote niks. Afkicken is het. Welnu. Ik kan daar wel mee omgaan.

Wat ik niet meer kan is schrijven voor mijn bureaulade.

En dat dreigde te gebeuren met Verloren taal, ware het niet dat ik in de finale van een mooie schrijfwedstrijd voor debutanten kwam. Toen was er wél belangstelling voor Verloren taal. Dat was heel fijn.

En nu heb in Znežanka geschreven en is er weer geen belangstelling. Althans, daar ziet het naar uit. En daar zit hem voor mij de kink in de kabel. Ik kan daar niet heel lekker mee omgaan. Het voelt of ik voor de kat zijn voortplantingsorgaan heb geschreven. Geen pay-off. En ja, ik hoor een enkeling alweer miauwen dat je toch voor jezelf schrijft enzovoorts en voor de voldoening en dat is ook allemaal zo, maar toch doe ik het niet exclusief voor mijn lade. Van mijn bureau, dus.

Ik kan het niet meer, vijf of anderhalf jaar volledige onderdompeling en dat er dan niets mee gebeurt.

Dus.

Ik stop met het schrijven van fictie als er geen belangstelling voor is. Non-fictie werkt vaak met een ideetje naar een uitgever, uitwerken bij interesse en dan kun je met contract op zak aan de slag. Het is mijn werk, mijn beroep. Dus dat ga ik dan maar (weer) doen. Ik heb het nodig; een redacteur, deadlines, belangstelling. Daar mag iedereen het zijne van denken, overigens.

Als ik wist dat er aan het einde van de lijdensweg die boeken schrijven heet (en ja, lijden kan ook fijn zijn!) licht was, belangstelling, publicatie, dan zou ik het zó weer doen. Fictie schrijven is namelijk waarvoor ik ben geboren. Maar ik ga me nu dus richten op het op-een-na leukste: non-fictie. Verhaaltjes zal ik blijven schrijven, als ze eruit moeten. Maar alleen dan en dan inderdaad alleen voor mezelf.

Werd het tóch nog een heel stuk. Verrassend.