Anti-autoritaire kresj

Voor mij staan twee kratten met multomappen in verschillende kleuren en staten van ontbinding. Het zijn verslagen, aantekeningen en notulen van de crèche waar ik vroeger op zat, een crèche die werd opgeheven en waar moeten dan deze, voor andere mensen totaal oninteressante, notities heen? Weggooien is zonde, geef maar aan mij, dacht ik. En zodoende zit ik nu hier met een paar kilo plastic en vergeeld papier. Uit de kratjes stijgt een muffe lucht op: oud papier, dood hout en als ik er een willekeurige map uithaal is daar de niesbui die je kon verwachten.

Nieuwsgierig begin ik erin te grasduinen. Namen van kinderen (en ja! Bingo! Gelijk al bekende namen!) en hun ouders, contactgegevens met telefoonnummers die niet voorbij de vijf cijfers komen achter het vertrouwde 050. Lang vervlogen tijden, kortom. Ik moet de impuls om de namen van de kinderen te googlen onderdrukken. Eerst maar eens wat lezen.

‘Fedde en Bronja rennen door het gebouw en maken motorgeluiden. Fedde heeft geen broek aan, alleen een onderbroek en Bronja is bloot. Ik moet er smakelijk om lachen. Twee naakte voertuigen. Broek broem geen broek.’

God ja. Het was zo’n crèche. Niet de échte anti-autoritaire; daar zat ik óók op voor ik op deze terechtkwam en ja daar waren helemaal geen regels, behalve dan geen barbies en pistooltjes want sexisties en militaristies, maar wel eentje waar de jaren 70 papa’s en mama’s mee mochten praten, waar eindeloos werd geouwehoerd (inspraak! Weg met het gezag en de wortel van al het kwaad: het paternalisme) en waar de vrije ontwikkeling van de kinderen centraal stond (en de jonge ouders verder konden met de zo wenselijke zelfontplooiing). Geen keurslijf, geen mal, geen standaardkindjes van dertien in een dozijn: iedereen moest de ruimte krijgen zichzelf te zijn om zijn creativiteit zo optimaal mogelijk te benutten. Dat kan niet als het kind door volwassenen wordt begrensd, door regels wordt beknot: er moet onbegrensde vrijheid zijn om tot maximale zelfontplooiing te komen. Laissez faire, niet bemoeien, zelf laten ontdekken.

Ik doe mijn ogen dicht en denk na over deze tijd, ongeveer halverwege de jaren 70. Mijn generatie misschien sowieso, maar deze groep met (jonge, studerende, kritiese) hippieouders specifiek, heeft een opvoeding genoten die in veel opzichten bijna het tegenovergestelde lijkt van hoe er nu met kinderen wordt omgegaan: voor ons toen geen rubberen tegels, geen labels en diagnoses, geen begrenzende, burgerlijke en benauwende regels en protocollen die met de wijsheid van achteraf voor sommigen van ons helemaal niet zo slecht zouden zijn geweest want structuur en rust hebben ook zo hun functie en nut. Voor ons geen preutse bedoeningen: blootlopen in de zomer in de grote tuin was eerder regel dan uitzondering en aan elkaar zitten moest ook allemaal kunnen, van seksueel experimenteren en ontdekken werd een kind een onafhankelijk en weerbaarder mens, het kon zelf prima zijn grenzen leren aangeven. Ook daar vallen in retrospect meer dan een paar kanttekeningen bij te plaatsen.

Niet dat ik het verstikkende, bedillerige, geen enkele ruimte laten voor zelf op je bek gaan van vandaag de dag omarm. Verre van. Iemand die geen fouten mag of kan maken en een ouder heeft die hem het liefst in een luchtdicht skipak van eerdergenoemde rubberen tegels wil metselen, groeit doorgaans niet op tot een evenwichtig, autonoom, zelfdenkend individu.
Net als ik niet opgroeide tot een gezagsgetrouwe onderdaan, een burger die alles altijd aanneemt van iemand, ook niet als die ervoor heeft doorgeleerd – wat me meer dan eens in netelige, minder plezante situaties heeft gebracht. En altijd dat vragen naar het waarom, dat doorvragen: ik heb een hoop niet-vrienden gemaakt, op stageplekken, de universiteit, werk, overal waar autoritaire mensen mij meenden te moeten sturen. Waar mensen meenden dat hun natuurlijke, mannelijke of ervoor-doorgeleerde gezag genoeg moest zijn mij de mond te snoeren. Autonomie heeft zo zijn prijs.

Ik lees in de multomap dat Bronja op een middag verdwenen was en dat de leidster pas doorhad dat ze weg was toen ze weer terugkwam. Ik was de binnenstad in gelopen omdat ik naar de kermis wilde kijken, klaarblijkelijk. Nadat ik dat had gedaan was ik weer teruggelopen. Leeftijd? 3 jaar. Als ik dit zo lees voel ik me een beetje ongemakkelijk, waarom weet ik niet precies.

Er komen twee herinneringen boven: hoe we in de grote boom in de tuin klommen en elkaar probeerden eruit te duwen en hoe we gebroederlijk en gezusterlijk poepten in de bosjes, maar na even denken zijn dit herinneringen die horen bij de tijd dat ik op de anti-autoritaire kresj zat. Veel ouder dan drie kan ik niet geweest zijn, waarschijnlijk eerder twee. Ik denk aan mijn zonen en hoe zij verontwaardigd waren dat ze op hun crèche altijd eerst een hartige boterham moesten eten voor ze er eentje met hagelslag mochten en niemand ze kon vertellen wat de reden voor deze onzin was. Ik grinnik. Wij eten zand en geen hond vond dat een probleem. Wij speelden doktertje waar de juf naast zat en niemand die hier raar van op keek.

Als ik denk aan deze tijd en ook de tijd nog lang erna moet ik concluderen dat ik me vaak eenzaam voelde; veel te volwassen voor mijn leeftijd; zelf afwegingen maken, inschattingen – en geen ouder in de buurt om mij te begeleiden of corrigeren. Dit is geen aanklacht, het is enkel een constatering. Ouders waren met hun eigen zaken bezig – die zelfontplooiing waar ik eerder aan refereerde, het afwerpen van hun jaren 50 juk, dat verstikkende elke-vrije-gedachte-om-zeep- helpende gedachtengoed van hun ouders. Ik geef ze geen ongelijk.

Maar of zo’n levenshouding nou zo geschikt is voor kinderen: (geen enkele) begrenzing of begeleiding? Ik heb heel lang gedacht dat ik ondanks die opvoeding en niet dankzij die opvoeding ben geworden wie ik ben, maar dat is niet helemaal waar. Ja, ik ben op eigen kracht overal (niet) gekomen, maakte zelf mijn keuzes, stippelde mijn eigen koers uit, deelde een enkele beuk uit, huilde in mijn eentje om groot en klein verdriet. En toch hebben die malle jaren zeventig mij meer gevormd dan ik misschien wil toegeven. Zelfstandig ben ik al sinds ik me kan herinneren. Verantwoordelijk ook. Wars van kuddegedrag en groepsdruk. Vrij snel leerde ik dat schaamteloosheid niet erg handig was in deze maatschappij en dat overal een weerwoord op hebben ook niet overal als positief wordt gezien. Soms hield ik dus mijn mond. Een eigenwijs, gezagsmijdend alles bevragend stuk vreten ben ik echter nog steeds. Het kleinste zweempje autoritair gedrag in een ander (meestal bij een kerel) maakt van mij een opstandig vrouwmens.

Uiteindelijk stop ik de mappen terug in de kist. Het is genoeg zo. Het is goed zoals het is. Voorwaarts.