Mijden als overlevingsstrategie in het internettijdperk

Op het moment dat ik besluit om het nieuws (tijdelijk) te mijden vanwege een overvol gemoed, (een wiebelig en wankel evenwicht in mijn hoofd, een onrustige hormoonhuishouding, een winterdepressie, mijn tere eigenwaarde die als een stuk smeltend ijs op een van de polen op alarmerende wijze afbrokkelt door een manuscript dat stof ligt te verzamelen, you name it, I’ve got it), lees ik dat nieuwsmijden een privilege is. Mensen in crisisgebieden, mensen bungelend aan de onderkant van de maatschappij, mensen die woke zijn en zien dat je ogen sluiten voor structurele ongelijkheid en racisme (vrij naar Seada Nourhussen) geen optie is, al die mensen hebben niet de luxe om net te doen of het niet zo is. Die mensen kunnen niet als ik hun bubble heel klein maken, die mensen zitten met hun poten in de giftige modder – een weinig begerenswaardige positie, dat snapt zelfs een blind paard.

Ik denk daar even over na, heel gechargeerd gezegd: of mijn neerslachtige gevoel als luxe voelt, als privilege. Het antwoord is natuurlijk nee; het sluiten van mijn ogen is een overlevingstrategie. Nieuwsmijden betekent mijn wereld klein houden, omdat ik het gevoel heb van de wereld af te vallen als en wanneer ik dat niet doe. Het lot van anderen trek ik me nog steeds aan, ik wil alleen niet de woede voelen van de gele hesjes, om maar iets te noemen. Ik kies er tevens voor om de zwartepietendiscussie dit jaar aan me voorbij te laten gaan en realiseer me meteen dat dit het privilege is waar mevrouw Nourhussen het over heeft, een zwart iemand in Nederland heeft in haar ogen niet die luxe.

Maar ik sluit me momenteel ook af voor feministische retoriek, antisemitisme en luchtvervuiling en dat terwijl ik vrouw ben, halve jood en astmalijer. Als ik dus bij de bushalte naast een rokende tokkie sta te wachten ga ik ergens anders staan en als me weer eens wordt toegeschreeuwd dat ik moet oprotten naar mijn eigen land doe ik net of ik het niet heb gehoord. Maar dat heeft natuurlijk meer met mijden dan met nieuws te maken. Ik heb gewoon een lage tolerantiegraad voor gezeik momenteel, dat is veel dichter bij de waarheid.

Het nieuws an sich kan ik nog wel velen. Dan lees ik alleen een headline en denk ik ‘Het zal wel, Rutte is en blijft een linkmiegelende kuttekop’, het lezen van dit stuk tekst zal niks aan die mening veranderen, de pot op met z’n vaasjes en dat is dan dat. Of ik lees het wel en voel maagzuur opkomen maar weet de schade te beperken door de krant door de kamer te smijten of snel de pagina weg te klikken. Net doen of het niet zo is, zoals ik reeds zei. Of het een privilege of een gave is laat ik maar in het midden.

Nee, het zijn de verdomde comments onder die teksten die me over het randje dreigen te duwen. Wat een idioten zijn er op deze aardkloot, zeg, allemaggies. Ik hoor u denken, als u al zo wiebelig van gemoed bent, waarom léést u die onzin dan, niemand verplicht u immers? Ik ben meningenmoe en toch knipper ik soms met mijn ogen en zit dan wederom snoevend en snuivend middenin het opiniebraaksel van deze onfrisse toetsenbordhelden. Waarom voelt tegenwoordig iedereen maar de behoefte zijn of haar mening hardop (lees: online onder elk nieuwsbericht, column, artikel of post) te spuien ook al is de logica van hetgeen wordt gespuid ver te zoeken, ontbeert het elke vorm van eloquentie (louter tirades en fulminaties en een totale afwezigheid van interpunctie) en heeft de boodschap (als er al een was) enkel tot doel nog meer olie op het vuur te gooien? En als je dan oppert dat het best wel een onsje minder mag, dat géén mening of gepaste stilte soms beter werkt dan al dat onverbindende geblaat, krijg je te horen dat je een weekdier bent en dat je af bent omdat je het woord ‘verbinden’ hebt gebruikt, een woord dat tegenwoordig net zo vies is als ‘monogamie’ in de jaren 70. Tegenwoordig heeft iedereen een mening, al is die mening doorgaans net zo zacht als een achtergelaten puddingbroodje in de motregen. En toch knipper ik dus wel eens met mijn ogen en zit ik weer middenin deze drek. Soms ben je zelf je grootste vijand, nietwaar.

Ik ga u nu een geheim verklappen: Ik weet stiekem wel waarom ik de verbale diarree blijf lezen. Op de spaarzame momenten dat het ‘helemaal lekker’ met me gaat, is ramptoerist spelen best een vermakelijke vorm van tijdverdrijf. Niet te lang, want zelfs op goede dagen is te lange blootstelling aan volidiotende reaguurders (tegenwoordig niet meer exclusief op GeenStijl, elke lul met internet kan zich ertoe verlagen) gevaarlijk voor mijn gezondheid. Voor je het weet zit je weer met een spastisch trekkend oog allerlei ongefundeerde randdebielen aan beide zijden van een zogenaamd spectrum op een voetbalveldje in Tsjernobyl te wensen, al zie ik steeds minder een demarcatielijn tussen deze kanten als ik eerlijk ben. Laat ze elkaar maar kapotschelden daar op dat door godverlaten radioactieve veld en de groeten verder. De truc is jezelf op tijd terug te trekken uit de peilloze diepten van de openbare levensvisies van deze genetisch gehandicapte medemensen. Liefst nog voor het bloed begint te koken: het moet wel vermaak blijven.

Helaas worden zaken die ik vaker doe bij mij snel gewoontes. Routines. En dus stiefel ik in zo’n sombere bui nog steeds regelmatig nietsvermoedend zo’n uit de hand gelopen kleuterfittie binnen en ontdek ik dat mijn bloed al bij de derde woordenbrij van een of andere gedegenereerde josti beangstigend dicht tegen het kookpunt aanzit. Niet op tijd mezelf weggeplukt, te laat de aftocht geblazen, amai. Ik word er overigens wel beter in, een routine kun je ook onroutineren, zolang je maar bewust bent van wat je aan het doen bent. Laat ik het er maar op houden dat het een leerproces is.

En als dat negeren, dat ogen sluiten, dat heel hard wensen dat het niet bestaat (en desondanks weten dat het er wel is en er alleen voor kiezen het niet te veel gewicht toe te kennen omdat het leven al groots en meeslepend genoeg is zonder alle trollen en roeptoeters, globalisering en degeneraten) dan een privilege is – dan is dat maar zo.

Wat mij betreft een privilege waar meer mensen aanspraak op zouden moeten (en kunnen en mogen) doen.