Een dromend 2019 gewenst

Ik droomde vannacht dat ik verliefd werd op een jongeman. Natuurlijk was ik niet oud maar jong; niet gehinderd door kwalen en kwaaltjes rende ik dartel rond, werd achtervolgd en schuilde opgekruld als een poes op de schoot van de jongeling aan wie ik mijn hart had verloren.

De verliefde gevoelens bleven me bij toen ik eenmaal mijn ogen had geopend, maar met gesloten ogen was het fijner dus ik sloot ze snel weer. Ik voelde weer hoe verrukt ik was geweest als ik naar hem keek. Ik hoorde weer hoe zijn stem klonk als hij mijn naam zei. Ik zag zijn blije jongemannengezicht weer met de grote blauwe ogen. Ik besloot mijn ogen net zolang gesloten te houden tot de werkelijkheid mij zou terugroepen. Alleen dan en niet eerder zou ik mijn ogen pas openen.

Dromen alle oude mensen dat ze jong zijn, kwiek, blij, monter en verliefd, of is het slechts mijn tragische geest die in de nacht beelden oproept van een niet- bestaand verleden, een tijd waar alles onbevangen en ongerept is, mijn zelfgecreëerde Eden, weg van de verlokkingen van het heden, van de aftakeling en de deceptie die naast wijsheid nou eenmaal vaak met de jaren komt?

Oké, ik ben slechts middelbaar, maar hoe zit het met de bejaarden en diepbejaarden onder ons, dromen die ook dat ze sappige jonge blaadjes zijn waar iedereen zijn tanden wel in wel zetten, ongehinderd door incontinentie en constipatie, eenzaamheid of wandelstok? Ik droom in elk geval nooit over de blaasklachten waar ik mee kamp, de horrormenstruaties waar ik ook nu u niet mee zal vermoeien. Geen wonder dan dat ik (en misschien met mij alle mensen ‘met een jaartje meer’, de depressievelingen, de door akelige ziektes en diabetes type 2 aangetaste stakkers, ik weet het niet) heel graag slaap – dromen over jongelingen die mijn haren aaien en mijn wangen strelen is oneindig maal prettiger dan weer een grauwe dag buiten, de biobak die door de buurttokkies in de fik is gestoken, de buurvrouw op rechts die om elf uur ’s avonds haar slijptol ter hand neemt, de buurman op links die rochelend zijn blaas leegt of een chagerijnige medemiddelbare echtgenoot die mij wegkijkt uit de woonkamer omdat hij de drie (vier?) wijzen uit het oosten op maandag en vrijdag op de televisie hun oude mannetjes voetbalkletskoek wil horen spuien.

Slapen wil ik. Slapen om te dromen over een niet-bestaande jongeling in een niet-bestaande wereld. Soms ben ik nieuwsgierig naar wat zo’n brabbeldroomduidwebsite over mijn nocturnale belevenissen te zeggen heeft. En soms ook niet. Zoals nu. Laat mij maar dromen, mensen; daar lijkt mij 2019 een uitermate geschikt jaar voor.

Een goed 2019 voor jullie. Dat je dromen maar mogen uitkomen – tenzij je liever, net als ik, voor altijd wilt blijven dromen.