Licht

Ik was bang dat het nooit meer licht zou worden. Dat de dagen op nachten zouden blijven lijken en dat de chaos in mijn hoofd nooit meer zou verdwijnen. Het was beangstigend maar ik wist ook dat door net te doen of het niet zo was het niet vanzelf zou verdwijnen dus ik liet het maar gebeuren, min of min.
Door alle donkerte heen probeerde ik af en toe van boven te kijken alsof ik in een helikopter hing, stationair draaiende motor hoog genoeg boven mijn somberte om alle randen mee te nemen in een screenshot. Dat gaf rust, dat ik dat nog kon. Een momentopname maken. Als ik echt gek was geweest had ik dat niet gekund, zei ik dan tegen mezelf.

Ondertussen zat ik hele dagen op bed en deed niks anders dan slapen, lezen, door berichten van mensen die wel buiten kwamen scrollen en bieden op virtuele veilingen op mijn telefoon. Maar ik was nog niet van de aarde gegleden – ik had immers mijn helikopter nog.

Oh, wat verlangde ik naar warmte op mijn huid. Zon tussen mijn wimpers. Liefde op mijn kussen. Maar er kwam niks en ik wist dat er niks anders op zat dan het uitzitten en het ondergaan.

Op een dag werd ik wakker en zag dat er twee witte strepen door mijn verduisteringsgordijnen waren gebroken. Ik mocht van mezelf niet te veel lezen in de verschijning van het licht in mijn kamer. Zo had ik de gordijnen misschien niet goed gesloten toen ik de avond ervoor naar bed was gegaan. Toch voelde ik hoe mijn lichaam reageerde op de molenwieken; een glimlach, een sneller kloppend hart, een jubel die niet te stuiten was.

Er was weer licht. Er was weer licht en ik kon het zien.